Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:863

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
13-728217-15, 23-002506-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doorzoeking na TCI-melding+ Geen onrechtmatigheid. Geen bewijsuitsluiting.

Het opsporingsonderzoek naar verdachte is gestart op grond van een TCI-melding, waarna onder meer een (naar de mening van de verdediging onrechtmatige) doorzoeking van de woning is gevolgd en verboden middelen in beslag zijn genomen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad wordt het onrechtmatigheidsverweer verworpen. Er volgt geen bewijsuitsluiting. Verdachte wordt veroordeeld voor het bezit van drugs, een wapen met munitie en jammers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/728217-15 en 23/002506-13 (tul)

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1977] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] , gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [locatie] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.A.M. Brok, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 10 november 2015 te Amsterdam een revolver en munitie voorhanden heeft gehad en tezamen en in vereniging XTC‑pillen en jammers voorhanden heeft gehad.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Bewijsuitsluiting

De raadsman acht de aanhouding en doorzoeking onrechtmatig en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De startinformatie van het onderzoek, te weten informatie van het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI), had niet specifiek betrekking op verdachte, maar op medeverdachte. Het onderzoek is op 16 september 2015 gestart. In de periode daarna zijn enkele onderzoeksactiviteiten verricht. Op basis van de informatie die binnenkwam, bestond er – zeker nu de melding betrekking had op de Wet Wapens en Munitie en verdachte documentatie heeft – voor het Openbaar Ministerie gelegenheid om rechtmatig binnen te treden. Dat heeft het Openbaar Ministerie echter niet gedaan. Om haar moverende redenen heeft zij de informatie niet zo serieus genomen. In plaats daarvan is meer onderzoek verricht. Er zijn bijzondere opsporingsmethoden ingezet, onder andere een bevel stelselmatige observatie, tappen en de bevoegdheid ex artikel 126nd Sv. Resultaten zijn er niet. Het stond justitie niet vrij om twee maanden na de TCI-melding, ondanks dat uit nader onderzoek niets was gebleken, de woning binnen te treden. Gelet op de tijdspanne en het personeel dat daarvoor nodig is geweest, kan dat geen toevallige actie zijn geweest. De aanhouding en doorzoeking hebben onrechtmatig plaatsgevonden. Daarom dienen de vruchten ervan van het bewijs te worden uitgesloten. Dat leidt tot integrale vrijspraak van het ten laste gelegde.

Volgens de officier van justitie was sprake van een rechtmatige aanhouding en zijn de gebruikte dwangmiddelen rechtmatig ingezet. Er is nader onderzoek verricht naar aanleiding van de TCI‑melding. Dat was voldoende voor een verdenking. Er behoeft geen bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het opsporingsonderzoek dat aan deze zaak ten grondslag ligt, is gestart op basis van een TCI-melding onder meer inhoudende de naam van verdachte en medeverdachte. Blijkens de processen-verbaal van verdenking in het dossier is naar aanleiding daarvan onderzoek verricht naar de personalia en justitiële achtergrond van verdachte (en medeverdachte). Er is geen oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van de TCI-informatie.

Vooropgesteld moet worden dat verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie.1 Doorgaans is gewenst dat zo mogelijk enig nader onderzoek plaatsvindt ter (falsificatie of, red.) verificatie van die informatie.2 De kwaliteit van de verstrekte gegevens is beslissend voor de vraag of zij zonder meer aanleiding mochten geven tot het instellen van een onderzoek of dat zij eerst nog ondersteuning behoefden. Het oordeel over die kwaliteit is van feitelijke aard3 en wordt gevormd door beantwoording van de vraag of de verstrekte informatie voldoende concreet en specifiek is. Daaraan doet de omstandigheid dat geen oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie kon worden gegeven niet af.4

Naar het oordeel van de rechtbank kon in deze zaak op basis van de TCI-informatie en het daaropvolgende onderzoek naar de personalia en de justitiële achtergrond van verdachte (en medeverdachte) redelijkerwijs het vermoeden ontstaan dat wapens en munitie aanwezig waren in de woning van verdachte. De TCI-melding bevatte concrete, recente informatie over de aanwezigheid van wapens en munitie bij personen die bij naam werden genoemd, verdachte en medeverdachte. Die informatie is aangevuld door nader onderzoek. De combinatie van anonieme en geverifieerde informatie kon de verdenking ex artikel 49 WWM en ex artikel 27van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dragen. Op basis van die verdenkingen was een doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 49 WWM en ter aanhouding ex artikel 55a, eerste lid, juncto 67, eerste lid, Sv in beginsel gerechtvaardigd. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat ontdekking van wapens in beginsel niet anders dan door huiszoekingen kan worden geverifieerd.

Voor de inzet van dwangmiddelen, waarbij (veelal) inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, gelden de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals omschreven in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.5 Daar waar de raadsman klaagt over het niet onmiddellijk doorzoeken van de woning en meent dat het Openbaar Ministerie daarmee haar recht op het gebruik van dat dwangmiddel heeft verspeeld, concludeert de rechtbank dat door het Openbaar Ministerie terecht is gepoogd om eerst door middel van minder ingrijpende middelen de TCI-informatie te verifiëren. In de periode tussen het ontstaan van de verdenking en de doorzoeking, is (ongeveer twee maanden lang) onderzoek gedaan via de (stelselmatige) observatie van verdachte en medeverdachte, via het aftappen van communicatiemiddelen en via bevelen tot verstrekking van historische financiële gegevens van verdachte. Dat onderzoek heeft niets opgeleverd, in de zin dat er geen informatie is bijgekomen waardoor de reeds bestaande verdenking werd geverifieerd of gefalsifieerd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de uitspraak in hoger beroep door het Hof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2015, waarbij verdachte is vrijgesproken van de verdenking van wapenbezit, op 10 november 2015, de dag van de inval door de politie, nog niet onherroepelijk en dus nog niet voor de opsporingsinstantie kenbaar was.

Gelet op het voorgaande voldeed de doorzoeking, welk dwangmiddel in algemene zin een grovere inbreuk inhoudt dan de daarvoor benutte dwangmiddelen, aan de eis van subsidiariteit. Gelet op de aard van de verdenking was dat ook proportioneel.

Om genoemde redenen oordeelt de rechtbank de doorzoeking van de woning en de aanhouding van verdachte rechtmatig. Het verweer wordt verworpen. Er zal geen bewijsuitsluiting volgen.

4.2

Bewijsoverwegingen

De officier van justitie heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gerekwireerd tot een bewezenverklaring van al het ten laste gelegde, met dien verstande dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen dient te worden vrijgesproken en dat hij drie in plaats van zes jammers voorhanden heeft gehad.

De raadsman heeft de rechtbank – kort gezegd – verzocht zorgvuldig om te gaan met de kwalificatie medeplegen op het voorhanden hebben van de aangetroffen verboden middelen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten voor zover verdachte het bezit van de aangetroffen goederen heeft bekend. De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen pillen en jammers niet zijn genummerd, althans dat die geschriften – vermoedelijk kennisgevingen van inbeslagneming – zich niet in het dossier bevinden. De verwijzingen naar (item)nummers in de (Kranenburg-)rapportages kunnen mitsdien niet worden geverifieerd. Gelet op de aanhef van de genoemde rapporten, de verklaring van verdachte omtrent de aard van de verboden middelen en een gebrek aan aanwijzingen anderszins, acht de rechtbank bewezen dat de aangetroffen pillen en jammers verboden waar betreffen, op de wijze als in de genoemde rapporten omschreven.

Het ontbreken van nummering leidt ertoe dat niet bekend is waar in de woning van verdachte de pillen zijn aangetroffen. Het is vaste jurisprudentie dat de aanwezigheid van verdovende middelen in een woning, niet zonder meer leidt tot de conclusie dat (alle) aldaar verblijvende personen worden geacht die verdovende middelen in hun bezit te hebben gehad. Nu niets meer bekend is over de vindplaats van de pillen en verdachte heeft verklaard dat uitsluitend de negen Mercedes-pillen, twee capsules en het plastic zakje van hem zijn, kan ten aanzien van de overige pillen niet worden vastgesteld dat verdachte die pillen aanwezig heeft gehad. Verdachte zal ten aanzien van dat deel van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Voor het onder 3 ten laste gelegde medeplegen bevat het dossier geen aanknopingspunten. Uit het dossier blijkt dat drie van de bij verdachte aangetroffen apparaten verboden waar in de zin van de wet, namelijk zogenaamde jammers, betroffen. Verdachte zal daarom eveneens partieel worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

4.3.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 10 november 2015 te Amsterdam een wapen van categorie II, te weten een geladen revolver, merk Ruger, model SP101, 5720/Hammerless, kaliber .357 magnum en voorzien van een 2,5 inch loop, en munitie van categorie III, te weten 1 patroon, kaliber .357, loden projectiel met bodemstempel nny 357 magnum, en vijf patronen, kaliber .357 magnum, loden projectiel met bodemstempel CBC 357 mag, en zestien patronen, kaliber .357 magnum, loden projectiel met bodemstempel nny 357 magnum, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 10 november 2015 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad negen XTC-pillen, crèmekleurig, met als indruk Mercedes logo en twee transparante capsules waarin 0,24 gram vuilwit poeder en een plastic zakje inhoudende 5,59 gram vuilwitte poeder bevattende MDMA;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 10 november 2015 te Amsterdam, met het oogmerk daarmee opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen en/of worden verwerkt en/of overgedragen te veranderen, te wissen, onbruikbaar en/of ontoegankelijk te maken dan wel andere gegevens daaraan toe te voegen en/of met het oogmerk daarmee opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie te vernielen, te beschadigen of onbruikbaar te maken, een stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk te veroorzaken, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel te verijdelen, drie jammers voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 weken met aftrek van voorarrest en ter zake van het door haar onder 3 bewezen geachte feit tot een geldboete van € 150,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht voor een andere strafmodaliteit te kiezen dan door de officier van justitie gevorderd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf, is een mogelijkheid. Bij de strafoplegging dient rekening te worden gehouden met het feit dat de jammers ooit door justitie aan verdachte zijn teruggegeven. Er kan niet worden gesproken van recidive ten aanzien van die jammers. Voorts heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, bij gebrek aan gronden en vanwege artikel 67a lid 3 Sv, althans verdachte te schorsen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn vaderschap.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een revolver met daarbij een aanzienlijk aantal patronen en verdovende middelen. Het wapen dat bij verdachte is aangetroffen was geladen. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van personen. Dit handelen moet daarom worden tegengegaan door streng op te treden tegen wapenbezit. Verdovende middelen zijn schadelijk voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich kan brengen. Daarnaast veroorzaakt de handel in en het gebruik van verdovende middelen overlast en draagt het bij aan de instandhouding van criminaliteit. Met het gebruik en dus ook het voorhanden hebben van jammers wordt het openbaar gezag ondermijnd en de opsporing van strafbare feiten belemmerd. Het feitencomplex is ernstig en rechtvaardigt, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en hetgeen de verdediging hierover naar voren heeft gebracht geen reden om hiervan af te zien.

De rechtbank ziet gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en de gedeeltelijke vrijspraak aanleiding bij de straftoemeting neerwaarts af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Beslag

De onder verdachte in beslag genomen voorwerpen zijn opgenomen op de aan de rechtbank overhandigde beslaglijst (bijlage II) onder nummers 3 tot en met 27.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwerpen met nummers 3 tot en met 25 aan verdachte dienen te worden geretourneerd, dat nummer 26, de kluis waarin de revolver lag moet worden verbeurd verklaard en dat nummer 27, de revolver, aan het verkeer moet worden onttrokken.

De raadsman heeft verzocht alle goederen, met uitzondering van de revolver, aan verdachte te retourneren.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank oordeelt conform de vordering van de officier van justitie. De nog niet teruggegeven voorwerpen die op de beslaglijst zijn opgenomen onder nummers 3 tot en met 25 dienen aan verdachte te worden geretourneerd, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat er een relatie bestaat tussen die goederen en het bewezen verklaarde feit.

Verbeurdverklaring

Het voorwerp op de beslaglijst opgenomen onder nummer 26 behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp de opsporing van het onder 1 bewezen geachte worden belemmerd, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Het voorwerp op de beslaglijst opgenomen onder nummer 27 is onderwerp van het onder 1 bewezen geachte en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Daarom zal dit voorwerp worden onttrokken aan het verkeer.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 5 februari 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 23/002506-13, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 10 maart 2014 van het gerechtshof te Amsterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd. De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat het in de onderhavige zaak om een andere feiten gaat dan het bewezen verklaarde in de zaak waar de vordering op ziet. Subsidiair heeft de raadsman omzetting naar een taakstraf gevorderd.

De rechtbank begrijpt het standpunt van de verdediging dat sprake is van een andersoortig feitencomplex, maar is van oordeel dat het plegen van strafbare feiten, in algemene zin, in de proeftijd van een eerder opgelegde straf reden is om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Mede gelet op de strafoplegging in de onderhavige zaak, ziet de rechtbank geen aanleiding om het subsidiaire verzoek van de raadsman te honoreren. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 350d van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart ten dele niet bewezen hetgeen onder 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte dan ook partieel vrij. Verklaart evenmin bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met het in artikel 26, eerste lid, gegeven verbod, strafbaar gesteld in artikel 55, derde lid, onder a, van de Wet Wapens en Munitie;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, gegeven verbod, strafbaar gesteld in artikel 10, derde lid, van de Opiumwet;

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in art. 350a, eerste lid, of 350c Sr wordt voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte, [verdachte] , van de voorwerpen die op de beslaglijst zijn opgenomen onder nummers 3 tot en met 25.

Verklaart verbeurd het voorwerp dat op de beslaglijst is opgenomen onder nummer 26.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp dat op de beslaglijst is opgenomen onder nummer 27.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 10 maart 2014 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 2 (twee) weken gevangenisstraf.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,

mrs. J.A.A.G de Vries en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 februari 2016.

Bijlage I – de tenlastelegging

Aan verdachte, [verdachte] , is ten laste gelegd dat

1 (26 lid 1 WWM)

hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amsterdam een wapen van categorie II, te weten een (geladen) revolver (merk Ruger, model SP101 (5720/Hamerless, kaliber .357 magnum en voorzien van een 2,5 inch loop), en/of munitie van categorie III, te weten 1 patroon (.357, loden projectiel met bodemstempel nny 357 magnum) en/of vijf, althans een of meer patronen (kaliber .357 magnum, loden projectiel met bodemstempel CBC 357 mag) en/of zestien, althans een of meer patronen (kaliber .357 magnum, loden projectiel met bodemstempel nny 357 magnum), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2 (art. 2 onder C Opiumwet)

hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

zesentwintig, althans een of meer zogenaamd XTC-pillen (geel, met als indruk International Film Festival Rotterdam logo) en/of

vijf, althans een of meer zogenaamde XTC-pillen (groen, met de indruk Coca Cola logo) en/of

negen, althans een of meer zogenaamde XTC-pillen, (crèmekleurig, met als indruk Mercedes logo) en/of

twee transparantie capsules waarin 0,24 gram vuilwit poeder en/of

een plastic zakje inhoudende 5,59 gram vuilwitte poeder en/of

vijf, althans een of meer zogenaamde XTC-pillen (tweekleurig, geel en donergroen, met de indruk minion figuur) en/of

vijf, althans een of meer zogenaamde XTC-pillen (tweekleurig, roze en vuilwit, indruk Cookie monster figuur) en/of

vijf, althans een of meer zogenaamde XTC-pillen (tweekleurig, roze en groen) en/of

vijf, althans een of meer zogenaamde XTC-pillen (tweekleurig, lichtblauw en donderblauw, indruk Cookie monster figuur)

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methyleendioxymethamfetamine (MDMA), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3 (art. 350d Wetboek van Strafrecht jo 350a Sr. en/of 350c Sr)

hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk daarmee opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen en/of worden verwerkt en/of overgedragen te veranderen, te wissen, onbruikbaar en/of ontoegankelijk te maken dan wel andere gegevens daaraan toe te voegen en/of met het oogmerk daarmee opzettelijk enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie te vernielen, te beschadigen of onbruikbaar te maken, een stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk te veroorzaken, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel te verijdelen zes, althans een of meer jammers, althans een of meer technische hulpmiddelen die hoofdzakelijk geschikt zijn gemaakt en/of ontworpen tot het plegen van een een zodanig bovenomschreven misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.

Bijlage II – de beslaglijst

3. Horloge, Citizen Quartz, 5081965;

4. Horloge, zilver, Role Oyster Deap Sea, 5081966;

5. Horloge, chroomkleurig, 5081969;

6. Horloge, Aqua Ice, met wit lederen polsband, 5082061;

7. Armband, chroomkleurig, 5081900;

8. Edelsteen, rood, 5081906;

9. Armband, zwart, 5081909;

10. Armband, blauw, 5081917;

11. Armband, zilver, 5081918;

12. Tas, zwart met diverse papiertjes, 5081926;

13. Twee stoffen hoesjes, zwart, 5081896;

14. Zaktelefoon, zwart, Nokia, 5081903;

15. Kluis, wit, laptop 50, 5081889;

16. Drukwerk, Spaanstalige brochure, 5081958;

17. Usb Stick (memorykaart), Scandisk 4 GB, 5081959;

18. Usb Stick (memorykaart), Microdisk 64 GB, 5081964;

19. Twee batterijen, 5081312;

20. Twee batterijen, 5081317;

21. Tas, zwart, polstas 5081414;

22. Vier papieren, 5082108;

23. Doos, 5082665;

24. Doos, Rayban, 5081339;

25. Twee GSM Signal Detectors, 5081303;

26. Kluis, koffermodel, 5082086;

27. Revolver, Ruger, 5081377;

1 ECLI:NL:HR:2013:BZ2191, r.o. 2.4.

2 Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM2492 r.o. 2.5.

3 ECLI:NL:HR:2013:BZ2191, noot [persoon] , onder 2.

4 ECLI:NL:HR:2013:BZ2191, r.o. 2.4.

5 Vgl. ECLI:NL:HR:2013:BZ2191, noot [persoon] , onder 6.