Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8610

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
AMS 16/7187 & AMS 16/7187
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:3285, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

WABO. Verlening omgevingsvergunning. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaarmakers geen gronden van bezwaar hebben ingediend. De bezwaarmakers ontkennen gemotiveerd dat zij de herstelverzuimbrief hebben ontvangen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er in dit geval sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Het verschil in (verzend)data op de herstelverzuimbrief en in de administratie brengt mee dat sprake is van een ondeugdelijke verzendadministratie waar het bestuursorgaan zich niet op kan beroepen. Een schriftelijke verklaring van de behandelend jurist van de bezwaarschriftencommissie dat de brief daadwerkelijk (op een van de verzendadministratie afwijkende datum) is verzonden, is onvoldoende als alternatief voor aangetekende verzending of een zorgvuldige administratie. Het bestuursorgaan moet de bezwaarmakers alsnog de gelegenheid bieden bezwaargronden in te dienen. Het beroep is gegrond. Voor het (ambtshalve) treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/381
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/7187 (voorlopige voorziening) & AMS 16/7191 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2016 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] (bijlage I), allen te Amsterdam

(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Oost van de gemeente Amsterdam

(gemachtigde: mr. S. Haak).

Als partij heeft aan de zaak deelgenomen:

[belanghebbende], te Amsterdam

(gemachtigde: mr. J.R. van Angeren).

Partijen worden hierna [verzoekers], het algemeen bestuur en [belanghebbende] genoemd.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2016 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van het pand, het plaatsen van een kelder en het plaatsen van een container op de locatie [adres] te Amsterdam.

Bij besluit van 4 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur het bezwaar van [verzoekers] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

[verzoekers] hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

[belanghebbende] heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek.

[verzoekers] hebben nadere stukken ingezonden.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting van 15 december 2016. [verzoekers] zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Ook zijn verschenen: [verzoeker 1] ([verzoeker 1]), [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4] en [verzoeker 5]. Het algemeen bestuur is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

[belanghebbende] is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Ook is namens [belanghebbende] verschenen: [naam], adviseur ruimtelijke ordening.

Overwegingen

1.1.

De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in bijlage II bij deze uitspraak. De bijlagen maken onderdeel uit van de uitspraak.

1.2.

Als de voorzieningenrechter na de behandeling op de zitting tot de conclusie komt dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij meteen uitspraak doen in de beroepszaak. Dit staat in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter zal in deze zaak van deze bevoegdheid gebruik maken.

Inleiding en het bestreden besluit

2.1.

Bij het primaire besluit heeft het algemeen bestuur aan [belanghebbende] een omgevings-vergunning verleend voor bouwen van een bouwwerk, meer in het bijzonder het vergroten van het pand, het plaatsen van een kelder en het plaatsen van een container op de locatie [adres].

2.2.

[verzoeker 1] heeft mede namens de anderen bij brief van 12 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, maar daarvoor geen gronden aangevoerd. Bij brief van 18 juli 2016 (hierna: de herstelverzuimbrief), voorzien van een stempel ‘verzonden 18 juli 2016’, heeft het algemeen bestuur [verzoekers] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 8 augustus 2016 gronden van bezwaar in te dienen en een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat [verzoeker 1] door de anderen gemachtigd is om namens hen bezwaar te maken. Vóór het verstrijken van deze termijn zijn geen gronden van bezwaar ingediend. Ook is geen machtiging overgelegd.

2.3.

Op 26 september 2016 heeft de Commissie van advies voor de bezwaarschriften van stadsdeel Oost (de bezwaaradviescommissie) het algemeen bestuur geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De reden hiervoor is dat [verzoekers] in de gelegenheid zijn gesteld bezwaargronden aan te voeren, maar dat zij hiervan geen gebruik hebben gemaakt. Het bezwaarschrift voldoet daarom niet aan de wettelijke eisen. Ook heeft [verzoeker 1] geen machtiging overgelegd waaruit blijkt dat hij namens de anderen de bezwaarprocedure mag voeren. Bij het bestreden besluit heeft het algemeen bestuur dit advies overgenomen.

Standpunt van het algemeen bestuur en [belanghebbende]

3. Het algemeen bestuur en [belanghebbende] stellen zich, samengevat, op het standpunt dat de herstelverzuimbrief voldoet aan de daarvoor geldende eisen. Er is geen indicatie voor het tegendeel. Zo blijkt uit de digitale verzendadministratie dat de brief is verzonden naar het juiste adres. Ook wijst het algemeen bestuur op een verklaring van 12 december 2016 van mr. D.A. Robinson (Robinson), secretaris van de bezwaaradviescommissie en de behandelend jurist. Het algemeen bestuur stelt aan zijn bewijslast te hebben voldaan om de verzending van de herstelverzuimbrief aannemelijk te maken.

Standpunt van [verzoekers]

4. [verzoekers] bestrijden het standpunt van het algemeen bestuur en [belanghebbende]. De niet aangetekend verzonden herstelverzuimbrief is nooit ontvangen. Dit betekent dat het algemeen bestuur aannemelijk moet maken dat de brief is verzonden naar het juiste adres. De verzendadministratie van het dagelijks bestuur vertoont gebreken en daarom heeft het algemeen bestuur niet aan zijn bewijslast voldaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5.1.

Vooropgesteld wordt dat de bedenkingen die [verzoekers] hebben bij de verleende omgevingsvergunning in deze procedure niet aan bod kunnen komen. De voorzieningenrechter kan alleen de vraag beantwoorden of het algemeen bestuur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat er geen gronden van bezwaar zijn ingediend. Van belang hierbij is dat de herstelverzuimbrief niet per aangetekende post is verzonden naar [verzoekers], maar per gewone post.

5.2.

De voorzieningenrechter dient bij de beoordeling van deze zaak te letten op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In soortgelijke zaken heeft de Afdeling bepaald dat indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt echter wel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Ook dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om het vermoeden dat het per post verzonden besluit wordt ontvangen, te ontzenuwen. Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, te vinden op rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RVS:2016:2795.

5.3.

Omdat [verzoekers] gemotiveerd ontkennen dat zij de herstelverzuimbrief hebben ontvangen, is de eerste te beantwoorden vraag of het algemeen bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat die brief wel is verzonden. In dat verband wordt vastgesteld dat de herstel-verzuimbrief is gericht aan het juiste adres en is voorzien van een verzenddatum. De vraag die partijen verdeeld houdt is of er in dit geval ook sprake is van een deugdelijke verzend-administratie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en heeft daarvoor de volgende redenen.

5.4.

In de verzendadministratie van de bezwaaradviescommissie is vastgelegd dat de herstelverzuimbrief zou zijn aangemaakt en gedateerd op 15 juli 2016 en ook op die dag zou zijn verzonden. Buiten twijfel is dat deze registratie niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Op de herstelverzuimbrief zelf staat namelijk 18 juli 2016 als dagtekening en ook als datum van verzending. Partijen zijn het daar zelf ook over eens. Dit verschil in (verzend)data brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat sprake is van een ondeugdelijke verzendadministratie waar het algemeen bestuur zich niet op kan beroepen.

5.5.

Die ondeugdelijkheid van de verzendadministratie kan verder niet worden weggenomen met de verklaring van Robinson. In deze verklaring van 12 december 2016 geeft Robinson aan hoe hij met de bewuste herstelverzuimbrief van 15, dan wel 18 juli 2016, dus vijf maanden eerder, is omgegaan. Deze verklaring onderstreept de onjuiste inhoud van de verzendadministratie. Robinson verklaart dat de herstelverzuimbrief in eerste instantie is aangemaakt op en voorzien van de verzenddatum ‘15 juli 2016’, maar niet meer mee kon met de laatste postronde op die datum. Hij heeft er toen voor gekozen de herstelverzuimbrief opnieuw te printen met als datum 18 juli 2016, voor verzending af te stempelen en ook feitelijk aan te bieden voor bezorging op die datum. In de systemen is dat echter niet terug te vinden. Met een adequate registratie van de verzending heeft een bestuursorgaan een geobjectiveerd middel in handen om achteraf de verzending aannemelijk te maken. Er worden in de rechtspraak hoge eisen gesteld aan het correct bijhouden van een verzend-administratie, zeker omdat bestuursorganen er voor kiezen om belangrijke post niet aangetekend te verzenden als maatregel om kosten te besparen. Die eisen zijn ingegeven door de grote gevolgen die een onjuiste registratie met zich meebrengt voor bezwaarmakers als [verzoekers], namelijk het niet inhoudelijk afdoen van hun bezwaar. Dit komt er wel op neer dat, indien gekozen wordt voor het niet aangetekend verzenden van belangrijke post, die administratie foutloos moet zijn en dat is hier niet het geval. Hoewel geen concrete aanleiding bestaat te twijfelen aan wat Robinson in zijn verklaring naar voren heeft willen brengen, is een schriftelijke verklaring dat de brief daadwerkelijk is verzonden onvoldoende als alternatief voor aangetekende verzending of een zorgvuldige administratie.

5.6.

Omdat sprake is van een ondeugdelijke verzendadministratie, heeft het algemeen bestuur niet aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief daadwerkelijk op de genoemde datum aan [verzoekers] is verzonden. De overige gronden en verweren behoeven om die reden geen verdere bespreking meer.

Conclusie met betrekking tot het beroep

6. De voorzieningenrechter stelt [verzoekers] dus in het gelijk. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het algemeen bestuur ten onrechte de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het algemeen bestuur zal worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Concreet betekent dit dat de bezwaarprocedure opnieuw moet worden doorlopen, waarbij [verzoekers] alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om bezwaargronden tegen het primaire besluit in te dienen en – indien op dit moment nog noodzakelijk – een machtiging over te leggen.

Conclusie met betrekking tot het verzoek om een voorlopige voorziening

7.1.

Een voorlopige voorziening die is gevraagd op basis van artikel 8:81 van de Awb is bedoeld om te gelden tot er in de hoofdzaak (het beroep) is beslist. De voorzieningenrechter heeft in dit geval in de hoofdzaak beslist. Er is daarom geen reden dat verzoek (zaaknummer AMS 16/719) toe te wijzen.

7.2.

Nu het bestreden besluit wordt vernietigd, heeft de rechter op verzoek van partijen of ambtshalve de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te treffen die geldt gedurende, in dit geval, de bezwaarprocedure (zie artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb). [verzoekers] hebben hier niet om gevraagd. De voorzieningenrechter ziet op dit moment ook geen aanleiding dat ambtshalve te doen. Van belang is hierbij dat het uitgangspunt is dat besluiten uitvoerbaar zijn, ook al worden daartegen procedures gestart. Verder hebben [verzoekers] ook in beroep en in het verzoek om een voorlopige voorziening geen inhoudelijke gronden aangevoerd waardoor op dit moment getwijfeld kan worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. [verzoekers] hebben er wel op gewezen dat hoger beroep is ingesteld bij de Afdeling tegen een besluit van 4 februari 2015, waarbij het algemeen bestuur aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning heeft verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. De activiteiten die met het primaire besluit worden vergund, sluiten aan op dat besluit van 4 februari 2015. Als dat besluit van 4 februari 2015 wordt vernietigd heeft dat direct gevolgen voor het primaire besluit, aldus [verzoekers]

7.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat de voorzieningenrechter van de Afdeling op 5 december 2016 een verzoek van [verzoekers] heeft afgewezen om het besluit van 4 februari 2015 te schorsen, aangezien er vooralsnog onvoldoende aanknopingspunten voor hem waren voor het oordeel dat dit besluit niet in stand zal blijven. De voorzieningen-rechter ziet op dit moment, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding om naast of in aanvulling op het gegrond verklaren van het beroep tevens een voorziening te treffen op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.

Griffierecht en proceskosten

8. Het algemeen bestuur dient het betaalde griffierecht in de beroepszaak te vergoeden. Ook wordt het algemeen bestuur veroordeeld in de proceskosten die [verzoekers] hebben gemaakt. De voorzieningenrechter begroot die kosten op een forfaitair bedrag van € 992, - (één punt voor het beroepschrift, één punt voor verschijnen op te zitting, € 496, - per punt met wegingsfactor één).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het algemeen bestuur op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt het algemeen bestuur op het betaalde griffierecht van € 334, - (zegge: driehonderdvierendertig euro) aan [verzoekers] te vergoeden;

- veroordeelt het algemeen bestuur in de proceskosten van [verzoekers] tot een bedrag van € 992, - (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: NV

rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening geen hoger beroep worden ingesteld.

Bijlage I

[verzoekers]

[verzoekers]

[verzoekers]

[verzoekers]

[verzoekers]

[verzoekers]

Bijlage II

De voorzieningenrechter heeft bij de beoordeling van deze zaak gelet op de volgende wettelijke bepalingen:

Artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht:

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

Artikel 6:6, aanhef en onder a en slot, van de Algemene wet bestuursrecht:

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht:

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.

2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.

3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:

a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;

b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.

5. De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.

6. De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht:

Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.