Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7865

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
13/845079-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft op 1 december 2016 uitspraak gedaan ten aanzien van 14 verdachten in de mega-fraudezaak “Bommel”.

Criminele organisatie

Zeven hoofdverdachten zijn veroordeeld voor onder meer deelname aan een criminele organisatie, gericht op met name grootscheepse faillissementsfraude en flessentrekkerij, en voor flessentrekkerij dan wel faillissementsfraude. De criminele organisatie heeft voor deze activiteiten gedurende in totaal 4,5 jaar 14 ‘plof’vennootschappen gebruikt, waarbij ruim 300 leveranciers onbetaald zijn gebleven, met een totaal benadelingsbedrag van circa € 2,5 miljoen.

Zeven andere verdachten

Twee vaste afnemers zijn veroordeeld voor (gewoonte)heling, vier katvangers voor faillissementsfraude, en tot slot nog een verdachte voor flessentrekkerij.

Oprichter, leider en deelnemer criminele organisatie, gericht op o.a. faillissementsfraude en flessentrekkerij. Medepleger flessentrekkerij.

Structurele spilfunctie. Straftoemeting obv benadelingsbedrag (€ 2,5 mln) / LOVS Oriëntatiepunten Fraude. Strafverzwarende omstandigheden, o.a. hardnekkige recidive. Straf conform eis OM: 5 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, beroepsverbod van 5 jaar na uitzitten gevangenisstraf, en niet-geanonimiseerde openbaarmaking vonnis op rechtspraak.nl.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845079-14 (Promis)

Datum uitspraak: 1 december 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie te plaats] .

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10, 11, 12 en 14 oktober en 21 november 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.J. van Gils naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is zoals op de zitting nader is omschreven – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1: Deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2011 tot en met 4 november 2014, bestaande uit een samenwerkingsverband van verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere natuurlijke personen, van welke organisatie hij oprichter en/of leider en/of bestuurder is geweest;

2: Het medeplegen van flessentrekkerij in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 4 november 2014.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde nietig moet worden verklaard. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De tenlastelegging voldoet niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het dossier bevat veertien zaaksdossiers, waarin steeds andere verdachten figureren, met verschillende rollen. Nu in de tenlastelegging niet is gespecificeerd welke deelnemingshandelingen verdachte zou hebben verricht, noch om hoeveel criminele organisatie het zou zijn gegaan en uit welke personen die organisatie zouden hebben bestaan, is de ten laste gelegde deelneming onvoldoende feitelijk. Bovendien is ook het ten laste leggen dat betrokkenheid van verdachte blijkt uit deelnemingshandelingen ten aanzien van genoemde ondernemingen ook onvoldoende feitelijk.

Subsidiair zijn de strafbare feiten in het dossier door de rechtspersonen verricht en moet dus steeds worden beoordeeld of verdachte als feitelijk leidinggever van die rechtspersonen kan worden aangemerkt.

Ten slotte is volgens het Openbaar Ministerie alleen bij [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2] de samenstelling van de binnen de onderneming werkzame personen gelijk. Bij de andere ondernemingen zou steeds sprake zijn van een andere samenstelling. Het eventuele samenwerkingsverband was per onderneming willekeurig en kwam ad hoc tot stand. Er moet daarom per onderneming worden beoordeeld of er sprake was van een criminele organisatie.

3.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De tenlastelegging is, bezien in samenhang met en tegen de achtergrond van het dossier, helder en duidelijk over de beschuldiging. In de tenlastelegging is omschreven bij welke onderneming de verdachte betrokken is en wordt verwezen naar de naam en het zaaknummer van de onderneming. In het overzichtsproces-verbaal van de zaak Bommel wordt de organisatie ook beschreven, met een korte samenvatting van de rol van de verschillende deelnemers. Daarnaast is per onderneming een zaaksproces-verbaal gemaakt, waarin de deelnemingshandelingen van de individuele verdachten met betrekking tot de fraude met en rond die onderneming is omschreven. Ook op zitting is gebleken dat voor zowel de rechtbank als de verdediging duidelijk is waar de beschuldiging op zag.

3.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De vraag of een dagvaarding voldoende duidelijk en begrijpelijk omschrijft welk strafbaar feit wordt ten laste gelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van die dagvaarding, bezien in samenhang en tegen de achtergrond van de inhoud van het onderliggende dossier en bezien in samenhang met hetgeen de verdediging en de rechter omtrent de aan verdachte verweten feiten hebben begrepen.

Hoewel in de tenlastelegging niet is omschreven waaruit de deelnemingshandelingen van verdachte aan de criminele organisatie(s) zouden hebben bestaan, is de rechtbank desondanks van oordeel dat de dagvaarding voldoende duidelijk is. In de tenlastelegging is immers wel vermeld ten aanzien van welke ondernemingen de criminele organisatie(s) strafbare feiten zou(den) hebben verricht, wie onderdeel uit zou hebben gemaakt van de criminele organisatie(s) en tot welke misdrijven het oogmerk van de organisatie(s) zich zou hebben uitgestrekt. Dit in samenhang bezien met de zaaksprocessen-verbaal van de ten laste gelegde ondernemingen, waarin de feitelijke handelingen die de verdachten zouden hebben verricht duidelijk zijn omschreven, maakt dat voldoende duidelijk is welk verwijt precies wordt gemaakt. Uit de verder door de verdediging tijdens pleidooi ingenomen standpunten en hetgeen ter terechtzitting door de verdachte is verklaard, blijkt ook dat er bij de verdediging geen onduidelijkheid bestond over het gemaakte verwijt.

Het primair door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot nietigheid van de dagvaarding wordt derhalve verworpen.

De subsidiair door de verdediging gevoerde verweren kunnen niet strekken tot nietigheid van de dagvaarding, maar zouden in de weg kunnen staan aan een bewezenverklaring. Deze verweren zullen bij de waardering van het bewijs worden besproken.

De dagvaarding is geldig.

3.2.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.2.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op [naam bedrijf CV 3] . , niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De verdediging heeft steeds begrepen dat verdachte niet als verdachte werd gezien ten aanzien van [naam bedrijf CV 3] , omdat hij ten tijde van deze onderneming gedetineerd zat. Om die reden is er ook geen fysiek dossier verstrekt van deze zaak aan de verdediging. Ook staat verdachte niet geregistreerd als verdachte in dit zaaksdossier in de overzichten van het Openbaar Ministerie. Gelet op het hierdoor opgewekte vertrouwen, dat verdachte niet voor dit zaaksdossier vervolgd zou worden, moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdediging heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte wordt als natuurlijk persoon vervolgd voor het onder 2 ten laste gelegde en niet als opdrachtgever of feitelijk leidinggever van flessentrekkerij gepleegd door een rechtspersoon. Duidelijk is dat [naam bedrijf BV 4] de flessentrekkerij heeft gepleegd. In dat geval kunnen alleen de natuurlijke personen die opdracht hebben gegeven dan wel feitelijk leiding hebben gegeven aan dat feit worden vervolgd. Het Openbaar Ministerie mocht niet slechts verdachte als natuurlijk persoon vervolgen voor dit feit.

3.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren van de verdediging moeten worden verworpen. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Vanuit het Openbaar Ministerie zijn niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig mededelingen gedaan over de vervolging van verdachte voor [naam bedrijf CV 3] .

De norm van artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht is zowel gericht op natuurlijke als op rechtspersonen. Het Openbaar Ministerie heeft dus de keuze wie zij vervolgt. In dit geval is er gekozen voor vervolging voor de natuurlijke personen. Dit moet niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en overweegt daartoe het volgende.

Door de verdediging is aangevoerd dat er, kort gezegd, bij verdachte sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd voor betrokkenheid bij [naam bedrijf CV 3] . , welk vertrouwen is geschonden. De rechtbank stelt voorop dat een beroep op her vertrouwensbeginsel zou kunnen slagen als door het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aan de verdediging is medegedeeld dat verdachte niet werd verdacht van enige betrokkenheid bij [naam bedrijf CV 3] . en daarvoor niet zou worden vervolgd. De raadsman heeft dit verweer echter niet onderbouwd met (schriftelijke of andere) bewijsstukken, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om hieraan conclusies te verbinden en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Het tweede verweer raakt het opportuniteitsbeginsel. Zoals door de officier van justitie is gesteld, is de norm van artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht zowel gericht op natuurlijke- als rechtspersonen. Het Openbaar Ministerie had daarom de keuze om zowel verdachte als [naam bedrijf BV 4] te vervolgen. Krachtens het in artikel 167, tweede lid, het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of en zo ja wie vervolgd wordt. Hierbij heeft het Openbaar Ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kunnen raken. Door de verdediging is niet onderbouwd waarom dit het geval zou zijn en de rechtbank vermag dit ook niet in te zien. Bovendien is gelet op de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder dat [naam bedrijf BV 4] inmiddels failliet is verklaard en strafvervolging van [naam bedrijf BV 4] dus geen redelijk doel meer dient, begrijpelijk waarom het Openbaar Ministerie er voor heeft gekozen om in dit geval alleen natuurlijke personen te vervolgen.

3.3.

De overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

4.1.1.

Algemeen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen moeten worden. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende aangevoerd.

4.1.2.

Bewijsuitsluiting

Er moet behoedzaam worden omgegaan met de verklaringen van verdachten, maar er is geen reden om verklaringen van medeverdachten in hun geheel zodanig onbetrouwbaar te achten dat deze van het bewijs moeten worden uitgesloten, met name omdat een aantal verdachten in het begin niet over anderen heeft willen verklaren, omdat er geld aan ze werd betaald. Er was toen dus een groot belang om niet over anderen te verklaren.

4.1.3.

Criminele organisatie

Uit het feit dat de verdachten, soms in verschillende samenstelling, maar in de kern met dezelfde mensen en met een zelfde modus operandi hebben gehandeld, blijkt dat sprake is van een duurzaam samenwerkingsverband dat zich bezig hield met het ‘draaien van B.V.’s’. Daarmee hebben de meeste verdachten al jaren ervaring, want [verdachte] en [medeverdachte 2] waren in 2007 ook betrokken bij een vergelijkbare zaak en ook [medeverdachte 1] kwam daarin voor. Het is dus niet verbazingwekkend dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen opduiken bij [naam bedrijf BV 5] Op naam van deze B.V. zijn door [verdachte] tussen maart 2011 en september 2012 58 keer auto’s gehuurd bij [autoverhuurbedrijf] . Ook bij [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 6] is dit patroon te zien. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn (middellijk) aandeelhouder dan wel bestuurder geweest en vanaf hun bemoeienis bij de B.V. worden valse jaarrekeningen gedeponeerd en op grote schaal goederen besteld zonder te betalen. In beide zaken komt ook [medeverdachte 3] naar voren als chauffeur. [medeverdachte 2] komt ook naar voren als chauffeur bij [naam bedrijf BV 6] . Op de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] , waarover [verdachte] kon beschikken, zijn betalingen van in ieder geval twee vaste afnemers, [afnemer 1] en [medeverdachte 7] , binnengekomen. Een groot deel hiervan is doorgestort naar de privérekening van [verdachte] . [medeverdachte 8] van [naam bedrijf BV 7] komt bij [naam bedrijf BV 6] naar voren als afnemer. Hij verklaart dat hij inkocht bij [verdachte] en [medeverdachte 1] en dat zij, en soms [medeverdachte 3] , de goederen kwamen brengen. Bij [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 6] komen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] voor het eerste naar voren. [medeverdachte 5] wordt beide keren (middellijk) bestuurder van de onderneming en [medeverdachte 6] bemoeit zich met de afhandeling van de faillissementen. Intussen zijn er twee nieuwe ondernemingen opgericht, [naam bedrijf CV 8] en [naam bedrijf CV 3] . [verdachte] en [medeverdachte 6] hebben contact per mail gehad over, kennelijk, de inschrijving van [medeverdachte 3] als bestuurder van [naam bedrijf CV 8] . Ook bij [naam bedrijf CV 8] komen vaste afnemers in beeld, die vrijwel allemaal verklaren van [verdachte] te hebben afgenomen. Uit het verloop van de bankrekening van [naam bedrijf CV 8] , die is geopend door [medeverdachte 3] , blijkt dat geld van afnemers wordt ontvangen en vervolgens, na aftrek van kosten, wordt opgenomen en overgemaakt naar bankrekeningen van [verdachte] en [medeverdachte 3] . Als het faillissement van [naam bedrijf CV 8] is uitgesproken, hebben [verdachte] en [medeverdachte 6] weer contact en wordt een mistgordijn opgetrokken bij de curator. [medeverdachte 6] was bij dit gesprek aanwezig en deed kennelijk mee met het om de tuin leiden van de curator. Ten tijde van [naam bedrijf CV 3] zat [verdachte] gedetineerd. De organisatie valt echter niet stil, maar beperkt zich ten aanzien van het soort goederen dat wordt besteld en de keuze van afnemers. Daarbij neemt [medeverdachte 2] de honneurs waar. [medeverdachte 5] , die bestuurder is geworden van [naam bedrijf CV 3] , is meermalen gevraagd om uitlevering van de administratie, maar heeft daar niet op gereageerd. Wel reageerde [medeverdachte 6] en vond er een gesprek plaats bij de curator met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] , waarbij naar [medeverdachte 1] en [verdachte] werd gewezen. Ondertussen was [verdachte] weer op vrije voeten en nam hij [naam bedrijf BV 9] over van [medeverdachte 6] . Twee maanden later is de B.V. weer overgedragen aan [medeverdachte 5] . In de tussentijd zijn op grote schaal goederen besteld. [medeverdachte 1] heeft een bedrijfsruimte voor [naam bedrijf BV 9] gehuurd en [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben garageboxen gehuurd. Ook bij [naam bedrijf BV 9] komen weer dezelfde afnemers naar voren. Nog voor het faillissement van [naam bedrijf BV 9] had er nog een B.V. gedraaid: [naam bedrijf BV 10] Deze B.V. was ook afkomstig van [medeverdachte 6] . [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn DGA van deze onderneming geweest en tijdens hun bestuur zijn valse jaarrekeningen gedeponeerd. Op de afleverlocatie van [naam bedrijf BV 10] zijn goederen geleverd en opgehaald door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] en [persoon 1] . Ook bij deze onderneming zijn valse namen gebruikt. Bij [naam bedrijf BV 11] komt [medeverdachte 4] voor het eerst in beeld. Hij heeft het bestuur aan [verdachte] overgedragen, volgens hem is dit geregeld door [medeverdachte 6] . Nadat [verdachte] de B.V. in handen kreeg, is een valse jaarrekening gedeponeerd en zijn op grote schaal goederen besteld. Deze zijn vervoerd door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [persoon 1] . Toen de curator de goederen trachtte te achterhalen, werd hij aan alle kanten om de tuin geleid. [medeverdachte 6] was als gevolmachtigde verschenen op de faillissementszitting, [medeverdachte 4] vertelde dat [medeverdachte 6] en [verdachte] het bedrijf samen zouden overnemen en [verdachte] en [medeverdachte 6] zijn bij de curator geweest met een administratie waar geen touw aan vast te knopen was. Volgens [medeverdachte 6] was het een goedlopend bedrijf en zou het door zijn bedrijf, [naam bedrijf BV 12] , worden overgenomen. Vervolgens heeft [medeverdachte 9] op instigatie van [verdachte] [naam bedrijf BV 13] opgericht. [verdachte] heeft hiervoor ook de bedrijfslocatie geregeld. [medeverdachte 3] , [persoon 1] en [medeverdachte 2] waren hier aanwezig om goederen uit te laden en weg te brengen. En er is weer gebruik gemaakt van valse namen. Op 17 december 2013, nadat alle bestellingen hadden plaatsgevonden, is ingeschreven dat [naam bedrijf BV 13] een nieuwe bestuurder had, [naam bedrijf BV 12] . [medeverdachte 6] ontkent dat deze bestuursoverdracht heeft plaatsgevonden, maar uit een gesprek op 1 april 2014 tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] blijkt dat er wordt overlegd over het faillissement en wordt afgesproken om de curator om de tuin te leiden. [medeverdachte 6] en [verdachte] hebben besproken dat ze [naam bedrijf BV 12] gaan opheffen en dat [naam bedrijf BV 14] ook zal worden opgeheven. Met [naam bedrijf BV 14] en [naam bedrijf BV 2] , die gelijk met [naam bedrijf BV 12] door [medeverdachte 6] zijn opgeheven, is ook fraude gepleegd, beide in de periode dat [verdachte] (middellijk) bestuurder was. [naam bedrijf BV 2] had een afleveradres bij [naam bedrijf 15] , waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn herkend. Ook in de bedrijfsruimte van [verdachte] zijn e-mails en facturen aangetroffen die betrekking hebben op bestellingen van [naam bedrijf BV 2] . Bijgestaan door [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 10] vervolgens [naam bedrijf BV 16] opgericht. [medeverdachte 6] en [verdachte] hebben met betrekking tot deze B.V. gesprekken gevoerd, kennelijk om te regelen dat [medeverdachte 5] het bestuur overneemt. Bij het bestellen van goederen is weer gebruik gemaakt van valse namen, waarbij ook [medeverdachte 4] een valse naam gebruikt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn herkend als inkopers. De bedragen die door afnemers op de bankrekening van [naam bedrijf BV 16] zijn gestort, zijn één op één doorgestort naar de bankrekening van [verdachte] . Als één na laatste rechtspersoon is [naam bedrijf BV 17] gebruikt. Hiervoor is [medeverdachte 11] , uit de omgeving van [verdachte] , aangezocht als bestuurder. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben bij deze B.V. met goederen gesleept. Ten slotte is [naam bedrijf BV 4] gebruikt.

Gelet op al deze omstandigheden kan worden bewezen dat vanaf 2011 tot november 2014 sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, dat zich bezig heeft gehouden met faillissementsfraude, verduistering, oplichting, flessentrekkerij, valsheid in geschrift, (gewoonte)witwassen en (gewoonte)heling.

[verdachte] was al bij [naam bedrijf BV 5] betrokken en deze betrokkenheid is bij voortduring te zien bij de overige rechtspersonen. Juist bij de laatste schakel in de fraude, het verdienen van geld, komt hij bij voortduring naar voren. Hij heeft de vaste kring aan afnemers, die veelal betalen op bankrekeningen waar hij over kon beschikken. Het is hem van begin af aan duidelijk geweest wat de bedoeling was. Sterker nog, hij heeft de eerste rechtspersoon via een medeverdachte geregeld. Hij was dus het startpunt van de organisatie en kan daarom, samen met [medeverdachte 1] , worden aangemerkt als oprichter en leider van de organisatie. Beiden zijn zodanig instrumenteel geweest dat zonder hen op deze schaal deze langdurige fraude niet kan hebben plaatsgevonden.

4.1.4.

Flessentrekkerij

Gelet op het dossier kan worden bewezen dat de verdachten met elkaar een criminele organisatie hebben gevormd. De verdachten hebben gezamenlijk – met ieder een eigen rol – op geraffineerde wijze een façade gecreëerd, waarmee leveranciers werden verleid goederen te leveren zonder dat vooraf betaling werd geëist. Leveranciers leveren pas zonder voorafgaande betaling als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, te weten een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een website en e-mailadres, telefoonnummers, bankrekeningnummers en een BTW nummer, een kantoorlocatie en jaarstukken waaruit blijkt dat het bedrijf een behoorlijke omzet draait en beschikt over eigen vermogen. Verdachten wisten precies waar bedrijven belang aan hechtten en hebben willens en wetens er alles aangedaan om deze controlemechanismen te omzeilen, terwijl vanaf het begin duidelijk was dat er nooit betaald zou gaan worden. Daartoe werden vennootschappen opgericht op naam van personen zonder een besmet verleden of overgenomen van anderen, valse jaarstukken gedeponeerd, een bankrekening geopend, kantoor- of bedrijfsruimte gehuurd en ingericht en afleverlocaties bij professionele transporteurs en opslagbedrijven gehuurd. Daarnaast werd geregeld dat de ondernemingen konden beschikken over e-mailadressen, een telefoonnummer en een website. Voor leveranciers die werden benaderd, leek het daardoor alsof ze te maken hadden met een lopend bedrijf dat normaal een bestelling deed. Zodra leveranciers zich afvroegen waar de betalingen bleven of geconfronteerd werden met een stornering, werden ze met een kluitje in het riet gestuurd om vervolgens te moeten constateren dat de vogels gevlogen waren. Een groot deel van de gebruikte ondernemingen is vervolgens failliet verklaard, waarbij door de (ex-)bestuurders geen enkele duidelijkheid kon worden gegeven over het lot van de geleverde goederen en nauwelijks sprake was van administratie. Door de curator telkens opzettelijk niet te informeren over de daadwerkelijke gebeurtenissen kon de criminele organisatie rustig doorgaan met het kaalplukken van een nieuwe onderneming. Vaak stond er zelfs al weer een nieuwe onderneming op omvallen.

De verdachten hebben op naam van [naam bedrijf BV 4] op grote schaal goederen besteld. Deze goederen werden, zodra ze in hun bezit waren, direct verplaatst en zo veel mogelijk doorverkocht, zodat de leveranciers ze achteraf niet meer terug konden halen. Daarmee werd de beschikking over de goederen verzekerd. Toen het tijd werd om de goederen te betalen, is het bestuur van [naam bedrijf BV 4] , om de leveranciers op afstand te kunnen houden, op naam van [medeverdachte 5] gezet en zijn de kantoorruimte en afleverlocatie verlaten.

Alle verdachten die een voldoende significante rol hebben gehad in de voorbereiding, dan wel de uitvoering van de flessentrekkerij kunnen als medepleger van die flessentrekkerij worden beschouwd.

Het begin van de gecreëerde façade was het aanstellen van [medeverdachte 11] als bestuurder. [verdachte] had hem gerekruteerd en [medeverdachte 1] heeft hem bij de notaris en de Kamer van Koophandel begeleid. Vervolgens is, nadat de kredietwaardigheid op 11 juli 2014 was geraadpleegd, welk overzicht (credit check) in het bezit was van [verdachte] , is de kredietwaardigheid van [naam bedrijf BV 4] door de kredietverzekeraar verhoogd op basis van onjuiste jaarstukken. Daarna heeft [medeverdachte 1] een professioneel kantoor gehuurd in Stompetoren. Vanaf dit kantoor zijn niet alleen goederen besteld, maar hier zijn, om extra vertrouwen te wekken, ook klanten langs geweest voor een kennismakingsgesprek. Daarnaast is een professionele afleverlocatie gehuurd. Bij het eerste gesprek bij [naam bedrijf 18] zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] aanwezig geweest. De geleverde goederen zijn bij [naam bedrijf 18] opgehaald door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Bij het bestellen van de goederen zijn valse namen gebruikt. [medeverdachte 4] gebruikte de naam [naam 1] en [medeverdachte 1] gebruikte de naam [naam 2] . Om de opzet te laten slagen, moesten de goederen zo snel mogelijk worden opgehaald en uit het zicht van de leveranciers worden gebracht, zodat ze hun goederen niet konden terugvinden als ze er achter kwamen dat er niet betaald werd. Vanaf oktober 2014 zijn leveranciers hier achter gekomen en begonnen bij [medeverdachte 11] telefoontjes binnen te stromen. Hierop is het bestuur overgedragen aan [medeverdachte 5] . Anderhalve week voor het einde van oktober is het kantoor in Stompetoren leeggehaald. Ook de andere opslaglocaties zijn leeggehaald omdat de verdachten het gevoel hadden dat ze gevolgd werden. Een grote hoeveelheid goederen is naar [medeverdachte 7] gebracht, een van de vaste afnemers van goederen. Deze goederen waren afkomstig van een opslaglocatie op de [adres 1] en twee garageboxen op de [adres 2] . Nadat de verdachten zijn aangehouden, zijn in twee door [verdachte] gehuurde loodsen goederen aangetroffen afkomstig van deze en vermoedelijk ook eerdere flessentrekkerijen. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verdachten alweer bezig waren met de voorbereiding van de volgende fraude.

Uit het dossier blijkt duidelijk dat een gewoonte is gemaakt van het kopen van goederen zonder deze te betalen. Alle verdachten hebben ook dit oogmerk gehad. Dit feit, zeker de wijze waarop het door de verdachten is georganiseerd, kan alleen slagen indien de verdachten intensief met elkaar samenwerken.

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben verklaard dat ze precies wisten wat er binnen [naam bedrijf BV 4] zou gebeuren. Zij kunnen dus worden veroordeeld voor het medeplegen van de flessentrekkerij.

Het verweer dat leveranciers zodanig onvoorzichtig zouden zijn geweest door zonder voorafgaand onderzoek en betaling te leveren, dat er ook een verwijt aan hen kan worden gemaakt, moet worden verworpen. Aan de leveranciers van [naam bedrijf BV 4] is een façade voorgehouden met een professioneel ingericht kantoor, een professioneel bord buiten en een professioneel logo op het raam. Daarnaast zijn aan de leveranciers creditchecks aangeboden, waren er foto’s van projecten, is verwezen naar valse jaarcijfers, zijn stukken van de Kamer van Koophandel verstrekt en was er een professionele website. Het is dus niet zo dat er rücksichtslos geleverd is.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

4.2.1.

Algemeen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, de onderstaande verweren gevoerd. De rechtbank zal bij de toelichting van haar oordeel – voor zover nodig – de verweren in meer detail weergeven en bespreken.

4.2.2.

Bewijsuitsluiting

Bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, zullen de verklaringen van de medeverdachten vanzelfsprekend een rol spelen. Daarmee moet echter behoedzaam en met enige terughoudendheid te worden omgegaan, aangezien de medeverdachten een belang hebben om anderen te belasten en hun eigen schuld te verlichten. Primair moeten de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [persoon 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] daarom van het bewijs worden uitgesloten. Deze verdachten hebben meermalen aantoonbaar leugenachtig verklaard in een poging hun eigen straatje schoon te vegen en de rol van verdachte groter te maken en hun verklaringen zijn dus onbetrouwbaar. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben zich bij de rechter-commissaris daarnaast steeds beroepen op hun verschoningsrecht, zodat de verdediging hun belastende verklaringen niet heeft kunnen toetsen. Conform de Europese arresten Schatschaschwili v. Germany en Gokbulut v. Turkey kunnen de verklaringen van meerdere personen, die beslissend zijn voor een bewezenverklaring, niet voor het bewijs worden gebruikt als zij niet door de verdediging zijn gehoord, ook als zij elkaar ondersteunen op de onderdelen van de verklaringen die door de verdachte worden betwist.

4.2.3.

Criminele organisatie

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldt dat verdachte ontkent strafrechtelijke relevante betrokkenheid te hebben gehad bij [naam bedrijf BV 5] , [naam bedrijf BV 1] , [naam bedrijf BV 6] , [naam bedrijf CV 3] , [naam bedrijf BV 9] , [naam bedrijf BV 14] en [naam bedrijf BV 17] , maar erkent betrokkenheid bij [naam bedrijf BV 11] , [naam bedrijf BV 13] , [naam bedrijf BV 2] , [naam bedrijf BV 16] en [naam bedrijf BV 4] . Verdachte is echter geen leider, oprichter of feitelijk bestuurder geweest van de vermeende criminele organisatie en bovendien was het eventuele samenwerkingsverband onvoldoende duurzaam om van een criminele organisatie te kunnen spreken. Bij [naam bedrijf BV 10] heeft verdacht goederen afgenomen en met een winstmarge voor zichzelf verkocht. Hij had geen aandeel in de werkzaamheden voor de B.V. en geen aandeel in de winst. Zijn betrokkenheid levert geen deelname aan het samenwerkingsverband en dus geen deelname aan de criminele organisatie op. Bij [naam bedrijf CV 8] geldt hetzelfde. Gelet hierop moet verdachte integraal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

4.2.4.

Flessentrekkerij

Flessentrekkerij is een lex specialis van oplichting. De vereisten voor oplichting zijn dus onverkort van toepassing bij flessentrekkerij. Dit betekent dat personen of ondernemingen die hun verstand niet gebruiken of iedere vorm van controle achterwege laten of lichtgelovigen geen bescherming verdienen. Ook leveranciers die ter eigen gewin, ten koste van de verzekeringsmaatschappij, willens en wetens hebben geleverd, terwijl ze alle reden hadden om dat niet te doen, verdienen geen bescherming. Van de ten laste gelegde leveranciers hebben slechts [naam bedrijf BV 19] , [naam bedrijf BV 20] en [naam bedrijf 21] voldoende onderzoek gedaan.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Bewijsuitsluiting

In het dossier zijn door meerdere verdachten verklaringen afgelegd. Die verdachten hebben daarbij in sommige gevallen zichzelf belast, maar vrijwel altijd ook anderen. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat behoedzaam en met enige terughoudendheid met deze verklaringen dient te worden omgegaan. Verdachten kunnen immers – ook als ze tevens zichzelf belasten – een belang hebben om hun eigen rol kleiner te maken en de rol van andere verdachten groter.

Door de verdediging van meerdere verdachten is een verdergaand standpunt ingenomen, te weten dat de verklaringen van één of meer verdachten van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat deze verklaringen in hun geheel onbetrouwbaar zouden zijn. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. De omstandigheid dat een verdachte op bepaalde onderdelen aantoonbaar onjuist of ongeloofwaardig verklaart, betekent niet dat die verdachte op andere punten niet wel de waarheid kan verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank zal steeds opnieuw moeten worden beoordeeld of er voldoende steunbewijs is voor een bepaald deel van een, door een andere verdachte betwiste, verklaring.

Gelet hierop zal de rechtbank ervan uitgaan dat door verdachten betwiste delen van de verklaring van een andere verdachte slechts dan voor het bewijs bruikbaar zijn als daarvoor steunbewijs uit een andere bron aanwezig is. Dit kunnen de verklaringen van één of meer andere verdachten zijn, maar ook verklaringen van getuigen, de inhoud van een tapgesprek of e-mailbericht of ander schriftelijk bewijs. Tevens kan uit een samenstel van omstandigheden in sommige gevallen worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat een betwist deel van een verklaring van een verdachte, die niet direct wordt ondersteund door ander bewijs, toch juist is. Ook in die gevallen acht de rechtbank dat deel van die verklaring bruikbaar voor het bewijs.

De rechtbank zal in het bijzonder nog aandacht besteden aan de verklaringen van [verdachte] . Uit het dossier, in het bijzonder de inhoud van opgenomen gesprekken die hij heeft gevoerd met zijn vader en vriendin toen hij gedetineerd zat, blijkt dat [verdachte] geprobeerd heeft om de verklaringen van medeverdachten en getuigen te beïnvloeden, ofwel met het doel hen ontlastend over hem te laten verklaren, ofwel met het doel hen belastend over bepaalde andere verdachten te laten verklaren. Bovendien blijkt uit het dossier dat [verdachte] bewijs tegen andere verdachten, in het bijzonder [medeverdachte 6] , heeft geprobeerd te fabriceren. De raadslieden van de andere verdachten hebben aangevoerd dat de verklaringen van [verdachte] om deze reden geheel van het bewijs moeten worden uitgesloten. Hoewel de rechtbank met hen van oordeel is dat [verdachte] heeft getracht om zijn rol te marginaliseren en er niet voor heeft teruggedeinsd om daartoe heel ver te gaan in het manipuleren van het dossier, doet dit echter niet af aan het hiervoor geformuleerde algemene uitgangspunt. [verdachte] is op enig moment gaan verklaren en heeft daarbij zowel belastend voor zichzelf als voor anderen verklaard. Waar zijn verklaringen geen steun vinden in enig ander bewijsmiddel, zal de rechtbank deze verklaringen niet voor het bewijs gebruiken. Er zijn echter ook situaties waarin zijn verklaringen worden ondersteund door één of meerdere andere bewijsmiddelen, die onafhankelijk van zijn wil bestaan. De rechtbank ziet in de houding van [verdachte] in het vooronderzoek en in de door de verdediging aangevoerde argumenten geen aanleiding om ook deze delen van zijn verklaring niet bruikbaar voor het bewijs te achten.

De omstandigheid dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting een beroep hebben gedaan op hun verschoningsrecht en dus niet gehoord konden worden, maakt ook niet dat hun wel afgelegde verklaringen van het bewijs moeten worden uitgesloten. Zoals door de verdediging is erkend, is het uitgangspunt van de Hoge Raad dat verklaringen van twee of meer niet gehoorde getuigen voor het bewijs kunnen worden gebruikt, voor zover zij elkaar ondersteunen op die onderdelen van de verklaringen welke de verdachte heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat dit hier het geval is en rechtbank ziet in de door de verdediging aangehaalde arresten van de EHRM geen aanleiding om van deze beoordelingslijn af te wijken.

4.3.2.

Criminele organisatie

4.3.2.1. Juridisch kader criminele organisatie

Voor een veroordeling ter zake van deelname aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld:

1. dat er sprake is geweest van een organisatie,

2. dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, en

3. voor iedere verdachte dat hij aan die organisatie heeft deelgenomen.

Een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van strafrecht moet ten minste een duidelijke kern hebben die het gemeenschappelijke oogmerk deelt. Er dient een samenwerkingsverband te zijn, maar dit samenwerkingsverband hoeft niet steeds in volle omvang te hebben bestaan. Voldoende is dat er een kern is van personen die de eigenlijke organisatie uitmaken, en dat zich daarbinnen en/of daar omheen personen bevinden die ‘deelnemen’.

Daarnaast moet er sprake zijn van een zekere structuur. Deze hoeft niet hiërarchisch te zijn, niet vast te liggen, en er zijn ook geen afgebakende taken vereist. Zelfs is niet vereist dat alle deelnemers aan de organisatie met elkaar hebben samengewerkt. Organisaties zijn netwerken met een soms minder zichtbare, mogelijk zelfs wisselende structuur. Soms gelegenheidsnetwerken, gebaseerd op of voortkomend uit vriendschappen of zakelijke relevantie. Dat er veel verschillende medeverdachten (ook) betrokken zijn en dat sprake is van een ‘ongeregelde bende’ maakt niet dat geen sprake is van een criminele organisatie. Voldoende is dat er een harde kern is die over een bepaalde periode met elkaar heeft samengewerkt. Ten slotte mag een samenwerkingsverband niet min of meer toevallig zijn en dient deze enige periode te omvatten.

Het oogmerk van het gestructureerd samenwerkingsverband moet (mede) gericht zijn op het gedurende enige tijd plegen van misdrijven. Het gaat bij het oogmerk om het naaste doel: de groep kan zich (daarnaast) ook met legale en onschuldige dingen bezig houden. Er hoeft zelfs nog geen misdrijf te hebben plaatsgevonden, noch een strafbare poging of voorbereiding daartoe.

Voor deelneming aan een criminele organisatie is niet nodig dat een verdachte zelf aan de beoogde strafbare feiten heeft meegedaan. Het gaat niet om betrokkenheid bij een bepaald delict, maar om betrokkenheid bij de organisatie. Daarnaast moet hij minimaal die gedragingen ondersteunen die strekken tot, of rechtstreeks verband houden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. Als een handeling dus in enige relatie staat tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, kan zij al deelneming opleveren. Zelfs gedragingen die als

medeplichtigheid aan een misdrijf kunnen worden beschouwd waarop het oogmerk van de criminele organisatie was gericht, kunnen als deelnemingshandeling worden gekwalificeerd. Wel is vereist dat de dader opzet moet hebben gehad op het criminele oogmerk van de organisatie en zijn eigen handelen. Daarbij heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk beslist dat voldoende is dat verdachte in zijn algemeenheid wist van het criminele oogmerk en dat voor bewezenverklaring niet vereist is dat verdachte ook opzet had op concreet door de organisatie beoogde misdrijven. Precieze wetenschap over de daadwerkelijk gepleegde strafbare feiten is dus geen vereiste voor een veroordeling ter zake van deelneming.

4.3.2.2. Bewezenverklaring criminele organisatie

4.3.2.2.1. Algemeen

De samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1]

Uit de in Bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in 2011 samen zijn begonnen met [naam bedrijf BV 5] Getuige het arrest uit 2008 (uit België) waarbij [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn veroordeeld voor het Belgische equivalent van flessentrekkerij, kenden [verdachte] en [medeverdachte 1] elkaar toen, in 2011, al jaren.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] bij alle 14 rechtspersonen – met uitzondering van [naam bedrijf CV 3] . , omdat [verdachte] toen gedetineerd zat – hebben samengewerkt, waarbij telkens op ongeveer dezelfde wijze is gefraudeerd. Het procedé kwam in de kern hierop neer: er werden bewust goederen gekocht zonder dat deze werden betaald. Daartoe werden documenten, zoals jaarrekeningen, vervalst om de kredietwaardigheid van hun ondernemingen te verhogen. Op deze wijze werd een façade gecreëerd, waardoor het voor een leverancier leek alsof hij te maken had met een goed lopende, legitieme onderneming. In dat vertrouwen leverden vele leveranciers op rekening zonder betaling vooraf te eisen, veelal onder eigendomsvoorbehoud. Bij eventuele vooruitbetaling aan de leveranciers werd het betaalde bedrag, na de levering aan de vennootschap, gestorneerd. [medeverdachte 1] hield zich voornamelijk – maar niet uitsluitend – bezig met de inkoop van goederen en [verdachte] – evenmin uitsluitend – met de verkoop daarvan. De niet betaalde goederen werden met spoed weggehaald en doorverkocht aan veelal vaste afnemers/ helers, die veelal wisten wat er aan de hand was. In het dossier komen een aantal afnemers naar voren die gedurende een langere periode, van meerdere ondernemingen van de verdachten, goederen hebben afgenomen. De winst werd door verdachten in eigen zak gestoken. Girale tegoeden werden weggesluisd. Beide verdachten wisten telkens dat zij de onderneming na enkele maanden, als de grond hen te heet onder de voeten zou worden, zouden laten “ploffen” door een faillissement of een turboliquidatie, hetgeen ook (vrijwel telkens) gebeurde. Op deze wijze zijn gedurende 4,5 jaar met misbruik van in totaal 14 rechtspersonen meer dan 300 leveranciers benadeeld met een totaal schadebedrag van € 2,5 miljoen.

De samenwerking met de andere medeverdachten

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen bovendien het volgende af. Gedurende de jaren breidde het samenwerkingsverband van [medeverdachte 1] en [verdachte] zich onder hun leiding verder uit en werd het procedé steeds vernuftiger uitgewerkt. Ook daarbij was sprake van een zekere rolverdeling. Eerst werden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en later ook [persoon 1] ingeschakeld om de bestelde goederen te vervoeren naar opslaglocaties en/of afnemers. Later werden extra inkopers, te weten [medeverdachte 4] en bij [naam bedrijf BV 4] ook nog [medeverdachte 12] , ingeschakeld, vermoedelijk om in de korte tijd dat elke onderneming bestond nog meer goederen te kunnen bestellen. [medeverdachte 4] zorgde daarnaast voor het creëren van een professioneel ogende huisstijl en website en verkocht goederen. [medeverdachte 5] werd meermalen ingeschakeld om als katvanger te dienen, zodra de onderneming de ‘ploffase’ in ging. [medeverdachte 6] verstrekte de rechtspersonen die bij de fraude werden gebruikt en zorgde voor verwarring bij de curatoren, zodat deze nooit de vinger konden krijgen achter de precieze gang van zaken die tot het faillissement had geleid en wie daar betrokken bij waren, dit om ervoor te zorgen dat de verdachten de fraude met een volgende rechtspersoon konden continueren.

4.3.2.2.2. De rol van de verdachten

De rechtbank zal nu nader ingaan op het bewijs van de deelnemingshandelingen per verdachte.

[verdachte] en [medeverdachte 1]

Zoals hiervoor overwogen, waren [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf het begin betrokken bij de frauduleuze handelingen van de organisatie. Zij hebben daarin ook telkens essentiële rollen vervuld. Zij waren ieder immers altijd betrokken bij het verkrijgen of oprichten van nieuwe rechtspersonen en het aanstellen van de bestuurders van die rechtspersonen. Zij huurden ieder bedrijfslocaties voor de rechtspersonen en onderhielden contact met [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] ten behoeve van (onder meer) de overdracht van het bestuur van de rechtspersonen. Zoals overwogen, was daarnaast [medeverdachte 1] altijd zeer direct betrokken bij het bestellen van goederen en hield [verdachte] zich voornamelijk bezig met het verkoop van goederen aan bij hem bekende vaste afnemers. Daarnaast hield vooral [verdachte] zich bezig met de financiën van de organisatie. Verder was hij, ook volgens zijn eigen verklaring, bij ten minste een aantal rechtspersonen betrokken bij het vervalsen van jaarstukken. In het bijzonder heeft [verdachte] meerdere van de ten laste gelegde rechtspersonen op zijn naam gezet of is hij direct betrokken geweest bij het op naam zetten van anderen. Hij heeft de beschikking gehad over bankrekeningen van meerdere rechtspersonen. Hij heeft auto’s gehuurd die bij vrijwel alle rechtspersonen zijn gebruikt om bestelde goederen te vervoeren. Hij heeft bedrijfs- en opslaglocaties gehuurd. Hij heeft telkens op naam van de rechtspersonen bestelde goederen doorverkocht aan veelal vaste afnemers/ helers. Deze vaste afnemers waren allen vaste afnemers van [verdachte] . [medeverdachte 8] van [naam bedrijf BV 7] , een van de grootste afnemers van de criminele organisatie, nam daarnaast ook goederen af van [medeverdachte 1] , maar ook hij heeft in het kader van een groot aantal ondernemingen contact gehad met [verdachte] . [verdachte] was bovendien verantwoordelijk voor de bankrekeningen en de kas van de gebruikte ondernemingen. Hij sluisde girale ontvangsten weg en verdeelde contante opbrengsten onder de leden van de criminele organisatie.

[medeverdachte 1] heeft bekend dat zijn opzet al vanaf [naam bedrijf BV 5] was gericht op deze vorm van fraude. Dit wordt bevestigd door de bewijsmiddelen.

[verdachte] heeft het bestaan van opzet in zijn geval ontkend ten aanzien van een aantal van de ten laste gelegde rechtspersonen, onder meer door te betogen dat hij (aanvankelijk) meende dat er eerlijk zaken werd gedaan dan wel dat hij er niet of slechts zijdelings bij betrokken was. Uit het bovenstaande volgt dat dit bewijsverweer wordt weerlegd door de bewijsmiddelen, zodat het faalt.

Gelet op de duurzame betrokkenheid van de [verdachte] en [medeverdachte 1] , hun essentiële rol in de fraude en de omstandigheid dat zij daarbij ook anderen, in het bijzonder de chauffeurs, aanstuurden, is de rechtbank van oordeel dat tevens het strafverzwarend bestanddeel, dat zij oprichters en leiders waren van de criminele organisatie, kan worden bewezen. Daarbij is niet relevant of een verdachte bij een bepaalde rechtspersoon misschien een grotere rol had dan een andere verdachte of de een de ander soms instructies gaf. Beiden waren een spil in de organisatie en zij vulden elkaar aan.

[medeverdachte 4]

is voor het eerst in beeld gekomen bij [naam bedrijf BV 11] Hij heeft deze B.V. tijdelijk op zijn naam gehad en vervolgens overgedragen aan [verdachte] . Op het moment dat de B.V. op zijn naam gezet werd – en dus nog voor de overdracht aan [verdachte] – was hij, volgens zijn eigen verklaring, echter al voor [verdachte] gewaarschuwd door [medeverdachte 6] . Bovendien had hij al maanden daarvoor een e-mail van [medeverdachte 6] doorgestuurd gekregen – welke e-mail ook naar [verdachte] werd gestuurd – met betrekking tot een faillissement van [medeverdachte 3] . Daar komt bij dat [medeverdachte 4] op 6 september 2013, weliswaar op een moment dat hij geen bestuurder meer was van [naam bedrijf BV 11] , maar terwijl de fraude met die rechtspersoon nog wel aan de gang was, tijdens een telefoongesprek zeer treffend, en achteraf gezien juist, de frauduleuze handelingen van [verdachte] heeft omschreven. Mede gezien de handelingen die [medeverdachte 4] ondanks deze wetenschap in 2014 ten aanzien van meerdere ten laste gelegde rechtspersonen heeft verricht, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat hij al ten tijde van het overdragen van [naam bedrijf BV 11] in zijn algemeenheid wist wat [verdachte] met die rechtspersoon zou gaan doen. Door desondanks de rechtspersoon over te dragen, heeft [medeverdachte 4] een handeling verricht waardoor het oogmerk van de organisatie is ondersteund. Immers heeft [medeverdachte 4] door het overdragen van [naam bedrijf BV 11] [verdachte] de middelen verschaft om met die rechtspersoon te frauderen.

Na [naam bedrijf BV 11] is [medeverdachte 4] tijdelijk niet in beeld – op zijn tenlastelegging is ook vermeld dat hij betrokken zou zijn geweest bij [naam bedrijf BV 14] , maar het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken – tot [naam bedrijf BV 16] Vanaf dat moment is [medeverdachte 4] echter niet meer slechts zijdelings betrokken, maar actief bezig met het verwezenlijken van het oogmerk van de criminele organisatie. Zoals hiervoor weergegeven had hij toen al geruime tijd wetenschap van de frauduleuze activiteiten van [verdachte] . Zijn wetenschap wordt daarnaast nog bevestigd doordat [medeverdachte 4] bij zowel [naam bedrijf BV 16] , als bij [naam bedrijf BV 4] een valse naam heeft gebruikt om goederen in te kopen en doordat hij beschikte over een aanvangsdocument voor [naam bedrijf BV 4] , waarin is opgenomen dat hij mee zou delen in de winst en er na verkoop 35% van de inkoopprijs zou overblijven. [medeverdachte 4] heeft voor [naam bedrijf BV 16] , [naam bedrijf BV 17] en [naam bedrijf BV 4] de website en huisstijl gemaakt, essentiële onderdelen van het creëren van de façade, en goederen besteld, wetende dat hiervoor niet zou worden betaald. Daarbij heeft hij evident leugenachtige verhalen verteld, bijvoorbeeld dat [naam bedrijf BV 4] al sinds 1974 bestond. Al deze handelingen kunnen worden aangemerkt als deelnemingshandelingen aan de criminele organisatie.

[medeverdachte 2]

heeft geen verklaring willen afleggen voor zijn handelingen. De rechtbank baseert de aanwezigheid van zijn wetenschap omtrent over het criminele oogmerk van de organisatie daarom op de omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken. Daaruit blijkt dat hij gedurende een langere periode goederen heeft opgehaald en weggebracht, die waren besteld op naam van meerdere rechtspersonen. Hij vervoerde deze goederen naar niet op naam van die ondernemingen gehuurde opslaglocaties en naar vaste afnemers van zijn zoon, [verdachte] . Het kan hem niet zijn ontgaan dat zijn zoon en [medeverdachte 1] telkens enkele maanden gebruik maakten van een rechtspersoon om vervolgens plotseling te stoppen met de handel op naam van die rechtspersoon en met een andere rechtspersoon, gevestigd op een andere locatie, door te gaan met feitelijk dezelfde activiteiten, waarbij wel telkens dezelfde afnemers in beeld kwamen. De rechtbank gaat er van uit dat [medeverdachte 2] onder deze omstandigheden heeft geweten dat er telkens sprake was van frauduleuze activiteiten. Door desondanks telkens weer goederen te vervoeren, in het bijzonder naar afnemers, heeft hij telkens deelnemingshandelingen aan de criminele organisatie verricht. Dit vervoer was immers instrumenteel voor het buiten het bereik van de niet betaalde leveranciers brengen van de goederen en het daadwerkelijk verkrijgen van de winst door de organisatie.

[medeverdachte 3]

heeft voor twaalf ten laste gelegde rechtspersonen goederen opgehaald bij leveranciers dan wel geleverde goederen weggebracht naar afnemers of garageboxen, uit het zicht van de leveranciers. Daarnaast heeft hij [naam bedrijf CV 8] opgericht, heeft hij een bankrekening voor die rechtspersoon geopend en is hij, blijkens de bewijsmiddelen in het dossier, in het bijzonder de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , actief betrokken geweest bij het bestellen van goederen namens [naam bedrijf CV 8] Nadat deze rechtspersoon was geploft, is [medeverdachte 3] ook persoonlijk failliet verklaard. Hij heeft toen ook begrepen dat er met de rechtspersoon – volgens eigen zeggen door [verdachte] en zijn vader, [medeverdachte 1] – was gefraudeerd. Ondanks deze wetenschap en de nadelige gevolgen die [naam bedrijf CV 8] voor hem persoonlijk heeft gehad, is hij daarna echter telkens door blijven gaan met het vervoeren van goederen door zijn vader en [verdachte] . Het kan hem niet zijn ontgaan dat zij telkens enkele maanden gebruik maakten van een rechtspersoon om vervolgens plotseling te stoppen met de handel op naam van die rechtspersoon en met een andere rechtspersoon, gevestigd op een andere locatie, door te gaan met feitelijk dezelfde activiteiten, waarbij telkens ook dezelfde afnemers in beeld kwamen. De gang van zaken was bij al deze rechtspersonen telkens vrijwel gelijk aan de gang van zaken bij [naam bedrijf CV 8] Het kan [medeverdachte 3] ook niet zijn ontgaan dat goederen werden besteld met valse namen. Sterker nog, uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij in ten minste twee gevallen zelf ook een andere naam heeft aangenomen. De handelingen van [medeverdachte 3] zijn alleen verklaarbaar als hij gedurende de hele ten laste gelegde periode wetenschap had van de gepleegde fraude en daar desondanks bewust aan mee heeft gedaan. Anders zou hij immers, zeker na de gebeurtenissen bij [naam bedrijf CV 8] , wel zijn gestopt met werken voor zijn vader en [verdachte] . Door desondanks telkens weer goederen te vervoeren, heeft hij telkens deelnemingshandelingen aan de criminele organisatie verricht. Immers was dit vervoer essentieel voor het daadwerkelijk verkrijgen van de winst door de organisatie.

[medeverdachte 5]

kwam voor het eerst in beeld bij [naam bedrijf BV 1] en is daarna nog meerdere keren, zodra de ploffase van een rechtspersoon zich aandiende, als (middellijk) bestuurder van door de organisatie gebruikte rechtspersonen aangesteld. Deze rechtspersonen eindigden telkens – met uitzondering van [naam bedrijf BV 17] – in een faillissement en in het geval van [naam bedrijf CV 3] . ook in het persoonlijke faillissement van [medeverdachte 5] zelf. Volgens zijn eigen verklaring is hij op weg naar de curator van [naam bedrijf CV 3] ook door [medeverdachte 6] gewaarschuwd voor [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij zich op dat moment niet realiseerde wat [medeverdachte 6] hiermee bedoelde, maar bij de curator is expliciet ter sprake gekomen dat [medeverdachte 6] aangifte zou hebben gedaan tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] , omdat dat oplichters waren. Deze mededeling aan de curator is niet anders te lezen dan dat [medeverdachte 5] zich wel degelijk heeft gerealiseerd wat [medeverdachte 6] daarmee bedoelde. Desondanks is [medeverdachte 5] keer op keer met [medeverdachte 1] en [verdachte] in zee gegaan, terwijl dat telkens leidde tot een faillissement van de rechtspersonen die hij op zijn naam nam. Op geen enkel moment heeft hij besloten om hiermee te stoppen of om zich ook maar enigszins te verdiepen in de rechtspersoon waarvan hij als bestuurder van zou worden ingeschreven, door bijvoorbeeld eerst administratie van een rechtspersoon te eisen voordat hij zich als bestuurder zou laten inschrijven. Hoewel [medeverdachte 5] heeft ontkend dat hij enige wetenschap heeft gehad van de frauduleuze handelingen van [verdachte] (en de rest van de organisatie), acht de rechtbank deze verklaring, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, volstrekt ongeloofwaardig. Het kan niet anders dan dat [medeverdachte 5] in zijn algemeenheid wist dat er door [verdachte] en [medeverdachte 1] strafbare feiten werden gepleegd met betrekking tot de rechtspersonen waarvan hij bestuurder werd en dat hij slechts werd ingeschakeld om als katvanger te dienen. Door zich desondanks telkens als bestuurder in te laten schrijven, heeft hij handelingen verricht die rechtstreeks verband hielden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie, in het bijzonder het na het ploffen van de rechtspersoon onmogelijk maken voor leveranciers en curatoren om te achterhalen wat er zich precies binnen de rechtspersoon had afgespeeld en waar de bestelde goederen waren gebleven. Daardoor werd de organisatie immers in de gelegenheid gesteld om, zonder tussenkomst van politie of justitie, die door de curatoren en de leveranciers zouden kunnen worden ingeschakeld, door te gaan met frauderen met een nieuwe rechtspersoon. Bovendien heeft [medeverdachte 5] de organisatie tot het faillissement laten gebruikmaken van de rechtspersonen waarvoor hij inmiddels verantwoordelijk was, zodat er in sommige gevallen ook nadat hij bestuurder was geworden nog goederen konden worden besteld zonder deze te betalen. Hoewel [medeverdachte 5] niet direct betrokken was bij de primaire, winstgevende handelingen van de organisatie, kunnen zijn handelingen daarom wel worden aangemerkt als deelnemingshandelingen aan de criminele organisatie.

[medeverdachte 6]

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 6] meerdere malen betrokken is geweest bij de faillissementen van rechtspersonen die door de organisatie waren gebruikt om te frauderen. Hij komt voor het eerst in beeld als hij op 17 april 2012 een e-mail verstuurt naar [verdachte] met een concepttekst voor een bericht aan de curator van [naam bedrijf BV 1] In deze concepttekst wordt uiteengezet dat de persoon die dit bericht aan de curator moet gaan sturen – [medeverdachte 5] gezien de ondertekening met “ [medeverdachte 5] ” – bestuurder is van [naam bedrijf BV 6] (de rechtbank begrijpt: [naam bedrijf BV 6] ) en dat de curator van [naam bedrijf BV 1] de werkzaamheden van [naam bedrijf BV 6] onmogelijk maakt door het beslag op het pand in Tuitjenhorn. Voorts wordt in de concepttekst gesteld dat de gehele administratie van [naam bedrijf BV 6] zich in dat pand bevindt. Beide zaken zijn, zo later blijkt, evident onjuist. De concepttekst is doorgestuurd naar de curator en [medeverdachte 6] is vervolgens geïnformeerd over diens antwoord. [medeverdachte 6] mailt daarop aan [verdachte] dat ze ‘deze stommerik toch maar mooi te pakken hebben’. Enige tijd later stuurt [medeverdachte 6] zelf een e-mail naar de curator van [naam bedrijf BV 1] , met een zelfde inhoud als de door hem opgestelde concepttekst. Uit de door [medeverdachte 6] aan [verdachte] gestuurde e-mail kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 6] wist dat de aan de curator verstrekte informatie onjuist was. Behalve bij [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 6] , is [medeverdachte 6] ook bij daaropvolgende rechtspersonen betrokken. Zo is hij betrokken bij de afwikkeling c.q. faillissementen van [naam bedrijf BV 6] , [naam bedrijf CV 8] , [naam bedrijf CV 3] . , [naam bedrijf BV 11] en [naam bedrijf BV 13] , waarbij de curatoren telkens verkeerd werden voorgelicht en in verwarring gebracht door de aanstelling van [medeverdachte 5] als katvanger. Daarnaast was [medeverdachte 6] betrokken bij de verkrijging door de organisatie van de rechtspersonen [naam bedrijf CV 8] , [naam bedrijf BV 9] , [naam bedrijf BV 10] en [naam bedrijf BV 14]

Tijdens de ten laste gelegde periode heeft [medeverdachte 6] meermalen mensen, zoals [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , gewaarschuwd voor [verdachte] en [medeverdachte 1] . Daarnaast heeft hij meermalen tegen curatoren gezegd dat er sprake was van fraude en heeft hij zelfs aangifte gedaan. En al in juni 2012 heeft hij, in een e-mailconversatie met (kennelijk) [medeverdachte 1] , aangegeven dat hij wist dat er ten aanzien van [naam bedrijf BV 6] sprake was van het bewegen van anderen tot de afgifte van goederen zonder dat die goederen betaald werden. Desondanks heeft hij op geen enkel moment besloten om te stoppen met het ter wille zijn van de criminele organisatie en is hij actief blijven bijdragen aan het in stand houden van de fraude. In het bijzonder valt daarbij op dat [medeverdachte 6] de rechtspersonen [naam bedrijf BV 14] , [naam bedrijf BV 2] en [naam bedrijf BV 12] , notabene na telefonisch overleg met [verdachte] , in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft geliquideerd en aan het handelsregister heeft laten weten dat ze met onmiddellijke ingang zijn opgehouden te bestaan omdat er geen baten meer zouden zijn. Dit terwijl hij zelf stelt formeel helemaal geen aandeelhouder te zijn geworden van die vennootschappen en slachtoffer te zijn geworden van identiteitsfraude, en terwijl hij weet dat er met die vennootschappen is gefraudeerd en er wel degelijk baten zijn, te weten vorderingen uit onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid op de personen die de vennootschappen hebben misbruikt. Zeker gezien hetgeen [medeverdachte 6] wist over de frauduleuze handelingen van [verdachte] en [medeverdachte 1] , had het in dat geval veel meer voor de hand gelegen om naar de politie te stappen, al het bewijs dat hij had te verstrekken en in ieder geval geen handelingen te verrichten waardoor hij [verdachte] ter wille zou zijn. Nu hij dat niet heeft gedaan en gelet op alle andere omstandigheden in het dossier, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [medeverdachte 6] al vanaf zijn eerste betrokkenheid, bij [naam bedrijf BV 1] , tenminste in zijn algemeenheid wetenschap had van het criminele oogmerk van [verdachte] en [medeverdachte 1] en hun organisatie. Door hen desondanks meerdere rechtspersonen ter beschikking te stellen en zich telkens bezig te houden met de afwikkeling van faillissementen op een manier waarbij werd gepoogd de waarheid te verhullen voor de leveranciers en curatoren, heeft verdachte dus handelingen verricht die rechtstreeks verband hielden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. Door zijn handelingen werd de organisatie immers in de gelegenheid gesteld om, zonder toekomst van politie of justitie, die door de curatoren en de leveranciers zouden kunnen worden ingeschakeld, door te gaan met frauderen met een nieuwe rechtspersoon. Hoewel [medeverdachte 6] niet direct betrokken was bij de primaire, winstgevende, handelingen van de organisatie, kunnen zijn handelingen daarom worden aangemerkt als deelnemingshandelingen aan de criminele organisatie.

4.3.2.2.3. Conclusie

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de kern hebben gevormd van een steeds verder uitdijende criminele organisatie die het oogmerk had op, kort gezegd, het maken van winst door het plegen van faillissementsfraude, oplichting, flessentrekkerij, valsheid in geschrift en (gewoonte)witwassen. Gelet op de handelingen die ieder van de verdachten, vaak gedurende zeer lange tijd, hebben uitgevoerd, en die alle in relatie stonden tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, kan het bovendien niet anders dat zij allen wetenschap hadden van het oogmerk van die organisatie en daaraan hebben deelgenomen.

Gelet op het hiervoor overwogene worden de door de verdediging subsidiair met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding gevoerde verweren eveneens verworpen

4.3.3.

Flessentrekkerij

4.3.3.1. Algemeen

Uit de in Bijlage II weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat op naam van [naam bedrijf BV 4] – overigens net als bij een groot aantal andere ondernemingen – goederen zijn besteld zonder deze te betalen. Dit is reeds voldoende voor een bewezenverklaring van flessentrekkerij.

Anders dan door de verdediging betoogd, maken de zogeheten oplichtingsmiddelen uit de delictsomschrijving van oplichting geen impliciet deel uit van de delictsomschrijving van flessentrekkerij. Ten overvloede blijkt uit het dossier dat de leveranciers zeker niet “zomaar” aan [naam bedrijf BV 4] hebben geleverd. Er is op zeer professionele wijze een façade gecreëerd om dat mogelijk te maken. Allereerst is er een persoon met een schoon strafblad en zonder geschiedenis van faillissementen als (middellijk) bestuurder aangesteld. Vervolgens zijn onjuiste financiële stukken gefabriceerd en bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd en zijn een kantoorlocatie en afleverlocatie gehuurd. De kantoorlocatie is ingericht met een professionele aankleding, inclusief receptie, foto’s van projecten en een logo van [naam bedrijf BV 4] , zowel op het pand als aan de weg. Leveranciers en potentiële leveranciers werden uitgenodigd op deze locatie, werden gewezen op of ontvingen de onjuiste financiële gegevens en kregen verhalen te horen over werkzaamheden van [naam bedrijf BV 4] die (achteraf) niet juist bleken te zijn. Bovendien had [naam bedrijf BV 4] een website, eigen e-mailadressen en telefoonnummers en een huisstijl. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank ten aanzien van alle leveranciers, die aan [naam bedrijf BV 4] hebben geleverd, kan worden bewezen dat er sprake was van flessentrekkerij. De verweren die door de verdediging zijn aangeduid als ‘hoe een koe een haas vangt’, worden dan ook verworpen.

4.3.3.2. De rol van de verdachten

Ten aanzien van de vraag of zo ja, op welke wijze de verdachten hebben deelgenomen aan deze flessentrekkerij, overweegt de rechtbank als volgt.

[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]

Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor ten aanzien van de ten laste gelegde criminele organisatie is overwogen, volgt dat bewezen kan worden dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] de ten laste gelegde flessentrekkerij hebben medegepleegd.

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tevens worden aangemerkt als medeplegers van de flessentrekkerij. [medeverdachte 3] heeft goederen opgehaald bij de leveranciers en zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] heeft (vervolgens) goederen uit het zicht van de leveranciers gebracht. Weliswaar waren de goederen veelal – maar niet altijd – al zonder betaling door de organisatie verkregen op het moment dat zij deze verder vervoerden, maar desondanks waren de handelingen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] essentieel voor het voltooien van het delict, te weten het verzekeren van de beschikking over de goederen. Door de goederen te verdonkeremanen en in zo kort mogelijke tijd te verkopen, werd zoveel mogelijk winst gemaakt. Daarmee werd voorkomen dat de leveranciers – zodra zij doorkregen dat de goederen niet werden betaald – hun goederen konden terugvinden en dus, bijvoorbeeld met een beroep op een eigendomsvoorbehoud, terug konden eisen, waardoor de winst zou verdwijnen en de actie per saldo zinledig zou zijn. Uit het dossier blijkt dat er sprake was van een zeer nauwe en bewuste samenwerking, waarbij iedere verdachte veelal een eigen rol vervulde. Nadat de inkopers een leverancier hadden bewogen tot levering van goederen zonder voorafgaande betaling en de goederen geleverd waren, werden deze veelal op zeer korte termijn verder vervoerd. De chauffeurs werden dus precies aangestuurd wanneer zij goederen moesten ophalen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waren op de hoogte van de reden en het doel van dit vervoer als onderdeel van het hele procedé en stemde hiermee in. Ook hun oogmerk was gericht op geldelijk gewin uit deze flessentrekkerij. Gelet op de nauwe samenwerking en hun essentiële rol kunnen zij dus als medepleger van de flessentrekkerij worden aangemerkt.

[medeverdachte 5]

Naar het oordeel van de rechtbank kan [medeverdachte 5] tevens worden aangemerkt als medeplichtige aan het ten laste gelegde feit. In het licht van het en hetgeen hiervoor ten aanzien van de ten laste gelegde criminele organisatie is overwogen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij niets afwist van de flessentrekkerij vanuit [naam bedrijf BV 4] ongeloofwaardig. De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte wist dat vanuit deze rechtspersoon flessentrekkerij plaatsvond. Door desondanks [naam bedrijf BV 4] op zijn naam te laten zetten en de medeverdachten in staat te stellen om die rechtspersoon te blijven gebruiken, heeft [medeverdachte 5] opzettelijk gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat misdrijf.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsoverwegingen en de in Bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen

 Het onder 1 ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met november 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ,

waarbij deze organisatie telkens gebruik heeft gemaakt van ondernemingen, te weten

[naam bedrijf BV 9] (zaak 1) en [naam bedrijf CV 3] (zaak 2) en [naam bedrijf BV 13] (zaak 5) en [naam bedrijf BV 16] (zaak 6) en [naam bedrijf BV 4] (zaak 8) en [naam bedrijf BV 10] (zaak 9) en [naam bedrijf BV 11] (zaak 10) en [naam bedrijf BV 5] (zaak 12) en [naam bedrijf CV 8] (zaak 13) en [naam bedrijf BV 1] (zaak 14) en [naam bedrijf BV 6] (zaak 15) en [naam bedrijf BV 2] (zaak 16) en [naam bedrijf BV 14] (zaak 17) en [naam bedrijf BV 17] (zaak 18),

bestaande de betrokkenheid van verdachte uit deelnemingshandelingen ten aanzien van

[naam bedrijf BV 9] (zaak 1) en [naam bedrijf BV 13] (zaak 5) en [naam bedrijf BV 16] (zaak 6) en [naam bedrijf BV 4] (zaak 8) en [naam bedrijf BV 10] (zaak 9) en [naam bedrijf BV 11] (zaak 10) en [naam bedrijf BV 5] (zaak 12) en [naam bedrijf CV 8] (zaak 13) en [naam bedrijf BV 1] (zaak 14) en [naam bedrijf BV 6] B.V (zaak 15) en [naam bedrijf BV 2] (zaak 16) en [naam bedrijf BV 14] (zaak 17) en [naam bedrijf BV 17] (zaak 18),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (mede)plegen van faillissementsfraude (artikel 340 t/m 344 en artikel 194 Wetboek van Strafrecht) en oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en flessentrekkerij (artikel 326a Wetboek van Strafrecht) en valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en (gewoonte)witwassen (artikel 420bis en artikel 420ter Wetboek van Strafrecht),

van welke organisatie hij, verdachte, oprichter en leider is geweest,

 Het onder 2 ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

in de periode van 27 augustus 2014 tot en met 4 november 2014 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en anderen de beschikking over die goederen te verzekeren,

immers hebben verdachte en zijn mededaders, telkens met voormeld oogmerk, de op de aan deze dagvaarding gehechte bijlage vermelde goederen gekocht van de na te noemen rechtspersonen, te weten:

- [naam bedrijf BV 21] te Tiel (8-G-03) en

- [naam bedrijf 22] te Barendrecht(8-G-04) en

- [naam bedrijf 23] te Alkmaar (8-G-04)en

- [naam bedrijf 24] te Gorredijk (8-G-06) en

- [naam bedrijf 25] te Deventer (8-G-07) en

- [naam bedrijf BV 22] te Alphen aan den Rijn (8-G-08) en

- [naam bedrijf BV 26] te Duiven (8-G-11) en

- [naam bedrijf BV 27] te Hoofddorp (8-G-12) en

- [naam bedrijf BV 30] te Uddel (8-G-13) en

- [naam bedrijf BV 29] te Hoofddorp(8-G-14) en

- [naam bedrijf BV 19] . te Bergen op Zoom (8-G-15) en

- [naam bedrijf BV 20] te Lutten (8-G-16) en

- [naam bedrijf BV 31] te Alkmaar (8-G-17) en

- [naam bedrijf 21] te Oldenzaal (8-G-18) en

- [naam bedrijf 32] te Winterswijk (8-G-19) en

- [naam bedrijf BV 33] te Soest (8-G-20) en

- [naam bedrijf 34] te Schijndel (8-G-21) en

- [naam bedrijf 35] te Wormerveer (8-G-22) en

- [naam bedrijf BV 36] te Borne (8-G-23) en

- [naam bedrijf BV 37] te Heijningen (8-G-24) en

- [naam bedrijf BV 38] te Zoetermeer (8-G-25) en

- [naam bedrijf BV 39] te Amsterdam (8-G-26) en

- [naam bedrijf 45] te Roosendaal en [naam bedrijf GmbH 40] te Idar-Oberstein (Dld) (8-G-27) en

- [naam bedrijf 41] Alkmaar te Alkmaar (8-G-28) en

- [naam bedrijf BV 42] te Hengelo (O) (8-G-29) en

- [naam bedrijf BV 43] te Vlaardingen (8-G-30) en

- [naam bedrijf BV 44] te Zwaagdijk-Oost(8-G-33).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod voor de duur van 5 (vijf) jaren zal worden opgelegd. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De verdachten hebben op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat ondernemers nodig hebben om met elkaar handel te kunnen drijven en om onze toch al fragiele economie draaiende te houden. Zij hebben willens en wetens er alles aan gedaan om de controlemechanismen die ondernemers hadden ingebouwd zo veel mogelijk te omzeilen, zodat door leveranciers toch aan de plof-B.V.’s werd geleverd, terwijl het duidelijk was dat er nooit betaald zou gaan worden. Daarmee hebben zij ernstige maatschappelijke schade veroorzaakt. Niet alleen de daadwerkelijke schade van niet betaalde goederen, maar ook een gebrek aan vertrouwen onderling zorgt voor minder handelsverkeer en is schadelijk voor de economie.

De goederen zijn vervolgens het zwarte of grijze circuit ingegaan. Daar hebben afnemers van geprofiteerd. Goederen konden aanzienlijk goedkoper worden ingekocht bij de verdachten omdat deze zelf ook nauwelijks kosten hebben gehad voor de inkoop. Het gevolg hiervan is dat al die bedrijven die wel netjes inkopen, en dus wel het volle pond moeten betalen, met geen mogelijkheid kunnen concurreren en dus – mede door de handelswijze van de verdachten – uit de markt worden geconcurreerd.

De verdachten hebben de feiten alleen gepleegd zodat ze snel geld konden verdienen. Dit is ten koste gegaan van kleine ondernemers die soms hele maandomzetten kwijt waren omdat zij niet betaald werden voor hun leveringen. Het zou niet verbazingwekkend zijn dat een of meer leveranciers in dit dossier hun bedrijf hebben moeten opdoeken en misschien zelfs failliet zijn gegaan door het handelen van de verdachten.

Met alle kwaliteiten en mogelijkheden die zij hebben, kunnen de verdachten ook op een eerlijke manier hun boterham verdienen. Er is dus geen andere conclusie mogelijk dan dat de verdachten er bewust voor gekozen hebben op deze misdadige wijze in hun onderhoud te voorzien. Daarbij baart ook het feit dat de verdachten geen tot weinig inzicht in de ernst van de feiten hebben getoond, ernstig zorgen.

De criminele organisatie waar verdachte bij betrokken was heeft een nadeel van ongeveer 2,3 miljoen euro veroorzaakt. Gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS zou daarom een gevangenisstraf van minimaal 24 maanden moeten worden opgelegd. Daar komt bij dat verdachte een leidinggevende rol had in de organisatie en al eerder is veroordeeld voor dergelijke strafbare feiten. Hij heeft in deze zaak zelfs strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling. Ook nu is het recidiverisico nog hoog. Verdachte belooft wel beterschap, maar heeft dat al eerder gedaan, terwijl dat er toen ook niet toe heeft geleid dat hij geen strafbare feiten meer zou plegen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – in geval van een bewezenverklaring van enig feit – de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Gelet op de in andere zaken, bijvoorbeeld de zaak Palm Invest, opgelegde straffen, waarbij het ging om een veel groter fraudebedrag, is de eis van de officier van justitie buitensporig hoog. Bovendien zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte zodanig dat verdachte niet opnieuw in de fout zal gaan. Zijn dochter is tijdens zijn detentie geboren en hij heeft haar nog nooit in vrijheid kunnen meemaken. Zijn partner heeft er al die tijd alleen voor gestaan.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen het door de officier van justitie gevorderde beroepsverbod.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf het door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunt Fraude. Bij een benadelingsbedrag van rond de 2,5 miljoen euro past als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie à vier jaren. De rol van verdachte bij de criminele organisatie is dermate groot geweest, dat in zijn geval van een benadelingsbedrag in de orde van grootte van het totale bedrag moet worden uitgegaan. Dat hij bij één van de veertien door de organisatie “gedraaide” vennootschappen niet was betrokken en mogelijk in sommige vennootschappen een iets minder vooraanstaande rol heeft gespeeld dan in andere, heeft voor de orde van grootte van het benadelingsbedrag uiteindelijk nauwelijks betekenis.

In het geval van verdachte gelden er diverse strafverzwarende omstandigheden. De fraude heeft zich over een lange periode voorgedaan, met een veelvoud aan misbruikte vennootschappen. Verdachte heeft een initiërende, leidinggevende en sturende rol gehad. Verdachte heeft, zo is aannemelijk, flink geprofiteerd van de fraude, en er meer van geprofiteerd dan menig andere deelnemer aan de organisatie. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat verdachte het meest actief was aan de kant waar de inkomsten werden gemaakt: hij had de contacten met de helers/afnemers, hij beheerde de bankrekeningen en hij verdeelde de opbrengsten. Verder geldt dat het nadeel dat de leveranciers hebben geleden nog op geen enkele wijze ongedaan is gemaakt.

De meest strafverzwarende omstandigheid is de herhaalde recidive. Verdachte is tot vijf jaren gevangenisstraf veroordeeld voor vergelijkbare misdrijven door het Hof van Beroep te Gent in 2008. In een verzetzaak in 2012 is deze strafmaat verlaagd tot vijf jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Verdachte had in de tussentijd evenwel onbekommerd in Nederland de draad weer opgepakt en is – deels binnen de proeftijd van de Belgische veroordeling – niet alleen doorgegaan met dezelfde misdrijven, tezamen met de ook in het vonnis genoemde [medeverdachte 1] en met zijn ook door datzelfde Hof veroordeelde vader [medeverdachte 2] , maar daarbij ook steeds gewiekster te werk gegaan, met valse jaarrekeningen, valse namen en diverse katvangers.

De rechtbank betrekt hier ook bij dat verdachte in het verzet tegen zijn verstekarrest in 2012 bij dat Hof van Beroep te Gent heeft aangegeven dat hij van jongs af aan door zijn vader is meegesleurd in criminele praktijken, dat hij zich heeft gedistantieerd van zijn vader en nu gebroken had met zijn verleden; dat hij gewerkt had bij [naam bedrijf BV 6] , een vast dienstverband had bij de firma [naam bedrijf CV 8] , en dat zijn huidige werkgever positief over hem is en hoopt dat hij snel terug kan komen werken, aldus de Belgische uitspraak. Daarbij heeft verdachte voor het Hof verzwegen dat hij in het kader van genoemde vennootschappen juist doorging met het oplichten en benadelen van leveranciers. Dat verdachte de rechters in die zaak voluit heeft voorgelogen draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn betoog in deze zaak, dat hij – nu dan toch echt – zal breken met zijn criminele verleden.

De rechtbank kan en wil zeker niet uitsluiten dat verdachte op enig moment daadwerkelijk zal breken met dat verleden, omdat verdachte voelt dat al het geldelijke gewin niet meer opweegt tegen de gevangenisstraf die hij uiteindelijk toch weer zal moeten ondergaan, en de ontwrichtende werking die dat heeft op zijn jonge gezin. Er bestaat echter geen aanleiding om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de door verdachte uitgesproken goede voornemens. Daarvoor wegen het verleden van verdachte en de duur en ernst van de misdrijven waarvoor hij nu terecht staat, veel te zwaar.

Er zijn geen strafverminderende omstandigheden. Dat verdachte – uiteindelijk – uitgebreid heeft verklaard lijkt meer ingegeven door wrok jegens medeverdachten die belastend over hem hebben verklaard dan door een wens om schoon schip te maken. Voor zover verdachte met zijn verklaringen (ook) daadwerkelijk schoon schip heeft willen maken, geldt dat de ernst en duur van de gepleegde fraude en de recidivefactor te zwaarwegend zijn om dat als significante strafverminderende omstandigheid mee te wegen.

Gegeven het eerder genoemde uitgangspunt van het LOVS oriëntatiepunt Fraude, en de diverse strafverzwarende omstandigheden, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend. Zij zal verdachte daarom een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren opleggen.

Verder ziet de rechtbank aanleiding om het door de officier van justitie gevorderde beroepsverbod op te leggen, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren nadat hij zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten geen statutair of feitelijk bestuurder dan wel vennoot van enig rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 Wetboek van Strafrecht mag zijn. De lange duur en het veelvuldige misbruik van vennootschappen vormen voldoende reden om deze straf op te leggen.

Om de maatschappij te beschermen zal de rechtbank bovendien bepalen dat deze uitspraak openbaar zal worden gemaakt, door deze niet-geanonimiseerd te publiceren op www.rechtspraak.nl, zodat ook toekomstige leveranciers en curatoren via internet op de hoogte zullen geraken van de praktijken van verdachte.

9 Het beslag

Onder verdachte zijn een groot aantal voorwerpen in beslag genomen. Deze goederen zijn weergegeven in Bijlage III die aan dit vonnis gehecht is.

De onder 23 tot en met 31 en 51 tot en met 53 genummerde voorwerpen behoren aan verdachte toe. Hij kan deze voorwerpen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 en/of 2 bewezen geachte is verkregen, worden deze voorwerp verbeurdverklaard.

Nu met behulp van de onder 9, 11 tot en met 18, 21, 22, 33 tot en met 43, 46, 47, 49, 50, 54 tot en met 59, 61 tot en met 73, 76, 78, 79, 81 tot en met 87, 90 tot en met 92, 102, 104 tot en met 106, 108 tot en met 110, 112, 113, 115 tot en met 117, 121, 122, 125 en 126 genummerde voorwerpen het onder 1 en/of 2 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer. De onder 127 tot en met 129 genummerde goederen behoren eveneens aan verdachte toe. Nu deze horloges vals zijn, zijn zij van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet is. Ook deze voorwerpen dienen derhalve te worden onttrokken aan het verkeer.

De onder 10, 19, 20, 32, 44, 45, 48, 60, 74, 75, 77, 80, 88, 89, 93, 95 tot en met 101, 103, 107, 111, 114, 118 tot en met 120, 123 en 124 genummerde goederen behoren aan verdachte. De officier van justitie heeft geoordeeld dat deze goederen aan verdachte moeten worden teruggegeven, althans zich daar niet tegen verzet. Deze goederen dienen dus aan verdachte te worden teruggegeven.

Het onder 94 genummerde goed moet worden bewaard voor de rechthebbende, nu thans onduidelijk is wie de rechthebbende op dit goed is.

10. De vorderingen van de benadeelde partijen

In de strafzaak Bommel, welke strafzaak in totaal veertien verdachten betreft, heeft zich een aantal personen als benadeelde partij gevoegd en een civielrechtelijke schadevergoedingsvordering ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank de officier van justitie en de raadslieden gevraagd om hun standpunten te bepalen ten aanzien van deze vorderingen. De rechtbank heeft kennis genomen van deze standpunten.

De rechtbank is ten aanzien van de vorderingen tot de volgende beslissing gekomen.

Uit de parlementaire geschiedenis van de wettelijke regeling inzake de voeging van de benadeelde partij in strafzaken blijkt dat de vordering van de benadeelde partij een aan de strafzaak accessoir karakter heeft.1 Dit houdt in dat de civiele vordering ondergeschikt is aan de strafzaak, met dien verstande dat de behandeling ervan niet ten koste mag gaan van een zorgvuldige behandeling van de strafzaak. Met andere woorden, zij mag de strafzaak niet gaan overschaduwen.

In deze strafzaak, waarbij meerdere verdachten worden beschuldigd, hebben zich in totaal zoveel benadeelde partijen, 91, gevoegd. De behandeling van al deze vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren, tenzij sprake zou zijn van een serie zeer eenvoudige, niet betwiste vorderingen Daarvan lijkt, mede gelet op de door de raadslieden ingenomen standpunten, geen sprake.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de benadeelde partijen kennelijk niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen en heeft ter terechtzitting op 10 oktober 2016, zonder nader onderzoek van de zaak op grond van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering, hun niet-ontvankelijkheid uitgesproken.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 28, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 140, 326a en 339 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:

Als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen geachte:

Medeplegen van flessentrekkerij.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

 Ontzet verdachte van de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder, feitelijk bestuurder of vennoot van enig rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 5 (vijf) jaren, ingaande nadat verdachte zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten.

 Verklaart verbeurd de in Bijlage III onder 23 tot en met 31 en 51 tot en met 53 genummerde goederen.

 Verklaart onttrokken aan het verkeer de in Bijlage III onder 9, 11 tot en met 18, 21, 22, 33 tot en met 43, 46, 47, 49, 50, 54 tot en met 59, 61 tot en met 73, 76, 78, 79, 81 tot en met 87, 90 tot en met 92, 102, 104 tot en met 106, 108 tot en met 110, 112, 113, 115 tot en met 117, 121, 122, 125, 126 en 127 tot en met 129 genummerde goederen.

 Gelast de teruggave aan [verdachte] van de in Bijlage III onder 10, 19, 20, 32, 44, 45, 48, 60, 74, 75, 77, 80, 88, 89, 93, 95 tot en met 101, 103, 107, 111, 114, 118 tot en met 120, 123 en 124 genummerde goederen.

 Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in Bijlage III onder 94 genummerde goed.

 Verklaart alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering.

 Gelast de openbaarmaking van dit vonnis na het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van verdachte, door publicatie ervan op www.rechtspraak.nl, waartoe het Openbaar Ministerie dit vonnis dient aan te bieden aan de redactie van voornoemde website.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en N.A.J. Purcell, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2016.

1 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11.