Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7885

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
13/845127-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft op 1 december 2016 uitspraak gedaan ten aanzien van 14 verdachten in de mega-fraudezaak “Bommel”.

Criminele organisatie

Zeven hoofdverdachten zijn veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie, gericht op met name grootscheepse faillissementsfraude en flessentrekkerij, en voor flessentrekkerij dan wel faillissementsfraude. De criminele organisatie heeft voor deze activiteiten gedurende in totaal 4,5 jaar 14 ‘plof’vennootschappen gebruikt, waarbij ruim 300 leveranciers onbetaald zijn gebleven, met een totaal benadelingsbedrag van circa € 2,5 miljoen.

Zeven andere verdachten

Twee vaste afnemers zijn veroordeeld voor (gewoonte)heling, vier katvangers voor faillissementsfraude, en tot slot nog een verdachte voor flessentrekkerij.”

Gewoonteheling. Aanleiding: onderzoek naar criminele organisatie gericht op o.a. faillissementsfraude en flessentrekkerij. Heeft bij meerdere door criminele organisatie voor flessentrekkerij en faillissementsfraude misbruikte vennootschappen goederen afgenomen. Strafmaatoverwegingen obv LOVS oriëntatiepunten fraude. Benadelingsbedrag onbetaalde leveranciers van de door verdachte afgenomen goederen: € 70.000. Strafverzwarende omstandigheden. Straf: 5 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van € 30.000 (hoger dan eis OM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845127-15 (Promis)

Datum uitspraak: 1 december 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 oktober en 21 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Peters naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat

Primair: [bedrijf 1 B.V.] en/of [bedrijf 2 B.V.] en/of [bedrijf 3 B.V.] in de periode van 14 maart 2013 tot en met 25 september 2014 een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, tot welk feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk feit verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, en/of

verdachte in de periode van 14 maart 2013 tot en met 25 september 2014 een gewoonte heeft gemaakt van opzetheling;

Subsidiair: [bedrijf 1 B.V.] en/of [bedrijf 2 B.V.] en/of [bedrijf 3 B.V.] zich in de periode van 14 maart 2013 tot en met 25 september 2014 schuldig heeft gemaakt aan opzetheling, dan wel schuldheling, tot welk feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk feit verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, en/of

verdachte zich in de periode van 14 maart 2013 tot en met 25 september 2014 schuldig heeft gemaakt aan opzetheling, dan wel schuldheling;

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen moet worden verklaard dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan gewoonteheling door [bedrijf 1 B.V.] Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft in de periode van 12 juni tot en met 24 oktober 2014 in totaal 179 keer telefonisch contact gehad met diverse medeverdachten. Deze contacten gingen onder meer over het aanbieden en kopen van diverse goederen. Toen de criminele organisatie besloot [bedrijf 4 B.V.] te laten ploffen, is een groot deel van de overgebleven goederen in overleg met verdachte aan hem verkocht en door vier medeverdachten in twee busjes naar zijn bedrijf in Breda gebracht.

Uit de administratie van het bedrijf van verdachte blijkt dat hij goederen heeft gekocht van verschillende bedrijven, waarmee door de medeverdachten is gefraudeerd. Deze goederen waren van misdrijf afkomstig.

Verdachte moet hebben geweten dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Hij heeft bij dezelfde personen die verschillende bedrijfsnamen hanteerden, goederen besteld, maar wist pas als hij de factuur zag van welk bedrijf hij inkocht. Verdachte heeft goederen van [bedrijf 4 B.V.] gekocht, maar het geld overgemaakt naar [bedrijf 5 B.V.] Uit de tapgesprekken blijkt dat verdachte wist dat de medeverdachten samenwerkten. Bovendien blijkt uit de tapgesprekken dat over de prijs gesproken kan worden. [medeverdachte 1] heeft meerdere malen inkoopprijzen van producten genoemd, waarna verdachte de goederen kon kopen voor een derde van die prijs. Verdachte kon ook meebeslissen welk bedrag er op de factuur kwam te staan. Ten slotte blijkt uit de omstandigheid dat verdachte niet verbaasd is als [medeverdachte 2] hem vertelt dat ze af en toe gevolgd worden en dat hij weet dat het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ‘enzo al weg’ is, zonder twijfel dat verdachte precies weet wat er aan de hand was. Verdachte heeft dus ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de goederen die hij heeft afgenomen uit flessentrekkerij en oplichting afkomstig waren en dat hij daarmee dus opzettelijk heeft geheeld.

Er is sprake van daderschap van de rechtspersoon, [bedrijf 1 B.V.] De goederen zijn aan het bedrijf gefactureerd en werden ook in het kader van het bedrijf geleverd. De gedragingen hebben daarom in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden en kunnen dus aan de rechtspersoon worden toegerekend. De opzet van verdachte, niet alleen eigenaar van het bedrijf, maar ook diegene die gerechtigd was de inkopen namens het bedrijf te doen, kan aan het bedrijf worden toegerekend.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Primair kan niet bewezen worden dat de door verdachte goederen uit misdrijf afkomstig waren. Deze goederen zijn middels een juiste overeenkomst gekocht en alleen uiteindelijk niet betaald. Dit moet als een civielrechtelijke niet naleving worden beschouwd en niet als een misdrijf.

Subsidiair kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had dat de goederen uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte kocht de goederen in bij de hoofdverdachten, waarvan hij [medeverdachte 3] al tientallen jaren kent, tegen marktconforme prijzen. Verdachte had vernomen dat deze afkomstig waren uit faillissementspartijen. Bovendien zou een groot deel van de door verdachte gekochte goederen voor eigen gebruik zijn. Ook dit verklaart de acceptatie van de prijzen en de goederen. Verdachte heeft dus nimmer kunnen en hoeven weten dat de goederen op de dagvaarding uit misdrijf afkomstig waren. Hij is slachtoffer geworden van de fraudepraktijken van de hoofdverdachten.

In het dossier wordt melding gemaakt dat er veel telefoongesprekken zijn geweest tussen verdachte en de hoofdverdachten. Dit ontkent verdachte ook niet. Dit betroffen allemaal telefoongesprekken over de aangeboden en deels gekochte levenswaar en deze gesprekken hebben niets plaatsgevonden in versluierd taalgebruik. Er werd onderhandeld over de prijs en er werden afspraken gemaakt over de levering. Daarbij is het in de branche van verdachte normaal dat er in contanten wordt afgerekend. Verdachte wees ook regelmatig een partij goederen af, omdat hij de vraagprijs te hoog vond. Verdachte kocht de goederen dus niet van de medeverdachten, omdat zij de goederen onder de marktprijs verkochten. De verkopers deden ook niet geheimzinnig of ontwijkend over hun identiteit. Verdachte had geen reden om wantrouwend te zijn. De facturen, waarop verschillende bedrijfsnamen stonden, ontving hij pas achteraf en bestudeerde hij niet echt, die gingen naar de boekhouder. Bovendien is het in het handelsleven volstrekt normaal dat diverse soorten goederen door een persoon worden verkocht middels verschillende ondernemingsnamen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Herkomst goederen

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat niet bewezen kan worden dat de ten laste gelegde goederen van misdrijf afkomstig zijn. Uit het in Bijlage II weergegeven bewijs blijkt dat de door verdachte gekochte goederen of soortgelijke goederen als gevolg van flessentrekkerij zijn geleverd aan [bedrijf 6 B.V.] , [bedrijf 9 B.V.] en [bedrijf 4 B.V.]

4.3.2.

Opzet verdachte

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] , die wordt ondersteund door tapgesprekken, de verklaring van [medeverdachte 2] en het startdocument van [bedrijf 4 B.V.] , blijkt dat goederen, zoals de door verdachte gekochte 600 LED lampen, voor ongeveer een derde van de inkoopprijs aan verdachte werden aangeboden en verkocht. Verdachte gaf vervolgens aan welk bedrag er op de factuur terecht moest komen. Hoewel het natuurlijk niet bijzonder is dat er over de prijs van goederen onderhandeld wordt, is deze gang van zaken alleen begrijpelijk als verdachte wist dat er niet voor de goederen betaald was. Er is immers geen scenario denkbaar waarbij [medeverdachte 1] , die verdachte kende als handelaar, goederen zo ver onder de inkoopprijs zou verkopen als hij de goederen legaal had verkregen. Een dergelijke bedrijfsvoering is economisch niet houdbaar. [medeverdachte 1] heeft bovendien verklaard dat verdachte alleen de bedragen op de facturen waarbij werd vermeld dat ze per bank zijn of worden betaald, heeft betaald en de bedragen die volgens de facturen contant zouden zijn betaald, niet heeft betaald. Ook deze verklaring vindt ondersteuning in overig bewijs, te weten het getapte gesprek van 27 oktober 2014 tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Ten slotte blijkt ook uit het feit dat verdachte niet verbaasd leek te zijn toen [medeverdachte 2] vertelde dat ze gevolgd werden en dat [medeverdachte 1] niet meer bereikbaar is op zijn nummer, dat verdachte kennelijk wist wat er aan de hand was. Hieruit volgt dat het verweer dat verdachte marktconforme prijzen zou hebben betaald faalt. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte willens en wetens goederen heeft gekocht die van misdrijf afkomstig waren.

Verdachte heeft dit gedurende een langere periode gedaan, zodat gewoonteheling bewezen kan worden. Nu verdachte de ten laste gelegde aankopen zelf heeft gedaan, kan hij als natuurlijk persoon worden aangemerkt als pleger van de ten laste gelegde gewoonteheling.

4.3.3.

De strafbaarheid van de rechtspersoon

De door verdachte gekochte goederen zijn allemaal gefactureerd aan [bedrijf 1 B.V.] – of een soortgelijke naam waarmee kennelijk [bedrijf 1 B.V.] is bedoeld – en gekocht door verdachte, die eigenaar was van de onderneming. De aankopen zijn ook verantwoord in de administratie van [bedrijf 1 B.V.] , zodat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte deze goederen heeft gekocht ten behoeve van zijn onderneming, om deze weer door te verkopen. De handelingen van verdachte passen in de normale bedrijfsvoering van zijn onderneming en zijn die dus ook dienstig geweest. De gedraging van verdachte kan dus aan de onderneming worden toegerekend. Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte opzet had op gewoonteheling, kan die opzet tevens aan zijn onderneming worden toegerekend. Derhalve kan de gewoonteheling als strafbare handeling van de rechtspersoon worden bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dus worden bewezen dat de ten laste gelegde gedragingen niet alleen zijn begaan door verdachte als natuurlijk persoon, maar ook zijn begaan door [bedrijf 1 B.V.] , en dat verdachte, zijnde degene die het volledig voor het zeggen had binnen het bedrijf, daaraan opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsoverwegingen en de in Bijlage II vervatte bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde bewezen, te weten dat:

[bedrijf 1 B.V.] in de periode van 14 maart 2013 tot en met 25 september 2014 te Breda een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin bestaande dat [bedrijf 1 B.V.] op tijdstippen in voormelde periode heeft verworven

- een Partij Princess stofzuigers, friteuses en grillen en acht palletwagens en vier BBQ BBcook Brahma en twee laptops HP en drie computers HP, geleverd door [bedrijf 6 B.V.] (DOC-084, pg. 17 tot en met 19);

en

- zes vaatwassers Whirlpool (WP) en vijf koelkasten Whirlpool (WP), geleverd door [bedrijf 4 B.V.] (DOC-084, pg. 1 tot en met 11);

en

- drie Intergas Kombi-Kompakt HRE 28/24 en 270 LED Lampen Phillips en 430 TL LED Tubes 120cm en 150cm en 125 LED TL 60cm, 120cm en 150cm, geleverd door [bedrijf 7 B.V.] (DOC-084, pg. 12 tot en met 16)

terwijl [bedrijf 1 B.V.] ten tijde van het verwerven van voormelde goederen telkens wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen,

aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

en

hij de periode van 14 maart 2013 tot en met 25 september 2014 te Breda een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin bestaande dat verdachte op tijdstippen in voormelde periode heeft verworven

- een Partij Princess stofzuigers, friteuses en grillen en acht palletwagens en vier BBQ BBcook Brahma en twee laptops HP en drie computers HP, geleverd door [bedrijf 6 B.V.] (DOC-084, pg. 17 tot en met 19);

en

- zes vaatwassers Whirlpool (WP) en vijf koelkasten Whirlpool (WP), geleverd door [bedrijf 4 B.V.] (DOC-084, pg. 1 tot en met 11);

en

- drie Intergas Kombi-Kompakt HRE 28/24 en 270 LED Lampen Phillips en 430 TL LED Tubes 120cm en 150cm en 125 LED TL 60cm, 120cm en 150cm, geleverd door [bedrijf 7 B.V.] (DOC-084, pg. 12 tot en met 16)

terwijl verdachte ten tijde van het verwerven van voormelde goederen telkens wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, en een geldboete van € 20.000,- (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 135 (honderdvijfendertig) dagen. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Gewoonteheling is een ernstig feit, waarop maximaal zes jaren gevangenisstraf staat. Verdachte heeft volgens de facturen goederen geheeld voor een bedrag van € 37.236,93, al is het de vraag of hij de bedragen op de facturen wel daadwerkelijk heeft betaald. Hierdoor heeft hij flessentrekkerij en faillissementsfraude in stand gehouden en gestimuleerd. Immers, als hij de uit misdrijf afkomstig goederen niet had afgenomen, was het voor de criminele organisatie niet meer interessant om de goederen bij leveranciers los te peuteren.

Daarnaast heeft verdachte, door voor de goederen vermoedelijk een lagere prijs te betalen en deze vervolgens weer te verkopen in zijn eigen onderneming, een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel gekregen. Door goedkoper in te kopen, kan verdachte zijn verkoopprijzen laag houden, terwijl eerlijke concurrenten met die prijzen waarschijnlijk geen rendabele onderneming meer kunnen draaien. Dat moet verdachte, die zijn eigen portemonnee blijkbaar belangrijker vindt, ernstige kwalijk genomen worden.

Gelet op het schadebedrag zou ik beginsel een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een taakstraf moeten worden opgelegd. Strafverzwarend is echter dat verdachte ook heeft geholpen goederen te verbergen voor schuldeisers. Gelet op deze omstandigheden, de omstandigheid dat verdachte geen relevante recidive heeft en zijn persoonlijke omstandigheden moet een taakstraf en een geldboete worden opgelegd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is bij justitie in beeld gekomen bij een onderzoek naar een criminele organisatie die gedurende enkele jaren een veelvoud aan vennootschappen heeft opgericht en overgenomen met geen ander doel dan het daarmee op zo groot mogelijke schaal op rekening inkopen van goederen, die nooit zouden worden betaald, maar wel zo snel mogelijk - ver onder de marktwaarde - aan helers werden verkocht. De goederen werden doorgaans voor ongeveer een derde van de inkoopwaarde weggezet, waarmee het voordeel voor de helers - ruwweg - twee keer zo groot was als het voordeel voor de organisatie. Daar komt nog bij dat de criminele organisatie aan de helers valse facturen verstrekte, op briefpapier van de misbruikte vennootschappen, waarop de goederen tegen hun daadwerkelijke waarde in rekening werden gebracht. De helers konden daarmee naar buiten toe doen alsof er geen sprake was van onoorbare handel, én ook nog eens de winst die zij maakten door de goederen ver onder de marktwaarde in te kopen, buiten het zicht van de fiscus houden, én omzetbelasting aftrekken die zij grotendeels niet hadden betaald.

Verdachte is een van de vaste helers van de criminele organisatie geweest. Verdachte heeft bij verschillende van de door de organisatie “gedraaide” vennootschappen goederen afgenomen. Uit de tapgesprekken tussen verdachte en medeverdachten blijkt dat verdachte bijzonder graag zaken met hen wil doen. Hij vraagt herhaaldelijk wat ze voor hem hebben, of er voor hem nog wat tussen zit, of ze nog wat binnen hebben gekregen, enzovoorts. In de administratie van de onderneming van verdachte is voor een bedrag van ten minste ruim € 70.000,- aan facturen aangetroffen van door de medeverdachten misbruikte vennootschappen. Bij [bedrijf 4 B.V.] gaat het om een bedrag van bijna € 37.000,-, zo blijkt uit het overzichts-proces-verbaal bij het zaaksdossier. Bij [bedrijf 6 B.V.] gaat het om ongeveer € 10.000,-, en bij [bedrijf 8] en [bedrijf 7 B.V.] om ongeveer € 26.000,-. Aangezien de bedragen die op de verstrekte facturen werden gezet in dezelfde orde van grootte lagen als de prijzen waarvoor de medeverdachten de goederen zelf bestelden, zal het bedrag waarvoor de leveranciers van de door verdachte afgenomen goederen zijn benadeeld, in dezelfde orde van grootte liggen als de som van de aangetroffen facturen.

Het gezegde luidt “zonder heler geen steler”. Dat geldt ook voor verdachte. Als vaste afnemer van de criminele organisatie heeft hij een zeer kwalijke rol gespeeld door hen te voorzien van een vast afneemadres voor goederen. Daardoor werden zij gestimuleerd om meer en meer goederen te bestellen bij leveranciers en werd de schade van deze leveranciers, wier leveranties niet zijn betaald, vergroot.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf het door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunt Fraude. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar het benadelingsbedrag. De rechtbank gaat ervan uit (zie hierboven) dat het benadelingsbedrag in de zaak van verdachte circa € 70.000,- bedraagt.

Bij een benadelingsbedrag van € 70.000,- past volgens het oriëntatiepunt Fraude een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. In het geval van verdachte gelden er enkele strafverzwarende omstandigheden. Verdachte heeft flink geprofiteerd van de fraude. Zoals hiervoor is overwogen, was het voordeel voor de helers ruwweg tweemaal zo groot als dat van de medeverdachten (als groep) zelf. Het nadeel dat de leveranciers hebben geleden is op geen enkele wijze ongedaan gemaakt. En ten slotte getuigt de proceshouding van verdachte niet van enig besef van het kwalijke van zijn handelwijze, laat staan berouw.

Van strafverminderende omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

Verdachte heeft het misdrijf kennelijk uit winstbejag, dus op grond van financiële prikkels, gepleegd. Verdachte is een succesvol ondernemer en eigenaar van onder meer een goedlopend vastgoedbedrijf. Het spreekt voor zich dat een goede ondernemer waar dat kan op de kosten bespaart om meer winst te maken, maar waar verdachte dat principe zo ver doordrijft dat hij voor zijn huurappartementen uit misdrijf afkomstige koelkasten tegen een derde van de normale prijs inkoopt terwijl hij weet dat deze een criminele herkomst hebben, gaat hij ver over de schreef. Een deels financiële straf is dan op zijn plaats.

De rechtbank ziet alles overziend aanleiding om aan verdachte conform het oriëntatiepunt Fraude een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van vijf maanden en bovendien een geldboete van € 30.000,-. Met deze geldboete worden tevens de eerder genoemde strafverzwarende omstandigheden verdisconteerd. De rechtbank heeft rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Daarbij is niet gebleken dat oplegging van deze geldboete verdachte onevenredig in zijn inkomen of vermogen zal treffen.

De rechtbank komt tot een zwaardere straf en strafmodaliteit dan geëist door de officier van justitie, omdat zij uitgaat van een aanzienlijk hoger benadelingsbedrag dan de officier van justitie en er sprake is van meerdere strafverzwarende omstandigheden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 51, 57, 416 en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

  • -

    Feitelijk leidinggeven aan een gewoonte maken van opzetheling, gepleegd door een rechtspersoon, en

  • -

    Een gewoonte maken van opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden.

 Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 30.000,- (dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 185 (honderdvijfentachtigtig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en N.A.J. Purcell, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2016.