Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:798

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
C/13/599290 / KG ZA 15-1540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tegen de achtergrond van beëindiging maatschapsovereenkomst en beperking winstaandeel, afgewezen. Vooralsnog voldoende gegevens verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/599290 / KG ZA 15-1540 MvdV/MB

Vonnis in kort geding van 9 februari 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LABORGRAVIS B.V.,

gevestigd te Heemstede,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 12 januari 2016,

advocaten mrs. W.A. Vader en M.J. Keuss te Amsterdam,

tegen

de maatschap

[naam maatschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. drs. J.F. Garvelink te Amsterdam.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 20 januari 2016 hebben eisers, hierna gezamenlijk [eisers] en afzonderlijk [eiser 2] en Laborgravis, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en akte wijziging van eis, met dien verstande dat zij hun eis ter terechtzitting nader hebben gewijzigd (verminderd) als na te melden. Gedaagde, hierna: [gedaagde] , heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. [eisers] heeft producties en een pleitnota in het geding gebracht en beide partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang:

aan de zijde van [eisers] : [eiser 2] , mrs. Vader en [naam 1] ;

aan de zijde van [gedaagde] : [naam 2] , lid van het Dagelijks Bestuur (DB) (hierna: [naam 2] ), en mr. Garvelink.

2 De feiten

2.1.

[eiser 2] is enig bestuurder-aandeelhouder van Laborgravis. Laborgravis en

41 andere besloten vennootschappen (de vennoten), alsmede de 42 directeuren van die vennootschappen (onder wie [eiser 2] , [naam 3] (hierna: [naam 3] ), [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 2] zijn gezamenlijk een Samenwerkings- en Maatschapsovereenkomst (hierna: de Overeenkomst) aangegaan, op basis waarvan zij de belastingadviespraktijk uitoefenen onder de naam [naam maatschap] ( [gedaagde] ). [naam 3] is lid van het DB van de maatschap en voorzitter van de [plaats unit] waarvan [eisers] deel uitmaakte.

In artikel VI van de Overeenkomst is bepaald dat de deelneming van een vennoot in [gedaagde] eindigt (onder meer) door opzegging van de zijde van [gedaagde] , mits de maatschapsvergadering daarvoor toestemming verleent met (tenminste) een 3/4 meerderheid (artikel XI).

2.2.

[eiser 2] is 28 jaar met Laborgravis als belastingadviseur aan [gedaagde] verbonden geweest.

2.3.

Binnen [gedaagde] bestaat een zogenoemd ‘meester-gezel’ programma, waarbij jongere medewerkers worden gekoppeld aan een van de maten. In dat verband had [eiser 2] een jongere medewerker (van Marokkaanse afkomst) (hierna: de werknemer) onder zijn hoede.

2.4.

Op 20 maart 2015 heeft [naam 3] een Memo (”Betreft: periodieke beoordeling (…) (naam werknemer, vzr.) )” gestuurd aan de afdeling personeelszaken (HRM) van [gedaagde] , met een kopie aan [eiser 2] en de werknemer, over het functioneren van de laatste. Hierin staat onder meer het volgende:
Ik twijfel niet aan zijn goede wil en inzet en meen dat hij zeer wel een bijzonder talent en een bijzondere skillset in huis heeft, maar ik (…) ben op basis van (het gebrek aan) zijn ontwikkeling zeer negatief over zijn verdere carrièreperspectief binnen [gedaagde] …

2.5.

Op 24 maart 2015 heeft [eiser 2] , in aanwezigheid van een aantal medewerkers van [gedaagde] , een speech voor de werknemer gehouden (hierna: de Speech) en vlaai doen presenteren, ter gelegenheid van de commerciële successen van de werknemer.

[naam 3] was daarbij niet aanwezig. [eiser 2] heeft tijdens de Speech onder meer gezegd:

Vlaai in verband met een prestatie die met recht zeer uitzonderlijk genoemd kan worden. (…)

Voor (…) (de werknemer, vzr.) had [naam 3] ( [naam 3] , vzr.) de wijze woorden: “Money talks, Bullshit walks (…).” (…) (…) (de werknemer, vzr.) ging voortvarend aan de slag en het regende afspraken. (…)

Lang verhaal kort, in september vorig jaar volgde de eerste hit in die categorie en vorige week de tweede (…) We hebben in goede justitie vastgesteld dat jouw “aandeel” in het succes 50% bedraagt. (…) Een zeer uitzonderlijke prestatie waarmee ik je van harte feliciteer. (…) Ik concludeer dat je het eerste deel van [naam 3] “Money talks, Bullshit walks” uitspraak ruimschoots hebt waargemaakt. Sterker nog, zo’n dubbel succes, in dit ongelooflijk moeilijk te penetreren marktsegment, is binnen [gedaagde] nog nooit vertoond. Ik wil [naam 3] hartelijk danken voor zijn steun aan dit targetting experiment. (…). (…) Hoe dan ook (…) het is je gelukt, je creëert daadwerkelijk je eigen werk, en hóe! Daarom is deze fles champagne voor jou. Nogmaals van harte gefeliciteerd en veel dank voor je tomeloze inzet, vast ook namens [naam 3] (…).

2.6.

Nadat [eiser 2] de speech had gehouden is [naam 3] (op 24 maart 2015 later op de dag) de kamer waar [eiser 2] en de werknemer zich bevonden binnengegaan, heeft hij de werknemer weggestuurd en [eiser 2] met stemverheffing toegesproken. Volgens de werknemer en [eiser 2] scheelde het niet veel of [naam 3] was [eiser 2] te lijf gegaan (dit voorval wordt hierna ook aangeduid met: ‘het Incident’).

De werknemer heeft zich na het incident ziek gemeld en heeft (uiteindelijk) aangifte gedaan tegen [naam 3] , bij de politie.

2.7.

Bij e-mail van 24 maart 14.31 uur heeft [naam 3] aan [naam 4] en [naam 2] (onder meer) geschreven:

Ik heb net een enorme ruzie met [eiser 2] staan maken en hem onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat ik woedend ben vanwege zijn eigengereide manier van optreden vanochtend. (…) Dit is ruim een week voor de beoordeling van de persoon (…) die zich nogal controversieel gedraagt en met niemand binnen [gedaagde] aansluiting vindt- behalve met [eiser 2] . (…) Ik heb [eiser 2] vorige week mijn zorgen rond (…) (naam werknemer, vzr.)’s functioneren (in een gesprek en later ook schriftelijk (…) op de hoogte gebracht. We waren wat mij betreft in discussie over zijn beoordeling (…) Ik zie de actie van [eiser 2] als een pre-emptieve, zeer oncollegiale (dat stelt me het meest teleur) en (ten overstaan van de unit) insubordinerende en- verstrekt door ‘namesdropping’- ook zeer ongepaste doorkruising van iets dat uit een normaal overleg tussen partners naar voren had moeten komen. (…) Echt ontoelaatbaar gedrag wat mij betreft.”

[naam 3] heeft deze e-mail direct aan [eiser 2] doorgestuurd, ter kennisname, waarna over en weer nog verdere correspondentie heeft plaatsgevonden over de Speech en het Incident.

2.8.

Op 31 maart 2015 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser 2] en het DB, waarna het DB zich is gaan beraden op de positie van [eiser 2] binnen de maatschap.

2.9.

Tijdens een overleg op 29 april 2015 heeft het DB aan [eiser 2] meegedeeld het vertrouwen in hem te zijn verloren en hem verzocht uit de maatschap te treden.

2.10.

In een Memo van 20 mei 2015 heeft het DB aan [eiser 2] , naar aanleiding van de Speech en het Incident, meegedeeld dat [eiser 2] in de visie van het DB geen enkel blijk heeft gegeven van zelfreflectie en niet bereid is zijn eigen optreden tegen het licht te houden.

In de Memo wordt verwezen naar eerdere zaken waarin [eiser 2] onvoldoende oog zou hebben gehad voor het maatschapsbelang. Aangekondigd wordt dat een vergadering zal worden opgeroepen, waarin het DB zal adviseren de deelneming van [eiser 2] aan de maatschap door opzegging te beëindigen. Het DB heeft in het Memo nogmaals geopperd dat [eiser 2] vrijwillig kan uittreden en hem voorts meegedeeld dat zijn functioneren, vanwege de zorgen en twijfels daarover aan de kant van het DB, zal worden getoetst door een commissie, bestaande uit zes leden van de Maatschap (hierna: de Commissie).

2.11.

Op 4 en 5 juni 2015 heeft [eiser 2] (onder meer via een brief van zijn advocaat) aan het DB meegedeeld dat het DB ten onrechte voorbijgaat aan het Incident en het volgens [eiser 2] dreigende en agressieve gedrag van [naam 3] . [eiser 2] heeft het DB verzocht zich daarover alsnog uit te spreken. In de brief van 5 juni 2015 heeft (de advocaat van) [eiser 2] meegedeeld civiele en strafrechtelijke maatregelen te zullen treffen.

2.12.

Op 12 juni 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser 2] en de Commissie.

2.13.

Op 16 juni 2015 heeft de Commissie aan het DB gerapporteerd. Het DB heeft het Memo van de Commissie diezelfde dag aan [eiser 2] doorgestuurd en hem nogmaals in overweging gegeven om (vrijwillig) uit de maatschap te treden.

Volgens het Memo van de Commissie hebben de commissieleden een klapper van het DB ontvangen met correspondentie over vier onderwerpen, namelijk:

- de participatie in de maatschap door de werkmaatschappij van [eiser 2] en de afspraak dat die deelname ook voor rekening en risico van die werkmaatschappij diende te komen (2001);

- een idee op grond waarvan ontvangen huur als aflossing op een vordering zou kunnen worden beschouwd;

- de Speech en het Incident;

- de toon en wijze van communiceren met het DB gedurende meerdere jaren over verschillende onderwerpen.

De conclusie in het Memo van de Commissie luidt:

Alles overziende meent de Commissie dat het DB terecht concludeert dat het handelen van [eiser 2] reden is tot grote zorg en dat zijn recente gedrag naar aanleiding van de discussie over zijn speech de welbekende druppel is waar ook evident een grens mee is overschreden. De commissie herkent de observaties van het DB (…) en acht het (daarom) voorts niet onwaarschijnlijk, dat incidenten zich in de toekomst zullen (blijven) voordoen. (…)

Geconcludeerd wordt dat het DB in redelijkheid tot de conclusie komt dat zij geen verdere verantwoordelijkheid wil nemen voor het functioneren van [eiser 2].”

2.14.

Op 21 juni 2015 is [eiser 2] met spoed in het ziekenhuis opgenomen, wegens een herseninfarct.

2.15.

Op 4 augustus 2015 is [eiser 2] weer een aantal uren per dag aan het werk gegaan bij [gedaagde] .

2.16.

Partijen zijn niet tot een regeling gekomen met betrekking tot een (vrijwillig) vertrek van [eiser 2] . Op 12 augustus 2015 heeft het DB een bijzondere maatschapsvergadering bijeen geroepen voor 3 september 2015, met als onderwerp het voorstel tot onmiddellijke beëindiging (door opzegging) door [gedaagde] van de deelneming van [eisers] aan de maatschap. Aan [eiser 2] is in afwachting daarvan de tekeningsbevoegdheid ontnomen en de toegang tot [gedaagde] ontzegd.

2.17.

Tijdens de op 3 september 2015 gehouden maatschapsvergadering hebben (40 van) de (42) vennoten gestemd voor de beëindiging (opzegging) van de deelneming van Laborgravis ( [eiser 2] ). [eiser 2] heeft tijdens deze vergadering een toespraak gehouden, waarin hij zijn teleurstelling heeft uitgesproken dat ‘het DB tot nu toe geweigerd heeft te bevestigen dat agressie onder geen enkele voorwaarde is toegestaan binnen de maatschap, niet richting de werknemers en ook niet tussen vennoten’, alsook zijn verbazing dat het Incident niet nader is onderzocht.

2.18.

Bij brief van 8 september 2015 heeft [gedaagde] aan [eiser 2] bevestigd dat zijn deelneming per 3 september 2015 is opgezegd, dat na die datum geen werkzaamheden meer voor de maatschap mogen worden ontwikkeld, dat het vertrek verder financieel en anderszins zal worden afgewikkeld en dat nog separaat zal worden teruggekomen op het winstdeel van [eisers] voor 2014/2015.

2.19.

De werknemer heeft op 9 november 2015 [naam 5] , president-commissaris van KPMG aangeschreven en zich beklaagd over de gang van zaken bij [gedaagde] , stellende dat hij tengevolge van jarenlang ervaren pesterijen, discriminatie en agressie, uitmondend in het Incident, een post traumatische stressstoornis heeft opgelopen, en verzocht om in te grijpen. [naam 5] heeft aan de werknemer meegedeeld hierin geen bevoegdheden te hebben en hem verwezen naar de Raad van Bestuur.

2.20.

Bij e-mail van 14 november 2015 heeft [eiser 2] aan [gedaagde] verzocht om de geluidsopname van de maatschapsvergadering van 3 september 2015. Eerder had hij al verzocht om het transcript.

2.21.

Bij brief van 4 december 2015 heeft [gedaagde] , na de constatering dat het partijen niet gelukt is om over de afwikkeling van het uittreden van [eisers] minnelijke afspraken te maken, aan [eiser 2] meegedeeld dat de maatschap heeft besloten het winstaandeel van Laborgravis over 2014/2015 te beperken tot

€ 400.000,-, aangezien [eiser 2] als directeur van Laborgravis niet zou hebben gefunctioneerd in die mate die in redelijkheid van een vennoot van [gedaagde] mag worden verwacht. Meer specifiek wordt daarbij genoemd:

“• het beoordelingsproces van een werknemer willens en wetens doorkruisen en het werkverband in een unit ernstig verstoren;

• het naast je neerleggen van procedures, aanbevelingen en instructies met betrekking tot hoe met klanten om te gaan en hoe met een bepaalde advisering (…)

• jouw houding ten opzichte van je collega’s wanneer je wordt aangesproken op gedrag /handelen (…);

• (jouw dreigen met) inzetten van straf- en civielrechtelijke vervolging van een medepartner;

• volstrekt niet aanspreekbaar zijn op jouw gedrag en juist de confrontatie opzoeken (…)

• daar komt bij dat jouw financiële performance al langere tijd ernstig te wensen overlaat (…)

In deze brief is ook vermeld dat [eiser 2] binnen zes weken tegen het besluit in beroep kan komen bij de maatschapsvergadering.

2.22.

Bij brief van 10 december 2015 heeft de raadsman van [eisers] [gedaagde] , onder overlegging van een conceptdagvaarding, gesommeerd om aan hem een aantal bescheiden te verschaffen uiterlijk op 16 december 2015. Op 15 december 2015 heeft de raadsman van [gedaagde] aan [eiser 2] geschreven dat een aantal bescheiden gewoon beschikbaar was.

2.23.

Op 22 december 2015 heeft [gedaagde] aan [eisers] een set informatie verschaft, waaronder de notulen en het transcript van de vergadering van 3 september 2015. De interne correspondentie van het DB is daarbij niet ter beschikking gesteld.

2.24.

Bij brief van 31 december 2015 heeft [eiser 2] om aanvullende bescheiden

gevraagd, onder meer met betrekking tot de toedracht van het Incident.

2.25.

Op 6 januari 2016 heeft [eiser 2] met zijn raadsman de geluidsopname van de vergadering van 3 september 2015 afgeluisterd.

2.26.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft [eisers] beroep aangetekend tegen het

onder 2.21 genoemde besluit tot inperking van zijn winstaandeel.

2.27.

Op 18 januari 2016 heeft [gedaagde] aan [eisers] (een overzicht van) financiële gegevens verstrekt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 2] vordert thans, na vermindering van eis: veroordeling van [gedaagde] tot afgifte aan [eisers] van (kopieën van) alle (digitale) bescheiden en/of (digitale) gegevensdragers, binnen 96 uur na vonnisdatum, althans voor het gevorderde onder vi en vii binnen 15 dagen, althans binnen een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, die betrekking hebben op en/of ten grondslag liggen aan:

A) de besluitvorming van het DB aangaande de ingeroepen beëindiging van de Overeenkomst met [eisers] , waaronder in ieder geval begrepen, maar niet beperkt tot:

i. i) het volledige (personeels)dossier van [eiser 2] , inclusief alle beoordelingen, verslagen en/of vragenlijsten, die zien op het functioneren van [eisers] ;

ii) alle (overige) tussen de leden van het DB onderling in dit verband gewisselde correspondentie;

B) de besluitvorming van de Vergadering van 3 september 2015 aangaande de ingeroepen beëindiging van de Maatschapsovereenkomst met Laborgravis, waaronder in ieder geval begrepen, maar niet beperkt tot:

iii) de originele integrale (digitale) geluidsopname die daarvan is gemaakt, althans dat gedeelte daarvan tot [eiser 2] de vergadering heeft verlaten;

C) de “financiële performance” van [eisers] binnen [gedaagde] , waaronder in ieder geval begrepen financiële rapportages, althans overzichten uit de financiële administratie van [gedaagde] , waaruit blijkt:

iv) de door [eisers] behaalde omzet en winst over ten minste de afgelopen zeven (7) boekjaren;

v) het gemiddelde van door alle maten van [gedaagde] behaalde omzet en winst over ten minste de afgelopen zeven (7) boekjaren;

vi) de totale omzet en winst in relatie tot de door [eisers] beheerde portefeuille over ten minste de afgelopen zeven (7) boekjaren;

vii) de gemiddelde omzet en winst per portefeuillehouder binnen [gedaagde] over ten minste de afgelopen zeven (7) boekjaren;

D) het Incident, waaronder in ieder geval begrepen, maar niet beperkt tot:

viii) alle correspondentie tussen en/of met (leden van) het DB, (leden van) de Commmissie, maten van [gedaagde] , leden van de raad van bestuur en/of leden van de raad van toezicht van KPMG en KPMG International; en

ix) (interne) (gespreks)verslagen en/of rapportages met betrekking tot het Incident of de Speech, in het bijzonder die zien op de wijze waarop het DB en/of de werknemer het Incident en/of de Speech aan het DB, de Human Resources afdeling van [gedaagde] , althans de daartoe geëigende instantie binnen [gedaagde] om interne klachten te doen, heeft toegelicht en/of uiteen heeft gezet.

3.2.

[eisers] heeft zijn vordering gestoeld op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eisers] is het niet eens met de (reden van de) beëindiging van zijn deelname aan de maatschap. [gedaagde] probeert het Incident in de doofpot te stoppen, terwijl het op haar weg had gelegen om grondig onderzoek te doen, aangezien [naam 3] met zijn agressieve optreden de binnen [gedaagde] (en in de Code of Conduct binnen KPMG vastgelegde) geldende normen en waarden met voeten heeft getreden. Achteraf zijn er redenen met de haren bijgesleept (zoals dat de financiële performance van [eisers] niet goed zou zijn geweest), die onjuist zijn en nooit eerder besproken. [eisers] heeft de bescheiden nodig om er achter te komen wat de werkelijke reden voor de beëindiging is geweest en in het kader van door hem aanhangig gemaakte en nog te maken (arbitrage en/ of gerechtelijke) procedure(s) tegen [gedaagde] waarin de beperking van zijn winstdeel en de onterechte beëindiging van zijn deelname zullen worden aangevochten en mogelijk een schadevergoeding zal worden gevorderd. Aan alle eisen van artikel 843a Rv wordt voldaan, en een beletstel om de gegevens te verstrekken is niet aan de orde. [eisers] heeft een spoedeisend belang bij het verstrekken van de gegevens, om zijn positie te kunnen bepalen en ten behoeve van de waarheidsvinding. [eisers] lijdt aanzienlijke imagoschade door de handelwijze van [gedaagde] , onder meer doordat in strijd met de waarheid aan zakenrelaties is meegedeeld dat [eiser 2] om gezondheidsredenen de maatschap heeft moeten verlaten. [gedaagde] heeft wel een deel van de gevraagde bescheiden verschaft, maar lang niet alles. [eisers] heeft recht op het volledige dossier. Aldus [eisers]

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft bij maatschapsbesluit van 3 september 2015 de deelneming van [eisers] met onmiddellijke ingang beëindigd. Aanleiding tot de beëindiging vormden de onder 2.4 tot en met 2.7 geschetste feiten. In het Memo van 20 mei 2015 en in de rapportage van de Commissie van 16 juni 2015 zijn de gronden voor de voorgenomen beëindiging nader toegelicht. Bij besluit van 4 december 2015 is als extra grond voor de beëindiging de (volgens [gedaagde] tekort schietende) financiële performance van [eisers] vermeld en is [eisers] meegedeeld dat zijn winstaandeel zou worden beperkt (van € 1 miljoen tot € 400.000,-).

4.2.

Niet in geschil is dat de maatschapsvergadering in beginsel bevoegd is om (met tenminste een tweederde meerderheid, aan welke voorwaarde hier is voldaan) tot een beëindiging van de Overeenkomst met een vennoot te besluiten.

De vraag of [gedaagde] in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen, de wijze waarop dit is gebeurd en de financiële afwikkeling ervan (waaronder de beperking van het winstaandeel van [eisers] ) zijn tussen partijen weliswaar onderwerp van geschil, maar liggen niet ter beoordeling voor in de onderhavige procedure.

Dit kort geding is beperkt tot de vraag of [gedaagde] , tegen de hiervoor geschetste achtergrond, gehouden is tot het verstrekken van de door [eiser 2] gevorderde bescheiden.

4.3.

Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

Een dergelijke vordering kan in kort geding worden toegewezen, als aan voornoemde voorwaarden is voldaan en de eisende partij daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft, tenzij daartegen op grond van wettelijke (843a leden 3 en 4 Rv) of in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven een beletsel bestaat.

Onder bescheiden wordt mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage of uittreksel zal worden verschaft.

4.4.

Dat de door [eisers] gevorderde bescheiden merendeels gerelateerd zijn aan een rechtsbetrekking waarbij [eisers] partij is, is tussen partijen niet in geschil.

Uitgangspunt is voorts dat [eisers] op zichzelf een rechtmatig en spoedeisend belang heeft om te beschikken over de gegevens die de grondslag vormen voor de door hem niet gewenste beëindiging van de maatschapsrelatie en voor de, daarmee samenhangende, beperking van zijn winstaandeel. [eisers] dient immers te kunnen beschikken over de documentatie op grond waarvan besloten is zijn deelneming in [gedaagde] met onmiddellijke ingang en zonder compensatie te beëindigen, met name om zijn verdere (financiële) belangen ook in rechte te kunnen behartigen. [gedaagde] heeft dit uitgangspunt overigens ook niet, althans onvoldoende, betwist.

4.5.

Ook als de hiervoor genoemde uitgangspunten in acht worden genomen

– hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengt dat [eisers] in beginsel aanspraak heeft op (afschrift van of inzage in) de relevante bescheiden die tot de beëindiging van de maatschapsrelatie hebben geleid – dienen de vorderingen van [eisers] volgens [gedaagde] in dit concrete geval echter te worden afgewezen.

4.6.

[gedaagde] heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat een groot deel van de gevraagde bescheiden, zoals de gegevens waarover de Commissie heeft kunnen beschikken, reeds aan [eiser 2] zijn verstrekt (weliswaar volgens [gedaagde] deels onverplicht en veelal op eerste vordering van [eisers] , maar niettemin) en dat een aantal andere gevraagde bescheiden eenvoudigweg niet bestaat. [eisers] heeft in dit verband ter zitting zijn vordering aanzienlijk gewijzigd (verminderd), zodat zijn vordering thans luidt zoals hiervoor bij 3.1 vermeld. De nog resterende vorderingen zullen hierna afzonderlijk nader worden besproken. Opmerking vooraf daarbij is dat – ondanks de vermelding “waaronder in ieder geval begrepen, maar niet beperkt tot” – alleen zal worden ingegaan op de daarin concreet vermelde bescheiden. Een vordering tot afgifte van eventuele overige bescheiden met betrekking tot de daar vermelde onderwerpen is te globaal om te kunnen worden toegewezen, aangezien het dan niet meer ‘bepaalde bescheiden’ als bedoeld in artikel 843a Rv betreft.

4.7.

In concreto wenst [eisers] nog de beschikking te krijgen over de volgende gegevens:

4.7.1.

de beoordelingen van [eiser 2] vanaf 2011

Volgens [eiser 2] zou er in het kader van de beoordeling van de maten (tenminste) jaarlijks overleg moeten plaatsvinden en hebben plaatsgevonden tussen (twee leden) van het DB en de betreffende vennoot en zou dat schriftelijk moeten zijn vastgelegd. [eiser 2] heeft een dergelijke beoordeling over 2012 in zijn bezit, waarvan de basis een door hem zelf ingevulde vragenlijst is geweest. Volgens hem zou [gedaagde] ook beschikken over beoordelingen met betrekking tot andere jaren. [gedaagde] heeft dat echter gemotiveerd betwist. Van schriftelijke vastleggingen van dergelijke beoordelingen zou volgens haar geen sprake zijn geweest, noch zouden dit soort gesprekken op structurele basis hebben plaatsgevonden, al had dat misschien – ook in de optiek van [gedaagde] – wel gemoeten. De rapportage over 2012 was [gedaagde] naar haar zeggen ook niet bekend geweest, als [eiser 2] die niet zelf in zijn bezit had gehad.

Anders dan [eisers] heeft bepleit, is zijn vordering in het licht van het verweer van [gedaagde] niet toewijsbaar. Er zijn onvoldoende concrete aanwijzingen dat [gedaagde] dergelijke documenten in haar bezit heeft. Als er al schriftelijke vastleggingen van beoordelingen over de afgelopen jaren zouden zijn, zou bovendien aannemelijk zijn dat (ook) [eiser 2] zelf daarover zou beschikken. Deze vordering is dus niet toewijsbaar.

4.7.2.

de originele (digitale) geluidsopname die is gemaakt van de vergadering van 3 september 2015 (iii)

[gedaagde] heeft betwist dat [eisers] belang heeft bij de afgifte daarvan, aangezien hij beschikt over een volledig transcript van de geluidsopname en deze bovendien in aanwezigheid van zijn advocaat heeft kunnen beluisteren. [eisers] heeft gesteld dat hij toch wil beschikken over de originele opname, omdat het transcript niet compleet zou zijn. Partijen bleken het er op de zitting over eens te zijn dat op de geluidsopname een periode van een minuut of tien er niets te horen valt, volgens [gedaagde] omdat toen de stembriefjes werden verzameld. Het ontgaat de voorzieningenrechter dat [eiser 2] in dit verband toch belang zou hebben bij afgifte van de geluidsbanden, temeer nu [gedaagde] heeft toegezegd dat [eisers] indien hij dat wenst de opname nog eens kan komen beluisteren, zodat hij kan checken of deze overeenkomt met het transcript. [gedaagde] heeft dus terecht aangevoerd dat [eisers] bij toewijzing van dit onderdeel van de vordering onvoldoende belang heeft.

4.7.3. (

(overzichten van) de door [eisers] behaalde omzet en winst over ten minste de afgelopen zeven (7) boekjaren en datzelfde met betrekking tot het gemiddelde van alle maten van [gedaagde] ; de totale omzet en winst in relatie tot de door [eisers] beheerde portefeuille over ten minste de afgelopen zeven (7) boekjaren en datzelfde met betrekking tot het gemiddelde per portefeuillehouder van [gedaagde] ;(iv tot en met vii)

Op zichzelf heeft [eisers] bij de verstrekking van deze gegevens in het kader van een door hem te entameren (inmiddels reeds in gang gezette) beroepsprocedure als bedoeld in de brief van 4 december 2015 een voldoende (spoedeisend) belang. [gedaagde] heeft ook op dit punt aangevoerd reeds aan deze vordering te hebben voldaan, aangezien zij aan [eisers] hiertoe strekkende cijfermatige overzichten heeft verstrekt. [eisers] kwalificeert deze overzichten echter als een ‘zelf gefabriceerd staatje’ waarvan niet valt te controleren of dit op de (correcte) financiële gegevens van [gedaagde] berust. De raadsman van [gedaagde] heeft desgevraagd bevestigd dat de gegevens rechtstreeks zijn ontleend aan de digitale financiële administratie van [gedaagde] . Vooralsnog zal de voorzieningenrechter uitgaan van de juistheid van deze verklaring. Het desbetreffende overzicht bevindt zich niet onder de gedingstukken, zodat een oordeel over de vraag of dit overzicht al dan niet toereikend is thans niet kan worden gegeven. Mocht [eisers] (blijven) menen dat dit niet het geval is, dan dient hij dat nader te concretiseren en toe te lichten. In dat geval kan [gedaagde] mogelijk worden verplicht tot het verstrekken van inzage in/afschrift van nadere (onderliggende) gegevens. Voorshands is onvoldoende gebleken dat [gedaagde] daartoe in dat stadium niet bereid is. Een veroordeling in dit verband is daarom prematuur. Ook dit onderdeel van de vordering wordt derhalve afgewezen.

4.8.

De overige vorderingen van [eisers] betreffen:

- alle (overige) tussen de leden van het DB onderling in verband met de beëindiging van de Overeenkomst met [eisers] gewisselde correspondentie. (ii)

en, met betrekking tot het Incident:

- alle correspondentie tussen en/of met (leden van) het DB, (leden van) de Commissie, maten van [gedaagde] , leden van de raad van bestuur en/of leden van de raad van toezicht van KPMG en KPMG International; (viii) en

- (interne) (gespreks)verslagen en/of rapportages met betrekking tot het Incident of de Speech, in het bijzonder die zien op de wijze waarop het DB en/of de werknemer het Incident en/of de Speech aan het DB, de Human Resources afdeling van [gedaagde] , althans de daartoe geëigende instantie binnen [gedaagde] om interne klachten te doen, heeft toegelicht en/of uiteen heeft gezet. (ix)

Ook de vorderingen tot het verstrekken van afgifte van (kopieën van) voornoemde bescheiden zijn niet toewijsbaar, op grond van het volgende.

4.9.

Deze vorderingen betreffen voor een groot deel interne correspondentie tussen DB leden onderling. Niet in geschil is dat dit interne correspondentie betreft over een reeds gerezen geschil met [eisers] [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat een partij het recht heeft om zonder inmenging van anderen van gedachten te wisselen (met andere medewerkers of adviseurs) over de aangewezen aanpak van een zodanig geschil. Dergelijk interne notities vallen niet onder de exhibitieplicht voortvloeiend uit artikel 843a Rv. Dit ligt ook in de rede, aangezien binnen een organisatie anders geen vrijelijk intern overleg meer zou kunnen plaatsvinden, wat een onwerkbare situatie zou teweeg brengen.

4.10.

Voor zover het gaat om afgifte van correspondentie met derden over het Incident, geldt dat dit met name de werknemer betreft (en niet [eiser 2] ). Onvoldoende duidelijk is welk rechtens te respecteren belang [eiser 2] heeft bij de afgifte van correspondentie tussen derden en de werknemer. Daar komt bij dat mogelijk ook privacybelangen van de desbetreffende werknemer zich tegen afgifte van of inzage in deze bescheiden verzetten. Ook om die reden zijn de vorderingen viii en ix, voor zover deze de interne correspondentie te buiten gaan, niet toewijsbaar. De stelling van [eisers] dat [gedaagde] geen afstand zou willen nemen van agressie op de werkvloer, de werknemer en [eisers] de mond zou willen snoeren en het Incident in de doofpot zou willen stoppen – wat daarvan ook zij – is geen grond voor een andersluidend oordeel.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde voorzieningen worden geweigerd, met veroordeling van [eisers] in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

– € 619,- € 619,- aan griffierecht en

– € 619,- € 816,- aan salaris advocaat;

5.3.

veroordeelt [eiser 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- voor nasalaris te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

9 februari 2016.1

1 type: MB coll: BB