Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8472

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2092
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:574, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na bestuurlijke lus. Afwijzing omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Nog steeds onvoldoende gemotiveerd dat het gevraagde in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Wel voldoende toegelicht dat het beleid overeenstemt met de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Verweerder heeft kunnen afzien van de mogelijkheid om gedeputeerde staten om ontheffing te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2092

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Aalsmeer, eiser

(gemachtigde: mr. K. van der Leij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder

(gemachtigde: mr. R.J. van Eldik).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarnaast is namens eiser verschenen zijn zoon, [de man] jr. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn toenmalige gemachtigde mr. J.C. Blonk.

Bij tussenuitspraak van 5 september 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak bij brief van 14 oktober 2016 een aanvullende motivering (de nadere motivering) ingediend.

Eiser heeft hierop op 15 november 2016 een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 december 2016 gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak, kort gezegd, overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat een algemeen [bedrijf] op het perceel van eiser in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat het beoogd gebruik in strijd is met het gemeentelijk beleid.

3. Verweerder heeft zich in de nadere motivering op het standpunt gesteld dat het beleid voor het plangebied wordt gevonden in de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 en de Nota van Uitgangspunten Schinkelpolder. Volgens verweerder is het beleid erop gericht om de glastuinbouw te behouden en waar mogelijk te versterken. Met het oog op de toekomst is er ook ruimte geboden aan agrarisch aanverwante bedrijvigheid, zolang en voor zover deze de positie van de glastuinbouw kan ondersteunen en versterken. Daarbij moet worden voorkomen dat aanverwante bedrijvigheid de glastuinbouw zal wegdrukken, of vanuit milieuoogpunt zal belemmeren. Om deze reden zijn agrarisch aanverwante bedrijven niet zomaar overal in het plangebied toegestaan. Het beleidsmatige uitgangspunt is dat niet-agrarisch (aanverwante) bedrijven worden geweerd en, voor zover illegaal aanwezig, worden gehandhaafd. Bestaande rechten zijn zo veel mogelijk gerespecteerd, aldus verweerder. Niet agrarisch (aanverwante) bedrijven die in het verleden in afwijking van het bestemmingsplan zijn vergund, zijn consoliderend bestemd en voorzien van een daartoe gerichte functie-aanduiding. Met ‘verrommeling’ heeft verweerder bedoeld dat een verdere verrommeling/uitbreiding in functies niet is gewenst. Algemene opslag is veel ruimer en potentieel belastender (gelet op onder meer de verkeersbewegingen) dan bijvoorbeeld een boten- en/of caravanstalling. Bij een boten- en/of caravanstalling is er een duidelijk beeld van de manier van bedrijfsvoering en de bijbehorende activiteiten. Dit ontbreekt bij algemene opslag. Hier is ook uitermate lastig op te sturen, dan wel op te handhaven (alle opslag is dan immers toegestaan). Algemene opslag hoort daarom echt op een bedrijventerrein, zo stelt verweerder. Het toestaan van dergelijke functies zet de deur ook open voor andere uiteenlopende niet binnen de bestemming passende bedrijfsmatige activiteiten en dit gebied is daarop niet ingericht. Om deze reden wil verweerder (beleidsmatig) dus ook geen ontheffing aanvragen bij de provincie. Met bedrijfsmatig gebruik in de vorm van boten- en/of caravanopslag wordt een – al dan niet tijdelijke – vervolgfunctie gegeven aan kassen en andere agrarische bijgebouwen die door bedrijfsbeëindiging leeg zijn komen te staan. Deze vorm van opslag manifesteert zich in veel glastuinbouwgebieden van de gemeente en is in die zin niet aan te merken als een gebiedsvreemde functie. Het is de bestendige gedragslijn om dit gebruik in beginsel toe te staan. Deze vorm van opslag met weinig vervoersbewegingen en duidelijke bedrijfsactiviteiten past als uitzondering in bepaalde gevallen wel binnen dit gebied. Een dergelijke opslag is niet passend binnen een bedrijventerrein (mede vanuit financiële overwegingen) en kan buiten de glastuinbouwgebieden op deze schaal niet of moeilijk worden gerealiseerd. Verder heeft een groot aantal (glas)tuinbouwbedrijven in een strook langs [adres] , na bedrijfsbeëindiging, plaatsgemaakt voor een manegebedrijf. De ligging van het nabij gelegen Amsterdamse Bos maakt het plangebied aantrekkelijk voor de beoefening van de paardensport. Het gebruik van een manegebedrijf is dus evenmin aan te merken als een gebiedsvreemde functie.

4. Eiser voert in de zienswijze aan dat verweerders stelling dat het beleid erop gericht is de glastuinbouw ter plaatse te behouden en waar mogelijk te versterken, in strijd is met verweerders erkenning dat glastuinbouw ter plaatse geen toekomst meer heeft. Volgens eiser is met het krampachtig vasthouden aan de formele bestemming geen sprake van een goed en doordacht gemeentelijk ruimtelijk beleid. Eiser heeft erop gewezen dat er binnen de bestemming ‘Gemengd – Agrarisch en Bedrijf’ meerdere bestemmingen zijn toegestaan die niets met glastuinbouw te maken hebben.

5. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd dat een algemeen [bedrijf] op het perceel van eiser in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Kennelijk is formeel nog steeds het uitgangspunt dat ter plaatse alleen glastuinbouw en agrarisch aanverwante bedrijven zijn toegestaan, maar uit de uitlatingen van verweerder ter zitting en uit de praktijk, gezien de in het gebied al toegelaten bedrijven die agrarisch niet verwant zijn blijkt dat niet. Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, zijn ter plaatse op grond van het toepasselijke bestemmingsplan immers ook niet-agrarisch verwante bedrijven toegestaan zoals een constructiebedrijf, groothandel in tuinhout, garage en transportbedrijf. Verweerder is in de nadere motivering hier niet op ingegaan, zodat het eerste in rechtsoverweging 6.1 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet is hersteld. De rechtbank kan verweerder ook niet volgen in zijn standpunt dat boten- en caravanstallingen en maneges geen gebiedsvreemde functies zijn. Waar het immers om gaat is of die functies passen binnen de toegestane bestemming, te weten ‘Gemengd – Agrarisch en Bedrijf’. Ook overtuigt het argument van verweerder over de hoeveelheid verkeersbewegingen niet, gezien de verkeersbewegingen die bijvoorbeeld de aanwezigheid van een manege met zich mee zal brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toegestane niet-agrarische verwante bedrijven ter plaatse wel passen binnen een goede ruimtelijke ordening en een algemeen [bedrijf] , zoals eiser dat wenst, niet.

6. De rechtbank stelt echter, net als in de tussenuitspraak, vast dat verweerder een tweede afwijzingsgrond aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, te weten dat het beoogd gebruik in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening (de Verordening). Op grond van artikel 34, eerste volzin, in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening, kunnen gedeputeerde staten verweerder ontheffing van de Verordening verlenen. Hiervoor is vereist dat de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met de regels van de Verordening te dienen provinciale belangen. Verweerder heeft in zijn nadere motivering, zoals weergeven onder punt 3, toegelicht dat het gemeentelijk beleid erop is gericht om de glastuinbouw te behouden en waar mogelijk te versterken. Verweerder heeft ook toegelicht in welke gemeentelijke documenten dit beleid is vastgelegd. In die zin stemt het gemeentelijk beleid overeen met artikel 26c, derde, vierde en vijfde lid, van de Verordening. Dit betekent dat geen sprake is van de situatie dat het gemeentelijk beleid wordt belemmerd door de regels van de Verordening. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van de mogelijkheid om gedeputeerde staten om ontheffing te vragen.

7. Het voorgaande betekent dat verweerder het tweede in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek voldoende heeft hersteld. Nu de strijdigheid met de Verordening een zelfstandige afwijzingsgrond oplevert, betekent dit dat verweerder op grond hiervan de aanvraag heeft kunnen afwijzen.

8. Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verweerder voorafgaand aan de totstandkoming van het bestemmingsplan toezeggingen heeft gedaan, die bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet zijn nagekomen. Verweerder moet deze toezeggingen volgens eiser nu alsnog nakomen. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Dit betoog ziet namelijk op de totstandkoming van het bestemmingsplan, zodat eiser dit had moeten aanvoeren in de procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan.

9. Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat verweerders beleid erop gericht lijkt te zijn om eiser te frustreren. Volgens eiser roept zijn persoon inmiddels wrevel op bij verweerder en wordt de wijze waarop verweerder eiser behandelt daardoor beïnvloed. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

10. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder punt 6 heeft overwogen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand.

11. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in

stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mr. M.C.M. Hamer en mr. A.W.C.M. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016

griffier

voorzitter

de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.