Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
C/13/594640 / HA ZA 15-895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen schending zorgplicht bank, hypothecaire lening met spaar-/levensverzekering is relatief eenvoudig product, verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/594640 / HA ZA 15-895

Vonnis van 21 december 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. C.C.M. Ewalds te Rosmalen,

2. de naamloze vennootschap

ABN AMRO LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. van der Baan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , ABN AMRO (of de Bank) en de Levensverzekeraar worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 september 2015 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van ABN AMRO met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van de Levensverzekeraar met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 10 februari 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van de advocaat van [eiseres] van 11 mei 2006;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 mei 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] had vanaf 1985 (tot begin 2010) een eigen onderneming die zich bezighield met het uitzenden van interim-managers in het bijzonder in de zorgsector, [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ).

2.2.

[eiseres] heeft in 1989 aangekocht een bouwterrein met daarop een in aanbouw zijnde woning gelegen aan [straat] te [plaats] (hierna: de woning) voor een koopsom van fl. 274.900,-, belast met een hypotheek bij de Rabobank met een daaraan gekoppelde levensverzekering, een Spaar Optimaal Hypotheek polis, afgesloten bij levensverzekeringsmaatschappij Interpolis. Deze levensverzekering op het leven van [eiseres] is ingegaan op 1 oktober 1990 en is verpand aan de hypotheeknemer, Rabobank, en beliep een bedrag van fl. 274.900,-/€ 124.744,18, betaalbaar bij overlijden op of voor 1 oktober 2020. De maandpremie bedroeg fl. 312,06 per maand.

2.3.

Op 17 september 1993 heeft [eiseres] een aanvullende lening verkregen van Rabobank ten bedrage van fl. 100.000,-/€ 45.378,02 (eveneens belast met hypotheek). Weer later is nog een derde hypothecaire lening op de woning afgesloten voor een bedrag van fl. 264.996,13/€ 120.250,-. Daarmee bedroeg het totaal aan bij Rabobank uitstaande hypothecaire geldleningen € 290.372, 20.

2.4.

Op 21 juni 1995 is [eiseres] getrouwd met [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De onderneming [bedrijf 1] werd door hen samen voortgezet.

2.5.

In januari 1997 is de Spaar Optimaal Hypotheek polis gewijzigd. Het eindbedrag bleef fl. 274.900,-/€ 124.744,18, maar werd betaalbaar bij overlijden op of voor 1 oktober 2012 en de maandpremie werd fl. 784,49/€ 358,25, althans (volgens latere opgave door [eiseres] aan ABN AMRO) € 369,84 per maand.

2.6.

In maart 2005 hebben [eiseres] en [naam 1] een aanvraag ingediend bij ABN AMRO voor een uitbreiding van het ondernemingskrediet van hun onderneming [bedrijf 1] . Het ondernemingskrediet had op dat moment zijn maximum van € 125.000,- bereikt. Op 13 april 2005 heeft ABN AMRO een offerte uitgebracht voor een lening van in totaal € 370.000,-, bestaande uit drie leningdelen. ABN AMRO heeft daarbij verzocht eerste hypotheeknemer te mogen worden en daarmee de Rabobank te vervangen. De (eerste) offerte van ABN AMRO ging uit van een leningdeel van € 124.744,- in de vorm van een levenhypotheek en de overige twee delen van € 165.256,- en € 80.000,- aflossingsvrij. In deze offerte is rekening gehouden met een nieuwe levensverzekering bij de Levensverzekeraar (de SpaarGroeiVerzekering of Meegroeiverzekering genaamd; hierna: de Meegroeiverzekering) op de levens van [eiseres] en [naam 1] voor 20 jaar (premie: € 150,- per maand; verzekerd kapitaal: € 124.744,-), zonder eigen inbreng van de zijde van [eiseres] en [naam 1] .

2.7.

Op 15 april 2005 heeft [eiseres] onder meer het volgende aan de Bank geschreven:

“(…)

2. De eerste hypotheek: ik heb reeds meer dan twaalf jaar een spaaroptimaal hypotheek via de Rabobank met een bijbehorende levensverzekering via Interpolis. Dit is u bekend. Over acht jaar zou deze afgelost zijn. In uw voorstel gaat u uit van een hele nieuwe start met een levenhypotheek met een looptijd van 20 jaar. Dit zou zonde zijn. Liever neem ik de spaaroptimaal hypotheek mee. Technisch gezien is dit mogelijk vertelt onze accountmanager bij Rabobank (…) ons. (…)

(…)

4. Kunnen we de datum van passeren vervroegen in verband met de zakelijke reden van oversluiten van deze hypotheken?

Mijn algemene doel is om op zo kort mogelijke termijn zo laag mogelijke vaste kosten te hebben. Ik ben nu 51. Het zou mooi zijn als uw aanbod zou kunnen passen in dit beleid. De aflossing van de spaaroptimaal hypotheek op 59 jarige leeftijd hoort bij dit beleid.

Het liefste willen we graag maandag een handtekening zetten onder een contract.

(…)”.

2.8.

Op 19 april 2005 heeft ABN AMRO een nieuwe offerte verstrekt (hierna: de offerte). Deze offerte was geldig tot 13 juli 2005. Bij deze offerte waren onder meer aanvraagformulieren voor de ABN AMRO Bank Meegroeiverzekering gevoegd. [eiseres] en [naam 1] hebben nog diezelfde datum de hypotheekofferte getekend en tevens de aanvraagformulieren voor een ABN AMRO Bank Meegroeiverzekering ingevuld en ondertekend.

2.9.

Bij de geoffreerde Meegroeiverzekering werd uitgegaan van een uitkering van € 124.744,- in geval van overlijden van zowel [eiseres] als [naam 1] voor de einddatum 1 oktober 2012 (met een gegarandeerd eindkapitaal van € 124.744,-). De maandelijkse premie zou volgens de offerte € 619,58 bedragen. Bij de berekening van het eindkapitaal (“doelvermogen”) is uitgegaan van inbreng van de waarde van de Spaar Optimaal Hypotheek polis (“een thans nog lopende polis”) ten bedrage van € 55.000,-. Dit alles is opgenomen in de door [eiseres] en [naam 1] ondertekende hypotheekofferte. In de offerte staat tevens vermeld dat [eiseres] en [naam 1] nog de volgende stukken moesten aanleveren:

“(…)

  • -

    Aanvraag Spaargroei 1e polis

  • -

    Gezondheidsverklaring [ [eiseres] }

  • -

    Gezondheidsverklaring [ [naam 1] ]

  • -

    Machtiging [ [eiseres] ]”.

In de offerte is de volgende machtiging opgenomen:

Machtiging verificatie dienstverbandgegevens

De offerte is uitgebracht onder het voorbehoud dat alle door ons verkregen of te verkrijgen informatie inzake het onderpand en de aanvrager(s) tot ons genoegen is. De aanvrager(s) machtigt/machtigen de geldgever door het ondertekenen van deze offerte, het (de) aan ons medegedeelde dienstverband(en) te verifiëren, onder meer bij het Uitvoeringsorgaan Werknemers Verzekeringen (UWV).”

2.10.

Naar aanleiding van de medische keuringen heeft de Levensverzekeraar een verhoogde maandpremie voor de Meegroeiverzekering voorgesteld van € 712,54. Dit voorstel is op 25 mei 2005 door [eiseres] en [naam 1] voor akkoord ondertekend.

2.11.

Op 6 juni 2005 is de hypotheekakte ten behoeve van ABN AMRO met recht van eerste hypotheek op de woning gepasseerd. In de hypotheekakte is ook een pandrecht opgenomen voor ABN AMRO op “de vordering(en) en alle rechten, voortvloeiende uit de navolgende door de verzekeringnemer gesloten verzekering(en) met ABN AMRO Levensverzekeringen N.V.”.

2.12.

Volgens de aan [eiseres] toegestuurde opgave van het premieverleden van Interpolis van 15 september 2015 bedroeg de afkoopwaarde van de Spaar Optimaal Hypotheek polis per 1 juli 2015 € 58.624,78.

2.13.

Bij brief van 18 augustus 2005 heeft de Levensverzekeraar, voor zover van belang, het volgende aan [eiseres] geschreven:

“(…)

Naar aanleiding van de door u ingediende aanvraag voor een Meegroeiverzekering met waarde-inbreng delen wij u mee dat uw aanvraag medisch is geaccepteerd. Wij kunnen de polis echter niet opmaken omdat wij tot op heden niet de benodigde stukken met betrekking tot de waarde-inbreng mochten ontvangen.

Wij verzoeken u onderstaande stukken aan ons in te zenden.

  • -

    Een kopie van de in te brengen polis van de andere maatschappij

  • -

    (…)

  • -

    Een opgave van de premiehistorie van deze polis (…)

  • -

    De afkoopdatum van deze polis

  • -

    De exacte afkoopwaarde en de datum waarop dit bedrag is overgemaakt

  • -

    Bijgevoegd waardeoverdrachtformulier ingevuld en ondertekend retour.

De verzekeringsmaatschappij van de in te brengen polis dient de afkoopwaarde op ons rekeningnummer (…) te storten (…).

Indien wij de gevraagde stukken niet binnen 1 maand ontvangen nemen wij aan dat de polis zonder waarde-inbreng moet worden opgemaakt. (…)”.

2.14.

Bij brieven van 7 oktober 2005 en 9 november 2005 heeft de Levensverzekeraar nogmaals om toezending van de stukken gevraagd. In de brief van 9 november 2005 staat voorts:

“Indien wij de gevraagde stukken niet binnen 3 weken ontvangen dan zal de aanvraag niet verder door ons behandeld worden en afgelegd worden. Eveneens zal dan de voorlopige dekking van uw Spaargroeiverzekering komen te vervallen. Hierna kunt u geen rechten meer aan deze aanvraag ontlenen. De ontvangen afkoopwaarde t.b.v. EUR 58.624,78 zullen wij dan terugboeken [naar] Interpolis Verzekeringen.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mocht u nog vragen hebben, belt u ons dan gerust.”

2.15.

Bij (aangetekende) brief van 22 maart 2006 heeft de Levensverzekeraar aan [eiseres] en [naam 1] als volgt bericht:

“(…) Naar aanleiding van de door u ingediende aanvraag voor een Spaargroeiverzekering met waardeinbreng delen wij u mede dat wij tot op heden niet de benodigde stukken met betrekking tot de waardeinbreng mochten ontvangen. Wij hebben hierom de aanvraag laten vervallen. De voorlopige dekking is hierbij ook komen te vervallen en kunt u geen rechten meer aan deze aanvraag ontlenen. De reeds ontvangen afkoopwaarde van EUR 58.624,78 zullen wij terugboeken naar Interpolis Verzekeringen (…)”.

2.16.

Op 17 juli 2006 heeft Interpolis de afkoopwaarde opnieuw op een rekening van de Levensverzekeraar gestort. Op 9 augustus 2006 heeft de Levensverzekeraar Interpolis bericht dat zij het ontvangen bedrag niet kon uitkeren aan [eiseres] omdat het geld afkomstig was uit een kapitaalverzekering en het bedrag niet zou worden aangewend voor waardeoverdracht in een verzekering van de Levensverzekeraar. De Levensverzekeraar heeft het bedrag opnieuw overgemaakt naar Interpolis.

2.17.

Bij brief van 18 september 2006 heeft [eiseres] de Levensverzekeraar als volgt bericht:

“ONDERWERP: ABN AMRO SPAARGROEIVERZEKERING T.N.V. [eiseres]

(…)

Bijgaand treft u een aantal documenten aan die – naar ik begrijp van onze accountmanager – kennelijk de reden zijn geweest dat het door u bedoelde bedrag uit de brief van Interpolis inmiddels ettelijke keren heen en weer gegaan zijn. Ik hoop dat u hiermee de zaak rond kunt maken met Interpolis.

Ik wil ook u melden het onzorgvuldig te vinden dat het bedrag zo veel keren heen en weer gestuurd is door ook uw bank, mede ook zonder dat wij daarvan vooraf in kennis zijn gesteld van uw acties.

Ik heb in eerdere correspondentie u en de Rabobank bovendien toestemming gegeven de nodige gegevens uit te wisselen zodat u de transacties met betrekking tot de spaargroeiverzekering had kunnen afwerken.

(…)”.

2.18.

Bij brief van 11 oktober 2006 heeft de Levensverzekeraar naar aanleiding van deze brief het volgende aan [eiseres] en [naam 1] geschreven:

“In onze brief van 22 maart 2006 hebben wij u meegedeeld dat wij de aanvraag voor de Spaargroeiverzekering hebben laten vervallen omdat wij na herhaaldelijke rappelen de benodigde stukken met betrekking tot de waardeinbreng niet mochten ontvangen. Het is niet meer mogelijk om deze aanvraag alsnog op te maken omdat de afkoopdatum van de voort te zetten polis meer dan een jaar geleden is namelijk 1 juli 2005. Aangezien wij de Spaargroeiverzekering dus niet hebben opgemaakt hebben wij ook geen premies geincasseerd voor deze verzekering.

Tevens hebben wij de reeds door ons ontvangen afkoopwaarde van EUR 58.624,78 teruggeboekt naar Interpolis Verzekeringen omdat wij de benodigde stukken niet hebben ontvangen. De door u genoemde correspondentie met betrekking tot het uitwisselen van benodigde gegevens hebben wij nooit ontvangen.

(…)”.

2.19.

Interpolis heeft de afkoopwaarde ten bedrage van € 58.624,78 op 15 december 2006 op de privérekening van [eiseres] en [naam 1] overgemaakt.

2.20.

Op 10 januari 2007 hebben [eiseres] en [naam 1] (na een gesprek met de Bank in december 2006) een bedrag van € 20.000,- overgemaakt naar hun internetspaarrekening. Op 12 februari 2007 hebben [eiseres] en [naam 1] een bedrag van € 19.500,- van de internetspaarrekening overgeboekt naar de zakelijke rekening van [bedrijf 1] onder vermelding van “privé-restitutie”.

2.21.

Op 2 april 2010 is [bedrijf 1] failliet verklaard.

2.22.

[naam 1] is op 13 april 2010 overleden.

2.23.

Bij brief van 20 januari 2011 heeft ABN AMRO gereageerd op een door [eiseres] ingediende klacht over – kort gezegd – het niet afsluiten van de beoogde Meegroeiverzekering en heeft zij die klacht – gemotiveerd – afgewezen.

2.24.

Op 19 april 2011 heeft [eiseres] een klacht ingediend bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD), stellende – kort gezegd – dat ABN AMRO zich onvoldoende heeft ingespannen om de gecombineerde levensverzekering tot stand te brengen.

2.25.

Op 11 januari 2012 heeft de Ombudsman Financiële Dienstverlening van het KiFiD voorlopig geoordeeld dat hij de klacht van [eiseres] ongegrond achtte. De Ombudsman overwoog onder meer:

“Aan het geschil ten grondslag ligt een hypotheekofferte van 19 april 2005. In deze offerte wordt onder Lening, sub 2b, gesproken van een verplichte inbreng van eigen middelen ter grootte van € 55.000,-. Dit bedrag diende te worden ingebracht in een gemengde verzekering op twee levens met [naam 1] en [eiseres] als verzekeringnemers. (…)

De offerte gold onder meer onder de voorwaarde dat de bank in het bezit werd gesteld van de aanvraag voor de hiervoor genoemde verzekering alsmede een gezondheidsverklaring van beide (aspirant-)verzekerden. Hieruit kon [ [eiseres] ] in ieder geval afleiden dat voor het tot stand komen van de verzekering het aanleveren van aanvullende bescheiden door de (aspirant-) verzekeringnemers aan de verzekeraar nodig was.

Vervolgens tref ik in mijn dossier brieven aan van [de Levensverzekeraar], rechtstreeks gericht aan [ [eiseres] ], van achtereenvolgens 18 augustus 2005, 7 oktober 2005 en 9 november 2005 waarin de maatschappij laat weten dat zij nog niet beschikte over (alle) stukken die nodig zijn voor het tot stand brengen van de verzekeringsovereenkomst. (…)

In mijn dossier bevinden zich geen afschriften van brieven waarmee [ [eiseres] ] en /of [naam 1] hebben gereageerd op de brieven van de verzekeraar.

Gezien de niet voor een andere uitleg vatbare inhoud van de brieven van de verzekeraar aan [ [eiseres] ] is mij eigenlijk niet duidelijk welk verwijt de bank kan worden gemaakt.”

2.26.

Vanwege een achterstand in de betaling van de verschuldigde hypotheekrente heeft (de incassogemachtigde van) ABN AMRO op 20 januari 2012 de hypothecaire lening opgeëist.

2.27.

Bij brief van 9 augustus 2012 heeft (de Ombudsman van) het KiFiD definitief geoordeeld dat de klacht van [eiseres] ongegrond is. De Ombudsman heeft in zijn beslissing onder meer overwogen:

“De klacht spitst zich meer in het bijzonder toe op de vraag of [ABN AMRO] op grond van een aan de bank mede door [ [eiseres] ] verstrekte volmacht tekort is geschoten door onvoldoende gebruik te maken van de volmacht hetgeen ertoe heeft geleid dat een door [ [eiseres] ] gewenste levensverzekering niet tot stand is gekomen.

Als ik het goed begrijp stelt u dat het [ [eiseres] ] en haar inmiddels overleden echtgenoot niet is aan te rekenen dat zij niet hebben gereageerd op de brieven van [de Levensverzekeraar] (…) omdat zij in de veronderstelling mochten verkeren dat [ABN AMRO] op grond van de volmacht “de handelende rol van [eiseres] ” had overgenomen.

Ik merk daarover ten eerste op dat de inhoud van de volmacht niet vaststaat. Zelfs als deze zou inhouden dat [ABN AMRO] gemachtigd was om al datgene te doen wat nodig was om de gewenste verzekering tot stand te brengen, is het [ABN AMRO] niet te verwijten dat [de Levensverzekeraar] zich niet tot [ABN AMRO] richt maar tot [ [eiseres] ] om de voor het sluiten van de verzekering noodzakelijke stukken te ontvangen.

(…)

Tot slot kan ik niet om de eigen verantwoordelijkheid van [ [eiseres] ] en haar inmiddels overleden echtgenoot heen waar het de aanlevering van de door de verzekeraar gevraagde – voor het sluiten van de verzekering benodigde – stukken betrof. (…)

Het voorgaande maakt dat ik geen aanleiding heb om mijn voorlopig oordeel dat de klacht ongegrond is, te herzien.

(…)”.

2.28.

Bij brieven van 26 november 2012 en 18 december 2012 (van haar incassogemachtigde) heeft ABN AMRO de hypothecaire lening (nogmaals) opgeëist. Bij brief van 8 januari 2013 heeft (de incassogemachtigde van) ABN AMRO [eiseres] (nogmaals) gedurende zeven dagen in de gelegenheid gesteld een makelaar opdracht te geven tot onderhandse verkoop van de woning over te gaan.

2.29.

Op 11 januari 2013 heeft ABN AMRO aangekondigd de openbare verkoop van de woning in gang te zetten.

2.30.

Bij koopovereenkomst van 10 september 2013 is de woning door ABN AMRO onderhands verkocht, voor welke verkoop ABN AMRO op haar verzoek bij beschikking van 6 november 2013 ex artikel 3:268 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) toestemming heeft verkregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel. In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende.

“(…) 13 . 1 Deze overeenkomst zal, mits met inachtneming van het navolgende, ontbonden (kunnen) worden indien de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle niet uiterlijk 31 oktober 2013 zijn goedkeuring zal hebben verleend voor deze overeenkomst.
13 . 2 Op vervulling van de in lid 1 gemelde voorwaarde kan slechts verkoper zich beroepen.

(…)”.

2.31.

[eiseres] heeft in kort geding gevorderd ABN AMRO te veroordelen om het verzoekschrift als hiervoor onder 2.30 bedoeld in te trekken. Die vordering is afgewezen bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 18 oktober 2013. In dit vonnis is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“4.3. (…)

De stelling van [eiseres] dat het aan ABN AMRO is te wijten dat de overgang van de hypotheek bij de Rabobank en Interpolis naar ABN AMRO Bank en ABN AMRO Levensverzekering N.V. niet naadloos is verlopen, kan voorshands niet door de voorzieningenrechter worden gevolgd. ABN AMRO Bank heeft (…) voldoende aannemelijk gemaakt dat de medische keuringen voor de “SpaarGroeiVerzekering” hebben plaatsgevonden vóór het passeren van de hypotheekakte op 6 juni 2005. (…)

Vervolgens zijn [eiseres] en [naam 1] , vóór het passeren van de hypotheekakte, akkoord gegaan met de verhoging van de maandelijkse verzekeringspremie (…).

In zoverre was de aanvraag van de levensverzekering rond. Kennelijk had ABN AMRO Levensverzekering N.V. nog nadere stukken nodig. Die zijn door haar bij brieven van 21 juni, 18 augustus, 7 oktober en 9 november 2005 opgevraagd (…). Het betreft in ieder geval de volgende – relatief eenvoudig aan te leveren – documenten: een kopie van de in te brengen polis, eventuele wijzigingsaanhangsels, een opgave van de premiehistorie van de in te brengen polis en de afkoopdatum van de in te brengen polis. Hoewel [eiseres] , desgevraagd, ter zitting heeft gesteld dat zij deze gegevens aan ABN AMRO Levensverzekering N.V. heeft doen toekomen (zowel per fax, als per post, als middels een door haar verstrekte volmacht), heeft zij daarvan geen bewijs overgelegd, hetgeen wel op haar weg had gelegen, gezien de betwisting op dit punt door ABN AMRO Bank. Dat [eiseres] de gevraagde gegevens zou hebben verstrekt ligt ook niet in de rede, aangezien ABN AMRO Levensverzekering tot drie keer toe die gegevens heeft verzocht. [eiseres] heeft naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter niet adequaat (genoeg) op deze verzoeken van ABN AMRO Levensverzekering gereageerd. Overigens is niet aannemelijk geworden dat ABN AMRO Levensverzekering N.V. zou hebben geweigerd de verzekeringsovereenkomst aan te gaan als [eiseres] de gevraagde documenten had aangeleverd.

4.4.

Ook de stelling van [eiseres] dat ABN AMRO Bank haar had moeten adviseren om een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten teneinde het risico van vooroverlijden voor het einde van de hypotheek af te dekken, kan niet worden gevolgd. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een overlijdensrisicoverzekering, naast de beoogde “SpaarGroeiVerzekering” ten tijde van het aangaan van de geldlening en hypotheek noodzakelijk was. Verder was [eiseres] in ieder geval vanaf de (…) brief van ABN AMRO Levensverzekering N.V. van 22 maart 2006 op de hoogte van het feit dat de beoogde verzekering niet tot stand was gekomen. [eiseres] heeft ter zitting ook aangegeven dat zij zich bewust was van het feit dat zij en haar echtgenoot onverzekerd waren en het risico dat ze daarmee liepen. Desondanks heeft [eiseres] geen initiatieven ondernomen om weer tot een dekking te kunnen komen.”

2.32.

Bij arrest van 11 maart 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Het gerechtshof heeft in zijn arrest onder meer overwogen dat ABN AMRO op grond van artikel 3:268 lid 1 BW bevoegd was de woning in het openbaar te doen verkopen, aangezien [eiseres] een achterstand had opgebouwd die niet alleen de rente van het eerste leningdeel betrof (ter aflossing waarvan de Meegroeiverzekering zou worden aangewend), maar ook grotendeels de rente van de andere twee leningdelen, en dat ABN AMRO met de uitoefening van haar bevoegdheid geen misbruik van recht maakt, omdat [eiseres] – kort gezegd – niet voldoende heeft aangevoerd om de verwachting aannemelijk te maken dat in een latere bodemprocedure de rechter zal oordelen dat ABN AMRO jegens haar aansprakelijk is en een schadevergoeding zal vaststellen die hoog genoeg is om [eiseres] in staat te stellen het eerste leningdeel volledig af te lossen.

2.33.

Op 28 maart 2014 is de woning aan de koper geleverd.

2.34.

Na de (executoriale) verkoop van de woning resteert thans nog een restschuld van ongeveer € 300.000,-.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – enigszins samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat ABN AMRO en de Levensverzekeraar jegens [eiseres] en [naam 1] hun zorgplicht hebben geschonden door hen niet, althans volstrekt onvoldoende, te informeren omtrent de gevolgen van de nieuwe hypotheek, de extra kosten die gemaakt moesten worden en niet te wijzen op de financiële en fiscale gevolgen ter zake de bestaande spaarhypotheek en ten aanzien van de verhoging van de kosten, niet tegenstaande het feit dat het ging om slechts een bedrag van € 40.000,- dat nodig was voor de bijfinanciering en het feit dat niet is gekeken naar de inkomsten uit hun onderneming en de vraag of nieuwe kosten wel betaalbaar zouden zijn;

II. voor recht verklaart dat ABN AMRO en de Levensverzekeraar aan [eiseres] de schade moeten vergoeden die [eiseres] en [naam 1] hebben geleden terzake de extra kosten die zijn gemaakt vanwege de nieuw aangegane hypotheek(delen) in plaats van inschrijving van één aanvullende hypotheek van slechts € 40.000,- ten behoeve van de onderneming;

III. ABN AMRO en de Levensverekeraar hoofdelijk veroordeelt de door [eiseres] als gevolg van het tekortschieten geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. ABN AMRO en de Levensverzekeraar hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten,

een en ander met hoofdelijke veroordeling van ABN AMRO en de Levensverzekeraar in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eiseres] (zoals door haarzelf samengevat) het volgende ten grondslag.

Door ABN AMRO is nodeloos de hypotheek van de Rabobank vervangen door de hypotheek van de Bank, de Spaar Optimaal Hypotheek is nodeloos afgekocht en gepoogd is deze te vervangen door de Meegroeiverzekering bij de Levensverzekeraar. Als [eiseres] en [naam 1] juist waren geïnformeerd, dan hadden zij niet meegewerkt aan de omzetting van de Rabobank hypotheek in de ABN AMRO hypotheek en de omzetting van de Spaar Optimaal Hypotheek polis in een Meegroeiverzekering bij de Levensverzekeraar en waren zij zeker niet akkoord gegaan met een aanzienlijk financieel verlies op de Spaar Optimaal Hypotheek polis. Blijkens de dagvaarding liggen hieraan, zo begrijpt de rechtbank, (voorts) de volgende meer concrete verwijten aan het adres van de Bank (en de Levensverzekeraar) ten grondslag:

( i) zonder noodzaak (alleen omdat ABN AMRO dat zelf wilde) heeft de Bank de eis gesteld om de Rabobank hypotheek en de Spaar Optimaal Hypotheek polis over te nemen (dit oversluiten was niet in het belang van [eiseres] wanneer dit niet onder dezelfde voorwaarden en “naadloos” zou kunnen plaatsvinden);

(ii) [eiseres] is nooit gewaarschuwd of geattendeerd op mogelijke financiële schade door de overstap van Interpolis naar de Levensverzekeraar (en de afkoop van de Spaar Optimaal Hypotheek polis), waaronder de schade in verband met de afkoop van de Spaar Optimaal Hypotheek polis, de notariële kosten in verband met de nieuwe hypotheek en de kosten van de medische keuringen;

(iii) hoewel [eiseres] en [naam 1] een “naadloze overgang” wilden was daarvan geen sprake: de bestaande levensverzekering (de Spaar Optimaal Hypotheek polis) werd afgekocht (tegen de laagst denkbare waarde) en dit is nooit met [eiseres] besproken en zij is niet gewaarschuwd voor de financiële consequenties;

(iv) ABN AMRO heeft niet onderzocht of oversluiten onder gelijke condities wel mogelijk was en de Bank had moeten adviseren om de bestaande levensverzekering (de Spaar Optimaal Hypotheek polis) te laten doorlopen;

( v) de Bank had geen opdracht mogen geven tot afkoop van de Spaar Optimaal Hypotheek polis totdat zekerheid bestond over de totstandkoming van de ABN AMRO Meegroei-verzekering;

(vi) de hypotheekakte had niet mogen worden gepasseerd omdat de Meegroeiverzekering (levensverzekering) op dat moment nog niet tot stand was gekomen;

(vii) de Bank had [eiseres] en [naam 1] moeten adviseren om naast de levensverzekering ook een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten;

(viii) de Bank had de afkoopsom van de Spaar Optimaal Hypotheek polis moeten gebruiken voor de Meegroeiverzekering en had deze niet mogen gebruiken ter aflossing van zakelijke schulden zoals zij heeft gedaan;

(ix) door het terugstorten van de afkoopsom van de Spaar Optimaal Hypotheek polis heeft [eiseres] hierover 50% belasting moeten betalen;

( x) de Bank heeft geen onderzoek gedaan of laten doen naar de financierbaarheid, noch [eiseres] op het geheel aan kosten gewezen;

(xi) het is aan de Bank en de Levensverzekeraar te wijten dat de Meegroeiverzekering op naam van [eiseres] en [naam 1] niet tot stand is gekomen;

(xii) de Bank heeft de belangen van [eiseres] geschaad door de woning te veilen en daarvoor een niet-marktconforme prijs te krijgen.

3.3.

De Bank en de Levensverzekeraar voeren gemotiveerd verweer.

3.3.1.

Het verweer van de Bank komt er kort gezegd op neer dat zij een passend en aantrekkelijk financieringsvoorstel aan [eiseres] en [naam 1] heeft gedaan dat aansloot bij hun wensen. De Meegroeiverzekering is niet tot stand gekomen omdat [eiseres] en [naam 1] hebben verzuimd om de door de Levensverzekeraar verzochte stukken tijdig aan deze toe te zenden. Als [eiseres] en [naam 1] de stukken wel hadden toegezonden, zou de Spaar Optimaal Hypotheek “naadloos” zijn overgesloten bij de Levensverzekeraar per 1 oktober 2005.

3.3.2.

De Levensverzekeraar stelt allerereerst dat zij niet betrokken is geweest bij de advisering over het oversluiten van de hypotheek en de door de Bank geadviseerde financiële constructie. De rol van de Levensverzekeraar was beperkt tot het verwerken van de (onvolledige) aanvraag van [eiseres] . De Meegroeiverzekering is niet tot stand gekomen omdat [eiseres] de benodigde stukken niet op tijd heeft aangeleverd. Bovendien stelt de Levensverzekeraar zich op het standpunt dat de vorderingen van [eiseres] zijn verjaard en doet zij een beroep op rechtsverwerking.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van de Levensverzekeraar

4.1.

Het beroep van de Levensverzekeraar op verjaring slaagt. Hiervoor is het volgende redengevend. Op grond van artikel 3:310 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde persoon zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het enige concrete verwijt dat [eiseres] de Levensverzekeraar maakt, is dat de Meegroeiverzekering nooit tot stand is gekomen. In haar brief van 11 oktober 2006 (naar de Levensverzekeraar onbetwist heeft gesteld het laatste contact tussen haar en [eiseres] ) heeft had de Levensverzekeraar (nogmaals) – zoals eerder in haar brief van 22 maart 2006 – uitgelegd dat het niet meer mogelijk was de Meegroeiverzekering (alsnog) tot stand te doen komen, omdat de afkoopdatum van de voort te zetten polis meer dan een jaar geleden was waardoor het geruisloos voortzetten van de verzekeringspolis daardoor niet langer mogelijk was. Op dat moment (op 22 maart 2006 of in ieder geval op 10 oktober 2006) was derhalve voor [eiseres] duidelijk wat zij de Levensverzekeraar (en de Bank) thans verwijt: dat de Meegroeiverzekering op naam van [eiseres] en [naam 1] (door toedoen van de Levensverzekeraar) niet tot stand is gekomen (zie hiervoor onder 3.2 (xi)). Dat betekent dat de eventuele vorderingen van [eiseres] jegens de Levensverzekeraar in 2011 reeds waren verjaard en de dagvaarding (waarin [eiseres] voor het eerst – naast de Bank – ook de Levensverzekeraar heeft aangesproken) te laat is uitgebracht. De vorderingen jegens de Levensverzekeraar zullen dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van de Bank

4.2.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] en [naam 1] in maart 2005 ABN AMRO hebben benaderd voor een aanvullend (ondernemers)krediet, omdat – zoals de Bank onbetwist heeft gesteld – sprake was van crediteurendruk (twee grote opdrachtgevers hadden nog niet betaald en er waren kosten vanwege het ontslag van een directeur) en [eiseres] en [naam 1] de solvabiliteit van de onderneming wilden aanvullen. De Bank heeft zich bereid verklaard aanvullend krediet ter beschikking te stellen. Zij heeft daartoe een offerte opgesteld die vervolgens naar aanleiding van vragen van [eiseres] en [naam 1] is aangepast. Voorwaarde voor de Bank was dat zij een recht van eerste hypotheek op de woning van [eiseres] zou krijgen. Dit is een begrijpelijke voorwaarde. Niet valt in te zien waarom de Bank (of welke bank dan ook) genoegen zou moeten nemen met een recht van vierde hypotheek zoals in de stellingen van [eiseres] besloten lijkt te liggen. Voorts heeft de Bank terecht aangevoerd dat het [eiseres] , indien zij de hypotheken niet had willen oversluiten bij ABN AMRO, vrij had gestaan aanvullende financiering te vragen bij Rabobank (of een andere bank) of van de aanvullende financiering moeten afzien) Dat heeft zij niet gedaan. De Bank heeft vervolgens een financieringsvoorstel gedaan waarbij zij alle bestaande (hypothecaire) financieringen bij Rabobank zou overnemen. In de offerte staat duidelijk vermeld van welk (bruto) inkomen van [eiseres] en [naam 1] de Bank is uitgegaan en wat de rentelasten, de aflossingen, de premie en de afsluitprovisie zouden zijn en tevens dat de kosten van de notaris voor rekening en [eiseres] en [naam 1] zouden komen. De Bank heeft (onbetwist) toegelicht dat de totale rentelasten van [eiseres] (en [naam 1] ) met dit nieuwe voorstel – inclusief het extra krediet van € 80.000,- – niet hoger en zelfs (iets) lager waren dan de rentelasten bij Rabobank. Inclusief de Meegroeiverzekering waren de maandlasten (totdat deze verzekering op 1 oktober 2012 tot uitkering zou zijn gekomen) hoger, maar dit was [eiseres] en [naam 1] bekend. Zij hebben zelf de (hogere) premie geaccepteerd (zie hiervoor onder 2.10) en voorts geldt dat met deze Meegroeiverzekering niet alleen het leven van [eiseres] zou zijn verzekerd, maar ook dat van [naam 1] . [eiseres] en [naam 1] hebben – bekend met al deze informatie – vervolgens de offerte getekend. Zie hieronder voor de financieringslasten:

Dat een dergelijk overzicht ten tijde van de advisering niet (op deze manier) aan [eiseres] is verstrekt, zoals zij stelt, is niet relevant. Zij had dergelijke berekeningen op basis van de offertes immers ook zelf eenvoudig kunnen maken, zoals de Bank ook terecht heeft opgemerkt.

4.3.

Vervolgens hebben [eiseres] en [naam 1] meegewerkt aan het – op hun aandringen vervroegd – passeren van de hypotheekakte waardoor zij de beschikking kregen over het aanvullende krediet van € 80.000,-. De medische keuringen hadden plaatsgevonden, de Levensverzekeraar had zich bereid verklaard de Meegroeiverzekering af te sluiten (tegen de iets hogere door [eiseres] en [naam 1] geaccordeerde premie) en op dat moment gold – zo heeft de Bank onbetwist gesteld – dan ook een tijdelijke overlijdensrisicodekking (tot het moment waarop de Meegroeiverzekering zou ingaan).

Aan de stelling van [eiseres] dat zij geen uitbreiding van het krediet van € 80.000,- nodig hadden, maar slechts een uitbreiding van € 40.000,- wordt voorbij gegaan. Dat zij slechts om een bedrag van € 40.000,- hadden gevraagd, blijkt nergens uit en zij hebben bovendien de offerte getekend waarin deze kredietuitbreiding was opgenomen.

4.4.

Dit alles betekent dat de verwijten van [eiseres] hiervoor weergegeven onder 3.2 (i) tot en met (vii) en (x) in belangrijke mate feitelijke grondslag ontberen. Het is de rechtbank niet duidelijk waarover en hoe de Bank [eiseres] en [naam 1] – bij een relatief eenvoudig product als een hypothecaire lening met daaraan gekoppelde levensverzekering/spaarhypotheek – duidelijker of meer hadden moeten informeren of waarschuwen. Daarop stuiten de vorderingen – voor zover op de hiervoor genoemde verwijten gegrond – af.

4.5.

Voor het overige geldt dat [eiseres] het feit dat de Meegroeiverzekering niet (tijdig) tot stand is gekomen aan zichzelf heeft te wijten. De Levensverzekeraar heeft [eiseres] (en [naam 1] ) meermaals om aanvullende stukken verzocht, maar [eiseres] heeft aan deze (herhaalde) verzoeken geen gevolg gegeven. [eiseres] heeft niet betwist dat zij deze brieven heeft ontvangen. Haar stelling dat zij er vanuit ging dat alles – al dan niet op basis van een door haar (aan de Bank) verstrekte volmacht – door de Bank zou worden geregeld, kan haar niet baten. Zelfs immers als zij daarvan (al dan niet ten onrechte) uitging, had het op haar weg gelegen om naar aanleiding van de – aan haar gerichte – verzoeken van de Levensverzekeraar contact op te nemen met de Levensverzekeraar of (haar contactpersoon bij) de Bank. Uit de brieven volgt immers onomstotelijk dat er “nog iets moest gebeuren” voordat de verzekering tot stand kon komen en dat de Levensverzekeraar háár vraagt daarvoor zorg te dragen. Indien en voor zover dat tot dan toe nog niet duidelijk was, staat in de brief van 9 november 2005 in ieder geval zonder omhaal dat de door [eiseres] gewenste verzekering niet tot stand kan en zal komen als de Levensverzekeraar niet binnen drie weken daarna de verzochte stukken heeft ontvangen. Nu [eiseres] de Bank (zoals de Bank heeft gesteld en [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zie hierna) niet heeft geïnformeerd over de brieven die zij van de Levensverzekeraar ontving en (dus) ook niet dat zij er vanuit ging dat de Bank voor een en ander zou zorgdragen, valt de Bank hiervan geen verwijt te maken. De door [eiseres] gewenste “naadloze overgang” was zonder meer tot stand gekomen als zij tijdig de door de Levensverzekeraar verzochte stukken had aangeleverd.

4.6.

Onduidelijk is gebleven op welke volmacht [eiseres] doelt in haar betoog (zoals bijvoorbeeld weergegeven in haar brief van 18 september 2006 aan de Levensverzekeraar, zie hiervoor onder 2.17). Het kan niet de “Machtiging” zijn die in de offerte is opgenomen (zie hiervoor onder 2.9) en daar lijkt [eiseres] ook niet op te doelen. [eiseres] heeft naar aanleiding van vragen van de rechter ter comparitie verklaard dat zij naar aanleiding van de brieven van de Levensverzekeraar wèl telefonisch contact heeft opgenomen met de Bank, eerst vele malen vergeefs, maar dat zij uiteindelijk – toen het nog niet te laat was – heeft gesproken met haar contactpersoon bij de Bank ( [naam 2] ) en dat deze het intern zou bespreken. Voorts heeft zij verklaard dat zij – nadat zij de “rare brieven” van de Levensverzekeraar had gekregen – een volmacht heeft afgegeven aan de Bank, waarin zij de Rabobank, de Bank en de Levensverzekeraar toestemming heeft gegeven om onderling informatie uit te wisselen en dat zij die nog thuis in een van haar dossiers had aangetroffen. Zij zou die volmacht hebben toegestuurd aan medewerkers van de Bank en aan de Rabobank. Volgens de brief van haar advocaat van 11 mei 2006 zou de volmacht zijn afgegeven op het kantoor van de Bank in Deventer. Ter zitting had [eiseres] geen (kopie van de) volmacht bij zich. Aan deze verklaring van [eiseres] gaat de rechtbank voorbij. De in deze verklaring besloten liggende stellingen zijn tardief en ongeloofwaardig. Sinds de procedure bij het KiFid is immers duidelijk dat dit voor de Ombudsman en (in ieder geval) ook de voorzieningenrechter het springende punt was waarop de vorderingen van [eiseres] steeds zijn afgewezen. Als dit alles juist zou zijn, had zij dit – daar gaat de rechtbank vanuit – toch eerder aan haar advocaat verteld en in ieder geval moeten vertellen, zodat hij dit eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. De advocaat van [eiseres] heeft ter comparitie echter verklaard dat ook hij dit alles (net als de Bank) toen voor het eerst hoorde.

De advocaat van de Bank heeft ter comparitie naar aanleiding van deze verklaring van [eiseres] nog een brief overgelegd van [naam 1] en [eiseres] aan de Rabobank van 20 april 2005 (getypt) of 2006 (handgeschreven gewijzigd) die de Bank had aangetroffen in haar dossier, als bijlage bij een klachtbrief van 19 oktober 2008 van [naam 1] . In deze brief staat het volgende:

“Tot onze (vervelende) verrassing blijkt thans, dat de verzekering van Interpolis, waarvan het de bedoeling is dat deze ‘overgeheveld’ wordt naar een nieuwe verzekering van de ABN AMRO bank, niet conform onze gestelde condities afgesloten kan worden, omdat bepaalde gegevens ontbreken.

De bedoelde gegevens zijn te vinden in bijgevoegde kopie van de brief van de ABN AMRO Bank dd. 18 augustus jl..

Om het risico zo veel mogelijk te vermijden, dat een en ander door gebrek aan deskundigheid mijnerzijds misloopt verzoek ik jullie deze zaak over te nemen.

Hierbij machtigen [eiseres] , rb] en ik jullie om alle gegevens te verstrekken aan de ABN AMRO Bank die nodig zijn om tot een goede overgang van de ene naar de andere polis. Een van de personen die zich bij de ABN AMRO Bank bezig houdt met deze zaak is [naam 2] , kantoor houdend te Apeldoorn en Deventer.”

De Bank heeft terecht opgemerkt dat de in deze brief genoemde “brief van 18 augustus jl.” de brief van de Levensverzekeraar van 18 augustus 2005 moet zijn, zodat de hiervoor geciteerde brief van april 2006 moet zijn (en niet van april 2005 kán zijn) en is de in deze brief opgenomen “volmacht” aan de Rabobank dus te laat, namelijk nà de in de brief van 9 november 2005 genoemde datum (drie weken daarna), verstrekt en heeft dit (ook indien de “volmacht” de Bank heeft bereikt) [eiseres] dus niet meer kunnen baten bij het afsluiten van de Meegroeiverzekering. De rechtbank ziet in het licht van dit alles dan ook geen aanleiding [eiseres] op dit punt toe te laten tot het leveren van nader bewijs.

4.7.

Op de vaststelling dat het aan [eiseres] zelf te wijten is dat de Meegroeipolis niet tot stand is gekomen, stuiten de vorderingen die zijn gegrond op de verwijten hiervoor genoemd onder 3.2 (ix) en (xi) af.

4.8.

Ook het verwijt gemaakt onder 3.2 onder (viii) mist feitelijke grondslag: niet de Bank heeft de afkoopsom van de Spaar Optimaal Hypotheek polis aangewend ter aflossing van een zakelijke schuld, maar dit hebben [eiseres] en [naam 1] zelf gedaan (zie hiervoor onder 2.20).

4.9.

Het verwijt dat [eiseres] de Bank maakt onder 3.2 (ii) begrijpt de rechtbank aldus dat de Bank bij (de advisering over) de “naadloze overgang” niet de afkoopwaarde van de Spaar Optimaal Hypotheek polis tot uitgangspunt had mogen nemen, maar de op dat moment werkelijk in de polis opgebouwde waarde. Ook dit verwijt gaat niet op. Allereerst heeft [eiseres] in het geheel niet onderbouwd dat de werkelijk in de polis opgebouwde waarde op het moment van de overgang – zoals zij in deze procedure stelt – ruim € 80.000,- zou hebben bedragen en evenmin hoe die waarde op dat moment (bij tussentijdse) afkoop had kunnen worden gerealiseerd. Met de in de offerte voorgestelde financiële constructie werd – tegen een door [eiseres] en [naam 1] geaccordeerde hogere premie – de door [eiseres] gewenste naadloze overgang tot stand gebracht: zij zou immers onder de Meegroeiverzekering – net als onder de Spaar Optimaal Hypotheek polis – op 1 oktober 2012 een uitkering krijgen ten bedrage van € 124.744,- (zie hiervoor onder 2.9) en de rechtbank ziet dan ook niet welk nadeel [eiseres] zou hebben geleden (als de Meegroeiverzekering tot stand was gekomen) en waar de advisering van ABN AMRO op dit punt tekort zou zijn geschoten.

4.10.

Ook het verwijt van [eiseres] onder 3.2 (xii) treft geen doel. ABN AMRO heeft van de voorzieningenrechter toestemming verkregen voor de onderhandse executoriale verkoop van de woning (zie hiervoor onder 2.30). De bezwaren van [eiseres] tegen de executoriale verkoop zijn door de voorzieningenrechter en het gerechtshof, zoals thans in deze procedure is gebleken, terecht afgewezen.

Proceskosten

4.11.

Dit alles betekent dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden als volgt begroot:

Bank

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452)

Totaal € 2.813,00

Levensverzekeraar

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 894)

Totaal € 2.813,00

4.12.

De nakosten worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

4.13.

Over de proceskosten zal [eiseres] aan de Levensverzekeraar bij niet tijdige betaling wettelijke rente verschuldigd zijn zoals gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 2.813,00,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Levensverzekeraar tot op heden begroot op € 2.813,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven (7) dagen na heden,

5.4.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat,

5.5.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van de Levensverzekeraar begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van zeven (7) dagen na heden,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.1

1 **