Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:796

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
13/845050-07 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS. Fiscale fraude.

Aangifte voor de inkomstenbelasting/omzetbelasting. Gedeeltelijke vrijspraak met verwijzing naar HR 6 december 2005, ECLI:NL:2005:AU2246: in het specifieke geval dat daadwerkelijk wordt vastgesteld dat bij de mededader/de belastingplichtige het vereiste opzet ontbrak, staat dit vanwege het kennelijk ontbreken van bewuste samenwerking in de weg aan het oordeel dat verdachte het feit met de desbetreffende mededader heeft gepleegd. Het bewezenverklaarde levert benadelingsbedrag op van 60.000 euro. Volgens de LOVS oriëntatiepunten fraude is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats. Wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn met 5 jaar is dit echter niet meer opportuun en zal worden volstaan met een taakstraf. Dat deze taakstraf lager is dan geëist hangt samen met de gedeeltelijke vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845050-07 (Promis)

Datum uitspraak: 3 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2015 en 20 januari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Goedegebuure, en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. M. Schwab, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van bij de Belastingdienst voorziene aangifte voor de omzetbelasting (feit 1) en medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van bij de Belastingdienst voorziene aangifte voor de inkomstenbelasting (feit 2).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Het standpunt van de verdediging

Het openbaar ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de redelijke termijn is overschreden terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is. De mogelijkheden tot het voeren van een adequate verdediging zijn hierdoor aanzienlijk verminderd. Zo heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van getuige [getuige] maar deze getuige is thans onvindbaar. Gelet op het belang van de verdediging bij het horen van voornoemde getuige en de mogelijkheid van het openbaar ministerie om deze getuige in een eerder stadium van de vervolging te horen, is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

3.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gecompenseerd in de strafmaat.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is op 18 augustus 2009 door de FIOD verhoord. Nu niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem in deze zaak door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld, zal de rechtbank deze datum als aanvangsdatum nemen (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ro. 3.12.1).

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsvrouw op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ro. 3.13.1-3.14).

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen is afgerond. Het overzichtsproces-verbaal is afgesloten op 21 december 2009. In de jaren die volgden, heeft het onderzoek stilgelegen. Eerst op 4 juli 2015 heeft in deze zaak en de zaak tegen de medeverdachte een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn door verdachte en de medeverdachte nog onderzoekswensen ingediend, te weten het verzoek tot het horen van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris. Vervolgens heeft op 20 januari 2016 de inhoudelijke behandeling van de zaken plaatsgevonden. Het onderhavige eindvonnis is op 3 februari 2016 gewezen.

Verdachte heeft, door het verzoek tot het horen van een getuige bij de rechter-commissaris, invloed uitgeoefend op het procesverloop in deze zaak. Zelfs als rekening wordt gehouden met deze omstandigheid, is echter sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze overschrijding vast op bijna vijf jaar.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, ro. 3.21). Er is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat in deze zaak van bovenbedoeld vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden afgeweken. Ondanks dat het openbaar ministerie de mogelijkheid heeft gehad in een eerder stadium van de vervolging getuige [getuige] te horen, maakt deze omstandigheid niet dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dit betekent dat het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Daarnaast is de dagvaarding geldig en is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Standpunten van de partijen

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zo vat de rechtbank het schriftelijke requisitoir samen – de bewezenverklaring gevorderd van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert haar standpunt op de in het dossier aanwezige processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , processen-verbaal van verhoor van getuigen en de schriftelijk bescheiden die in de woningen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen vrijspraak bepleit ten aanzien van medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften, met uitzondering van de in de tenlastelegging opgenomen aangiften voor de inkomstenbelasting op naam van verdachte. De raadsvrouw heeft – kort gezegd – daartoe aangevoerd dat de rol van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de aangiften ten name van [naam 1] en ten name van [naam 2] is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte hierbij betrokken is geweest, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank zal – voor zover nodig – in rubriek 5. nader ingaan op specifieke standpunten van de partijen.

5 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals hieronder vermeld.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

Verdachte zal in de navolgende overwegingen van de rechtbank, omwille van de leesbaarheid, worden aangeduid als [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte] zal eveneens worden aangeduid met zijn achternaam.

5.1.

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en het behandelde ter terechtzitting het volgende af.

Door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) is in januari 2007 onder de naam “ [persoon 1] ” een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onjuiste aangiften voor de omzetbelasting over de maanden januari tot en met september 2006, die op naam van de eenmanszaak “ [eenmanszaak 1] ” bij de Belastingdienst zijn ingediend.2 [persoon 1] , de eigenaresse van “ [eenmanszaak 1] ”, heeft bij de politie verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] betrokken zijn geweest bij het indienen van voornoemde aangiften.3

De woningen van [verdachte] en [medeverdachte] zijn vervolgens door de FIOD doorzocht, waarbij diverse administratieve bescheiden en gegevens van derden zijn aangetroffen.4 Nader onderzoek heeft uitgewezen dat voornoemde stukken betrekking hebben op onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die in de periode van 10 mei 2006 tot en met 4 mei 2007 ten name van verschillende eenmanszaken bij de Belastingdienst zijn ingediend.5 Deze onjuistheid hield in dat deze bedrijven – anders dan in genoemde aangiften vermeld- geen goederen en diensten hebben afgenomen van leveranciers en dus geen omzetbelasting aan leveranciers hebben betaald.

Ook zijn in de woning van [verdachte] administratieve bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op in de periode van 26 juli 2005 tot en met 14 januari 2007 ingediende onjuiste aangiften voor de inkomstenbelasting. De in de aangiften aangegeven looninkomsten en loonheffing komen op deze aangiften niet overeen met de gegevens die hiervan bij de Belastingdienst bekend waren.6

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften onjuist zijn. Het resultaat is dat voornoemde belastingaangiften sloten op onjuiste terug te vragen bedragen, met het doel om de Belastingdienst te bewegen tot het ten onrechte uitkeren van belastinggeld.

Mede naar aanleiding van de door de officier van justitie en de raadsvrouw ter terechtzitting ingenomen standpunten, ziet de rechtbank zich voor de volgende vragen gesteld:

  • -

    Had [verdachte] een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting, en zo ja, welke?

  • -

    Had [verdachte] een rol bij het indienen van de onjuiste aangiften voor de loonbelasting, en zo ja welke?

5.2.

Feit 1

5.2.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring van feit 1 uit van de in de tenlastelegging genoemde aangiften voor de omzetbelasting. De aangiften zijn ingediend ten name van natuurlijke personen, handelend onder de naam van verschillende eenmanszaken. Deze personen met hun eenmanszaken zullen afzonderlijk worden besproken.

[persoon 1] (handelend onder de naam “ [eenmanszaak 1] ”)

[persoon 1] heeft haar eenmanszaak “ [eenmanszaak 1] ” in 2006 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.7 Op naam van [persoon 1] zijn over de maanden januari 2006 tot en met september 2006 bij de Belastingdienst aangiften voor de omzetbelasting gedaan.8 Het aangiftebiljet over de maanden januari tot en met april 2006 heeft de Belastingdienst ontvangen op 10 mei 2006. Naar aanleiding van de aangiften heeft de Belastingdienst een totaalbedrag van € 18.697,- op het rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [eenmanszaak 1] gestort.9

Binnen de eenmanszaak “ [eenmanszaak 1] ” hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden.10 [persoon 1] heeft verklaard dat zij samen met, onder meer, [verdachte] en [medeverdachte] , de eenmanszaak heeft ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Op verzoek van [verdachte] en [medeverdachte] heeft zij vervolgens het inschrijvingsbewijs aan hen gegeven. Daarna heeft [persoon 1] in opdracht van [verdachte] en [medeverdachte] een zakelijke rekening geopend bij de Postbank, waarna zij de bankpas en pincode van deze bankrekening aan [medeverdachte] moest afgeven.11 [verdachte] was hierbij aanwezig.12

Ten aanzien van de ingediende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft [persoon 1] verklaard dat zij nooit een aangifte heeft ingediend. [medeverdachte] en [verdachte] hebben tegen haar gezegd dat zij iemand hadden die voor “ [eenmanszaak 1] ” de aangiften kon indienen.13 Op verzoek van [medeverdachte] heeft [persoon 1] haar sofinummer aan hem gegeven, zodat hij kon inloggen op de website van de Belastingdienst. Ook de bankafschriften van de zakelijke rekening heeft zij aan [medeverdachte] en [verdachte] gegeven.14 De teruggaven van de Belastingdienst heeft [persoon 1] met overschrijvingskaarten overgeboekt naar haar privébankrekening. De gelden heeft zij vervolgens een dag later, in het bijzijn van [medeverdachte] en [verdachte] , contant opgenomen. Een gedeelte van de gelden heeft zij moeten afgeven aan [medeverdachte] en [verdachte] .15

Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres 2] te [plaats] is op zijn slaapkamer een Cd-rom aangetroffen met een scan van de bankpas met het rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [eenmanszaak 1] .16 In de woning van [medeverdachte] is aangetroffen een origineel briefje met daarop geheime toegangscodes, behorend bij een zakelijke rekening van [persoon 1] .17

Ten aanzien van de onjuiste ingediende aangiften heeft [medeverdachte] verklaard dat hij persoonlijke gegevens van [persoon 1] , onder meer haar sofinummer, aan een persoon genaamd “ [getuige] ” heeft gegeven. Deze [getuige] heeft de aangiften ingediend bij de Belastingdienst. [medeverdachte] heeft vervolgens van [persoon 1] een gedeelte van het geldbedrag ontvangen dat naar aanleiding van de ingediende aangiften door de Belastingdienst op haar bankrekening was gestort.18

[persoon 2] (handelend onder de naam “ [eenmanszaak 2] ”)

[persoon 2] heeft haar eenmanszaak “ [eenmanszaak 2] ” op 3 november 2006 ingeschreven in de Kamer van Koophandel.19 Op naam van [persoon 2] is over de maanden januari 2007 tot en met maart 2007 aangifte voor de omzetbelasting gedaan.20 De aangifte is op 5 april 2007 bij de Belastingdienst ingediend. Naar aanleiding van de aangifte heeft de Belastingdienst € 1.291,- op de bankrekening van [persoon 2] gestort.21

Binnen de eenmanszaak “ [eenmanszaak 2] ” hebben nooit bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden.22 [persoon 2] heeft verklaard dat zij het bedrijf in opdracht van een persoon genaamd “ [naam 4] ” en een vriend van [naam 4] heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Voor de oprichting van de eenmanszaak heeft zij ongeveer 2.500 euro ontvangen.23 Vervolgens moest zij van deze [naam 4] een bankrekening openen en de pinpas en overige bankbescheiden aan hem overleggen.24 Ook heeft zij een kopie van haar paspoort aan [naam 4] gegeven.25 [persoon 2] kon [naam 4] bereiken op het telefoonnummer [telefoonnummer] . [persoon 2] heeft [verdachte] op een foto herkend als zijnde de voornoemde vriend van [naam 4] . [verdachte] werd door haar ook wel “de boekhouder” genoemd omdat, zo heeft zij verklaard, “hij alles deed”.26

Ten aanzien van de ingediende onjuiste aangifte voor de omzetbelasting heeft [persoon 2] verklaard dat [naam 4] en [verdachte] tegen haar hebben gezegd dat zij geldbedragen van de Belastingdienst zouden ontvangen en dat zij een gedeelte van deze bedragen zou krijgen. Zij moest [naam 4] of [verdachte] bellen wanneer zij papieren van de Belastingdienst toegestuurd had gekregen, waarna zij deze papieren kwam ophalen.27 Het geldbedrag dat naar aanleiding van de onjuiste ingediende aangifte door de Belastingdienst op de bankrekening van [persoon 2] is gestort, heeft zij contant opgenomen en gebruikt.28

Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] aan de [adres 2] te [plaats] is een fotokopie van het paspoort en de pinpas van [persoon 2] aangetroffen.29 Ook is aangetroffen een origineel bericht van de bank met daarop de pincode voor de zakelijke rekening van “ [eenmanszaak 2] ”.30 Voorts zijn originele brieven van de Belastingdienst aangetroffen die betrekking hebben op de eenmanszaak.31 In de contactenlijst van de telefoon van [verdachte] is de naam “ [naam 4] ” met het telefoonnummer [telefoonnummer] aangetroffen.32

5.2.2.

Nadere overwegingen

Opzet

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat ten name van de eenmanszaken “ [eenmanszaak 1] ” en “ [eenmanszaak 2] ” onjuiste aangiften voor de omzetbelasting zijn ingediend bij de Belastingdienst. De belastingplichtigen [persoon 1] en [persoon 2] , zoals onder punt 5.2.1. vermeld, hebben immers verklaard dat binnen de eenmanszaken geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden. Hoewel niet kan worden vastgesteld wie de in de tenlastelegging vermelde onjuiste aangiften van voornoemde eenmanszaken feitelijk heeft ingediend, is aannemelijk dat ook als dit door [medeverdachte] of een andere persoon (bijvoorbeeld [getuige] ) is gedaan, dat alleen mogelijk was met behulp van de informatie, inschrijving bij de KvK, codes, bankrekeningnummers etc. zoals die door [verdachte] en [medeverdachte] van [persoon 1] en [persoon 2] verkregen waren. Het handelen van [verdachte] , zoals hierover door [persoon 1] en [persoon 2] is verklaard, in combinatie met het telefoonnummer van [naam 4] in de contactlijst van verdachte, de aangetroffen bescheiden in de woningen, zoals persoonlijke gegevens van de aangifteplichtige, toegangscodes bij bankrekeningen en de officiële brieven van de Belastingdienst, kan, in onderling verband en samenhang bezien, worden aangemerkt als zo zeer gericht op de onjuistheid van de aangiften en de daarmee samenhangende belastingfraude dat het niet anders kan dat dat hij opzet op het (alleen of tezamen en in vereniging met anderen) doen van de onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gehad. [verdachte] heeft ook overigens geen verklaring willen geven met betrekking tot de in de tenlastelegging vermelde aangiften.

Medeplegen

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het doen van de onjuiste aangiften. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiftes te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. Voorafgaand en na afloop van de ingediende aangiften is sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , zijn mededader(s) en belastingplichtigen, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

[verdachte] heeft aan anderen gevraagd om eenmanszaken bij de Kamer van Koophandel in te schrijven. Binnen deze ondernemingen hebben geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. In het kader van de verplichte aangiften voor de omzetbelasting heeft [verdachte] vervolgens de persoonsgegevens van de belastingplichtigen, te weten de natuurlijke personen van de eenmanszaken, in ontvangst genomen. Daarna zijn deze gegevens door een derde verwerkt in een aangiftebiljet en ingediend bij de Belastingdienst. [verdachte] kwam vervolgens weer in actie nadat de Belastingdienst de teruggaven had uitgekeerd. Hij ging dan op pad om een gedeelte van de ontvangen gelden te incasseren. De werkwijze waarbij onderling moest worden afgestemd om alle vereiste gegevens voor de aangiften te verkrijgen, kenmerkt zich door een bewuste en nauwe samenwerking. [verdachte] heeft daarbij in het samenwerkingsverband een essentiële rol gespeeld. Zonder zijn bijdrage zouden de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden, immers niet mogelijk zijn geweest. Immers, het ter beschikking stellen en verkrijgen van die persoonsgegevens vormt een wezenlijk onderdeel van het ten laste gelegde fraudepatroon, nu zonder die gegevens de onterechte aangiften niet zouden kunnen worden ingediend en de beoogde bevoordeling niet kon worden bewerkstelligd. [verdachte] opzet was zowel gericht op het onjuist doen van aangiften, als op het medeplegen daarvan. De rol van [verdachte] laat zich dan ook niet als enkel medeplichtigheid kwalificeren.

Partiële vrijspraak

In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat [verdachte] betrokken is geweest bij alle andere dan hierboven onder rubriek 5.2.1. vermelde onjuiste aangiften voor de omzetbelasting die bij de Belastingwet zijn ingediend. Gelet daarop wordt [verdachte] daarvan vrijgesproken.

5.3.

Feit 2

5.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de bewezenverklaring van feit 2 uit van de in de tenlastelegging genoemde aangiften voor de inkomstenbelasting. Deze personen zullen afzonderlijk worden besproken.

[verdachte]

[verdachte] heeft in de periode van 26 juli 2005 tot en met 9 november 2006 aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2003, 2004 en 2005 bij de Belastingdienst ingediend.33 De aangifte over het jaar 2003 heeft de Belastingdienst ontvangen op 26 juli 2005.

Op de aangifte over het jaar 2003 is een bruto inkomen van € 23.387,- aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij het uitzendbureau “ Adecco ”, waarop € 5.271,- loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat [verdachte] in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van € 11.428,-, waarop € 2.005,- loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Adecco” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.34

Op de aangifte over het jaar 2004 is een bruto inkomen van € 23.546,- aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij het uitzendbureau “Randstad”, waarop € 7.135,- loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat [verdachte] in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van € 11.512,-, waarop € 2.015,- loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “Randstad” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.35

Op de aangifte over het jaar 2005 is een bruto inkomen van € 21.136,- en € 7.462,- aangegeven, ontvangen uit werkzaamheden bij “Randstad Nederland B.V.” en het uitzendbureau “ Adecco ”, waarop € 5.295,- en € 3.548,- loonheffing is ingehouden. Uit het Belastingdienstsysteem waarin de loongegevens zijn opgenomen blijkt dat [verdachte] in voornoemd jaar een WAO/AWW-uitkering heeft ontvangen van € 11.514, waarop € 2.045,- loonheffing is ingehouden. Deze uitkering staat niet vermeld op de ingediende aangifte en looninkomsten bij het uitzendbureau “ Adecco ” zijn bij de Belastingdienst niet bekend.36

De Belastingdienst heeft naar aanleiding van de aangiften voor de inkomstenbelasting een totaalbedrag van € 14.707,- uitbetaald.37De teruggaven van de aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2003 en 2005 zijn gestort op het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [persoon 3] .38 De teruggaaf van de aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2004 is uitbetaald op de bankrekening van [verdachte] .39

5.3.2.

Nadere overwegingen

[verdachte]

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging – bewezen dat [verdachte] telkens opzettelijk onjuist een onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan door onjuiste bedragen aan looninkomsten en loonheffing te vermelden op zijn aangiften voor de inkomstenbelasting. Hierdoor is een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting aangegeven.

Partiële vrijspraak

[verdachte] wordt vrijgesproken van alle andere aangiften voor de inkomstenbelasting dan hierboven onder rubriek 5.3.1 vermeld.

De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke aangifteplicht bedoeld in artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) rust op degene aan wie het betreffende aangiftebiljet is uitgereikt en niet ook op degene die namens de adressaat de aangifte feitelijk heeft gedaan. Gelet daarop zal overtreding van artikel 69, lid 2 Awr alleen kunnen worden begaan door de aangifteplichtige en niet door degene die voor de aangifteplichtige uitvoering geeft aan het doen van aangifte.

[verdachte] zou strafbaar zijn, indien hij tezamen en in verenging met de belastingplichtigen onjuiste aangiften heeft gedaan. Dit is echter niet gebleken. De belastingplichtigen zijn door de FIOD als getuigen gehoord. Zij hebben allen verklaard dat zij niet op de hoogte waren van de op hun naam ingediende aangiften voor de inkomstenbelasting bij de Belastingdienst. Uit het dossier is verder ook niet gebleken van enige betrokkenheid van deze belastingplichtigen bij de ingediende onjuiste aangiften. Verder hebben zij verklaard, ook nadat door verbalisanten een foto van [verdachte] is getoond, hem niet te (her)kennen. Dat betekent dat niet bewezen kan worden dat de belastingplichtigen opzet hadden op het doen van onjuiste aangifte (vlg. HR 6 december 2005, ECLI:NL:2005:AU2246). Van medeplegen is dus geen sprake. Nu [verdachte] niet als (mede)dader van de tenlastegelegde overtreding van artikel 69, lid 2 Awr kan worden aangemerkt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.

5.4

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] tezamen en in vereniging met een ander(en) of alleen, onjuiste aangiften bij de Belastingdienst heeft ingediend. Deze onjuiste belastingaangiften hebben ertoe gestrekt dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door de Belastingdienst is berekend dat zij door de onder rubrieken 5.2.1 en 5.3.1. en besproken aangiften een fiscaal nadeel heeft geleden van € 58.878-.40

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond de in rubriek 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

in de periode van 10 mei 2006 tot en met 5 april 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) of alleen, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Omzetbelasting over de aangifteperioden 2006 en/of 2007, ten name van de volgende personen:

[persoon 1] (h/o [eenmanszaak 1] )

-Januari 2006 (D04), en

-Februari 2006 (D04), en

-Maart 2006 (D04), en

-April 2006 (D04), en

-Mei 2006 (D05, D12), en

-Juni 2006 (D06, D13), en

-Juli 2006 (D07, D14), en

-Augustus 2006 (D08, D15), en

-September 2006 (D09, D16),

en

[persoon 2] (h/o [eenmanszaak 2] )

-Januari 2007 (D310), en

-Februari 2007 (D310), en

-Maart 2007 (D310),

onjuist heeft gedaan, immers hebben verdachte en zijn mededader(s) telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst te Heerlen ingediende elektronische aangiften en/of ingeleverde aangiftebiljet Omzetbelasting over genoemde perioden ten name van de hiervoor genoemde personen, telkens in strijd met de waarheid onjuiste gegevens over de behaalde omzet en te ontvangen OB teruggaven opgegeven, terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de periode van 26 juli 2005 tot en met 9 november 2006 in Nederland telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangiften Inkomstenbelasting over de jaren 2003 en/of 2004 en/of 2005, ten name gesteld van de volgende persoon:

[verdachte]

- IB 2003 (D530, D531), en

- IB 2004 (D530, D532), en

- IB 2005 (D530, D533)

onjuist heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst te Heerlen ingediende elektronische aangiften Inkomstenbelasting over genoemde perioden ten name van de hiervoor genoemde persoon, telkens in strijd met de waarheid inkomsten uit arbeid en/of dienstbetrekking, opgegeven, terwijl die feiten telkens er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren. Bij het formuleren van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Voor het geval de rechtbank dit standpunt niet mocht volgen, heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte en zijn mededader(s) hebben zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. Verdachte heeft met inschakeling van twee zogenaamde katvangers twee fictieve eenmanszaken opgericht en namens die fictieve ondernemingen telkens opzettelijk onjuiste aangiften voor de omzetbelasting ingediend. Ook heeft verdachte in zijn eigen aangiften voor de inkomstenbelasting onjuiste looninkomsten en te hoge loonheffing opgenomen. Doordat verdachte bewust de onjuiste belastingaangiften heeft ingediend, is uiteindelijk te weinig belasting geheven, nu er onverschuldigd belasting is terugbetaald. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte de Belastingdienst en daarmee de maatschappij benadeeld met als enig doel persoonlijk geldelijk gewin. Het benadelingsbedrag kan globaal worden geschat op bijna € 60.000,-. Het is feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen is en niet alleen tot fiscaal nadeel, maar ook tot ondermijning van de algemene belastingmoraal leidt.

Verder blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie van 7 december 2015 niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict. Bij de straftoemeting dient de rechtbank ook rekening te houden met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren. Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de toepassing van deze oriëntatiepunten is uitgegaan van “fraude met een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot € 70.000,-” waar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op staat voor de duur van 2 tot 5 maanden dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf.

Ten slotte houdt de rechtbank bij de straftoemeting rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaar, zoals uiteengezet onder rubriek 3.3.

De rechtbank is van oordeel dat voor de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, maar gezien het tijdsverloop en gezien het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, wordt dit nu niet meer opportuun geacht. Alles in aanmerking genomen, ziet de rechtbank aanleiding verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 100 uren. Gelet op het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, bestaat aanleiding om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22b, 22c, 22d, 47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

het opzettelijk een bij de belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter

mrs. G.M. van Dijk en R.H.C. Jongeneel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Stas, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2016.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD-ECD. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.

2 Een aanvangsproces-verbaal (AH-01)

3 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 1-3 (V01-02), een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 3 (V01-04) en een proces-verbaal inzake identificatie van [verdachte] en [medeverdachte] (AH-13)

4 Een proces-verbaal terzake doorzoeking van woning van [verdachte] (AH-14) en een proces-verbaal doorzoeking verblijfplaats [medeverdachte] , p. 2-4 (AH-23)

5 Een proces-verbaal verzoek tot doorzoeking woning, p. 5 (AH-12)

6 Een overzichtsproces-verbaal, p. 82 (0-OPV-1)

7 Een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel betreffende [eenmanszaak 1] / [persoon 1] (D-22)

8 Geschriften, te weten een aangifte omzetbelasting over januari tot en met april 2006 betreffende [eenmanszaak 1] (D-04), vijf schermafdrukken elektronische aangiften omzetbelasting ten name van [persoon 1] , mei 2006 tot en met september 2006 (D-05 tot en met D-09), een ambtsedige verklaring betreffende langs elektronische weg ingediende aangiften (D-11) en gegevens van de aangiften omzetbelasting tijdvakken mei 2006 tot en met augustus 2006 (D-12 tot en met D-15)

9 Geschriften, te weten een dagafschrift rekening 1780906 ten name van [eenmanszaak 1] (D-28) en door Postbank verstrekte identificerende gegevens [eenmanszaak 1] / [persoon 1] (D-21)

10 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 2 (V01-02)

11 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 2 (V01-01)

12 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 2-3 (01-04)

13 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 2 (V01-02)

14 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 2 (V01-01)

15 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 1] , p. 2 (V01-02)

16 Geschriften, te weten directory op CD-ROM uit woning [verdachte] met bestanden scan 0001 en scan 0002 (D-54) en bestanden scan0001 en scan0002, giropas [eenmanszaak 1] (D-55)

17 Een geschrift, te weten een originele strook van Postbank NV met gegevens zakelijke bankrekening van [persoon 1] (D-156)

18 Een proces-verbaal van verhoor van een verdachte [medeverdachte] , p. 4-7 (V03-02)

19 Een geschrift, te weten een opgaaf startende onderneming [eenmanszaak 2] / [persoon 2] (D-298a)

20 Een geschrift, te weten een uitdraai elektronische aangifte OB van [persoon 2] (D-310)

21 Een geschrift, te weten een bankafschrift uitbetaling omzetbelasting [persoon 2] , opname met pas K769 (D-309)

22 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 3 (V04-02)

23 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 3 (V04-01)

24 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 4-5 (V04-01)

25 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 2 (V04-02)

26 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 2 (V04-01)

27 Een proces-verbaal van verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 3 (V04-01)

28 Een proces-verbaal van verhoor van een verdachte [persoon 2] , p. 4 (V04-02)

29 Een geschrift, te weten fotokopie paspoort en giropas van [persoon 2] met handgeschreven aantekeningen (D-215)

30 Een geschrift, te weten originele PIN-code en GIN-code voor [eenmanszaak 2] en [persoon 2] (D-211)

31 Een geschrift, te weten originele teruggaafbeschikking omzetbelasting van [persoon 2] (D-214)

32 Een geschrift, te weten pagina uit contactenlijst telefoon uit woning [verdachte] (D-463)

33 Geschriften, te weten printafdrukken van digitale aangiften IB 2003, 2004, 2005 ten name van [verdachte] (D-531 tot en met D-533) en een geschrift, te weten een ambtsedige verklaring IB 2003 t/m 2005 ten name van [verdachte] (D-530)

34 Een geschrift, te weten een printafdruk Fibase m.b.t. looninkomsten 2003 van [verdachte] (D-265) en een overzichtsproces-verbaal, p. 84 (O-OPV-01)

35 Een geschrift, te weten een printafdruk Fibase m.b.t. looninkomsten 2004 van [verdachte] (D-268) en een overzichtsproces-verbaal, p. 85 (0-0PV-1)

36 Een geschrift, te weten een printafdruk Fibase m.b.t. looninkomsten 2005 van [verdachte] (D-271) en een overzichtsproces-verbaal, p. 85 (0-OPV-1)

37 Een overzichtsproces-verbaal, p. 86 (0-OPV-1)

38 Geschriften, te weten een printafdruk Dacas m.b.t. voorlopige aanslag IB 2003 ten name van [verdachte] (D-263), een printafdruk Dacas m.b.t voorlopige aanslag IB 2005 ten name van [verdachte] (D-270)

39 Geschriften, te weten een printafdruk Dacas m.b.t. voorlopige aanslag IB 2004 van [verdachte] (D-266) en identificerende gegevens n.a.v. vordering art. 126nc WvSv gericht aan de ABN AMRO Bank (D-293)

40 Een overzichtsproces-verbaal, p. 8, 10 en 18 (0-OPV-1)