Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
13/710110-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurder van liefdadigheidsinstelling heeft ongeveer € 650.000,- verduisterd. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan hypotheekfraude, valsheid in geschrift en oplichting. De rechtbank heeft opgelegd een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710110-12 (Promis)

Datum uitspraak: 15 december 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 februari 2016, 9, 10 en 11 november 2016 en 1 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.A.M. Brok, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1 (zaaksdossiers [naam bedrijf 1 BV] , [naam 1] en [naam 2] ): het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, te weten drie facturen, in de periode van 19 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en/of de periode vanaf 10 augustus 2010 tot en met 16 juni 2011, op verschillende plaatsen in Nederland

en/of het valselijk opmaken of vervalsen van die drie facturen;

Feit 2 (zaaksdossier [naam bedrijf 2 BV] ): het samen met anderen opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, te weten een factuur, in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 augustus 2010, op verschillende plaatsen in Nederland

en/of het samen met anderen valselijk opmaken of vervalsen van die factuur;

Feit 3 (zaaksdossier Hypotheekfraude): het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, te weten een werkgeversverklaring en een arbeidsovereenkomst, in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2011, op verschillende plaatsen in Nederland

en/of het valselijk opmaken of vervalsen van genoemde inkomensdocumenten;

Feit 4 (zaaksdossier Hypotheekfraude): de oplichting van ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. , in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2011, op verschillende plaatsen in Nederland;

Feit 5 (zaaksdossier [naam 3] ): het medeplegen van verduistering van geldbedragen toebehorende aan [stichting 1] , in zijn hoedanigheid als bestuurder van die stichting, in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011, op verschillende plaatsen in Nederland;

Subsidiair: het medeplegen van diefstal van die geldbedragen;

Feit 6 (zaaksdossier [naam 3] ): het samen met (een) ander(en) valselijk opmaken of vervalsen van twee geldleningsovereenkomsten en een bevestiging bij de jaarrekening 2010, in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 december 2011, op verschillende plaatsen in Nederland;

Feit 7 (zaaksdossier [naam 3] ): het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalst geschriften, te weten twee procuratieschema’s, een volmacht en een transactieoverzicht, in de periode van 1 mei 2010 tot en met 5 oktober 2011, op verschillende plaatsen in Nederland

en/of het valselijk opmaken of vervalsen van genoemd transactieoverzicht;

Feit 8 (zaaksdossier [naam bedrijf 3 BV] ): de oplichting van diverse personen en/of bedrijven, in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 30 april 2012, op verschillende plaatsen in Nederland;

Feit 9 (zaaksdossier [naam bedrijf 3 BV] ): het valselijk opmaken of vervalsen van een Side-letter en een vaststellingsovereenkomst, in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 5 april 2012, op verschillende plaatsen in Nederland

en/of het opzettelijk gebruik maken van die valse of vervalste geschriften.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1.

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1.

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat het door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijsmateriaal is verkregen door particuliere onderzoekers van het accountantsbureau Ernst&Young (hierna: [accountantskantoor] ) en de rechtspersoon [naam bedrijf 1 Ltd] (hierna: [naam bedrijf 1 Ltd] ) in de fase voorafgaand aan het justitieonderzoek, zonder dat bij de vergaring van dit bewijsmateriaal belangrijke strafvorderlijke rechtswaarborgen, zoals een cautie, in acht zijn genomen en verdachte werd gedwongen tot afgifte van zijn werklaptop. Door van dit onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken, is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Daarmee is aan verdachte een eerlijk proces onthouden. Ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet dit leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van verdachte.

3.2.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 359a Sv kan de rechtbank, als blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek belangrijke vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, onder andere de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren of tot bewijsuitsluiting overgaan.

De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake is geweest van onrechtmatig onderzoek door particulieren, zodat, om die reden al, de resultaten van dat onderzoek kunnen worden gebruikt voor het bewijs en van een niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie geen sprake kan zijn.

De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af. Verdachte is op 11 juni 2011 door zijn voormalige werkgever [naam bedrijf 1 Ltd] op non-actief gesteld, gevolgd door ontslag op staande voet op 14 juni 2011. De afdeling Global Security van [naam bedrijf 1 Ltd] heeft zonder toestemming de werkcomputer van verdachte onderzocht. Uit dit onderzoek zijn diverse onregelmatigheden naar voren gekomen. Zo zijn vermoedelijk valse facturen aangetroffen die door [naam bedrijf 1 Ltd] bleken te zijn betaald. [naam bedrijf 1 Ltd] stelt hierdoor schade te hebben geleden. In de werkcomputer van verdachte zijn ook mogelijke onregelmatigheden geconstateerd ten aanzien van zijn werkzaamheden voor de [stichting 1] (hierna: [stichting 1] ). De onderzoeksresultaten van [naam bedrijf 1 Ltd] hebben geleid tot de aangifte door [naam bedrijf 1 Ltd] op 25 juli 2011 en een aanvullende aangifte op 29 november 2011.

De voorzitter van [stichting 1] is in november 2011 door [accountantskantoor] op de hoogte gesteld van mogelijke oplichting van [stichting 1] door verdachte. Er heeft op 5 december 2011 een bestuursvergadering plaatsgevonden waarbij verdachte, zonder cautie of te zijn gewezen op mogelijkheid van rechtsbijstand, is geconfronteerd met de bevindingen van [accountantskantoor] . Tijdens deze vergadering heeft verdachte verteld dat hij geld van [stichting 1] heeft onttrokken. In opdracht van [stichting 1] heeft [accountantskantoor] vervolgens een onderzoek met diverse interviews van alle betrokkenen uitgevoerd. Er zijn ook door [stichting 1] de eigen bankafschriften bij de SNS-bank opgevraagd. Dit onderzoek heeft geleid tot een rapport van feitelijke bevindingen en uiteindelijk in een aangifte door [stichting 1] op 8 februari 2013.

Naar aanleiding van onder meer de aangiftes van [naam bedrijf 1 Ltd] en [stichting 1] heeft het Openbaar Ministerie besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Het Openbaar Ministerie heeft in het belang van het strafrechtelijk onderzoek van [naam bedrijf 1 Ltd] en [stichting 1] krachtens artikel 126nd Sv gevorderd de reeds door hen vergaarde informatie te verstrekken. Nadat het Openbaar Ministerie deze informatie had ontvangen, nader onderzoek had verricht en het dossier had opgesteld, is de verdediging op adequate wijze in de gelegenheid gesteld om zich tegen de ontstane verdenking te verdedigen. Verdachte heeft zowel bij de politie – in het bijzijn van zijn advocaat en nadat hij op zijn zwijgrecht was gewezen – als ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor geschetste gang van zaken op geen enkel onderdeel een onrechtmatig handelen oplevert door [naam bedrijf 1 Ltd] en/of [stichting 1] jegens verdachte. Daarbij wordt in ogenschouw genomen dat geen rechtsregel voorschrijft aan onderzoekers als hier aan de orde om bij een gesprek over mogelijke onregelmatigheden binnen het bedrijf respectievelijk stichting een cautie te geven, dat [naam bedrijf 1 Ltd] als werkgever van verdachte bevoegd was de werkcomputer te onderzoeken en dat het bestuur van [stichting 1] uiteraard bevoegd is de eigen bankafschriften op te vragen. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens met gebruikmaking van eigen strafvorderlijke bevoegdheden de onderzoeksbevindingen vervolgens opgevraagd.

Het verweer wordt verworpen en de rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

3.3.

Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Beoordeling van de ten laste gelegde feiten

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen, kunnen de ten laste gelegde feiten worden bewezen, zoals hierna vermeld in rubriek 5.

Gelet op de verklaring van verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, overweegt de rechtbank in aanvulling op de bewijsmiddelen nog het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft bekend dat hij in het kader van zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf 1 Ltd] de onder 1 ten laste gelegde facturen heeft opgesteld en ter betaling heeft ingediend bij het administratiekantoor van [naam bedrijf 1 Ltd] . Verdachte stelt echter dat de facturen niet vals zijn, maar enkel gecorrigeerd met als doel de gefactureerde bedragen sneller te laten uitbetalen door het administratiekantoor van [naam bedrijf 1 Ltd] . De bedragen zijn dan ook terecht aan de in de facturen genoemde crediteuren betaald. Deze werkwijze was niet ongebruikelijk binnen [naam bedrijf 1 Ltd] , aldus verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de feiten en omstandigheden zoals in bijgevoegde bewijsmiddelen vervat staat vast dat de op de facturen genoemde bedragen geen kosten waren die [naam bedrijf 1 Ltd] als werkgever van verdachte moest vergoeden. Integendeel, de opgevoerde bedragen betroffen in werkelijkheid privé-uitgaven van verdachte. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de facturen heeft opgemaakt en bepaalde omschrijvingen van diensten en goederen heeft aangepast om te verhullen dat het privé-uitgaven waren die hij door zijn werkgever wilde laten betalen. De verklaring van verdachte dat de correcties nodig waren in verband met trage afhandeling in India wordt terzijde geschoven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde facturen valselijk heeft opgemaakt en hiervan gebruik heeft gemaakt door deze ter betaling bij het administratiekantoor van [naam bedrijf 1 Ltd] in te dienen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de onder 2 ten laste gelegde factuur van [naam bedrijf 2 BV] , een bedrijf van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), heeft afgedrukt, geaccordeerd, getekend en ter betaling heeft ingediend bij het administratiekantoor van [naam bedrijf 1 Ltd] . De factuur is volgens verdachte niet in strijd met de waarheid opgesteld, omdat deze factuur betrekking heeft op daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden door [medeverdachte] voor de [stichting 2] (hierna: [stichting 2] ). Aan deze werkzaamheden lag een overeenkomst tussen [naam bedrijf 1 Ltd] en [medeverdachte] ten grondslag waarbij verdachte namens [naam bedrijf 1 Ltd] optrad.

De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft met [medeverdachte] een overeenkomst gesloten betreffende een samenwerkingsverband tussen [naam bedrijf 1 Ltd] en de [stichting 2] . [medeverdachte] , voorzitter van de [stichting 2] , zou hiervoor een ‘signing fee’ ontvangen van ongeveer € 13.000,-.

Uit e-mailcorrespondentie tussen verdachte en [medeverdachte] volgt dat verdachte [medeverdachte] heeft geïnstrueerd voornoemde signing fee in vier tranches – per e-mail – te factureren en deze te richten aan [naam bedrijf 1 Ltd] , met de omschrijving ‘25% installment fee [stichting 2] supply chain financing’. Bij [naam bedrijf 1 Ltd] is één factuur aangetroffen, en op deze factuur staat een verwerkingsstempel waarin verdachte op 22 juli 2010 voor akkoord heeft getekend voor de betaling. Op basis hiervan heeft [naam bedrijf 1 Ltd] op 2 augustus 2010 een bedrag van € 3.262,50 aan het bedrijf van [medeverdachte] uitbetaald.

Namens [naam bedrijf 1 Ltd] is door [persoon 1] , Manager Global Security Amsterdam bij [naam bedrijf 1 Ltd] , en [persoon 2] , direct leidinggevende van verdachte, verklaard dat tussen [naam bedrijf 1 Ltd] en [medeverdachte] en/of [stichting 2] geen overeenkomst bestond en dat [naam bedrijf 1 Ltd] niet bekend was met de omschrijving op de factuur van 25% installment fee. Deze omschrijving was vals. De tussen verdachte en [medeverdachte] gemaakte afspraken waren niet bij [naam bedrijf 1 Ltd] bekend en waren nooit goedgekeurd want in strijd met interne anticorruptie-regels.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn leidinggevende [persoon 2] niet op de hoogte was van de afspraken die hij met [medeverdachte] had gemaakt.

Gelet op met name de verklaring van verdachte, [persoon 1] , [persoon 2] en de e-mailcorrespondentie tussen verdachte en [medeverdachte] , in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank de valsheid van de door verdachte opgemaakte en ingediende factuur bewezen en dat verdachte dit ook wist. Van een overeenkomst tussen [naam bedrijf 1 Ltd] en [medeverdachte] was immers geen sprake. Verdachte heeft een factuur met valse omschrijving opgemaakt voor betaling door [naam bedrijf 1 Ltd] aan de vennootschap van [medeverdachte] . Door de factuur ter betaling aan [medeverdachte] bij [naam bedrijf 1 Ltd] aan te bieden, heeft verdachte ook gebruik gemaakt van een valse factuur.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte] ook wist dat in werkelijkheid geen sprake was van een overeenkomst tussen hem en [naam bedrijf 1 Ltd] . Hij had een werkrelatie met [verdachte] en hij lijkt ook reëele werkzaamheden te hebben verricht ten behoeve van samenwerking tussen [naam bedrijf 1 Ltd] en [stichting 2] . Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] de factuur valselijk heeft opgemaakt en hiervan gebruik heeft gemaakt. Verdachte wordt daarom van het ten laste gelegde medeplegen vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen en de in rubriek 4.3. vervatte bewijsoverwegingen, bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

zaaksdossiers [naam bedrijf 1 BV] , [naam 1] en [naam 2]

in de periode va 19 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en in de periode van 10 augustus 2010 tot en met 16 juni 2011 in Nederland, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse facturen, te weten:

A. zaaksdossier [naam bedrijf 1 BV]

- een factuur d.d. 10 augustus 2010 ad 1.075 euro afkomstig van [naam bedrijf 1 BV] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.1.5, p. 21) en

B. zaaksdossier [naam 1]

- een factuur d.d. 14 februari 2011 ad 1.520 euro afkomstig van [naam 1] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.2.1, p. 24) en

C. zaaksdossier [naam 2]

- een factuur d.d. 19 juni 2008 ad 3.750 euro afkomstig van [naam 2] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.13.3, p. 14)

telkens zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

Ad A zaaksdossier [naam bedrijf 1 BV]

- in strijd met de waarheid op die factuur vermeld staat dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam bedrijf 1 BV] in verband met 'Tech fund voor [naam bedrijf 1 Ltd] acceptatie', terwijl het gefactureerde bedrag in werkelijkheid betrekking heeft op een Apple iPhone 4G 32GB en

Ad B zaaksdossier [naam 1]

- in strijd met de waarheid op die factuur vermeld staat dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam 1] in verband met ' [naam event 1] ', terwijl het gefactureerde bedrag in werkelijkheid betrekking heeft op een kerstdiner dat verdachte tezamen met zijn toenmalige vrouw en kinderen en de heer [medeverdachte] en diens vrouw en kinderen heeft genuttigd en

Ad C zaaksdossier [naam 2]

- in strijd met de waarheid op die factuur vermeld staat dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam 2] in verband met 'signing fund', terwijl het gefactureerde bedrag in werkelijkheid betrekking heeft op twee tickets voor de voetbalwedstrijd Nederland - Rusland en een verblijf van twee nachten in het viersterren Hotel [naam hotel] ,

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die valse facturen bij het administratiekantoor van [naam bedrijf 1 Ltd] heeft ingediend ter betaling, zodat de geldbedragen vermeld op die facturen betaalbaar zouden worden gesteld aan [naam bedrijf 1 BV] en [naam 1] en [naam 2] ,

terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij telkens echt en onvervalst,

en

in de periode van 19 juni 2008 tot en met 30 september 2008 en in de periode van 10 augustus 2010 tot en met 16 juni 2011 in Nederland, meermalen valse facturen, te weten:

A. zaaksdossier [naam bedrijf 1 BV]

- een factuur d.d. 10 augustus 2010 ad 1.075 euro afkomstig van [naam bedrijf 1 BV] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.1.5, p. 21) en

B. zaaksdossier [naam 1]

- een factuur d.d. 14 februari 2011 ad 1.520 euro afkomstig van [naam 1] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.2.1, p. 24) en

C. zaaksdossier [naam 2]

- een factuur d.d. 19 juni 2008 ad 3.750 euro afkomstig van [naam 2] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.13.3, p. 14)

telkens zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk en in strijd met de waarheid:

Ad A zaaksdossier [naam bedrijf 1 BV]

- op die factuur vermeld dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam bedrijf 1 BV] in verband met 'Tech fund voor [naam bedrijf 1 Ltd] acceptatie', terwijl het gefactureerde bedrag in werkelijkheid betrekking heeft op een Apple iPhone 4G 32GB en

Ad B zaaksdossier [naam 1]

- op die factuur vermeld dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam 1] in verband met ' [naam event 1] ', terwijl het gefactureerde bedrag in werkelijkheid betrekking heeft op een kerstdiner dat verdachte tezamen met zijn toenmalige vrouw en kinderen en de heer [medeverdachte] en diens vrouw en kinderen heeft genuttigd en

Ad C zaaksdossier [naam 2]

- op die factuur vermeld dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam 2] in verband met 'signing fund', terwijl het gefactureerde bedrag in werkelijkheid betrekking heeft op twee tickets voor de voetbalwedstrijd Nederland - Rusland en een verblijf van twee nachten in het viersterren Hotel [naam hotel] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

zaaksdossier [naam bedrijf 2 BV]

in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 augustus 2010 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse factuur, te weten:

- een factuur d.d. 19 april 2010 ad 3.262,50 euro afkomstig van [naam bedrijf 2 BV] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.3.13)

zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

- in strijd met de waarheid op die factuur vermeld staat dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam bedrijf 2 BV] in verband met '25% installment fee [stichting 2] supply chain financing',

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die valse factuur bij het administratiekantoor van [naam bedrijf 1 Ltd] heeft ingediend ter betaling, zodat het geldbedrag vermeld op die factuur betaalbaar zou worden gesteld aan [naam bedrijf 2 BV] ,

terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

en

op in de periode van 1 april 2010 tot en met 31 augustus 2010 in Nederland een valse factuur, te weten

- een factuur d.d. 19 april 2010 ad 3.262,50 euro afkomstig van [naam bedrijf 2 BV] en gericht aan [naam bedrijf 1 Ltd] (rubriek 8.3.13),

zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid op die factuur vermeld dat [naam bedrijf 1 Ltd] het gefactureerde bedrag verschuldigd is aan [naam bedrijf 2 BV] in verband met '25% installment fee [stichting 2] supply chain financing',

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde,

zaaksdossier Hypotheekfraude

in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2011 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse inkomensdocumenten, te weten:

A. een werkgeversverklaring van [naam bedrijf 1 Ltd] d.d. 20 september 2010 (rubriek 8.18.1, p. 38) en

B. een arbeidsovereenkomst van [naam event 2] d.d. 10 november 2010 (rubriek 8.18.3, p. 43-45),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

Ad A

- die werkgeversverklaring voorzien is van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 3] , terwijl die [persoon 3] haar handtekening niet onder dat geschrift heeft geplaatst en terwijl die [persoon 3] ook niet de bevoegdheid had om dat geschrift te ondertekenen en

- in strijd met de waarheid in die werkgeversverklaring vermeld staat dat [persoon 3] Manager Global Merchant Services is en

Ad B

- die arbeidsovereenkomst voorzien is van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 4] , terwijl die [persoon 4] zijn handtekening niet onder dat geschrift heeft geplaatst en terwijl die [persoon 4] op het moment van ondertekening ook niet bevoegd was om dat geschrift te ondertekenen aangezien hij per 31 augustus 2010 niet langer in dienst was bij [naam event 2] ,

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die valse inkomensdocumenten heeft verstrekt aan ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. ter verkrijging van een hypothecaire geldlening, terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst,

en

in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2011 in Nederland valse inkomensdocumenten, te weten:

A. een werkgeversverklaring van [naam bedrijf 1 Ltd] d.d. 20 september 2010 (rubriek 8.18.1, p. 38) en

B. een arbeidsovereenkomst van [naam event 2] d.d. 10 november 2010 (rubriek 8.18.3, p. 43-45),

zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte:

Ad A

- op die werkgeversverklaring een handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 3] en

- in strijd met de waarheid in die werkgeversverklaring vermeld dat [persoon 3] Manager Global Merchant Services is en

Ad B

- op die arbeidsovereenkomst een handtekening geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 4] ,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde,

zaaksdossier Hypotheekfraude

in de periode van 1 september 2010 tot en met 28 februari 2011 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een hypothecaire lening van 1.300.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, ten behoeve van voornoemde hypothecaire geldlening,

- een valse werkgeversverklaring van [naam bedrijf 1 Ltd] d.d. 20 september 2010 (rubriek 8.18.1, p. 38) aan ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. doen toekomen, bestaande die valsheid hierin dat die werkgeversverklaring voorzien is van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 3] , terwijl die [persoon 3] haar handtekening niet onder dat geschrift heeft geplaatst en terwijl die [persoon 3] ook niet de bevoegdheid had om dat geschrift te ondertekenen en bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid in die werkgeversverklaring vermeld staat dat [persoon 3] Manager Global Merchant Services is en

- een valse arbeidsovereenkomst van [naam event 2] d.d. 10 november 2010 (rubriek 8.18.3, p. 43-45) aan ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. doen toekomen, bestaande die valsheid hierin dat die arbeidsovereenkomst voorzien is van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 4] , terwijl die [persoon 4] zijn handtekening niet onder dat geschrift heeft geplaatst en terwijl die [persoon 4] op het moment van ondertekening ook niet bevoegd was om dat geschrift te ondertekenen aangezien hij per 31 augustus 2010 niet langer in dienst was bij [naam event 2] ,

waardoor ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde,

zaakdossier [naam 3]

in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011 in Nederland opzettelijk geldbedragen van in totaal 647.468,36 euro heeft overgemaakt, te weten:

naar privérekening [verdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 1]

- op of omstreeks 30 mei 2010 een geldbedrag van 250.000 euro,

- op of omstreeks 30 september 2010 een geldbedrag van 90.000 euro,

- op of omstreeks 28 april 2011 een geldbedrag van 60.000 euro,

- op of omstreeks 4 mei 2011 een geldbedrag van 50.000 euro,

- op of omstreeks 8 juni 2011 een geldbedrag van 40.000 euro,

naar [naam bedrijf 3 BV]

- op of omstreeks 31 augustus 2011 een geldbedrag van 35.000 euro,

- op of omstreeks 18 november 2011 een geldbedrag van 60.050 euro,

naar rekening [naam bedrijf 5 BV] met rekeningnummer [rekeningnummer 2]

- op of omstreeks 29 september 2011 een geldbedrag van 12.500 euro,

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 10.000 euro,

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 4.500 euro,

- op of omstreeks 25 oktober 2011 een geldbedrag van 14.012 euro,

- op of omstreeks 1 november 2011 een geldbedrag van 9.500 euro,

naar rekening [naam autobedrijf]

- op of omstreeks 2 september 2011 een geldbedrag van 5.553,67 euro,

naar privérekening [verdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 3]

- op of omstreeks 11 augustus 2011 een geldbedrag van 4.500 euro,

naar rekening [verzekeringsbedrijf 1]

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 634,61 euro,

naar rekening [verzekeringsbedrijf 2]

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 1.218,08 euro,

die geheel toebehoorden aan de [stichting 1] en welke geldbedragen hij onder zich had in zijn hoedanigheid als bestuurder van de [stichting 1] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde,

zaaksdossier [naam 3]

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 december 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander een geschrift, te weten:

A. een geldleningovereenkomst d.d. 25 januari 2010 (rubriek 8.19.13, p. 391-393)

zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid:

Ad A

- in die overeenkomst vermeld dat de [stichting 1] een geldbedrag van 225.000 euro aan hem, verdachte, heeft geleend en

- in die overeenkomst vermeld dat deze is opgemaakt op 25 januari 2010, terwijl die overeenkomst in werkelijkheid op een latere datum is opgemaakt en getekend,

en

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 december 2011 in Nederland geschriften, te weten:

Ad B. een geldleningovereenkomst d.d. 21 oktober 2011 (rubriek 8.19.14, p. 396-398)

Ad C. een bevestiging bij de jaarrekening 2010 van de [stichting 1] (rubriek 8.19.20, p. 412-413)

telkens zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid:

Ad B

- in die overeenkomst vermeld dat de [stichting 1] een geldbedrag van 225.000 euro aan [naam bedrijf 5 BV] . heeft geleend en

Ad C

in die bevestiging bij de jaarrekening vermeld dat

- [accountantskantoor] toegang is verschaft tot de gehele financiële administratie en

- [accountantskantoor] alle gegevens zijn verschaft met betrekking tot transacties met niet-onafhankelijke derden en de daaruit vloeiende vorderingen of schulden,

terwijl hij, verdachte, in werkelijkheid meerdere overboekingen van de rekening van [stichting 1] aan de privérekening van hem, verdachte, verborgen heeft gehouden voor [accountantskantoor] ,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde,

zaaksdossier [naam 3]

in de periode van 1 mei 2010 tot en met 5 oktober 2011 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften te weten:

A. een procuratieschema d.d. 10 mei 2010 (rubriek 8.8.7, p. 300)

B. een procuratieschema d.d. 10 mei 2010 (rubriek 8.8.8, p. 301)

C. een volmacht d.d. 10 mei 2010 (rubriek 8.8.11, p. 307)

D. een transactieoverzicht van de SNS Bank (rubriek 8.19.15, p. 401)

telkens zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat

Ad A, B en C

die geschriften voorzien zijn van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 5] , terwijl die [persoon 5] zijn handtekening niet onder die geschriften heeft geplaatst en

Ad D

op dat transactieoverzicht in strijd met de waarheid vermeld staat dat er in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 juni 2010 van de rekening van de [stichting 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 4] een geldbedrag van 115.000 euro is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 5] onder vermelding van ' [naam 4] ' en een geldbedrag van 225.000 euro is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 6] onder vermelding van ' [naam 5] ', terwijl er in werkelijkheid in genoemde periode van genoemde rekening een geldbedrag van 150.000 euro en een geldbedrag van 250.000 euro overgemaakt is naar privérekeningen van verdachte,

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die valse geschriften

Ad A, B en C

aan SNS Bank heeft verstrekt teneinde een bankrekening voor de [stichting 1] te openen,

Ad D

aan [naam bedrijf 8] en [accountantskantoor] heeft verstrekt ten behoeve van het samenstellen van de jaarrekening 2010,

terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst,

en ten aanzien van D

in de periode van 1 mei 2010 tot en met 5 oktober in Nederland, een transactieoverzicht van SNS Bank (rubriek 8.19.15, p. 401), zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte op dat transactieoverzicht in strijd met de waarheid vermeld dat er in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 juni 2010 van de rekening van de [stichting 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 4] een geldbedrag van 115.000 euro is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 5] onder vermelding van ' [naam 4] ' en een geldbedrag van 225.000 euro is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 6] onder vermelding van ' [naam 5] ', terwijl er in werkelijkheid in genoemde periode van genoemde rekening een geldbedrag van 150.000 euro en een geldbedrag van 250.000 euro overgemaakt is naar privérekeningen van verdachte,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde,

zaaksdossier [naam bedrijf 3 BV]

in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 30 april 2012 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [persoon 6] en [persoon 7] en [naam bedrijf 4 BV] en [naam bedrijf 7 BV] . en [naam bedrijf 6 BV] en [naam bedrijf 9] heeft bewogen tot de afgifte van:

- tweemaal een geldbedrag van 75.000 euro (in totaal 150.000 euro) en

- een geldbedrag van in totaal 240.000 euro en

- tweemaal een geldbedrag van 150.000 euro (in totaal 300.000 euro) en

- tweemaal een geldbedrag van 81.000 euro (in totaal 162.000 euro),

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat hij, verdachte, zelf ontslag had genomen bij [naam bedrijf 1 Ltd] , terwijl hij in werkelijkheid door [naam bedrijf 1 Ltd] was ontslagen en,

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat [naam bedrijf 3.1 BV sp] . akkoord was met de door [persoon 6] en [persoon 7] gestelde investeringsvoorwaarde van een verlenging van de contractduur van tien naar twintig jaar en

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat [naam bedrijf 3.1 BV sp] . akkoord was met de door hen gestelde investeringsvoorwaarde dat de [naam bedrijf 3 BV] -rechten van [stichting 3] overgedragen zouden worden aan [naam bedrijf 3 BV] Benelux BV en

- die [persoon 6] en [persoon 7] een valse side-letter verstrekt waar in strijd met de waarheid in vermeld staat dat [naam bedrijf 3 BV] de exclusieve rechten van [naam bedrijf 3 BV] heeft verkregen in de Benelux-landen en die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat die side letter ondertekend was door [persoon 8] , Vice President van [naam bedrijf 3.1 BV sp] . , terwijl in werkelijkheid hij, verdachte, zelf die handtekening heeft geplaatst en

- die [persoon 6] en [persoon 7] en de accountant van die [persoon 6] en [persoon 7] een of meerdere e-mailberichten doorgestuurd, waarbij in strijd met de waarheid de indruk werd gewekt dat hij, verdachte, die e-mailberichten had verzonden aan [persoon 9] en [persoon 10] en andere personen werkzaam bij [naam bedrijf 3.1 BV sp] . en

- de accountant van die [persoon 6] en [persoon 7] valse e-mailberichten doorgestuurd, waarbij de indruk werd gewekt dat die e-mailberichten afkomstig waren van [persoon 9] van [naam bedrijf 3.1 BV sp] . en [persoon 8] van [naam bedrijf 3.1 BV sp] , terwijl die e-mailberichten in werkelijkheid door hem, verdachte, zelf waren opgesteld en terwijl de

e-mailadressen van die [persoon 9] en die [persoon 8] vermeld in de e-mailberichten, niet bij die [persoon 9] en die [persoon 8] in gebruik waren en

- de accountant van die [persoon 6] en [persoon 7] vervalste bankafschriften van de rekeningen met rekeningnummer [rekeningnummer 7] en [rekeningnummer 8] ten name van [naam bedrijf 3.2 BV] BV verstrekt, in welke bankafschriften de overboekingen die hadden plaats gevonden naar de rekeningen ten name van [naam bedrijf 5 BV] en de [stichting 1] ten bedrage van 18.090 euro en 55.503 euro en 25.000 euro en 10.000 euro door hem, verdachte, zijn aangepast waardoor de indruk werd gewekt dat die overboekingen hadden plaatsgevonden ten gunste van [naam bedrijf 3.1 BV sp] . en

- die [persoon 6] en de accountant van die [persoon 6] en [persoon 7] onvolledige en onjuiste administratie van [naam bedrijf 3.2 BV] verstrekt, waarbij hij, verdachte, onder andere facturen heeft aangepast en

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat zij beiden een geldbedrag van 75.000 euro dienden over te maken ten behoeve van investeringen in [naam bedrijf 3.2 BV] / [naam bedrijf 3 BV] , terwijl een gedeelte van dit geld in werkelijkheid gebruikt werd om betalingen te doen aan de [stichting 1] en

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat zij in totaal een geldbedrag van 240.000 euro dienden over te maken ten behoeve van investeringen in [naam bedrijf 3.2 BV] / [naam bedrijf 3 BV] en

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat hij, verdachte, 450.000 euro geleend had van [medeverdachte] en dat dit geld afkomstig was uit een bouwdepot van een nieuw hotel van [medeverdachte] en dat dit geld met spoed terug betaald diende te worden en

- die [persoon 6] en [persoon 7] en de accountant van die [persoon 6] en [persoon 7] valse e-mailberichten verzonden, waarbij valselijk de indruk werd gewekt dat hij, verdachte, die e-mailberichten naar [medeverdachte] verstuurd had dan wel van [medeverdachte] ontvangen had en die [persoon 6] en [persoon 7] een valse vaststellingsovereenkomst verstrekt waarop hij, verdachte, de handtekening van [medeverdachte] heeft geplaatst en

- die [persoon 6] en [persoon 7] voorgewend dat zij beiden een geldbedrag van 150.000 euro en een geldbedrag van 81.000 euro dienden te betalen en dat hij, verdachte, dit geld zou gebruiken ter aflossing van de schuld bij [medeverdachte] , terwijl dit geld in werkelijkheid gebruikt werd om betalingen te doen aan de [stichting 1] ,

waardoor die [persoon 6] en [persoon 7] en [naam bedrijf 4 BV] en [naam bedrijf 7 BV] . en [naam bedrijf 6 BV] werden bewogen tot het doen van investeringen in [naam bedrijf 3.2 BV] / [naam bedrijf 3 BV] en zodoende werden bewogen tot de afgifte van bovengenoemde geldbedragen;

ten aanzien van het onder 9 ten laste gelegde,

zaaksdossier [naam bedrijf 3 BV]

in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 5 april 2012 in Nederland, geschriften, te weten:

A. een Side-letter Addendum tussen [naam bedrijf 3.1 BV sp] . en [stichting 3] en [naam bedrijf 3 BV] d.d. 4 april (rubriek 8.16.2, p. 100-101 en 109-110) en

B. een vaststellingsovereenkomst tot aflossing lening met finale kwijting d.d. 5 april 2012 (rubriek 8.16.3, p. 111)

zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid:

Ad A

- in dat geschrift vermeld dat [naam bedrijf 3.1 BV sp] . toestaat dat [naam bedrijf 3 BV] (sub) franchise overeenkomsten aangaat met derden voor het gebied Benelux, waarbij het deze derden is toegestaan [naam bedrijf 3 BV winkels] te exploiteren en

- in dat geschrift vermeld dat de overeenkomst aangaande masterfranchise voor Nederland veranderd zal worden van eerste recht op weigering voor België en Luxemburg in exclusieve rechten voor de regio Benelux en

- dat geschrift voorzien van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 8] ,

Ad B

- in die overeenkomst vermeld dat [medeverdachte] een schuldvordering heeft op hem, verdachte, ter waarde van 461.562,50 euro en

- dat geschrift voorzien van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [medeverdachte] ,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken,

en

in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 30 april 2012 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften te weten:

A. een Side-letter Addendum tussen [naam bedrijf 3.1 BV sp] . en [stichting 3] en [naam bedrijf 3 BV] d.d. 4 april (rubriek 8.16.2, p. 100-101 en 109-110)

B. een vaststellingsovereenkomst tot aflossing lening met finale kwijting d.d. 5 april 2012 (rubriek 8.16.3, p. 111)

telkens zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat:

Ad A

- in dat geschrift vermeld staat dat [naam bedrijf 3.1 BV sp] . toestaat dat [naam bedrijf 3 BV] (sub) franchise overeenkomsten aangaat met derden voor het gebied Benelux, waarbij het deze derden is toegestaan [naam bedrijf 3 BV winkels] te exploiteren en

- in dat geschrift vermeld staat de overeenkomst aangaande masterfranchise voor Nederland veranderd zal worden van eerste recht op weigering voor België en Luxemburg in exclusieve rechten voor de regio Benelux en

- dat geschrift voorzien is van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [persoon 8] , terwijl die [persoon 8] haar handtekening niet onder dat geschrift heeft geplaatst,

Ad B

- in die overeenkomst vermeld staat dat [medeverdachte] een schuldvordering heeft op hem, verdachte, ter waarde van 461.562,50 euro en

- dat geschrift voorzien is van een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van [medeverdachte] ,

en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die valse geschriften aan [persoon 6] en [persoon 7] en de accountant van die [persoon 6] en [persoon 7] heeft verstrekt, terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 9 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie en een half jaar, met aftrek van voorarrest.

Zij heeft bij haar eis onder meer rekening gehouden met de ernst en de duur van de feiten, de rol van verdachte, de hoogte van het benadelingsbedrag en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verder heeft zij zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn. Tot slot heeft zij bij de formulering van haar eis geen rekening gehouden met de media-aandacht, nu deze aandacht niet als onaanvaardbaar kan worden aangemerkt.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. Verdachte heeft zich gedurende het hele onderzoek coöperatief opgesteld en heeft ter terechtzitting berouw getoond. Daarnaast staat een veroordeling in de weg om in de toekomst een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) te kunnen verkrijgen, wat problemen kan opleveren als een nieuwe werkgever om een VOG vraagt.

Subsidiair heeft hij verzocht om, vanwege de negatieve media-aandacht die deze zaak heeft gekregen en de gevolgen hiervan voor verdachte, alsmede de overschrijding van de redelijke termijn, een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte als bestuurder ruim € 650.000,- van de Stichting [stichting 1] heeft verduisterd. In dat kader heeft hij meermalen documenten vervalst en gebruikt. Ook heeft hij met valse geschriften en leugens de ABN AMRO Bank en twee ondernemers opgelicht. Tot slot heeft hij door middel van valse facturen privé-uitgaven gedeclareerd bij zijn toenmalige werkgever [naam bedrijf 1 Ltd] .

Met deze bewezenverklaring is vastgesteld dat verdachte voor een bedrag van circa 2,7 miljoen euro heeft gefraudeerd.

De vraag is nu wat een passende straf is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

[stichting 1] was een stichting dat onderzoek naar kinderkanker financierde. Verdachte was als bestuurder medeverantwoordelijk voor de financiën. Hij heeft in anderhalf jaar tijd bij elkaar bijna 6,5 ton van de bankrekening van [stichting 1] gehaald en gebruikt voor de betaling van privéschulden en het doen van privéuitgaven. Om dit mogelijk te maken heeft hij ook gesjoemeld met documenten: de opening van de [stichting 1] -bankrekening was door verdachte met vervalste documenten geregeld en om de overboekingen uit het zicht van [stichting 1] te houden, heeft verdachte valse documenten opgemaakt en ingediend bij de accountant. Ook heeft verdachte meerdere valse geldleningsovereenkomsten opgesteld, zodat het leek alsof er sprake was van een rechtsgeldige lening van het geld aan verdachte. Daarvan is echter nooit sprake geweest.

Verdachte heeft met dit alles de goededoelenstichting financieel benadeeld, maar bovenal zijn positie als bestuurder ernstig misbruikt en het in hem gestelde vertrouwen beschaamd. Niet alleen het vertrouwen van de andere bestuurders, maar vooral ook het vertrouwen van de donateurs. Dit soort zaken heeft tot gevolg dat mensen niet meer snel doneren. Dit schaadt dus de goede zaak. De ophef heeft er in dit geval ook toe geleid dat de [stichting 1] inmiddels is opgeheven en dat er dus minder geld beschikbaar is voor onderzoek naar kinderkanker.

Verdachte heeft nog meer gefraudeerd. Hij heeft twee ondernemers, [persoon 6] en [persoon 7] , leugens verteld, valse documenten getoond en valse e-mailberichten gestuurd en hen zo bewogen acht ton te investeren in zijn cosmeticabedrijf [naam bedrijf 3 BV] . [persoon 6] en [persoon 7] zijn ernstig financieel benadeeld. De gestelde zekerheden over mogelijkheden met dit bedrijf bleken niet te bestaan en zij zijn een deel van hun geld kwijtgeraakt. Gebleken is dat verdachte de investeringen van deze twee ondernemers niet in [naam bedrijf 3 BV] heeft gestopt, maar daarmee een deel van de verduisterde bedragen aan [stichting 1] had terugbetaald.

Verdachte heeft daarnaast ook nog zijn werkgever, [naam bedrijf 1 Ltd] , financieel benadeeld door met valse facturen zijn privékosten te laten uitbetalen, alsmede, tot slot, hypotheekfraude gepleegd door de ABN AMRO Bank valse inkomensdocumenten te verstrekken ten behoeve van een hypotheek die uiteindelijk niet afgelost kon worden zodat de bank de woning met verlies heeft moeten verkopen.

Het behoeft, dit alles zo overziend, geen nader betoog dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten zeer ernstig zijn. Er is sprake van een aaneenschakeling van frauduleuze handelingen, gepleegd door verdachte in een periode van vier jaren, waardoor meerdere personen en bedrijven ernstig zijn gedupeerd.

De feiten zijn dusdanig ernstig dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf van jaren, ongeveer zoals door het Openbaar Ministerie geëist, in beginsel op zijn plaats is. Er kan zeker niet worden volstaan met een veroordeling zonder strafoplegging of slechts een voorwaardelijke straf, zoals de verdediging heeft verzocht. Dat zou volledig voorbij gaan aan de schade die is aangericht, zoals hiervoor is beschreven. Het moet ook voor iedereen duidelijk zijn dat dit soort praktijken niet getolereerd kunnen worden.

Het Openbaar Ministerie heeft 3,5 jaar gevangenisstraf gevorderd. De rechtbank zal dit iets matigen en een deel voorwaardelijk doen.

Hiertoe is overwogen dat verdachte vanaf het begin medewerking heeft verleend aan het opsporingsonderzoek en de feiten, behalve die wat betreft [naam bedrijf 1 Ltd] , heeft bekend. Verdachte heeft de schuld aan [stichting 1] terugbetaald en is thans ook bezig met terugbetaling van de schuld aan ABN AMRO Bank. Verder is rekening gehouden met de omstandigheid dat, nu de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, verdachte gedurende lange tijd bezig zal zijn met het afbetalen van zijn schulden. Hij zal dus al die tijd de gevolgen van zijn strafbare handelen dragen.

Ook is in ogenschouw genomen dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Verder is gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld. De oriëntatiepunten spreken bij een fraudebedrag van € 1.000.000,- of hoger – waarvan in deze zaak sprake is – over een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden of meer. Voorts heeft de rechtbank in de strafmaatoverweging betrokken de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Om te voorkomen dat verdachte na zijn invrijheidsstelling opnieuw soortgelijke strafbare feiten zal plegen ziet de rechtbank tot slot aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Eerst bij gelegenheid van het laatste woord heeft verdachte enig inzicht verschaft in zijn motieven en spijt betuigd. De rechtbank is er echter niet volledig van overtuigd geraakt dat verdachte ook daadwerkelijk verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. Hij blijft vooral de nadelige gevolgen van de gebeurtenissen voor zichzelf benadrukken en heeft weinig oog voor de gedupeerden. Daar komt bij dat verdachte nog steeds geldzorgen heeft en zijn nieuwe werkgever niet op de hoogte heeft gesteld van het ontslag bij [naam bedrijf 1 Ltd] noch van de onderhavige strafzaak. Deze omstandigheden maken dat voor herhaling moet worden gevreesd en een proeftijd na de detentie dient te volgen.

Bespreking strafmaatverweren

De rechtbank stelt vast dat er grote mediabelangstelling voor deze zaak is geweest en nog steeds is. Het is aannemelijk dat de media-aandacht een zware wissel op het privéleven van verdachte en dat van zijn gezin heeft getrokken. De rechtbank ziet deze media-aandacht echter als begrijpelijk en onvermijdelijk. Ten eerste vanwege de succesvolle fondsenwerving door [stichting 1] , waarbij de stichting zelf publiciteit zocht en deze ook succesvol heeft gevonden. Ten tweede vanwege de maatschappelijke impact van strafbare feiten als deze. De rechtbank ziet niet in waarom het Openbaar Ministerie op voorhand niet kenbaar mag maken aan journalisten wanneer de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsvindt. Het Openbaar Ministerie heeft ook tot taak het publiek te informeren. Tot slot is geheel niet gebleken dat door het openbaar ministerie de onschuldpresumptie is geschonden. De rechtbank is daarom, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de negatieve gevolgen van de media-aandacht op het privéleven van verdachte geen matigend effect op de hoogte van de op te leggen straf moet hebben.

Ten aanzien van de vraag of de berechting van verdachte binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, stelt de rechtbank het volgende vast. Sinds de aanhouding van verdachte op 11 juni 2013 zijn drie jaar en vijf maanden verstreken. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak, binnen twee jaar moet worden afgerond. Dat betekent dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van die termijn met 18 maanden.

Of er sprake is van een onredelijke overschrijding van de termijn dient te worden beoordeeld aan de hand van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachten en/of hun raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In dit geval betrof het geen bijzonder ingewikkelde zaak. Ook heeft het onderzoek door de autoriteiten niet veel tijd in beslag genomen, nu er immers al onderzoeksrapporten van private partijen beschikbaar waren. Wel betreft het een groot aantal feiten met een omvangrijk onderliggend dossier. Gelet daarop heeft de behandeling van de zaak niet onredelijk lang geduurd. Dit met uitzondering van de tijd tussen februari 2016 en november 2016. Aangezien die vertraging werd veroorzaakt door het neerleggen van de verdediging daags voor de beoogde inhoudelijke behandeling, komt deze vertraging voor rekening van verdachte. Hoewel de redelijke termijn niet is geschonden zal de rechtbank in het voordeel van verdachte wel meewegen dat de behandeling van zijn zaak langer heeft geduurd dan wenselijk is.

Conclusie

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van drie jaar, waarvan een half jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, gerechtvaardigd en zij zal verdachte daartoe veroordelen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam bedrijf 1 Ltd]

De benadeelde partij [naam bedrijf 1 Ltd] vordert € 9.607,50 aan materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en deze te vermeerderen de wettelijke rente.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering is gebaseerd op de resultaten van het door [naam bedrijf 1 Ltd] onrechtmatig verrichte onderzoek en daarom in strijd met beginselen van de behoorlijke procesorde tot stand is gekomen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De (onderbouwing van de) gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank, onder verwijzing naar wat in rubriek 3.2. reeds is opgenomen, niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Hoewel de officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente, heeft de benadeelde partij dit zelf niet gevorderd, zo blijkt uit het formulier. Ook ter terechtzitting heeft de benadeelde partij de wettelijke rente niet gevorderd. Nu de benadeelde partij niet op de door de wet voorgeschreven wijze deze wettelijke rente heeft gevorderd, zal de vordering niet met de wettelijke rente worden vermeerderd.

De officier van justitie heeft tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De schadevergoedingsmaatregel beoogt de strafrechtelijke positie van de benadeelde partij te versterken. Aan het doel hiervan ligt de gedachte ten grondslag de benadeelde partij de inning van het aan hem verschuldigde uit handen te nemen. Omdat [naam bedrijf 1 Ltd] een grote financiële instelling betreft die in staat wordt geacht zelfstandig de vordering bij verdachte te innen, acht de rechtbank oplegging van de schadevergoedings-maatregel niet opportuun.

Ten aanzien van de benadeelde partij ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.

De benadeelde partij ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. vordert € 611.608,72 aan materiële schade, bestaande uit € 608.808,72 hypotheekschuld en € 2.800,- behandelkosten. Ter terechtzitting heeft [vertegenwoordiger] als gemachtigde van de benadeelde partij verklaard dat verdachte inmiddels een deel van de hypotheekschuld heeft afgelost en dat een bedrag van

€ 576.420,68,- resteert. Daarmee komt de vordering uit op een bedrag van € 579.220,68.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en deze te vermeerderen de wettelijke rente.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering is gebaseerd op vertrouwelijke gespreksnotities en daarom in strijd met beginselen van de behoorlijke procesorde tot stand is gekomen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De (onderbouwing van de) gevorderde schadevergoeding komt, mede in het licht van de bekennende verklaring van verdachte, de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal daarom worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Hoewel de officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente, heeft de benadeelde partij dit zelf niet gevorderd, zo blijkt uit het formulier. Ook ter terechtzitting heeft de benadeelde partij de wettelijke rente niet gevorderd. Nu de benadeelde partij niet op de door de wet voorgeschreven wijze deze wettelijke rente heeft gevorderd, zal de vordering niet met de wettelijke rente worden vermeerderd.

De officier van justitie heeft tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De schadevergoedingsmaatregel beoogt de strafrechtelijke positie van de benadeelde partij te versterken. Aan het doel hiervan ligt de gedachte ten grondslag de benadeelde partij de inning van het aan hem verschuldigde uit handen te nemen. Omdat ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. een grote financiële instelling betreft die in staat wordt geacht zelfstandig de vordering bij verdachte te innen, acht de rechtbank oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet

opportuun.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [naam bedrijf 4 BV] en [naam bedrijf 7 BV] .

De benadeelde partijen [naam bedrijf 4 BV] en [naam bedrijf 7 BV] . vorderen elk afzonderlijk een schadevergoeding van € 448.179,-, bestaande uit een materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vorderen zij allebei

€ 1.500,- aan kosten rechtsbijstand.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en deze te vermeerderen de wettelijke rente.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in strijd zijn met de tussen verdachte en de benadeelde partijen gemaakte afspraak dat geen aangifte tegen verdachte zou worden gedaan.

Vast staat dat aan de benadeelde partijen door het onder 8 en 9 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Een gedeelte van de gevorderde schadevergoedingen, groot

€ 231.000,- per benadeelde partij, bestaande telkens uit twee geldleningen zoals telkens vermeld in de vorderingen onder post 2 en 3, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dat tussen verdachte en de benadeelde partijen was afgesproken dat geen aangifte tegen verdachte zou worden gedaan, maakt dit niet anders. Dit deel van de vorderingen zal daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de in beide vorderingen opgenomen posten 1, 4 en 5

(geldleningen/investeringen, kosten accountant) is de rechtbank telkens van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vorderingen op deze punten onvoldoende zijn onderbouwd en het toelaten van bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak zou moeten worden aangehouden.

De rechtbank zal de benadeelde partijen voor wat betreft de posten 1, 4 en 5 niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering en bepalen dat de benadeelde partijen dit deel van hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam bedrijf 4 BV] en [naam bedrijf 7 BV] . voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Kosten rechtsbijstand

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het ter kennisgeving gevoegde feit met het parketnummer 13/710110-12, oplichting en valsheid in geschrift, strafbaar gesteld in de artikelen 326 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, rechtstreeks schade hebben geleden.

Ter terechtzitting is gebleken dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet veel meer omvatten dan een opgave van de door de benadeelde partijen aan verdachte verstrekte leningen. Deze vorderingen zijn beide onderbouwd met stukken die al in het dossier zaten. Daar is ter terechtzitting, behalve twee nagezonden urenspecificaties met betrekking tot de accountantskosten, niets aan toegevoegd. Ook zijn de vorderingen ter terechtzitting in zeer beperkte mate toegelicht. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om het liquidatietarief toe te passen. De vorderingen tot vergoeding van de kosten rechtsbijstand zullen daarom worden toegewezen tot het gevraagde bedrag van € 1.500,- per benadeelde partij.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 225, 323 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst

en

valsheid in geschrift;

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

oplichting;

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

verduistering gepleegd door beheerders van stichtingen, ten opzichte van enig goed dat zij als zodanig onder zich hebben, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

medeplegen van valsheid in geschrift

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 7 bewezen verklaarde:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

en

valsheid in geschrift;

Ten aanzien van het onder 8 bewezen verklaarde:

oplichting;

Ten aanzien van het onder 9 bewezen verklaarde:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam bedrijf 1 Ltd]

Wijst de vordering van [naam bedrijf 1 Ltd] , gevestigd op het adres [adres 1] , toe en veroordeelt verdachte tot betaling van

€ 9.607,50 aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële schade.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de benadeelde partij ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.

Wijst de vordering van ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. , gevestigd op het adres [adres 2] , toe en veroordeelt verdachte tot betaling van

€ 579.220,68 aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële schade.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam bedrijf 4 BV]

Wijst de vordering van [naam bedrijf 4 BV] , gevestigd te Amersfoort, toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 231.000,- aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, tot op heden begroot op € 1.500,-.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam bedrijf 4 BV] , € 231.000,- aan de Staat te betalen, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 182 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam bedrijf 7 BV] .

Wijst de vordering van [naam bedrijf 7 BV] ., gevestigd te Amersfoort, toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 231.000,- aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, tot op heden begroot op € 1.500,-.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve [naam bedrijf 7 BV] ., € 231.000,- aan de Staat te betalen, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 182 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,

mrs. M.B. de Boer en J.B. Oreel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2016.