Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:8312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
13/729048-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Penningmeester van liefdadigheidsinstelling medeplichtig aan verduistering van ongeveer € 650.000,- en valsheid in geschrift. De rechtbank heeft opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/729048-13 (Promis)

Datum uitspraak: 15 december 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 18 september 1968,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 februari 2016, 9, 10, 11 november 2016 en 1 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.A.M. Brok, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.Z. Perez, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1: het medeplegen van verduistering van geldbedragen toebehorende aan [Stichting] , in zijn hoedanigheid als bestuurder van die stichting, in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011, op verschillende plaatsen in Nederland;

Subsidiair: het medeplegen van diefstal van die geldbedragen;

Meer subsidiair: de medeplichtigheid aan verduistering van die geldbedragen;

Nog meer subsidiair: de medeplichtigheid aan diefstal van die geldbedragen;

Feit 2: het samen met (een) ander(en) valselijk opmaken of vervalsen van twee geldleningsovereenkomsten, in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 december 2011, op verschillende plaatsen in Nederland.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

3.1.

De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk.

3.2.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw heeft betoogd dat de onderdelen medeplegen en toe-eigenen als opgenomen onder 1 primair en meer subsidiair niet zijn uitgewerkt in de tenlastelegging. Daardoor is het geheel onvoldoende duidelijk en voldoet het onder 1 primair en meer subsidiair ten laste gelegde niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De dagvaarding moet op die onderdelen nietig worden verklaard.

Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde onder ad A, eerste gedachtestreepje en onder ad B, onvoldoende duidelijk is wat met ‘valselijk opmaken’ wordt bedoeld nu dit niet feitelijk is omschreven. De dagvaarding moet daarom ook voor wat betreft deze onderdelen nietig worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 261 Sv dient een dagvaarding de opgave te behelzen van het feit dat de verdachte wordt verweten. De tenlastelegging moet daarbij zo duidelijk, begrijpelijk en voldoende feitelijk zijn dat de verdachte zich naar behoren tegen het strafrechtelijke verwijt kan verdedigen.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval de tenlasteleggingen, tegen de achtergrond van het dossier, aan de genoemde voorwaarden van artikel 261 Sv voldoet. Voor wat betreft het onder 1 primair en meer subsidiair ten laste gelegde was het voor de verdachte duidelijk dat het ging om de verdenking dat hij, in zijn hoedanigheid van penningmeester van de [Stichting] (hierna: [Stichting] ), samen met zijn medeverdachte, betrokken is geweest bij de verduistering van geldbedragen die toebehoorden aan [Stichting] . Voor wat betreft feit 2 was hem duidelijk dat het verwijt was dat hij samen met zijn medeverdachte valse geldleningsovereenkomsten waarbij [Stichting] partij was, heeft opgemaakt. Dat dit alles voldoende duidelijk was heeft de rechtbank onder meer afgeleid uit de behandeling ter zitting en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaringen. Daarmee is de dagvaarding geldig.

3.3.

Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Beoordeling van de ten laste gelegde feiten

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Zij heeft gesteld dat verdachte willens en wetens medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) heeft geholpen bij het verduisteren van € 225.000,- door hem toegang tot het geld te verschaffen. Ook heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] nog meer geld zou wegnemen. Hij heeft immers geen toezicht op de geldstromen gehouden.

Verder kan op basis van de stukken in het dossier en de verklaring van verdachte worden bewezen dat verdachte met [medeverdachte] twee geldleningsovereenkomsten valselijk heeft opgemaakt. Deze overeenkomsten waren vals omdat er geen sprake was van een lening. Ze zijn alleen opgemaakt om te verhullen dat er geld was weggenomen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, op grond van de verweren zoals genoemd in haar pleitnota. De verweren bespreekt de rechtbank hierna – indien nodig – in haar oordeel.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De feiten

De rechtbank stelt de volgende in de bewijsmiddelen vervatte feiten en/of omstandigheden voorop:

[Stichting] is in 1999 opgericht om onderzoek naar kinderkanker te financieren. Verdachte bekleedde vanaf 1 januari 2001 een bestuursfunctie in de stichting. Op 1 mei 2007 trad [medeverdachte] toe tot het bestuur. Verdachte en [medeverdachte] waren samen verantwoordelijk voor de financiële taken van [Stichting] . Verdachte was penningsmeester.

Tot 2009 werd ieder jaar een benefietgala georganiseerd door [Stichting] . Voor ieder benefietgala werd bij ABN AMRO Bank een aparte spaarrekening geopend. Deze spaarrekeningen betroffen subrekeningen van de hoofdrekening bij ABN AMRO Bank. De betalingen aan goede doelen en wetenschappelijke instellingen werden verricht vanaf een afzonderlijke betaalrekening bij ABN AMRO Bank.

Op 11 mei 2010 is, anders dan gebruikelijk, namens [Stichting] een rekening geopend bij SNS Bank. [medeverdachte] heeft dit gedaan. Bij de openingsdocumenten bevinden zich onder meer volmachten op grond waarvan verdachte en [medeverdachte] werden gemachtigd tot het doen van financiële mutaties ten behoeve van [Stichting] vanaf deze rekening. De daartoe benodigde handtekening van de voorzitter van [Stichting] is door [medeverdachte] vervalst. De afschriften werden aanvankelijk naar de voorzitter van [Stichting] gestuurd, maar [medeverdachte] heeft dit kort na de opening van de bankrekening veranderd in zijn huisadres.

Verdachte maakte geldbedragen over van de ABN AMRO-rekening naar de SNS-rekening.

Uit de rekeningafschriften blijkt dat hij dit viermaal heeft gedaan, namelijk:

  • -

    op 27 mei 2010 een geldbedrag van € 350.000,-;

  • -

    op 30 december 2010 een geldbedrag van € 1.641.895,91;

  • -

    op 19 augustus 2011 een geldbedrag van € 250.000,-;

  • -

    op 22 augustus 2011 een geldbedrag van € 600.000,-.

[medeverdachte] heeft tussen 30 mei 2010 en 30 november 2011 vanaf die SNS-rekening meerdere keren grote geldbedragen naar zijn privérekeningen en andere aan hem gelieerde bankrekeningen overgemaakt, in totaal een bedrag van € 647.468,36. Het geld heeft [medeverdachte] voor privédoeleinden gebruikt.

Uit de verklaring van verdachte ter zitting en – op onderdelen ook de verklaring van [medeverdachte] bij de politie – kan tot slot nog het volgende worden afgeleid. [verdachte] was al eind 2009 bekend met de financiële problemen van [medeverdachte] . Vóórdat verdachte de eerste storting op de SNS-rekening van [Stichting] deed, op 27 mei 2010, had [medeverdachte] tegen verdachte gezegd dat hij, [medeverdachte] , van die rekening een bedrag van € 225.000,- naar zijn privérekening zou gaan overboeken voor privédoeleinden. Verdachte wilde zijn vriend [medeverdachte] helpen en is daarom hiermee akkoord gegaan onder de voorwaarde dat er een geldleningsovereenkomst ter zake van dit bedrag zou worden opgesteld en de 225.000 euro voor oktober 2010 zou zijn teruggestort op de SNS-rekening. De geldleenovereenkomst is naderhand, nadat het geld al door [medeverdachte] naar zijn privérekening was overgemaakt, opgesteld en door beiden ondertekend en, op verzoek van [medeverdachte] , geantedateerd op 25 januari 2010. Verdachte heeft de overige leden van het bestuur niet geïnformeerd over deze overboeking van [Stichting] -geld naar [medeverdachte] en de daaromtrent gemaakte afspraken. De € 225.000 is pas na ontdekking door [Stichting] in 2012 teruggestort. Verdachte heeft nooit bankafschriften van de SNS-rekening gezien of opgevraagd en geen enkel toezicht gehouden op het betalingsverkeer op de SNS rekening.

4.3.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Medeplegen

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als medeplegen, zodat hij hier van moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen van verduistering of diefstal te kunnen komen, moet sprake zijn van een voldoende en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voorts dient rekening te worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Hoewel het openen van de SNS-rekening vragen oproept, ook over het doel hiervan, is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een gemeenschappelijk vooropgezet plan van verdachte en [medeverdachte] om de SNS-rekening aan te wenden voor het doorsluizen van goededoelengeld naar privébestemmingen. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte, al dan niet samen met [medeverdachte] , overboekingen vanaf de SNS-rekening heeft verricht. Ook is niet gebleken dat de betalingen door [medeverdachte] aan het bedrijf van verdachte ( [naam bedrijf BV] ) voor een bedrag van in totaal € 13.000 in verband met het [naam 1] -project dienden als smeergeld voor de betrokkenheid van verdachte bij de verduisteringsconstructie. Verdachte had een werkrelatie met [medeverdachte] en hij lijkt ook reëele werkzaamheden te hebben verricht ten behoeve van samenwerking tussen [naam 2] en [naam 1] .

De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat medeplegen niet kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken.

Medeplichtigheid

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en nog meer subsidiair betoogd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de verduistering of diefstal van het geldbedrag van € 225.000,-, laat staan van de overige geldbedragen, en evenmin op het ondersteunen van [medeverdachte] hierbij. Het niet informeren van het bestuur van [Stichting] kan alleen tot medeplichtigheid leiden als ten aanzien van dit nalaten een rechtsplicht bestaat om in te grijpen. Hiervan is geen sprake. Tot slot betekent de omstandigheid dat verdachte wist dat [medeverdachte] één keer geld zou gaan overboeken naar zijn privérekening, nog niet dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte] dit vaker zou gaan doen.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt als volgt. [medeverdachte] heeft vanaf de SNS-rekening wederrechtelijk, want evident in strijd met het doel van [Stichting] en zonder medeweten van de overige leden van het bestuur, meerdere geldbedragen van [Stichting] overgeboekt naar zijn privérekeningen en andere aan hem gelieerde bankrekeningen. Hierdoor heeft hij als heer en meester over het geld beschikt: het was niet zijn geld, maar hij heeft het wel gebruikt om zijn schulden mee af te lossen. Daarmee heeft hij het zich toegeëigend. [medeverdachte] heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan (gekwalificeerde) verduistering van in totaal 647.468,36 euro.

De rechtbank acht dan bewezen dat verdachte opzettelijk medeplichtig was aan deze verduistering door [medeverdachte] daartoe opzettelijk de gelegenheid en de middelen te verschaffen.

Eerst heeft hij [medeverdachte] willens en wetens geholpen bij het verduisteren van € 225.000,-. Verdachte heeft immers op 27 mei 2010 een bedrag van € 350.000 gestort op de SNS-bankrekening, wetende dat [medeverdachte] vervolgens voor privédoeleinden een bedrag van

€ 225.000 van die rekening zou halen. Hiermee had verdachte van tevoren ingestemd. Deze overboeking door [medeverdachte] was, zoals gezegd, wederrechtelijk, want evident in strijd met de doelstelling van [Stichting] en zonder medeweten van de overige leden van het bestuur gedaan. Conclusie moet zijn dat verdachte om die reden, ter verhulling van deze overboeking, de leenovereenkomst heeft getekend, wetende dat de inhoud niet klopte en ook wetende dat daarin een verkeerde datum stond vermeld.

Vervolgens heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] nog meer geld zou wegnemen. Verdachte is immers, terwijl hij eerder strafbare feiten voor [medeverdachte] had gepleegd en duidelijk was dat [medeverdachte] nog steeds financiële problemen had, althans deze afspraak niet was nagekomen om de € 225.000 voor oktober 2010 terug te storten, gewoon doorgegaan met geldstortingen op de SNS-rekening, zonder enige vorm van toezicht uit te oefenen op die SNS-rekening, waartoe hij juist ook als penningmeester van [Stichting] in het bijzonder gehouden was. Desondanks heeft verdachte op 30 december 2010 en vervolgens nog tweemaal in 2011 grote geldbedragen, bij elkaar ruim 2,4 miljoen euro, naar de SNS-rekening overgemaakt. Verdachte heeft daarmee de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte] , die financieel diep in de problemen zat, een nieuwe greep in de kas van [Stichting] zou doen, die hij vrij tot zijn beschikking had, willens en wetens aanvaard. Aldus had verdachte ook opzet, maar dan in voorwaardelijke vorm, op de medeplichtigheid aan de verduistering aan het resterende bedrag van ruim € 422.000 door [medeverdachte] .

De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna vermeld in rubriek 5.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het vijftiende gedachtestreepje – de overboeking van € 150.000,- op of omstreeks 30 mei 2010 – geen sprake is van toe-eigenen of wegnemen, omdat dit geldbedrag is overgeboekt van de lopende SNS-rekening naar de spaarrekening van [Stichting] . Verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken.

4.3.3.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2 ad A en onder ad B bepleit dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van ad A is geen sprake van een valse geldleningsovereenkomst, subsidiair ontbreekt het opzet op de valsheid. Bovendien staat niet vast dat dit document niet in Rijswijk is opgemaakt en ondertekend. Ten aanzien van ad B kan niet worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die deze geldleningsovereenkomst heeft getekend.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2, ad A ten laste gelegde

Zoals hiervoor onder 4.3.2. onder het kopje ‘medeplichtigheid’ al is overwogen is nooit sprake geweest van een geldlening tussen [Stichting] enerzijds en [medeverdachte] anderzijds. Daarmee is gegeven dat de door [medeverdachte] opgestelde en door verdachte medeondertekende ‘leningsovereenkomst’ als bedoeld onder ad A, vals is. Nu verdachte dit wist en hij toch de overeenkomst heeft ondertekend, had hij ook het opzet op het valselijk opmaken van die overeenkomst. Verdachte heeft voorts zelf toegegeven dat hij het stuk heeft getekend wetende dat in de overeenkomst ten onrechte stond vermeld dat het was opgemaakt op 25 januari 2010, omdat het in werkelijkheid op een latere datum was opgemaakt en getekend.

Gelet op het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte en [medeverdachte] opzettelijk en in strijd met de waarheid deze geldleningsovereenkomst valselijk hebben opgemaakt, met het oogmerk dat geschrift als echt en onvervalst te gebruik en door anderen te doen gebruiken. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de overeenkomst niet in [plaats] is opgemaakt en getekend, zodat verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2, ad B ten laste gelegde

Met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte deze overeenkomst heeft opgemaakt. Ten aanzien van deze geldleningsovereenkomst kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte deze daadwerkelijk heeft getekend. De verklaringen van verdachte en [medeverdachte] staan hieromtrent recht tegenover elkaar. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] meer documenten valselijk heeft opgemaakt en ook dat hij handtekeningen heeft vervalst. Gelet hierop, en gelet op de verklaring van verdachte dat hij totaal niet bekend is met deze geldleningsovereenkomst, is het mogelijk dat niet verdachte, maar [medeverdachte] de handtekening van verdachte op dit document heeft gezet. Verdachte wordt daarom van dit onderdeel van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen en de in rubriek 4.3. vervatte bewijsoverwegingen, bewezen dat,

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde,

[medeverdachte] in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 november 2011 in Nederland opzettelijk geldbedragen van in totaal 647.468,36 euro heeft overgemaakt, te weten:

naar privérekening [medeverdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 1]

- op of omstreeks 30 mei 2010 een geldbedrag van 250.000 euro,

- op of omstreeks 30 september 2010 een geldbedrag van 90.000 euro,

- op of omstreeks 28 april 2011 een geldbedrag van 60.000 euro,

- op of omstreeks 4 mei 2011 een geldbedrag van 50.000 euro,

- op of omstreeks 8 juni 2011 een geldbedrag van 40.000 euro,

naar [naam 3]

- op of omstreeks 31 augustus 2011 een geldbedrag van 35.000 euro,

- op of omstreeks 18 november 2011 een geldbedrag van 60.050 euro,

naar rekening [naam Group] met rekeningnummer [rekeningnummer 2]

- op of omstreeks 29 september 2011 een geldbedrag van 12.500 euro,

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 10.000 euro,

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 4.500 euro,

- op of omstreeks 25 oktober 2011 een geldbedrag van 14.012 euro,

- op of omstreeks 1 november 2011 een geldbedrag van 9.500 euro,

naar rekening [naam bedrijf 1]

- op of omstreeks 2 september 2011 een geldbedrag van 5.553,67 euro,

naar privérekening [medeverdachte] met rekeningnummer [rekeningnummer 3]

- op of omstreeks 11 augustus 2011 een geldbedrag van 4.500 euro,

naar rekening [naam bedrijf 2]

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 634,61 euro,

naar rekening [naam bedrijf 3]

- op of omstreeks 4 oktober 2011 een geldbedrag van 1.218,08 euro,

die geheel toebehoorden aan de [Stichting] en welke geldbedragen [medeverdachte] onder zich had in zijn hoedanigheid van bestuurder van de [Stichting] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door:

- op of omstreeks 27 mei 2010 een geldbedrag van 350.000 euro en op of omstreeks 30 december 2010 een geldbedrag van 1.641.895,91 euro en op of omstreeks 19 augustus 2011 een geldbedrag van 250.000 euro en op of omstreeks 22 augustus 2011 een geldbedrag van 600.000 euro van de ABN AMRO-rekening van de [Stichting] over te maken naar de nieuw geopende SNS-rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] en

- [medeverdachte] toe te staan over de SNS-rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] en het geld van de [Stichting] te beschikken zonder dat hij, verdachte, als penningmeester van de stichting, toezicht hield op die rekening en

- de overige bestuursleden van de stichting niet te informeren over het feit dat [medeverdachte] gelden naar diens privérekeningen zou gaan overboeken en had overboekt;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 december 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een geldleningsovereenkomst, te weten

A. een geldleningovereenkomst d.d. 25 januari 2010 (rubriek 8.19.13, p. 391-393)

zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid:

Ad A

- in die overeenkomst vermeld dat de [Stichting] een geldbedrag van 225.000 euro aan zijn medeverdachte ( [medeverdachte] ) heeft geleend en

- in die overeenkomst vermeld dat deze is opgemaakt op 25 januari 2010, terwijl die overeenkomst in werkelijkheid op een latere datum is opgemaakt en getekend,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Zij heeft bij haar eis onder meer rekening gehouden met de ernst en de duur van de strafbare feiten, de rol van verdachte en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat vlak voor aanvang van de inhoudelijke behandeling op 2 februari 2016 de advocaat van de medeverdachte zijn verdediging had neergelegd. Dit heeft geleid tot een vertraging van negen maanden in de behandeling van de strafzaak tegen verdachte. De officier van justitie heeft geen rekening gehouden met de media-aandacht, nu deze aandacht niet als onaanvaardbaar kan worden aangemerkt.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft zich tien jaar lang met hart en ziel voor [Stichting] ingezet en heeft zichzelf nooit ten koste van [Stichting] verrijkt. Het is verdachte geweest die ervoor heeft gezorgd dat [medeverdachte] het door hem verduisterde geld aan [Stichting] heeft terugbetaald.

Verder moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, het niet goed is gesteld met zijn gezondheid en dat hij eigenaar is van een bedrijf met 80 werknemers. Bovendien zijn verdachte en zijn gezin, door de publiciteit en de gevolgen daarvan, reeds zwaar gestraft. Tot slot moet rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Met de bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten is vastgesteld dat hij als bestuurder en penningmeester medeplichtig is geweest aan de door [medeverdachte] , een medebestuurder, gepleegde verduistering van € 647.468,36 bij de Stichting [Stichting] en ter verhulling daarvan met die [medeverdachte] een valse geldleningsovereenkomst heeft opgesteld.

De rechtbank heeft voor de beoordeling van de op te leggen straf gekeken naar de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

[Stichting] was een stichting dat onderzoek naar kinderkanker financierde. Verdachte was als penningmeester mede verantwoordelijk voor de financiën. Een medebestuurder en goede vriend van verdachte heeft in anderhalf jaar tijd bij elkaar bijna 6,5 ton van de bankrekening van [Stichting] gehaald en gebruikt voor de betaling van privéschulden en het doen van privéuitgaven.

Verdachte heeft dit mogelijk gemaakt. Hij heeft eerst willens en wetens geholpen en geld gestort op de bankrekening van de stichting, wetende dat [medeverdachte] vervolgens een geldbedrag van 225.000 euro zou overboeken naar zijn eigen rekeningen. Verdachte heeft het bestuur van [Stichting] hierover bewust niet geïnformeerd. Ook heeft verdachte meegewerkt aan het verhullen van deze verduisteringsconstructie door met [medeverdachte] een valse geldleningsovereenkomst op te stellen en deze te ondertekenen. Vervolgens is verdachte ook medeplichtig aan de verduistering door [medeverdachte] van de andere geldbedragen, door nadien zeer grote geldbedragen op de SNS-rekening te blijven storten zonder daar enig toezicht in welke vorm dan ook op uit te oefenen. Verdachte behoorde dat, gelet op wat er allemaal was gebeurd en zeker ook als penningmeester van [Stichting] , wel te doen. Hij heeft echter geen toezicht uitgeoefend op de financiële administratie en heeft het bestuur niet geïnformeerd. Hij heeft aldus verwijtbaar de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat [medeverdachte] zou doorgaan met het aanwenden van goededoelengeld voor privédoeleinden.

Verdachte heeft met dit alles de goededoelenstichting financieel benadeeld, maar bovenal zijn positie als bestuurder ernstig misbruikt en het in hem gestelde vertrouwen beschaamd. Niet alleen het vertrouwen van de andere bestuurders, maar vooral ook het vertrouwen van de donateurs. Dit soort zaken heeft tot gevolg dat mensen niet meer snel doneren. Dit schaadt dus de goede zaak. De ophef heeft er in dit geval ook toe geleid dat de [Stichting] inmiddels is opgeheven en dat er dus minder geld beschikbaar is voor onderzoek naar kinderkanker.

Gezien de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, het benadelingsbedrag en de LOVS-straftoemetingsrichtlijnen zou normaal gesproken een onvoorwaardelijke

gevangenisstraf aan de orde zijn.

De rechtbank ziet net als de officier van justitie in de navolgende omstandigheden echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

Verdachte heeft vanaf het begin volledige opening van zaken gegeven, verklaard dat hij een vriend wilde helpen en ruiterlijk toegegeven fout te hebben gehandeld. De rechtbank is er bij de behandeling ter zitting ook van overtuigd geraakt dat verdachte zeer betrokken was bij [Stichting] , dat hij er onder gebukt gaat dat de stichting mede door zijn toedoen ernstige schade is berokkend en dat zijn spijtbetuiging oprecht is.

Voorts is meegewogen de omstandigheid dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en niet is gebleken dat verdachte zelf op enige manier voordeel heeft genoten van de verduistering.

Tot slot is in ogenschouw genomen dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden dat tot strafvermindering dient te leiden. Sinds de aanhouding van verdachte op 11 juni 2013, zijn drie jaar en vijf maanden verstreken. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak binnen twee jaar moet worden afgerond. Dat betekent dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van die termijn van 18 maanden.

Of er sprake is van een onredelijke overschrijding van de termijn dient te worden beoordeeld aan de hand van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachten en/of hun raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In dit geval betrof het geen bijzonder ingewikkelde zaak. Ook heeft het onderzoek door de autoriteiten niet veel tijd in beslag genomen, nu er immers al onderzoeksrapporten van private partijen beschikbaar waren. In februari 2015 is een regiebijeenkomst geweest, waarna in april en mei 2015 getuigen zijn gehoord. Het horen van deze getuigen heeft niet tot wezenlijke vertraging van de zaak geleid. De inhoudelijke behandeling van de zaak stond vervolgens op 2 februari 2016 gepland. Voorafgaand aan die zitting heeft de toenmalige advocaat van de medeverdachte de verdediging neergelegd, met als gevolg dat de inhoudelijke behandeling pas in november 2016 kon plaatsvinden. Dit heeft uiteindelijk tot een vertraging van tien maanden geleid in de zaak tegen verdachte. Deze vertraging is niet aan verdachte te wijten. De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Dit leidt tot strafvermindering.

Verdachte hoeft daarom niet naar de gevangenis. Wel zal de rechtbank, naast de maximale taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, om de ernst van de feiten te

onderstrepen. De rechtbank ziet overigens geen gevaar dat verdachte in de toekomst nogmaals op dezelfde wijze in de fout zal gaan. Verdachte heeft een blanco strafblad. Het lijkt te gaan om een incident dat alweer lang geleden plaatsvond. Een korte proeftijd volstaat daarom.

De rechtbank merkt nog op dat zij bij het bepalen van de strafoplegging in de grote mediabelangstelling voor deze zaak géén matigend effect op de hoogte van de op te leggen straf heeft gezien. Het is weliswaar aannemelijk dat de media-aandacht een zware wissel op het privéleven van verdachte en dat van zijn gezin heeft getrokken, maar deze media-aandacht was hier begrijpelijk en onvermijdelijk. Ten eerste vanwege de succesvolle fondsenwerving door [Stichting] , waarbij de stichting en ook verdachte zelf publiciteit zocht en deze ook succesvol heeft gevonden. Ten tweede vanwege de maatschappelijke impact van strafbare feiten als deze. De rechtbank ziet ook niet in waarom het Openbaar Ministerie op voorhand niet kenbaar mag maken aan journalisten wanneer de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsvindt. Het Openbaar Ministerie heeft ook tot taak het publiek te informeren. Tot slot is geheel niet gebleken dat door het Openbaar Ministerie de onschuldpresumptie is geschonden.

Conclusie

Alles afwegende, acht de rechtbank, met de officier van justitie, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 240 uren op zijn plaats en zij zal verdachte daartoe veroordelen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 48, 57, 225 en 323 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde:

medeplichtig aan verduistering gepleegd door beheerders van stichtingen, ten opzichte van enig goed dat zij als zodanig onder zich hebben, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,

mrs. M.B. de Boer en J.B. Oreel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2016.