Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:847

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bestuursdwang / wegslepen voertuig / beroep ongegrond / beroep op vertrouwensbeginsel faalt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3575

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: M.W. de Jong en mr. A. de Waal).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bestuursdwang toegepast door op dezelfde datum het voertuig van eiser met [kenteken] weg te slepen. De hieraan verbonden kosten bedragen € 1.123,--, welke kosten verweerder op eiser verhaalt.

Bij besluit van 28 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op 5 januari 2015 om 11:45 uur stond het voertuig van eiser met het [kenteken] op een tijdelijke laad- en loshaven geparkeerd aan [de straat] , ter hoogte van [huisnummer] , te Amsterdam. Deze laad- en loshaven werd aangegeven met twee verkeersborden E7 voorzien van een onderbord met de tekst: ‘op 05-01-2015’. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij het primaire besluit bestuursdwang toegepast en het voertuig van eiser weggesleept. Eiser heeft zijn voertuig op 30 januari 2015 opgehaald en de kosten van bestuursdwang ten bedrage van € 1.123,-- voldaan.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat het wegslepen van eisers voertuig noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van zogenaamde aangewezen weggedeelten en wegen in de zin van artikel 170 van de Wegensverkeerswet (Wvw) 1994. Verder heeft verweerder geen aanleiding gezien om de kosten in verband met het toepassen van bestuursdwang geheel of gedeeltelijk aan eiser terug te betalen.

2.1

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Op grond van het tweede lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang door het college van burgemeester en wethouders uitgeoefend, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.2

Op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw 1994 behoort tot de bevoegdheid van het college tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet, de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.

Op grond van het tweede lid treedt bij de toepassing van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechthebbende die het voertuig afhaalt, in de plaats van de overtreder.

2.3

Op grond van artikel 173, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur de soorten van de in artikel 170, eerst lid, onderdeel c, bedoelde weggedeelten en wegen aangewezen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, worden bij gemeentelijke verordening nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 170 tot en met 172 en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur. Die regels betreffen in elk geval de aanwijzing van de weggedeelten en wegen, voor de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onderdeel c.

2.4

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen.

2.5

Op grond van artikel 2 van de Wegsleepverordening Amsterdam 2010 worden als wegen en weggedeelten, bedoeld in art. 170, eerste lid, onder c, van de wet aangewezen alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente Amsterdam voorzover die behoren tot een van de in art. 2 van het besluit bedoelde soorten van wegen en weggedeelten. Op grond van artikel 2, aanhef en onder f, van het Besluit wegslepen van voertuigen zijn gelegenheden voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen, aangeduid door bord E7 van bijlage 1 bij het RVV 1990, soorten van weggedeelten en wegen, bedoeld in artikel 173, eerste lid, onderdeel a, van de Wvw.

3. In beroep heeft eiser aangevoerd dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waardoor de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Eiser is [van beroep] van het [Team] en verbleef in die hoedanigheid van 26 december 2014 tot 30 januari 2015 in het buitenland. Hoewel eiser gedurende zijn verblijf in het buitenland door zijn kinderen op de hoogte werd gehouden van belangrijke post, is de kennisgeving van verweerder niet als zodanig aangemerkt. Dit heeft te maken met de omstandigheid dat hij geregeld post ontvangt van de gemeente. Het was voor eiser daarom niet mogelijk om zijn voertuig eerder op te halen dan 30 januari 2015, waardoor hij is geconfronteerd met hoge kosten.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de borden van de tijdelijke laad- en loshaven conform de wettelijke regelgeving voldoende duidelijk en zichtbaar waren geplaatst. Evenmin in geschil is dat eiser kan worden aangemerkt als overtreder. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8487) volgt dat als regel uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal samengaan, maar dat het een bestuursorgaan vrijstaat bij wijze van uitzondering bestuursdwang aan te zeggen in die zin dat de kosten van het effectueren daarvan niet of niet geheel voor rekening van aangeschrevene komen. Het bestuursorgaan dient in dit kader alle betrokken belangen af te wegen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan indien kan worden geoordeeld dat de aangeschrevene geen verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane situatie en indien bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat langdurig verblijf in het buitenland niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering kan worden gemaakt op het beginsel dat uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal samengaan. Immers, eiser dient adequate maatregelen te treffen voor het behandelen van mogelijk dringende post. Dat eiser dit naar eigen zegge wel heeft gedaan, maar dat de kennisgeving van verweerder niet als zodanig is aangemerkt door zijn kinderen, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser. Dat eiser geregeld post ontvangt van de gemeente, maakt dit niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat de kennisgeving per aangetekende post aan eiser is verzonden en dat, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, één van zijn kinderen dit poststuk heeft afgehaald op het postkantoor. De beroepsgrond faalt.

5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.