Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7875

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
HA ZA 16-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt coöperatie van ondernemers die foodcourt heeft gerealiseerd tot betaling van openstaande facturen aan uitzendbureau. Verweer van coöperatie dat er geen overeenkomst met uitzendbureau tot stand is gekomen wordt verworpen. Rechtbank stelt vast dat partijen hierover niet alleen concreet hadden gemaild maar dat er ook daadwerkelijk uitzendkrachten aan het werk waren gegaan. Verweer dat bestuurssecretaris van coöperatie niet bevoegd zou zijn geweest om haar te vertegenwoordigen wordt eveneens verworpen. Bestuursleden hadden hierover niets gezegd terwijl zij wel wisten van de uitzendkrachten en zich hiermee zelfs actief hadden bemoeid. Uitzendbureau mocht erop vertrouwen dat de secretaris bevoegd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3616
NTHR 2017, afl. 2, p. 81
OR-Updates.nl 2016-0321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/602597 / HA ZA 16-172

Vonnis van 23 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RANDSTAD UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. A.M. van Heest te Rotterdam,

tegen

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid

COÖPERATIE WORLD OF FOOD U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.F. Voss te Zaandam.

Partijen zullen hierna Randstad en WOF worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 februari 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 11 mei 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 augustus 2016 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WOF is een coöperatie van ongeveer 26 ondernemers, die in een oude parkeergarage in [plaats] een zogenoemde ‘foodcourt’ heeft gerealiseerd. Een foodcourt is een gelegenheid waar vanuit kraampjes en stalletjes door verschillende ondernemers gerechten en dranken worden gepresenteerd en verkocht aan klanten, met de mogelijkheid om deze ter plaatse te gebruiken. Het foodcourt van WOF is op 16 juni 2015 ‘informeel’ en op 1 augustus 2015 ‘formeel’ geopend.

2.2.

Uit het in het geding gebrachte uittreksel van het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [naam 2] (hierna: [naam 2] ), [naam 3] (hierna: [naam 3] ), [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 5] na de oprichting van WOF als bestuursleden van WOF zijn aangesteld en dat het bestuur, blijkens de statuten van WOF, gezamenlijk bevoegd is om WOF te vertegenwoordigen.

2.3.

In de aanloop naar de opening van het foodcourt heeft [naam 3] , de toenmalige bestuurssecretaris van WOF, contact gehad met Randstad over de eventuele inschakeling van uitzendkrachten van Randstad als horecamanager, floormanagers en als (bedienings)medewerkers in het foodcourt.

2.4.

Op 2 juni 2015 heeft Randstad, naar aanleiding van dit contact, [naam 3] van WOF het volgende bericht.

“Bij deze alle kandidaten waarmee wij een intake gesprek hebben gehouden. (..). Willen jullie beslissen wie jullie willen uitnodigen voor een verder gesprek (met jullie)? Ook zijn wij bezig met een pool all round medewerker. We hebben al een paar leuke jongens en meiden. (..)”

2.5.

Op 22 juni 2015 heeft [naam 3] van WOF Randstad hierop per e-mail het volgende geantwoord.

Naar aanleiding van de gesprekken welke wij vrijdag 12 juni jongstleden hebben gevoerd met de kandidaten willen wij het volgende laten weten. We hebben een goed beeld kunnen vormen van de kandidaten. (..) Wij geven de voorkeur aan [naam 6] als Horecamanager. We verzoeken jullie de overige kandidaten voor deze functies namens ons te bedanken.

Wat de vacature Floormanager betreft kunnen wij melden dat [naam 7] en [naam 8] hiervoor in aanmerking komen. We zijn nog op zoek naar een derde kandidaat voor deze vacature. Hiervoor zien wij graag deze week nog kandidaten. (..).

Indien het lukt willen wij aanstaande woensdagochtend 24 juni starten met de gesprekken voor de laatste vacature Floormanager. Wij vinden het verstandig als de Horecamanager aansluit bij deze gesprekken. Kunnen jullie [naam 6] en [naam 7] vast informeren over de aanstelling? (..)

Eric [naam 3]

Namens het bestuur Coöperatie World of Food”

2.6.

In antwoord hierop heeft Randstad in een e-mail van 24 juni 2015 twee namen van nieuwe kandidaten voor de functie van floormanager aan [naam 3] van WOF doorgegeven. Per e-mail van 25 juni 2015 heeft Randstad een samenwerkingsvoorstel gestuurd, gericht aan [naam 3] alsook aan [naam 1] , de toenmalige voorzitter van het bestuur van WOF. In dit samenwerkingsvoorstel is door Randstad - onder meer - uiteengezet welke tarieven er voor horecamanagers, assistent managers en bedieningsmedewerkers in rekening worden gebracht.

2.7.

Op 29 juni 2015 heeft [naam 3] van WOF per e-mail aan Randstad, alsook - in ‘carbon copy’ (hierna: cc) - aan zijn bestuursvoorzitter [naam 1] , het volgende bericht.

“Bedankt voor het samenwerkingsvoorstel. Wij willen graag de samenwerking voortzetten echter dienen wij ons aan een budget te houden. Gezien de mogelijkheden die in het gevestigde gebied liggen willen wij een scherper tarief zien.”

2.8.

Op 6 juli 2015 heeft [naam 3] van WOF per e-mail aan Randstad, alsook - in cc - aan bestuursvoorzitter [naam 1] , het volgende bericht.

“(..). Wij gaan voorlopig met twee Floormanagers van start. (..). Wat de samenwerkingsovereenkomst betreft kan ik melden dat wij akkoord gaan met de aangeboden vergoedingsfactor. Het salaris voorstel van 2.500,00 is niet door [naam 6] geaccepteerd. Wij zijn een bruto salaris overeengekomen van 2.750,00 per 1 juli. Tevens willen wij bespreekbaar maken graag de mogelijkheid zien om na 500 uur de Horecamanager over te nemen. Het salaris voorstel van 2.000,00 voor de Floormanagers wensen wij te handhaven. Wij willen graag voor aanvang van de Floormanagers op 15 juli, een gesprek arrangeren ter kennismaking met de Horecamanager. (..)

Eric [naam 3]

Namens het interim bestuur Coöperatie World of Food”

2.9.

Op 29 juli 2015 heeft Randstad aan [naam 3] van WOF per e-mail een exemplaar van haar Algemene Voorwaarden voor het werven, selecteren en ter beschikking stellen van arbeidskrachten (hierna: de algemene voorwaarden) gestuurd.

2.10.

Vervolgens is tussen Randstad en [naam 3] van WOF gecorrespondeerd over de daadwerkelijke inzet van verschillende uitzendkrachten van Randstad (waar, wanneer, hoe laat en hoe lang). In een e-mail van 31 juli 2015 heeft Randstad [naam 3] laten weten dat zij die dag vier mensen bij WOF had geplaatst en heeft zij hem opnieuw haar algemene voorwaarden gemaild.

2.11.

Op 3 augustus 2015 heeft uitzendkracht [naam 6] (hierna: [naam 6] ) van Randstad per e-mail aan Randstad alsook (in cc) aan [naam 3] van WOF de in dat weekend door de verschillende uitzendkrachten gewerkte uren doorgegeven.

2.12.

Op 19 augustus 2015 heeft [naam 3] van WOF aan Randstad alsook (in cc) aan (in elk geval) twee andere toenmalige bestuurders van WOF, te weten [naam 2] en [naam 4] , het volgende bericht.

“Naar aanleiding van ons laatste gesprek waarin wij het functioneren van [naam 6] hebben besproken willen wij je in kennis stellen van het volgende.

Na weken lang dreigen met opstappen, een aantal incidenten met ondernemers van het Foodcourt en bestuursleden heeft het bestuur van de Coöperatie World of Food U.A. besloten de samenwerking met [naam 6] helaas te beëindigen. De samenwerking is ernstig verstoord (..).”

2.13.

Op 27 augustus 2015 heeft Randstad een klantbezoek aan WOF gebracht. Bij dit gesprek waren, zoals ook uit het naar aanleiding van dat gesprek opgestelde verslag blijkt, een medewerker van Randstad, [naam 3] en een nieuw bestuurslid van WOF, [naam 9] (hierna: [naam 9] ), aanwezig. Genoemde personen hebben bij dat bezoek de huidige stand van zaken met betrekking tot de horecamanager besproken, alsook vragen van WOF over een eventuele verlenging van de betalingstermijn door Randstad.

2.14.

In een e-mail van 31 augustus 2015 heeft [naam 3] aan [naam 6] , alsook (in cc) aan Randstad en aan bestuursleden [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] van WOF, het volgende bericht.

Beste [naam 6] ,

Naar aanleiding van ons gesprek van 28 augustus jongstleden hebben wij, [naam 3] en [naam 9] bestuursleden van de coöperatie bevestigd aan jou dat per 1 september 2015 wij de samenwerking opzeggen. (..). We houden een maand opzegtermijn in acht. Dit betekend een beëindiging van de samenwerking per 1 oktober 2015. Verder hebben wij afgesproken dat alle lopende zaken aangaande het Foodcourt tot zover worden afgewikkeld door jou. (..) Alle overige werkzaamheden blijven onverminderd in tact (..)”.

2.15.

Diezelfde dag heeft [naam 6] een overzicht van de gewerkte uren in week 35 aan Randstad en de bestuursleden [naam 3] en [naam 2] van WOF gestuurd.

2.16.

In een e-mail van 3 september 2015 heeft de medewerker van Randstad die op 27 augustus 2015 in het kader van het klantbezoek bij WOF was geweest, het volgende aan [naam 3] van WOF bericht.

“Zoals besproken vorige week donderdag verwachtte ik dinsdag een telefoontje om het een en ander door te spreken zoals beschreven in de gesprekssamenvatting. Ik heb een aanvraag voor je gedaan om de betalingstermijn van de facturen te verlengen van 14 naar 30 dagen. Helaas krijg ik hier vanuit het hoofdkantoor geen goedkeuring voor, tenzij de marge omhoog gaat, maar dit is denk ik ook geen wenselijke situatie voor WoF? (..)”

2.17.

Op 8 september 2015 heeft Randstad de volgende e-mail naar [naam 3] van WOF alsook naar het algemene e-mailadres van WOF verzonden.

“Zoals besproken stuur ik u hierbij een overzicht van de openstaande facturen op dit moment bij Randstad. U heeft bij mij aangegeven een betalingsregeling te willen treffen (..). Graag ontvangen wij uiterlijk vrijdag 11 september 2015 een voorstel van u om de achterstand in te lopen. (..)”

2.18.

In reactie hierop heeft [naam 3] van WOF diezelfde dag per e-mail aan Randstad alsook aan zijn eigen medebestuursleden van WOF het volgende bericht.

“Zoals afgesproken dinsdag jongstleden besproken bericht ik u over ons betalingsvoorstel. Afgelopen donderdag hebben wij de openstaande facturen van Randstad besproken in het Bestuursoverleg. Door een fout in de communicatie hebben wij pas afgelopen dinsdag de facturen ontvangen. Hierdoor zijn wij niet in de gelegenheid geweest deze te controleren. De digitale opgaven van het aantal gewerkte uren hebben wij wel regelmatig ontvangen. Wij zullen komende week de gewerkte uren met de facturen vergelijken en controleren. Uiterlijk maandag 21 september 2015 hebben wij het betalingsvoorstel gereed waarna het naar u kan worden verzonden. (..)”

2.19.

Randstad heeft WOF hierop op 11 september 2015 per e-mail laten weten dat zij niet akkoord gaat met het verzoek om eerst op 21 september 2015 met een voorstel te komen.

2.20.

Op 11 en 21 september 2015 heeft uitzendkracht [naam 6] per e-mail aan Randstad alsook (in cc) aan [naam 3] en verschillende andere bestuursleden van WOF de in die weken door de uitzendkrachten van Randstad bij WOF gewerkte uren doorgegeven.

2.21.

Op 8 oktober 2015 heeft de algemene vergadering van de leden van WOF een interim-bestuur benoemd. De penningmeester van dit interim-bestuur heeft Randstad hiervan op 12 oktober 2015 per e-mail op de hoogte gesteld. Zij heeft Randstad bericht dat het interim bestuur is aangesteld om de financiële situatie van WOF in goede banen te leiden, een vroegtijdige sluiting van WOF te voorkomen en om in dit verband tot een crediteurenakkoord met alle crediteuren te komen. Zij doet, uitgaande van een openstaand saldo van € 75.321,83, zoals dat volgens haar bericht uit de administratie van WOF blijkt, Randstad een betalingsvoorstel.

2.22.

Nadat Randstad WOF had laten weten dat zij met het gedane voorstel niet akkoord gaat, maar wel met een gewijzigd voorstel, heeft WOF Randstad op 30 oktober 2015 het volgende per e-mail bericht.

“Ondanks dat bij cliënte het vermoeden bestond, dat er sprake was van een samenwerkingsovereenkomst, gelet op de verwijzingen naar de correspondentie met voormalige bestuursleden op verschillende datums, welke niet inzichtelijk zijn gemaakt voor het huidige bestuur, stellen wij ons op het standpunt dat er niet meer dan een intentie tot samenwerking was.”

3 Het geschil

3.1.

Randstad vordert - na vermindering van eis ter zitting - dat WOF, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, wordt veroordeeld tot betaling aan Randstad van een bedrag van € 64.964,80 aan openstaande facturen, vermeerderd met (contractuele) rente en met (contractuele) (na)kosten.

3.2.

Randstad legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Randstad heeft in de periode van week 25 van 2015 (15 juni 2015) tot en met week 40 van 2015 (4 september 2015) aan WOF personeel ter beschikking gesteld in het kader van een tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot het inlenen van personeel. Omdat WOF alle in dit verband door Randstad verzonden facturen, ondanks diverse sommaties, onbetaald heeft gelaten, vordert Randstad nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. WOF is over de facturen van 6 juli 2015 tot en met 29 juli 2015 wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de vervaldata van die facturen. Vanaf 29 juli 2015 vordert Randstad als schadevergoeding voor de vertraagde betaling van de verschuldigde bedragen een contractuele rente over de facturen, gerekend vanaf de vervaldata van die facturen, omdat vanaf dat moment de algemene voorwaarden van Randstad van toepassing zijn. In de eerste factuur die Randstad naar WOF heeft verzonden, heeft zij immers vermeld dat haar algemene voorwaarden op al haar overeenkomsten van toepassing zijn. Nu Randstad de algemene voorwaarden evenwel eerst op 29 juli 2015 per e‑mail aan WOF ter hand heeft gesteld, zijn deze pas vanaf die datum op de nadien door WOF (elektronisch) gegeven opdrachten aan Randstad van toepassing. Deze contractuele rente bedraagt 1% per maand. Subsidiair vordert Randstad ook over de bedragen in de facturen van na 29 juli 2015 de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van die facturen. Nu Randstad genoodzaakt was haar vordering uit handen te geven aan haar incassogemachtigde, die buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht, is WOF op grond van de algemene voorwaarden voorts gehouden om de bedongen buitengerechtelijke incassokosten ad 15% van de hoofdsom, althans de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW) ad € 1.378,04 aan Randstad te vergoeden, aldus Randstad.

3.3.

WOF voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter beoordeling ligt allereerst voor of sprake is van een overeenkomst tussen Randstad en WOF op grond waarvan Randstad aan WOF uitzendkrachten ter beschikking heeft gesteld.

4.2.

WOF betwist dat sprake is geweest van een overeenkomst met Randstad met betrekking tot het inlenen van personeel. Partijen hebben volgens WOF schriftelijk noch mondeling overeenstemming bereikt over de inhoud van de overeenkomst waarop Randstad zich thans beroept. WOF heeft Randstad slechts te kennen gegeven een horecamanager ( [naam 6] ) en twee floormanagers te willen aanstellen. Dit is verder niet uitgewerkt en WOF heeft Randstad ook niet uitdrukkelijk de opdracht gegeven deze mensen ter beschikking aan WOF te stellen. Onbesproken is gebleven onder welke vlag deze drie personen hun werkzaamheden zouden gaan verrichten: als werknemers van WOF of via een uitzendovereenkomst tussen WOF en Randstad. Na de correspondentie over de in te vullen vacatures is door Randstad aan WOF een samenwerkingsvoorstel gestuurd, maar met dit voorstel is WOF niet akkoord gegaan. WOF heeft op 29 juni 2015 aan Randstad te kennen gegeven dat een samenwerking slechts mogelijk is indien een scherper tarief zou worden gehanteerd. Door Randstad is hierop niet gereageerd met een nieuw aanbod, zodat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Daar komt bij dat slechts het bestuur van WOF bevoegd is WOF te vertegenwoordigen, terwijl uit niets blijkt dat het bestuur enige opdracht aan Randstad heeft verstrekt. Randstad heeft uitsluitend gecorrespondeerd met [naam 3] , de voormalig secretaris van het bestuur. Randstad had in dit verband naar diens vertegenwoordigingsbevoegdheid in het handelsregister kunnen en moeten kijken. Dan had zij gezien dat [naam 3] niet bevoegd was om WOF te vertegenwoordigen. Niet gebleken is dat aan [naam 3] een volmacht is verleend om een overeenkomst met Randstad te sluiten, aldus WOF.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het aanbod en de aanvaarding kunnen in beginsel in iedere vorm geschieden en kunnen ook besloten liggen in gedragingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft WOF de stelling van Randstad dat sprake was van een aanbod van Randstad om een horecamanager, floormanagers en verschillende medewerkers bediening aan WOF ter beschikking te stellen voor (de opening van) het foodcourt en dat dit aanbod (door [naam 3] ) is aanvaard, in het licht van de door Randstad overgelegde e‑mailcorrespondentie (zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.3 tot en met 2.10 weergegeven), onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze e-mailcorrespondentie laat immers zien dat er tussen [naam 3] en Randstad heel concreet is gesproken over onder welke voorwaarden uitzendkrachten van Randstad door WOF konden worden ingeleend, welke uitzendkrachten dit voor met name genoemde functies zouden kunnen zijn en – toen daarover kennelijk overeenstemming bestond – ook over de details van de daadwerkelijke inzet van verschillende uitzendkrachten. Voorts kan uit de e-mailcorrespondentie worden afgeleid dat er vervolgens ook daadwerkelijk uitzendkrachten van Randstad in het foodcourt aan de slag zijn gegaan en dat hierover aan [naam 3] is gerapporteerd. Er is derhalve door partijen ook uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. In de e-mail van 6 juli 2015 (r.o. 2.8) wordt aan Randstad bericht dat WOF voorlopig met twee floormanagers van start gaat en dat akkoord wordt gegaan met de in de samenwerkingsovereenkomst vermelde vergoedingsfactor daarvoor. De inhoud van deze e-mail laat zich niet anders uitleggen dan dat [naam 3] het betreffende personeel bij Randstad heeft ingeleend en dat daarvoor de door Randstad gevraagde vergoeding zou worden betaald. Dit strookt niet met de stelling van WOF dat onduidelijk was onder welke noemer dit personeel bij WOF werkzaam zou zijn geweest (als ingeleend personeel van Randstad of als rechtsreeks in dienst genomen krachten).

4.4.

De vraag die vervolgens voorligt, is of met deze aanvaarding van het aanbod van Randstad door [naam 3] van WOF wel een overeenkomst met WOF tot stand is gekomen, nu WOF het verweer voert dat [naam 3] niet bevoegd was WOF te vertegenwoordigen. Van belang is in dit verband of het bestuur van WOF aan [naam 3] een toereikende volmacht heeft verleend om bij het sluiten van overeenkomsten met betrekking tot het inlenen van personeel voor WOF op te treden. Randstad heeft de door WOF naar voren gebrachte stelling dat een dergelijke volmacht ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd bestreden door slechts te stellen dat ‘alles er op wijst dat die volmacht er gewoon was’. WOF kan echter ook gebonden zijn aan de door [naam 3] gesloten overeenkomst, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van (de bestuursleden van) WOF heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend ex artikel 3:61 lid 2 BW. Uit de stellingen van Randstad leidt de rechtbank af dat Randstad zich hierop (tevens) beroept. Als zij dit met succes doet, kan WOF op het ontbreken van een volmacht jegens Randstad geen beroep doen.

4.5.

Artikel 3:61 lid 2 BW dient zo te worden uitgelegd dat toerekening van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan WOF niet alleen plaatsvindt in het geval de schijn door toedoen van WOF is gewekt, maar ook wanneer Randstad gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de bevoegdheid van [naam 3] op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van WOF komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (vgl. HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4909). De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling (zie HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Randstad het bestaan van een toereikende volmacht redelijkerwijs mogen aannemen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.

[naam 3] heeft in de verschillende e-mails, waarin hij richting Randstad reageerde op de door Randstad gedane voorstellen of waarin hij liet weten welke uitzendkrachten hij wel of niet zag zitten, telkens tot uitdrukking gebracht dat hij namens het bestuur van WOF optrad. Zo schreef hij in zijn e-mail van 22 juni 2015 (zie r.o. 2.4.) “Wij verzoeken jullie de overige kandidaten voor deze functie namens ons te bedanken”. Vervolgens heeft hij deze e‑mail ondertekend met “[naam 3] , namens het bestuur Coöperatie World of Food”. Hierna is [naam 3] op dezelfde voet verder gegaan, bijvoorbeeld met zijn mededeling aan Randstad in zijn e-mail van 6 juli 2015 (r.o. 2.6) “Wij gaan voorlopig met twee Floormanagers van start”, welke e-mail hij (in cc) ook aan [naam 1] , de voorzitter van het bestuur, heeft verzonden. Ook in deze e-mail heeft [naam 3] met zijn ondertekening tot uitdrukking gebracht dat hij deze ‘namens het (interim) bestuur van WOF’ verstuurde. [naam 1] , die deze e-mail dus ook heeft ontvangen, heeft vervolgens geen enkele actie ondernomen om Randstad te wijzen op het ontbreken van een toereikende volmacht voor [naam 3] . Voor zover WOF heeft getracht te stellen dat [naam 1] en/of de overige bestuursleden enkel op de hoogte was dan wel waren van de plannen van [naam 3] , maar niet van de daadwerkelijke uitvoering van die plannen en/of van de totstandkoming van de overeenkomst, kan dat niet worden gevolgd. Uit de onder 2.12 en 2.14 geciteerde correspondentie blijkt dat de overige bestuursleden niet alleen wisten dat er uitzendkrachten van Randstad waren ingeleend, maar zich ook actief met deze uitzendkracht(en) hebben bemoeid. De omstandigheid dat deze activiteiten na de totstandkoming van de overeenkomst hebben plaatsgevonden, doet niet ter zake. Zoals uit het voorgaande volgt, kan de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betreffende rechtshandeling. De bestuursleden van WOF hebben de ontstane situatie enige tijd laten voortbestaan, terwijl het op hun weg had gelegen om, indien zij het bestaan van een aan [naam 3] gegeven volmacht hadden willen betwisten, zo spoedig mogelijk aan Randstad mee te delen dat WOF zich niet aan de overeenkomst gebonden achtte. De rechtbank is niet gebleken van enige uitlating in dat kader. Randstad mocht dan ook, zowel op grond van het nalaten/niet ingrijpen van de overige bestuursleden van WOF als op grond van hun actieve gedragingen, redelijkerwijs aannemen dat door het bestuur van WOF aan [naam 3] een toereikende volmacht was verleend, zodat WOF op een eventuele onjuistheid van die veronderstelling geen beroep toekomt.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat sprake is van een tussen WOF en Randstad gesloten overeenkomst met betrekking tot het inlenen van uitzendkrachten van Randstad door WOF. De stellingen van partijen omtrent de eventuele bekrachtiging van de overeenkomst door WOF behoeven, gelet op het voorgaande, geen nadere bespreking.

4.8.

WOF voert verder het verweer dat horecamanager [naam 6] , die weliswaar door WOF was ingeleend, vervolgens zelfstandig is overgegaan tot het inlenen van andere uitzendkrachten van Randstad, terwijl hem daartoe geen volmacht was verleend. Volgens WOF is zij daarom niet gehouden facturen ter zake van deze door [naam 6] ingeleende uitzendkrachten aan Randstad te voldoen. Ook hier geldt evenwel dat Randstad zich - naar de rechtbank begrijpt - er op beroept dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat aan [naam 6] in dit verband een toereikende volmacht door WOF was verleend. Dit heeft zij ook kunnen doen. Randstad heeft immers onweersproken gesteld dat [naam 6] steeds de planning en gewerkte uren van de (door hem ten behoeve van WOF ingeleende uitzendkrachten van Randstad) aan [naam 3] van WOF heeft doorgegeven, welke stelling ook wordt ondersteund door de door Randstad overgelegde e-mailcorrespondentie. Randstad, die deze e-mails in de cc ontving, heeft onder deze omstandigheden redelijkerwijs mogen aannemen dat aan [naam 6] voor het inlenen van (ander) personeel een toereikende volmacht was verleend. Daar komt bij dat, naar Randstad eveneens onweersproken heeft gesteld, het managen van personeelsinzet bij WOF tot het takenpakket van [naam 6] behoorde en dat dit ook bij uitstek een taak is die hoort bij de functie van horecamanager. Dat het bestuur van WOF hier ook vanuit ging, heeft Randstad mogen aannemen. [naam 3] heeft immers, naar aanleiding van het voornemen van WOF om [naam 6] niet langer in te lenen, in zijn e-mail van 31 augustus 2015 (welke e-mail in cc naar verschillende bestuursleden van WOF alsook naar Randstad is verzonden) aan [naam 6] bericht dat alle lopende zaken aangaande het Foodcourt nog door hem zouden worden afgewikkeld. Gelet op het voorgaande slaagt het verweer van WOF niet.

4.9.

Uit het voorgaande volgt voorts dat ook het verweer van WOF dat ‘voor zover een overeenkomst zou zijn gesloten, deze alleen betrekking kan hebben gehad op [naam 6] in de functie van horecamanager en op [naam 7] en [naam 8] in de functies van floormanager, omdat over ander personeel niet zou zijn gesproken’, faalt. Door Randstad is, onder verwijzing naar de door haar overgelegde e-mailcorrespondentie, terecht gesteld dat de overeenkomst wel degelijk ook op andere uitzendkrachten betrekking had. Randstad heeft in dit verband bijvoorbeeld gewezen op de eind juli 2015 tussen Randstad en [naam 3] gevoerde e‑mailcorrespondentie over de details van de daadwerkelijke inzet van verschillende uitzendkrachten van Randstad (waar, wanneer, hoe laat en hoe lang) en de e‑mail van Randstad van 31 juli 2015, waarin Randstad [naam 3] laat weten dat zij die dag vier mensen bij WOF had geplaatst. Het verweer dat het slechts om de drie door WOF genoemde uitzendkrachten zou gaan, gaat, gelet op de inhoud van deze e-mail, niet op.

4.10.

WOF voert voorts het verweer dat, uitgaande van een gesloten overeenkomst tussen Randstad en WOF, de eerste volledige week waarin Randstad haar diensten kan hebben uitgevoerd op grond van deze overeenkomst week 27 (en niet week 25) betreft, nu het samenwerkingsvoorstel eerst op 25 juni 2015 aan WOF is voorgelegd. Ten aanzien van dit verweer wordt het volgende overwogen.

4.11.

In het licht van de door Randstad overgelegde e-mailcorrespondentie en facturen alsook het door partijen gevoerde debat, heeft WOF de stelling van Randstad dat reeds vanaf de informele opening van het foodcourt op 16 juni 2015 uitzendkrachten van Randstad door WOF zijn ingeleend, onvoldoende gemotiveerd betwist. Door [naam 10] (hierna: [naam 10] ) van Randstad is ter gelegenheid van de comparitie toegelicht dat het vaker voorkomt dat er al personeel door Randstad wordt geleverd nog vóór dat alles in een overeenkomst is vastgelegd en dat dit in dit geval precies zo is gegaan. WOF heeft dit onweersproken gelaten. Daar komt bij dat Randstad ter zitting heeft verwezen naar de eerste facturen, waaruit blijkt dat in week 25 slechts vier uitzendkrachten gedurende vijf uren werkzaam zijn geweest en in week 26 uitzendkracht [naam 6] gedurende tien uren, hetgeen aansluit bij het betoog van Randstad dat de inzet van haar personeel is aangevangen vanaf de informele opening van de foodcourt op 16 juni 2015 en dat [naam 6] daarna is ingeschakeld bij de selectie van het overige in te lenen personeel. WOF heeft niet gesteld en ook is niet gebleken dat WOF bij die opening van het foodcourt, waarbij (naar niet in geschil is) ingeleend personeel moest worden ingezet, van elders ingeleend personeel gebruik heeft gemaakt.

4.12.

Het voorgaande betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het inlenen van personeel door WOF reeds een aanvang heeft genomen vanaf week 25. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat zij, eerst nadat Randstad de samenwerkingsovereenkomst naar WOF had gezonden en [naam 3] daarop per e-mail van 6 juli 2015 had gereageerd, overeenstemming hebben bereikt over de tarieven die WOF voor het inlenen van personeel zou moeten betalen. Dit neemt, anders dan WOF stelt, evenwel niet weg dat er (reeds) vanaf week 25 tussen WOF en Randstad sprake was van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. De rechtbank begrijpt de stellingen van Randstad aldus dat WOF haar ook voor de werkzaamheden die in week 25 en week 26 in het kader van de overeenkomst van opdracht hebben plaatsgevonden een vergoeding schuldig is. Op grond van artikel 7:405 lid 1 BW is, in een geval als hier aan de orde, de opdrachtgever aan de opdrachtnemer loon verschuldigd. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat, indien loon verschuldigd is doch de hoogte ervan niet door partijen is bepaald, de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd is. Nu partijen vanaf week 27 overeenstemming hebben bereikt over de tarieven die WOF aan Randstad voor het inlenen van haar personeel dient te betalen, kan ten aanzien van de door de uitzendkrachten gewerkte uren in week 25 en 26 aansluiting worden gezocht bij die afgesproken tarieven als zijnde een gebruikelijk dan wel redelijk loon, zodat de door Randstad uitgebrachte facturen ten aanzien van de in de weken 25 en 26 gewerkte uren voor juist kunnen worden gehouden.

4.13.

WOF voert daarnaast het verweer dat, nu Randstad zich op het standpunt stelt dat zij de overeenkomst schriftelijk per 24 september 2015 heeft ontbonden - hetgeen WOF overigens betwist -WOF niet gehouden is de nadien gefactureerde uren aan Randstad te vergoeden. Randstad heeft ter gelegenheid van de comparitie evenwel verklaard dat er, ondanks de door haar ingenomen stelling dat de overeenkomst per 24 september 2015 zou zijn ontbonden, nadien (in week 40) nog een uitzendkracht van Randstad bij WOF heeft gewerkt. Dit betekent volgens haar dat, voor zover de overeenkomst al zou zijn ontbonden, waar door Randstad ter gelegenheid van de comparitie openlijk aan werd getwijfeld, deze ontbinding niet is geëffectueerd. De rechtbank leidt uit deze verklaring van Randstad af dat zij niet langer (onverkort) wenst vast te houden aan de door haar ingenomen - en door WOF betwiste - stelling dat de overeenkomst per 24 september 2015 buitengerechtelijk is ontbonden. Randstad heeft feitelijk ook na 24 september 2015 uitvoering gegeven aan de overeenkomst. Dit betekent dat ook de factuur met betrekking tot de uren die de uitzendkracht van Randstad na 24 september 2015 bij WOF heeft gewerkt, in beginsel door WOF aan Randstad dient te worden vergoed.

4.14.

WOF betwist verder dat Randstad personeel aan WOF ter beschikking heeft gesteld in de mate en omvang als vermeld op de bij de dagvaarding overgelegde facturen. WOF brengt in dit verband naar voren dat zij nimmer urenoverzichten heeft ontvangen of gewerkte uren heeft geaccordeerd, zodat door haar niet te controleren valt wat de omvang is geweest van de uitgevoerde werkzaamheden. Ook hier geldt evenwel dat WOF, in het licht van de door Randstad overgelegde e-mailcorrespondentie en het door partijen gevoerde debat, deze betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit de e-mailcorrespondentie komt immers duidelijk naar voren dat uitzendkracht [naam 6] (telkens) urenoverzichten aan WOF heeft toegezonden (zie r.o. 2.11, 2.15 en 2.20). WOF heeft weliswaar naar voren gebracht dat met die e-mails alleen is komen vast te staan dat ten aanzien van die weken urenspecificaties zijn verzonden, maar dit strookt niet met de inhoud van de door [naam 3] van WOF aan Randstad verstuurde e-mail van 8 september 2015 (r.o. 2.18). In die e-mail schrijft hij immers dat WOF ‘de digitale opgaven van het aantal gewerkte uren regelmatig heeft ontvangen’. Daar komt bij dat Randstad WOF in elk geval in een later stadium (opnieuw) van specificaties heeft voorzien. Nu WOF, die inmiddels de doorgegeven uren met de facturen heeft kunnen moeten vergelijken, ook thans nog heeft nagelaten toe te lichten of (en in hoeverre) er uren ten onrechte in rekening zijn gebracht, zal bij de verdere beoordeling van de juistheid van de inhoud van de facturen worden uitgegaan.

4.15.

Ook de stelling van Randstad dat zij de facturen in de periode van 6 juli 2015 tot en met 5 oktober 2015 (daadwerkelijk) aan WOF heeft verzonden, acht de rechtbank door WOF onvoldoende gemotiveerd betwist. [naam 10] van Randstad heeft ter gelegenheid van de comparitie toegelicht dat haar facturen wekelijks, via een geautomatiseerd boekhoudsysteem, naar haar wederpartijen worden verstuurd en dat de facturen voor Randstad ook daadwerkelijk op deze wijze zijn verstuurd. Daarbij heeft Randstad gewezen op de tussen haar en WOF gevoerde discussie over een mogelijk uitstel van betaling, die reeds op 27 augustus 2015 ten tijde van het klantbezoek van Randstad aan WOF heeft plaatsgevonden. WOF heeft weliswaar ontkend ooit een factuur van Randstad te hebben ontvangen, maar dit laat zich, zonder nadere toelichting die WOF niet heeft gegeven, niet rijmen met het door haar gedane verzoek om ‘later te mogen betalen’. Een dergelijk verzoek impliceert immers dat er reeds door Randstad om betaling was verzocht en dat er dus was gefactureerd. Het voorgaande betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat de facturen die in geschil zijn ook naar WOF zijn verzonden en dat de daarin vermelde uren en bedragen juist zijn.

4.16.

De door Randstad gevorderde betaling van het bedrag van € 64.964,80 aan openstaande facturen zal, gezien al het voorgaande, worden toegewezen.

4.17.

In geschil is tot slot de door Randstad gestelde toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden in het kader van de door haar gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten. WOF betwist dat toepasselijkheid van algemene voorwaarden is overeengekomen. Over algemene voorwaarden is volgens haar helemaal niet gesproken. Zij betoogt verder dat, voor zover anders geoordeeld zou worden, de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn, nu deze niet voor of bij de totstandkoming van de overeenkomst (op 6 juli 2015) door Randstad aan WOF ter hand zijn gesteld.

4.18.

De rechtbank overweegt als volgt. Algemene voorwaarden van een partij worden tot contractsinhoud, doordat de wederpartij hun gelding als zodanig aanvaardt. Of van aanvaarding sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 3:33 e.v. BW. De aanvaarding van de gelding van de algemene voorwaarden moet plaatsvinden ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst. Dat brengt mee dat de gelding van algemene voorwaarden niet kan worden aangenomen op grond van de enkele omstandigheid dat van die algemene voorwaarden op een aan de wederpartij (later) gestuurde factuur melding is gemaakt.

4.19.

Gezien hetgeen hiervoor (onder r.o. 4.11 en 4.12) is overwogen, is reeds vanaf 16 juni 2015 sprake van een overeenkomst van opdracht, maar hebben partijen eerst op 6 juli 2015 overeenstemming bereikt over de voorwaarden waaronder deze overeenkomst (verder) zou worden uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat vóór 6 juli 2015 door Randstad op enigerlei wijze is aangegeven dat zij werkt met algemene voorwaarden, zodat geen sprake kan zijn van aanvaarding van de gelding van algemene voorwaarden door WOF ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst. De enkele omstandigheid dat Randstad op de eerste factuur van 6 juli 2015 heeft vermeld dat haar algemene voorwaarden op alle overeenkomsten met Randstad van toepassing zijn, betekent niet, zoals uit het voorgaande volgt, dat de algemene voorwaarden vanaf dat moment gelding hebben. De stelling van Randstad dat alle nadien gevoerde correspondentie tussen Randstad en WOF over de specifieke uren en mensen die werden ingeleend steeds als nieuwe overeenkomsten moeten worden gezien, waarop de algemene voorwaarden dan wel van toepassing zijn, wordt niet gevolgd. Deze e-mails en afspraken borduren immers voort op en vloeien voort uit de overeenkomst zoals die op 6 juli 2015 tot stand is gekomen. Ook de omstandigheid dat Randstad na 6 juli 2015 (tot twee keer toe) haar algemene voorwaarden per e-mail aan WOF heeft toegezonden, maakt niet dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Het niet-reageren daarop door WOF is niet relevant, omdat - zelfs in het geval dit als een aanvaarding van de gelding van de algemene voorwaarden zou kunnen worden aangemerkt - dit geen aanvaarding ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst betreft.

4.20.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de algemene voorwaarden van Randstad niet van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen partijen. De primair gevorderde contractuele rente en contractuele buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden afgewezen. De subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente, die krachtens artikel 6:119a BW ingaat op de dag volgend op de vervaldata van de facturen, wordt, als zijnde onweersproken, toegewezen.

4.21.

Randstad maakt subsidiair aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het Besluit is van toepassing, nu het verzuim van WOF na 1 juli 2012 is ingetreden. Randstad heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Voor de omvang van de vergoeding wordt doorgaans aangesloten bij de tarieven die zijn geformuleerd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), nu die tarieven worden geacht redelijk te zijn. De rechtbank zal het door Randstad gevorderde bedrag van € 1.378,04 (inclusief btw), nu dit lager is dan het in het Besluit bepaalde tarief, toewijzen.

4.22.

WOF zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Randstad worden begroot op:

- dagvaarding € 77,75

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.794,75

4.23.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt WOF om aan Randstad te betalen een bedrag van € 64.964,80, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de dag volgend op de vervaldata van de facturen tot aan de dag der voldoening;

5.2.

veroordeelt WOF om aan Randstad te betalen een bedrag van € 1.378,04 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt WOF in de proceskosten, aan de zijde van Randstad tot op heden begroot op € 3.794,75,

5.4.

veroordeelt WOF in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat WOF niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.