Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7804

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
13/997045-15 (A) en 13/997071-16 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek koper; Vrijspraak voorbereidingshandelingen moord. Professionele criminele organisatie. Enorm wapenarsenaal. Vanwege samenloopbepalingen maximale gevangenisstraf 8 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/997045-15 (A) en 13/997071-16 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 28 november 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] [woonplaats] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , Huis van Bewaring locatie [plaats PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 september 2016, 23 september 2016, 26 september 2016, 29 september 2016, 30 september 2016, 3 oktober 2016, 4 oktober 2016, 10 oktober 2016 en 21 november 2016.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. J. Plooij en H.J. Mous (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.N. Weski, naar voren hebben gebracht.

Het onderzoek Koper richt zich op de volgende verdachten: [verdachte 1] , [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte] , [verdachte 5] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging ter terechtzitting van 21 juni 2016 - kort gezegd het volgende tenlastegelegd:

(Zaak A)

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van voorbereiding van moord op één of meer personen in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van voorbereiding van brandstichting in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweld dan wel afpersing in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzetheling van twee auto’s in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van het voorhanden hebben van een groot aantal wapens, munitie, patroonmagazijnen, handgranaten en geluiddempers in de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 juli 2015 te Nieuwegein;

ten aanzien van feit 6:

deelname aan een organisatie in de periode van 1 november 2014 tot en met 15 juli 2015 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of (elders) in Nederland, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder opzetheling, witwassen, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, voorbereiding van moord, diefstal met geweld, afpersing en/of opzettelijke brandstichting;

ten aanzien van feit 7:

medeplegen van (schuld)witwassen van 90 PGP-telefoons en 89 simkaarten in de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 juli 2015 te Utrecht.

(Zaak B)

Medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en dertien patronen op 1 november 2014 in Nieuwegein.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

In het onderzoek Koper zijn in Maurik twee gestolen snelle auto’s aangetroffen: een Audi S5 en een Audi RS6, beide voorzien van valse kentekenplaten. In de Audi RS6 lagen twee petflessen met benzine. Verder is in Nieuwegein in [naam opslag] een groot aantal vuurwapens - waaronder automatische - aangetroffen, alsmede handgranaten, patroonhouders, geluiddempers, slagpijpjes, ontstekers, veel munitie, kogelwerende vesten en handschoenen. Bij doorzoekingen in Utrecht en omstreken zijn verder bakensets en SD-kaartjes met filmbeelden van heimelijk gefilmde personen (onder wie de later doodgeschoten getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ) en telefoons, waaronder zogenaamde PGP-telefoons, aangetroffen.

Tijdens het onderzoek is onder meer gebleken dat [verdachte] , [verdachte 5] en [verdachte 6] hebben geschoten met (automatische) vuurwapens op een afgelegen plek - door de officier van justitie aangeduid als proefschieten. De gestolen auto’s werden voorzien van brandstof en een nieuwe accu (rijklaar maken). Er is een peilbaken geplaatst onder een huurauto, in gebruik bij getuige [naam getuige] . In diverse afgeluisterde gesprekken wordt gesproken over schieten, ijzers (de rechtbank begrijpt: vuurwapens12), waarbij onder andere wordt gezegd: “hitman at your service”, “hun komen en doen dang dang, kom pang…pfft split. Hup deze in de fik, hup ijzer, doe je de volgende, pang split” “2 vesten (…) 2 PG tjes (…) Het gaat om ijzers, als ie tegen ons zegt ga die kant snel dingen klaarleggen, bam binnen tien minuten hebben we die dinges klaar.” [naam getuige] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat niet naar hem, maar naar [naam] werd gezocht, kennelijk met het doel hem te vermoorden.3

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

(Zaak A)

Bewezen kan worden dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan voorbereiding van moord, brandstichting en ontploffing (feit 1 en feit 2). Verdachten zijn planmatig te werk gegaan, gelet op het in kaart brengen van de slachtoffers, gesprekken over liquidaties en het voorhanden hebben van wapens, die door middel van proefschieten werden getest, en die in ‘uitruksets’ gereed werden gemaakt. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachten op ieder willekeurig moment konden beschikken over de voor de uitvoering benodigde middelen. Voor het opzet maakt het geen verschil of men in tijd vlakbij of nog veraf van de liquidatie is. In het verlengde daarvan moeten de twee auto’s - de werkauto’s - worden gezien die rijklaar en DNA-vrij werden gemaakt en werden voorzien van voldoende brandstof en petflessen met benzine, dit alles in afwachting van het moment van die ene ‘actie’, zoals uit PGP-berichten blijkt, met het doel om na het gebruik van de auto bij de uitgevoerde liquidatie deze in brand te steken om opsporing te verhinderen. Dat verdachten zich op hun zwijgrecht hebben beroepen maakt hun opzet op moord en brandstichting des te aannemelijker.

Verdachte heeft vaak samen met [verdachte 6] voorbereidingshandelingen verricht. Op 24 mei 2015 was hij met [verdachte 6] bij de garage en voerde hij gesprekken over het schoonmaken van de auto’s. Verdachte heeft gesproken over ‘spotten en plakken’ van de auto van [naam getuige] , hij heeft peilbakens gekocht bij de Spyshop en hij moest zorgen voor het kopiëren van de sleutels van de opslagboxen bij [naam opslag] . Verdachte is samen met [verdachte 6] bezig geweest met het maken van beeldopnames van een aantal potentiele slachtoffers, hij is in een OVC-gesprek te horen terwijl hij praat over de beste manier om iemand neer te schieten en de term ‘hitman at your service’ gebruikt.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 nu het dossier hiervoor geen bewijs bevat. Daarbij komt dat veel van de aangetroffen voorwerpen niet bij het misdrijf van afpersing passen.

Feit 4 kan worden bewezen. In twee garageboxen in Maurik stonden twee gestolen auto’s. Verdachte, [verdachte 5] , [verdachte 8] en [verdachte 6] , zijn in wisselende samenstelling gedurende een periode van twee maanden meermalen bij beide garageboxen gezien waar ze aan de Audi’s werkten. Uit de camerabeelden en OVC-gesprekken valt onder meer op: de heimelijkheid waarmee aan de auto’s wordt gewerkt, de instructies die [verdachte 8] aan de medeverdachten gaf, de aandacht voor het schoonmaken ter voorkoming van DNA-sporen en de nachtelijke rit met één van de gestolen auto’s naar een garage in Tiel voor een reparatie. Op een tas met daarin twee valse kentekenplaten, die naast de Audi S5 lag, zijn vingerafdrukken van verdachte gevonden. Bij verdachte thuis zijn jerrycans gevonden, waarmee de auto’s zijn voorzien van brandstof. Als heer en meester beschikten de verdachten over beide auto’s. Verdachte noch zijn medeverdachten hebben een aannemelijke verklaring gegeven voor de gedragingen bij en met de auto’s. De verklaring van verdachte dat hij er van uitging dat er niets met de Audi’s aan de hand was, is in het licht van het voorgaande niet aannemelijk. Het kan niet anders dan dat de verdachten wisten dat de auto’s waren gestolen.

Ook feit 5 kan worden bewezen. Van verdachte is een DNA-spoor aangetroffen op het hengsel van een tas met daarin wapens en munitie in opslagbox 161. Door dat spoor, waarvoor verdachte geen aannemelijke ontlastende verklaring heeft gegeven, kan worden aangetoond dat hij die tas kennelijk in handen heeft gehad in relatie tot de inhoud daarvan, mede in het licht van het feit dat er meer belastend bewijsmateriaal is. Verdachte heeft meermalen en ook samen met [verdachte 5] en [verdachte 8] in belastende onderlinge communicatie gerefereerd aan wapens (ijzers) en aan de opslag, ‘het hok’. Bovendien is verdachte meerdere keren betrokken geweest bij het proefschieten op [plaatsnaam] en is verdachte meermalen in het gebouw van [naam opslag] geweest middels de code van box 40. Het kan niet anders dan dat hij toen in één van de opslagboxen is geweest. Al het voorgaande maakt dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van het voorhanden hebben van het hele wapenarsenaal.

Voorts dient feit 6 te worden bewezen. Uit het dossier komt een groep mannen naar voren, van wie een aantal al lang met elkaar is bevriend. Er zijn veel contacten vastgesteld tussen verdachte en [verdachte 8] , [verdachte] en [verdachte 6] . Ten aanzien van de organisatie die vervolgens in beeld is gekomen, kan op grond van de inhoud van het dossier worden vastgesteld dat het oogmerk bestond uit het plegen van verschillende misdrijven zoals in de tenlastelegging omschreven. Verdachte heeft samen met voornoemde anderen als kern aan die criminele organisatie deelgenomen. Zij waren het meest intensief te linken aan de auto’s en de wapens en hadden veel onderlinge communicatie in relatie tot deze voorwerpen en het plegen van misdrijven middels PGP-telefoons, waarmee zij hun onderlinge communicatie afschermden. Verdachte was samen met hen een zeer actieve deelnemer op uitvoerend vlak, door het volgen en in kaart brengen van slachtoffers en het voorhanden hebben van wapens, die door middel van proefschieten werden getest. Daarnaast werd van verdachte een DNA-spoor aangetroffen op het hengsel van een tas met munitie in box 161.

Tot slot kan ook worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feit 7). Op 15 juli 2015 zijn negentig PGP-telefoons aangetroffen in de woning van verdachte. Deze telefoons hadden een waarde van minimaal € 90.000,-. Vastgesteld kan worden dat hij de telefoons voorhanden heeft gehad. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte geen inkomsten had die de verwerving van deze telefoons kunnen rechtvaardigen. Volgens zijn vriendin had verdachte immers geen werk en waren zij bezig met het aanvragen van een bijstandsuitkering. Verdachte heeft verklaard dat de telefoons niet van hem zijn, dat hij überhaupt niet wist dat het PGP-telefoons waren, en dat hij deze voor een ander, die hij niet bij naam wil noemen, bewaarde. Deze verklaring is niet aannemelijk nu zijn vriendin heeft verklaard dat verdachte de bij hem aangetroffen PGP-toestellen wilde verkopen. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte wist dat deze telefoons uit enig misdrijf afkomstig waren.

(Zaak B)

Uit de combinatie van de waarnemingen ter plaatse en het OVC-gesprek van 19 juni 2015 kan worden geconcludeerd dat verdachte samen met [verdachte 5] en [naam 1] het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad.

4.3

Het standpunt van de verdediging

(Zaak A)

Verdachte dient van de voorbereidingshandelingen zoals tenlastegelegd onder de feiten 1, 2 en 3 te worden vrijgesproken. Ten eerste blijkt uit niets dat de handelingen die verdachte heeft verricht, waren gericht op de uitvoering van de voorbereidingshandelingen, in de zin van medeplegen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de samenstelling van de in de tenlastelegging genoemde goederen en onderzoeksresultaten gepaard gingen met het opzet om voorbereidingshandelingen in het kader van moord te plegen. Dit geldt ook voor het in brand steken van een vluchtauto – overigens blijkt nergens uit dat verdachte dat doel voor ogen had of hier wetenschap van had – maar dit gebeurt ook niet uitsluitend na het plegen van een levensdelict. Uit de vermeende slachtofferverklaringen, de OVC- en PGP-gesprekken en de SD-kaartjes met daarop heimelijk gefilmde personen, valt niet een eenduidig doel van de verdachten af te leiden, laat staan dat dat doel het voorbereiden van een liquidatie was. Het feit dat verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht kan onder geen beding tegen hem worden gebruikt. Bovendien dienen de OVC-gesprekken en filmpjes die aan hem worden toegeschreven te worden uitgesloten van het bewijs, nu het niet mogelijk is dat de stem in die gesprekken door een verbalisant is herkend als zijnde van verdachte. Het NFI heeft immers geconcludeerd dat zij de stemmen niet uit elkaar kon houden, maar daarentegen was de verbalisant wel in staat de stem van verdachte te herkennen. Uit jurisprudentie blijkt dat stemherkenningen die zijn gedaan door een verbalisant geen bewijswaarde hebben, omdat deze niet betrouwbaar zijn, nu een verbalisant niet over de vereiste deskundigheid beschikt.

Ook dient verdachte van feit 4 te worden vrijgesproken. Hij zou hoogstens gezien kunnen zijn op een aantal momenten bij de garages en de auto’s terwijl hij wat reparatiewerkzaamheden verrichtte, maar dat is onvoldoende om te spreken over de wetenschap van de herkomst of überhaupt de beschikkingsmacht. Ook het aantreffen van een dactyloscopisch spoor op een tas met kentekenplaten, hetgeen niet meer dan een spoor op een verplaatsbaar object betreft, impliceert geen wetenschap omtrent de herkomst van de auto’s.

Voorts dient verdachte van feit 5 te worden vrijgesproken. Verdachte is op 20 mei 2015 waargenomen in [naam opslag] , maar op geen enkel moment is gezien dat hij in een box is geweest. Twee maanden later, op 15 juli 2015, zijn de wapens en munitie aangetroffen in de kluizen. Niet is vast te stellen of deze er ook op 20 mei 2015 in zaten. De beschikkingsmacht kan ook niet worden vastgesteld. Alle wapens en munitie die in box 161 en box 40 zijn aangetroffen, lagen immers in afgesloten kluizen en niet blijkt dat verdachte kon beschikken over enige code/sleutel van die kluizen. Dit kan evenmin worden afgeleid uit de enkele aanwezigheid van verdachte in de gang van [naam opslag] . Het DNA-spoor dat in box 161 is aangetroffen op het hengsel van een rugtas met daarin wapens en patroonmagazijnen kan niet bijdragen aan het bewijs van het voorhanden hebben van de wapens en munitie. Naast het feit dat dit een mengspoor betreft op een verplaatsbaar object, kan deze tas op diverse manieren in de box terecht zijn gekomen. Niet is vast te stellen dat verdachte binnen dit onderzoek over de tas heeft beschikt. En zelfs al zou worden aangenomen dat verdachte met een vuurwapen heeft geschoten op [plaatsnaam] en dat dit te horen was op een OVC-gesprek, dan nog impliceert dat geen betrokkenheid bij de wapens die bij [naam opslag] zijn aangetroffen.

Ook feit 6 dient tot een vrijspraak te leiden. Uit het dossier volgt immers slechts dat verdachte met een klein aantal medeverdachten, tevens vrienden van hem, contact had. Uit die contacten blijkt niet dat sprake was van een gezamenlijk oogmerk om misdrijven te plegen, dat een hiërarchie bestond, dat afspraken golden tussen deze leden of dat dit vermeende samenwerkingsverband al langere tijd bestond, laat staan vanaf december 2014.

Ten aanzien van feit 7 heeft verdachte verklaard dat hij de bij hem aangetroffen telefoons zou hebben bewaard voor iemand anders die hij niet bij naam wil noemen en dat deze telefoons bedoeld waren voor de verkoop. Nu uit PGP-berichten uit de telefoon van [verdachte 8] zou kunnen blijken dat een handel gaande was in PGP-telefoons, zou kunnen worden geconcludeerd dat verdachte door het voorhanden hebben van deze telefoons redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze telefoons van enig misdrijf afkomstig waren. Dit blijkt niet uit het dossier en het Openbaar Ministerie heeft dit ook niet kunnen aantonen. Verdachte heeft verklaard dat diegene voor wie hij ze bewaarde financieel toereikende middelen had om de telefoons aan te schaffen, dus hij heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan. De verklaring die verdachte heeft gegeven is op voorhand niet onaannemelijk te achten. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken. Subsidiair kan verdachte hooguit worden veroordeeld voor schuldwitwassen, nu zou kunnen worden overwogen dat verdachte niet heeft voldaan aan zijn plicht te onderzoeken waar de lading telefoons vandaan kwam.

(Zaak B)

Verdachte dient vrijgesproken te worden van dit feit nu de doorzoeking van de auto en de inbeslagname van het wapen onrechtmatig waren. Dit is een vormverzuim in de van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, als gevolg waarvan het aangetroffen wapen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Zoals de verbalisanten het waargenomene hebben beschreven, lijkt het erop dat de handelingen van verdachte en medeverdachten [naam 1] en [verdachte 5] een redelijk vermoeden van schuld hebben opgeleverd in het kader van de Opiumwet. Vervolgens zou de verbalisant de sleutel van de auto van [naam 1] hebben gekregen en heeft hij de auto doorzocht waarbij tassen en bakjes zijn opengemaakt zonder dat [naam 1] hiervoor toestemming had gegeven. Dit maakt de zoeking onrechtmatig. Bovendien is het maar gissen op basis van welke wet en bevoegdheid de verbalisant de auto heeft doorzocht. Hoewel het erop lijkt dat dit op basis van artikel 9 van de Opiumwet is gebeurd, is dit nergens gerelateerd. Maar ook al zou de verbalisant dat hebben bedoeld, dan nog geldt dat hij slechts zoekend mocht rondkijken en geen bakjes en tassen mocht openmaken. Het bakje waarin het wapen is aangetroffen betreft een afgesloten lade onder de bijrijdersstoel, en die lade had op grond van het voorgaande niet mogen worden geopend. Nu de wettelijke basis van de doorzoeking van de auto ontbreekt, is de inbeslagname onrechtmatig geweest.

Indien de zoeking en inbeslagneming wel rechtmatig worden geoordeeld, dient verdachte alsnog te worden vrijgesproken. Er is geen DNA-materiaal van verdachte aangetroffen op het wapen en daarnaast kan het OVC-gesprek van 19 juni 2015 niet bijdragen tot het bewijs. Ten eerste geldt dat er niet vanuit mag worden gegaan dat verdachte degene is geweest die het gesprek heeft gevoerd. Uit jurisprudentie blijkt dat stemherkenningen die zijn gedaan door een verbalisant geen bewijswaarde hebben. Deze herkenningen zijn niet betrouwbaar, aangezien een verbalisant niet over de vereiste deskundigheid beschikt. Daarnaast is niet duidelijk of de sprekers het hebben over dit voorval.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat alle aan verdachte toegeschreven afgeluisterde gesprekken van het bewijs moeten worden uitgesloten in verband met onbetrouwbare stemherkenningen, wordt dit verweer verworpen. Verdachte zelf heeft nimmer betwist aan de gesprekken te hebben deelgenomen. Dat binnen het onderzoek de politie in een kort fragment is teruggekomen van een stemherkenning van een medeverdachte, waarna dit fragment door het NFI als ongeschikt voor stemherkenning is aangemerkt, maakt dit niet anders.

4.4.1

Wapens (feit 5)

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte het wapenarsenaal dat in box 161 is aangetroffen, met anderen voorhanden heeft gehad. Verdachte zal van het voorhanden hebben van het wapenarsenaal in box 40 worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt het volgende.

Op 15 juli 2015 is in [naam opslag] in Nieuwegein een grote partij wapens en munitie gevonden in kluizen in de boxen 40 en 161. Deze werden gehuurd door respectievelijk [verdachte 9] en zijn zus, waarbij duidelijk is geworden dat zij box 161 huurde voor haar broer en verder geen bemoeienis heeft gehad in of bij deze box. Naast het wapenarsenaal zijn in beide boxen lichaamssporen van meerdere personen aangetroffen, zo ook van verdachte. In box 161 werd op het hengsel van een OR&MI rugtas, zijn DNA-spoor aangetroffen. Deze tas was gevuld met wapens en munitie. Op camerabeelden van [naam opslag] is te zien dat verdachte op 20 mei 2015 in [naam opslag] is geweest met [verdachte 5] . Aan de hand van OVC-gesprekken en bakengegevens is aannemelijk geworden dat zij daar ook op 25 mei zijn geweest. Verdachte en [verdachte 5] zijn op 20 mei 2015 en 25 mei 2015 naar binnen gegaan met de code van box 40 die kennelijk door [verdachte 9] aan hen ter beschikking was gesteld. Op grond van het voorgaande kan worden aangenomen dat verdachte tenminste één keer in de kluis, dan wel in de box en in ieder geval in [naam opslag] is geweest. Rond deze bezoeken is middels observaties en OVC-gesprekken vastgesteld dat verdachte met medeverdachten heeft geschoten met wapens in het natuurgebied [plaatsnaam] ; op 21 mei 2015 alleen, op 24 mei 2015 met [verdachte 6] en op 28 mei 2015 met [verdachte 5] . Verdachte was kennelijk niet onbekend met het gebruik en de aanwezigheid van wapens die hoogstwaarschijnlijk uit een box in [naam opslag] kwamen. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachten op dat moment de wapens aan het testen waren. Aanwijzingen hiervoor kunnen worden gevonden in onder meer de volgende gesprekken. Op 23 mei 2015 spreken verdachte en [verdachte 6] over het meenemen van ijzers, een 9 mm en een AK, die ze moeten uittesten. En op 28 mei 2015 geeft verdachte in een gesprek aan [verdachte 6] aan ‘dat de wreedste niet is afgegaan en dat er een kanker misvormde bullit tussen zat waardoor die is vastgelopen’.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht heeft gehad over alle wapens die zich in de kluis in box 161 bevonden, te meer nu meer belastend bewijsmateriaal in het dossier zit. Zo vindt op 25 mei 2015 een OVC-gesprek plaats tussen verdachte en [verdachte 5] waarbij verdachte spreekt over een wreed ding met een chromen loop en een zwart handvat. In de kluis in box 161 is later een Colt Python .357 revolver aangetroffen met een chromen loop en een zwart handvat. Daarnaast blijkt uit een OVC-gesprek van 13 juni 2015 tussen verdachte, [verdachte 7] en [verdachte 8] dat zij op de hoogte waren van het verplaatsen van de wapens uit de berging in de Kaupangstraat naar [naam opslag] , want ‘zij (de rechtbank begrijpt: [verdachte 5] en [verdachte 6] ) moeten de ijzers bij hem weghalen’ en ‘die anderen zijn al die ijzers aan het terugleggen (…) want die andere man, die [bijnaam verdachte 5] (de rechtbank begrijpt: [verdachte 5] ), is aan het breken dus hij kan gepakt worden.

Wetenschap van de wapens in box 161 leidt de rechtbank ook af uit andere OVC-gesprekken die gaan over wapens (ijzers) en munitie, bijvoorbeeld een OVC-gesprek van 24 mei 2015 waarin wordt gesproken over een blik met onze bullits waar [bijnaam verdachte 5] (de rechtbank begrijpt: [verdachte 5] ) met zijn handen in heeft gezeten. De rechtbank is bovendien van oordeel dat verdachte en [verdachte 6] , [verdachte 8] en [verdachte 5] beschikten en/of konden beschikken over de sleutels van de boxen in [naam opslag] dan wel van de kluis in de boxen nu uit het OVC-gesprek van 13 juni 2015 is af te leiden dat de sleutel vier keer moest worden gekopieerd (de rechtbank begrijpt: de sleutel van de boxen in [naam opslag] ) en dat er voor de kluis (kloesoe) één sleutel bestond die [verdachte 8] bij zich had, maar waar iedereen bij moest kunnen en dat deze sleutel daarom bij verdachte thuis kon worden bewaard.

De rechtbank is gelet op het voorgaande, waarbij zij bij haar overwegingen betrekt dat verdachte geen redelijke, de redengevendheid van de hiervoor genoemde omstandigheden ontzenuwende verklaring heeft gegeven, van oordeel dat verdachte het wapenarsenaal in box 161 samen met anderen voorhanden heeft gehad.

Niet kan worden bewezen dat verdachte ook beschikkingsmacht heeft gehad over de wapens die in de kluis in box 40 lagen. De enkele omstandigheid dat hij twee keer [naam opslag] is binnen geweest met de code die behoort bij box 40 is daartoe onvoldoende, te meer nu geen lichaamssporen van verdachte in deze box zijn aangetroffen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.4.2

Opzetheling (feit 4)

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat, kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van twee auto’s.

Verdachte heeft ter zitting een schriftelijke verklaring overgelegd waarin staat dat hij ervan uit ging dat er niets met de Audi’s aan de hand zou zijn geweest. Verdere vragen over dit onderwerp heeft hij niet willen beantwoorden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig in het licht van de bewijsmiddelen. Uit deze bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte en zijn medeverdachten zeer heimelijk met deze auto’s omgingen. Zo werden er handelingen verricht met valse kentekenplaten, werd er ‘s nachts een reparatie uitgevoerd, en om het overbrengen van (DNA-)sporen zo veel mogelijk te voorkomen werden de auto’s schoongemaakt met onder andere ammoniakspray waarbij verdachten altijd handschoenen droegen. De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat verdachte wist dat dat de auto’s van misdrijf afkomstig waren.

4.4.3

Criminele organisatie (feit 6)

Onder organisatie, als bedoeld in artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur.4 Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.5 Niet is vereist dat komt vast te staan dat verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.6 Evenmin is vereist dat verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.7

Gelet op de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de overige bewezenverklaarde feiten, alsmede op wat hierna wordt overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Duurzaamheid en structuur

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt een beeld naar voren van een samenwerkingsverband van een aantal personen, uit de omgeving van Utrecht/Nieuwegein dat zich gedurende geruime tijd heeft beziggehouden met meerdere vormen van criminaliteit.

Hierbij wordt naast de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen ten aanzien van het wapenbezit, de heling van de auto’s en de deelname aan de criminele organisatie in het bijzonder nog gewezen op de zogenoemde administratie die bij [verdachte 9] is aangetroffen8 en aan hem wordt toegeschreven. Deze administratie bestrijkt een periode van anderhalf jaar, waarin chronologisch en op gedetailleerde wijze de inkomsten en uitgaven van allerlei transacties van de organisatie zijn bijgehouden. De administratie getuigt van een zeer actieve, professionele en goed gestructureerde bedrijfsvoering, met een omvang van ongeveer negentien miljoen euro gedurende die periode. Ook al is handel in verdovende middelen niet expliciet als oogmerk vermeld in de tenlastelegging, opvallend is wel het uitgebreide deel van de boekhouding dat hierop lijkt te zijn gericht. In de administratie zijn verder veel posten vermeld die overeenkomen met bevindingen van de politie. Dit gaat onder meer over uitgaven voor opslag, betalingen voor kluizen, een Audi S5 die wordt gekocht voor € 3.500,-, een betaling voor werk aan twee “werkauto’s”, € 7.000,- voor de aankoop van twee trackers, betalingen voor het “sweapen van twee waggies” en voor “sweapen huis”. Er staan betalingen aan spotters vermeld, alsook de bijkomende kosten voor huurauto’s ten behoeve van het spotten, en aantekeningen over jammers. Het boekje behelst veel vermeldingen over “ijzers” (vuurwapens). Op een los blaadje staat dat er vuurwapens (3x AK met maga; 1 x Scorpio) zijn ontvangen. Ook wordt geld ontvangen van en uitgegeven aan (onder meer voor “ijzer”) [verdachte 8] (“ [bijnaam verdachte 8] ”)9 en [verdachte 7] (“ [bijnaam verdachte 7] ”).10 Deze administratie beslaat een langere periode dan tenlastegelegd. In deze administratie worden ook andere (bij)namen genoemd dan die van verdachten, zodat kan worden aangenomen dat ook anderen dan verdachte en medeverdachten hebben deelgenomen aan de organisatie.

Verder wordt gewezen op de onderlinge communicatie via versleuteld berichtenverkeer. Bij alle verdachten zijn één of meerdere zogenaamde PGP-telefoons aangetroffen.11 Enkele van deze telefoons zijn “gekraakt” door het NFI. Uit dit berichtenverkeer12 blijkt dat over al dan niet misdadige zaken wordt gecommuniceerd. Verdachten hebben geen verklaring willen geven over deze communicatie of waarom zij van een dergelijke dure en versleutelde communicatievorm gebruik wensten te maken. Overigens hebben verdachten zich jegens de politie en de rechtbank geheel of grotendeels op hun zwijgrecht beroepen - zelfs op ogenschijnlijk onschuldige vragen als wie wie kent - wat de rechtbank sterkt in haar oordeel dat van een crimineel samenwerkingsverband sprake is geweest, nu verdachten onderlinge communicatie kennelijk geheim wensen te houden, terwijl zij in het openbaar niet wensen te communiceren over het verwijt dat hun wordt gemaakt.

Er was dan ook sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

Oogmerk

De organisatie beschikte over twee gestolen voertuigen en een arsenaal van (vuur)wapens, waarmee het tenlastegelegde oogmerk tot opzetheling en handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie is gegeven.

Uit OVC-gesprekken13, de gekraakte PGP-telefoon van [verdachte 8]14, de administratie waaruit blijkt dat op 9 juli 2015 € 94.500,- uitging naar Ennetcom (een leverancier van PGP-telefoons)/Junior15, alsmede de negentig bij [verdachte] aangetroffen PGP-toestellen,16 die volgens een afgeluisterd gesprek ongeveer € 1.000,- per stuk kosten, leidt de rechtbank af dat de organisatie een handel in PGP-telefoons - al dan niet met bijbehorend netwerk - aan het opzetten was, waartoe reeds een investering was gedaan. Het met deze investering - die in de boekhouding van de organisatie is opgenomen - gemoeide geld kan niet anders dan van misdrijf afkomstig zijn. Immers, verdachten hebben aan de criminele organisatie deelgenomen, niet is gebleken dat deze organisatie legale inkomsten heeft gehad, terwijl het de verdachten ook aan voldoende legale inkomsten ontbreekt om een dergelijke investering te doen. Verdachten hebben geen van allen een verifieerbare, op voorhand niet onaannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze investering. Door de opbrengsten van illegale praktijken aan te wenden voor de investering in een op het eerste gezicht legale handel, kan worden vastgesteld dat witwassen eveneens een oogmerk van de organisatie is geweest.

Ten slotte is tenlastegelegd dat de organisatie tot oogmerk had het voorbereiden van moord, brandstichting en/of diefstal met geweld/afpersing. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat van dit laatste oogmerk (diefstal met geweld en/of afpersing) niet is gebleken.

Uit het dossier komt het beeld naar voren van een bende die beschikte over twee snelle gestolen auto’s met valse kentekenplaten, waarvan één voorzien was van petflessen met benzine, en een arsenaal aan (automatische) wapens, waaronder Kalasjnikovs. De bende hield zich bezig met het nagaan van de gangen van bepaalde mensen door ze, vanuit op andermans naam gehuurde auto’s17 met behulp van peilbakens te volgen18 en ze heimelijk te filmen.19 In de administratie wordt gewag gemaakt van de kosten die deze “spotters” maken (camera’s, huurwagens, trackers/peilbakens). Daarnaast wordt op diverse momenten gesproken over het doodschieten van mensen, zoals hiervoor weergegeven. Ten slotte wordt gewezen op de post in de administratie op 1 december 2014, waarin honderdduizend euro uitgaat aan “Hitter”.20 Verdachten hebben de stelling van politie en justitie dat met deze term een moordenaar wordt bedoeld21 niet kunnen of willen ontkrachten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de organisatie tevens tot oogmerk had het plegen van liquidaties, die bestaan uit het vermoorden van één of meer personen, waarna de auto die daarbij wordt gebruikt tijdens de vlucht in brand wordt gestoken teneinde sporen te wissen. Bij een dergelijke autobrand, die veelal heftig en uitslaand is, is bijna per definitie gemeen gevaar voor goederen te duchten.

Het tenlastegelegde oogmerk op het voorbereiden van liquidaties komt de rechtbank onlogisch voor. Voorbereiding (artikel 46 Sr) komt na artikel 45 Sr (poging) en is in het leven geroepen om niet gerealiseerde misdrijven, die om andere redenen dan een vrijwillige terugtred, nog niet tot een begin van een uitvoering zijn gekomen toch strafbaar te kunnen stellen. Het is moeilijk voorstelbaar dat het oogmerk van een criminele organisatie is gericht op onvoltooide misdrijven. Waar de officier van justitie de verdachten ziet als de “afdeling werkvoorbereiding” verliest hij uit het oog dat deze afdeling deel uitmaakt van de organisatie die liquidaties zelf op het oog heeft. Daarnaast levert de verweten voorbereiding (opsporen en/of observeren van beoogde slachtoffers, wapens en auto’s met petflessen met benzine leveren) telkens een deelnemingsvorm aan de liquidatie zelf op. Voor het bestaan van een criminele organisatie is ten slotte niet vereist dat de deelnemers aan de organisatie de misdrijven zelf plegen.

Bij requisitoir heeft de officier van justitie nog schriftelijk toegelicht22 dat, indien de rechtbank dit oordeel zou vellen, ook kan worden geconcludeerd dat de organisatie het oogmerk had op de gronddelicten zelf. Op dit (subsidiaire) standpunt is door de verdediging geen verweer gevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van denaturering van de tenlastelegging geen sprake is indien zij bewezen acht dat de organisatie ook moord en brandstichting tot oogmerk heeft gehad.

Deelneming/rol van verdachte
Verdachte hield zich samen met [verdachte 5] , [verdachte 8] en [verdachte 6] bezig met het rijklaar maken van de gestolen Audi’s en samen met [verdachte 6] en [verdachte 5] met proefschieten op verschillende data. Blijkens afgeluisterde gesprekken weet hij van het spotten van personen en van het gebruik van bakens daarbij. Hij bespreekt met [verdachte 8] wie over de sleutels van de hokken/de kloesoe moet kunnen beschikken.23 Hij is samen met [verdachte 5] in [naam opslag] geweest op 20 mei 2015, gebruikmakend van de toegangscode van de door [verdachte 9] gehuurde box 40. Zijn DNA wordt aangetroffen op een rugzak met daarin wapens, aangetroffen in box 161. Hij kan kennelijk bij de wapens en bij de auto’s en kan binnen tien minuten alles klaar hebben liggen.24 Bij hem thuis is niet alleen een kennelijk door hem gebruikte PGP-telefoon aangetroffen, maar ook de negentig toestellen die met zwart geld zijn aangekocht. Hij geldt naar het oordeel van de rechtbank als behorende tot de kern van de organisatie, die het vertrouwen genoot van iedereen.

4.4.4

Voorbereidingshandelingen (feiten 1, 2 en 3)

Artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt, voor zover hier van belang:

Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft of voorhanden heeft.

Aan verdachte is – samengevat – tenlastegelegd dat hij tezamen en in vereniging met anderen de hiervoor genoemde voorwerpen en vervoermiddelen heeft verworven of voorhanden heeft gehad en dat die goederen bestemd waren tot het begaan van moord op een of meerdere personen (feit 1), brandstichting en/of het teweegbrengen van een ontploffing (feit 2) en diefstal met geweld, dan wel afpersing (feit 3).

Het spreekt voor zich dat de genoemde middelen (wellicht met uitzondering van de SD-kaartjes, handschoenen en telefoons) naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik bestemd kunnen zijn tot het begaan van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde misdrijven. De vraag die hier echter centraal staat is of met voldoende bepaaldheid is gebleken welk misdadig doel verdachte en zijn medeverdachten met het gebruik van die voorwerpen voor ogen hadden. Hierbij hoeft het weliswaar nog niet te gaan om een naar tijd en plaats gespecificeerd misdrijf, maar moet wel sprake zijn van een min of meer concreet strafbaar feit.25

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende bepaaldheid is gebleken welk crimineel doel verdachte en zijn medeverdachten voor ogen hebben gehad. Weliswaar heeft verdachte – zoals hiervoor overwogen – deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van liquidaties (moord gevolgd door brandstichting) tot oogmerk had, echter uit het onderzoek Koper is onvoldoende bewijs verkregen om te spreken van een concreet voorbereid misdrijf. De rechtbank deelt de visie van het Openbaar Ministerie niet dat slechts de aard (kwalificatie) van het voorbereide misdrijf moet komen vast te staan.26 Voor het bewijs dat de tenlastegelegde voorwerpen “bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf” moeten naar het oordeel van de rechtbank ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken.

Zo ligt het voor de hand dat bij de voorbereiding van een moord, het voor de daders in beginsel duidelijk is wie het slachtoffer zal zijn. Op de aangetroffen SD-kaartjes zijn heimelijk gemaakte opnames aangetroffen van verschillende personen, maar niet is gebleken wat de precieze plannen waren met deze mensen. Inzake [naam] kan worden vastgesteld dat [getuige 2] en [naam 2] zijn gefilmd in november 2014 en dat in juni 2015 een baken is geplaatst onder de auto van [naam getuige] . Eveneens in juni 2015 spreken verdachte en [verdachte 8] over “de kale en die Joego die ons daarheen gaan brengen”. [naam] heeft weliswaar verklaard over de dreiging die hij voelt vanuit een bepaalde richting, maar niet is komen vast te staan wat er met hem diende te gebeuren. Het kan zijn dat [naam] zou moeten worden doodgeschoten, maar een gijzeling/wederrechtelijke vrijheidsberoving of een afpersing of een enkele bedreiging behoort ook tot de mogelijkheden. Het zwijgrecht waarop verdachten zich hebben beroepen, mag in dit geval niet tot de conclusie leiden dat het zwaarste misdrijf werd voorbereid. Van de overige heimelijk gefilmde personen is nog minder komen vast te staan of verdachte en zijn medeverdachten iets van plan waren in de richting van deze personen en zo ja, wat die plannen dan inhielden.

Slotsom is dat verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3.

4.4.5

Witwassen (feit 7)

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 15 juli 2015 zijn negentig PGP-telefoons aangetroffen in de woning van verdachte. Deze telefoons hadden een waarde van minimaal € 90.000,-. Dit blijkt uit een bericht van 14 juli 2015 afkomstig uit de PGP-telefoon die in de woning van [verdachte 8] is aangetroffen en waarin ter sprake komt dat een PGP-telefoon € 1.000,- kost. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte geen inkomsten had die de verwerving van deze telefoons kunnen rechtvaardigen. Volgens zijn vriendin had verdachte immers geen werk en waren zij bezig met het aanvragen van een bijstandsuitkering.

Verdachte heeft verklaard dat de telefoons niet van hem zijn, dat hij überhaupt niet wist dat het PGP-telefoons waren, en dat hij deze voor een ander, die hij niet bij naam wil noemen, bewaarde. Zijn vriendin heeft echter verklaard dat verdachte de bij hem aangetroffen PGP-toestellen wilde verkopen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de PGP-telefoons voorhanden heeft gehad en hiervoor een niet verifieerbare en hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Dit klemt te meer nu de verklaring van de vriendin van verdachte over een handel in PGP-telefoons wordt ondersteund door een OVC-gesprek van 6 juli 2015 tussen [verdachte 8] en [verdachte 7] , waaruit is gebleken dat zij PGP-telefoons hebben gekocht waarvan zij er als borg 100 met een waarde van 150 doezoe hebben achtergehouden, en tevens doordat in de administratie van [verdachte 9] staat genoteerd dat er op 9-7 94.500 uit is gegaan naar Ennet (de rechtbank begrijpt: Ennetcom). Op grond hiervan kan het niet anders dan dat de telefoons middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf, nu deze telefoons moeten zijn gekocht met illegaal verkregen gelden.

4.4.6

Zaak B

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn vervat kan worden bewezen dat verdachte samen met een ander een vuurwapen met daartoe behorende munitie voorhanden heeft gehad.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt als volgt.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet hebben opsporingsambtenaren, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang tot de vervoermiddelen, waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmee vervoerd worden of dat daarin aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet. Op grond van het derde lid zijn zij bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en kunnen zij daartoe de uitlevering vorderen.

De rechtbank stelt voorop dat er geen reden is om te twijfelen aan wat de verbalisanten hebben gerelateerd in de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van bevindingen. Uit deze processen-verbaal volgt dat de verbalisanten, toen zij bij de Toyota Yaris stonden, redelijkerwijs konden vermoeden dat er zich in de auto verdovende middelen bevonden, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder a, van de Opiumwet. Ook kon verdachte op dat moment als verdachte worden aangemerkt, zodat eveneens aan het vereiste van staande houding, als bedoeld in artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering, was voldaan. Samengevat gaat het daarbij om de volgende feiten en omstandigheden, die uit het dossier blijken. Er werden ’s avonds op een pleintje een tas overgedragen van de ene auto naar een andere auto en deze werd in de achterbak gezet en tevens werd een donker voorwerp onder de bijrijdersstoel geplaatst. De eigenaar van de auto waarin de goederen werden geplaatst, had meerdere antecedenten ter zake van onder meer de Opiumwet. De twee mannen die de goederen vanuit hun auto naar de andere auto toe brachten, werden ambtshalve herkend als verdachte en [verdachte 5] , waarbij de verbalisanten wisten dat verdachte antecedenten had ter zake van de Opiumwet. De bestuurder van de auto waarin de goederen werden geplaatst vertoonde gespannen en zenuwachtig gedrag. Toen het opvallende politievoertuig aankwam, liepen de drie mannen weg.

De in artikel 9 van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid tot toegang van plaatsen, in combinatie met de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid, geeft volgens vaste jurisprudentie de bevoegdheid tot het betreden van de desbetreffende plaats, het aldaar zoekend rondkijken en het in beslag nemen van voor de hand liggende voorwerpen. Nu de rechtbank van oordeel is dat voldaan is aan het vereiste van het redelijkerwijs kunnen vermoeden dat er verdovende middelen aanwezig waren, was verbalisant [naam verbalisant] bevoegd om het bijrijdersportier te openen en onder de stoel te kijken naar het daar geplaatste voorwerp. Dit betekent dat er geen sprake was van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Overigens merkt de rechtbank op dat ook als er sprake was geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de auto van [naam 1] , daarbij niet is in te zien welk rechtens te respecteren belang van verdachte daarbij zou zijn geschonden.

Stemherkenning

Voor zover de raadsman de juistheid en betrouwbaarheid van de door de verbalisant(en) gedane stemherkenning van het afgeluisterde (OVC-) gesprek van 19 juni 2015 heeft betwist, verwerpt de rechtbank dit verweer en overweegt daartoe als volgt. De verdediging heeft geen begin van aannemelijkheid gegeven waaruit blijkt van enige onrechtmatigheid met betrekking tot de stemherkenning van verdachte. Het betwiste gesprek van 19 juni 2015 (12:04:00 en 12:09:00, de rechtbank begrijpt: 00:04:00 en 12:09:00) betreft opnieuw beluisterde fragmenten van een uitgebreid uitgewerkt OVC-gesprek over de periode 18 juni 2015 04:44:00 PM tot en met 19 juni 2015 01:59:00 AM, in welke gesprekken onder meer de identificatie van de stem van verdachte heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de stemherkenning die is gedaan door de verbalisanten, te meer nu uit de inhoud van het gesprek, dat hierna in de bewijsmiddelen is opgenomen, onmiskenbaar volgt dat dit gesprek over het voorval van 1 november 2014 te Nieuwegein gaat.


Proefschieten

Door de raadsman is ten slotte bepleit dat, nu er geen proefschiettest met het wapen is gedaan, niet kan worden vastgesteld of het wapen ook functioneerde en dus strafbaar is in het kader van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat wet noch regelgeving vereist dat een schietproef met een (vuur)wapen moet worden gedaan om vast te stellen dat het wapen een vuurwapen is als bedoeld in artikel 1 onder 3◦ van de Wet wapens en munitie. Na onderzoek door een medewerker werkzaam bij het bureau Wapens en Munitie binnen de afdeling Forensisch Opsporing is vastgesteld dat het pistool een vuurwapen is, bestemd om projectielen of stoffen door een loop af te schieten en dat de werking van het pistool berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het wapen valt derhalve onder de werking van de Wet wapens en munitie.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik, tezamen en in vereniging met anderen, personenauto's, te weten een Audi S5 met oorspronkelijk kenteken [kenteken] en een Audi RS6 met oorspronkelijk kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto's wisten, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 5:

in de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 juli Nieuwegein in kluizen in gehuurde opslagruimten aan de [adres 1] , tezamen en in vereniging met anderen,

in een kluis in opslagruimte nr. 388 en daarna nr. 161:

- 6 automatische geweren, merk/type Cz Vz58, kaliber 7.62x39mm, en

- 9 automatische geweren, merk/type Zastava M70AB2, kaliber 7.62x39mm, en

- 2 automatische geweren, merk/type Zastava M70B1, kaliber 7.62x39, en

- 1 automatisch geweer, merk/type MPi/AK-74N, kaliber 5.45x39mm, en

- 1 automatisch geweer, merk/type AIM/PM63, kaliber 7.62x39mm, en

- 1 machinepistool, merk/type Agram 2000, kaliber 9mm nato, en

- 2 machinepistolen, merk/type IMI Uzi, kaliber 9x19mm, en

- 1 machinepistool, merk/type Ag Strojnica Ero, kaliber 9x19mm, en

- 3 machinepistolen, merk/type Cz VZ61, kaliber 7.65 browning, en

- 4 machinepistolen, merk/type R9-Arms, kaliber 9x19mm, en

- 1 machinepistool, merk/type Cz Vz61, kaliber 7.65 browning, en

- 2 machinepistolen, merk/type Cz Vz61, kaliber 7.65, en

- 1 machinepistool, merk/type Imi Micro Uzi, kaliber 9mm para, en

- 11 pistolen, merk/type Glock 17, kaliber 9x19mm, en

- 3 pistolen, merk/type Glock 19, kaliber 9x19mm, en

- 13 pistolen, merk/type Glock 21, kaliber .45 acp, en

- 1 pistool, merk/type Glock 26, kaliber 9x19mm, en

- 1 pistool, merk/type Cz 75d, kaliber 9x19mm, en

- 2 pistolen, merk/type CZ 75, kaliber 9x19, en

- 1 pistool, merk/type CZ 75P-01, kaliber 9x19mm, en

- 1 pistool, merk/type Heckler & Koch Usp, kaliber 9x19mm, en

- 1 pistool, merk/type Fn Browning, kaliber 9mm para, en

- 1 pistool merk/type FN Browning Baby, kaliber 6,35, en

- 4 pistolen, merk/type Dynamic Grand Powerk100, kaliber 9mm, en

- 2 pistolen, merk/type Star Firestar, kaliber 9x19mm, en

- 1 pistool, merk/type Astra A80 Para, kaliber 9mm, en

- 1 pistool, merk/type Feg p9r, kaliber 9mm, en

- 1 pistool, merk/type Norinco 1911 A1 .45 Aut , kaliber .45, en

- 1 revolver, merk/type Smith & Wesson Model 36, kaliber .38 special, en

- 5 revolvers, merk/type Nagant M1895, kaliber 7.62mm Nagant, en

- 1 revolver, merk/type Colt Python .357, kaliber .357, en

- 1 revolver, merk/type Velodog 5.5 Mm, kaliber 5.5mm, en

- 368 kogelpatronen, kaliber .45 Auto, en

- 1233 kogelpatronen, kaliber 9mm luger, en

- 50 kogelpatronen, kaliber .32 S&W L, en

- 830 kogelpatronen, kaliber 7.65 br., en

- 239 kogelpatronen, kaliber 9x19mm, en

- 50 kogelpatronen, kaliber .40 S&W, en

- 89 kogelpatronen, kaliber 5.56x45mm, en

- 26 kogelpatronen, kaliber .38 Special, en

- 348 kogelpatronen, kaliber .45 acp, en

- 3 kogelpatronen, kaliber .357 Magnum, en

- 750 kogelpatronen, kaliber 7.62x39mm, en

- 43 kogelpatronen, kaliber 7.62 Nagant, en

- 60 kogelpatronen, kaliber .45 acp/.45 Auto, en

- 72 kogelpatronen, kaliber .380 ACP, en

- 12 kogelpatronen, kaliber 9 mm Br. C., en

- 2 kogelpatronen, kaliber .380 Auto, en

- 12 kogelpatronen, kaliber 5.5mm, en

- 12 geluidsdempers, en

- 3 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 7.62x39mm, en

- 7 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 7.65 Browning, en

- 7 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber .45acp, en

- 4 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber 9x19mm, en

- 1 patroonmagazijn, merk Agram, kaliber 9x19mm, en

- 1 patroonmagazijn, merk Cz, kaliber 7.62x39mm, en

- 1 patroonmagazijn, merk onbekend, kaliber 5.54x39mm, en

- 5 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber .45, en

- 1 elektrisch slagpijpje

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 6:

in de periode van 1 november 2014 tot en met 15 juli 2015 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [verdachte 2] , [verdachte 6] , [verdachte 9] , [verdachte 4] , [verdachte 7] , [verdachte] , [verdachte 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- opzetheling als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht en

- witwassen als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht en

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie en

- moord als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht en opzettelijke brandstichting en/of het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht;

ten aanzien van feit 7:

in de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 juli 2015 te Utrecht, zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen immers heeft hij 70 telefoontoestellen van het merk BlackBerry, type 9720 en 20 telefoontoestellen van het merk BlackBerry, type 9790 en 59 simkaarten van T-mobile en 30 simkaarten van O2 voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze voorwerpen middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.

(Zaak B)

op 1 november 2014 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk: Glock, model 19, kaliber 9x19mm, en munitie van categorie III, te weten een scherpe volmantelpatroon, merk: Sellier&Bellot, kaliber 9 mm, en 12 scherpe deelmantelpatronen, merk: CBC, kaliber 9mm Luger, voorhanden heeft gehad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hen onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 bewezen geachte feiten in zaak A en het bewezen geachte in zaak B zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar. De voorwerpen genoemd onder de nummers 2 t/m 10 op de beslaglijst dienen te worden verbeurd verklaard.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte al ruim zestien maanden in voorarrest zit voor een zaak waarin hij via de media reeds is veroordeeld. Verdachte is na 2007 niet meer veroordeeld voor een strafbaar feit.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de voorbereidingshandelingen. De rechtbank zal alleen al daarom de eis van de officier van justitie niet volgen.

Verdachte heeft samen met anderen 86 vuurwapens en duizenden patronen voorhanden gehad in één van de opslagruimten, box 161, in Nieuwegein. Het wapenarsenaal bestond uit pistolen en revolvers, automatische geweren, machinepistolen en geluiddempers. De schade die in de samenleving kan worden aangericht met een dergelijke wapenvoorraad is nauwelijks te overzien, en ook al zijn de exacte bedoelingen van dit mede door verdachte opgebouwde arsenaal niet vast komen te staan, de rechtbank rekent verdachte zijn deelname aan het bezit ervan zwaar aan. Wapenbezit hoort niet thuis in de Nederlandse maatschappij en dient krachtig te worden bestreden.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan opzetheling van twee Audi’s en aan het witwassen van negentig BlackBerry telefoontoestellen (PGP’s) en tientallen simkaarten.

Daarnaast heeft verdachte in 2014 een wapen met munitie voorhanden gehad.

Verdachte heeft voorts deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven waaronder moord, brandstichting en overtreding van de Wet wapens en munitie. Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt enerzijds bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar anderzijds ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. Deze organisatie was een duurzaam en goed georganiseerd samenwerkingsverband, zoals onder meer is gebleken uit de aangetroffen administratie. Deze administratie bestrijkt een periode van anderhalf jaar, tot de dag van de ontdekking van de wapenarsenaal. Gedurende deze periode is een breed scala aan activiteiten en transacties van de organisatie nauwkeurig en zeer gedetailleerd bijgehouden. De administratie geeft blijk van een omvangrijke, professionele en gestructureerde bedrijfsvoering van een zeer actieve organisatie, waarin in anderhalf jaar negentien miljoen euro omging. Opvallend zijn de daarin voorkomende kostenposten van de deelnemers zelf als zodanig benoemd: “spotter”, “hitter”, “junior spotter”. Het oogmerk van de organisatie bestond uit onder meer het plegen van moord, en het - kennelijk met het oog op het plegen van dit maar wellicht ook andere misdrijven - voorhanden hebben van een enorm wapenarsenaal. Moord is het zwaarste commune misdrijf dat ons Wetboek van Strafrecht kent, dit hoeft geen verder betoog.

Gelet op de combinatie van de ernst van het oogmerk (moord) het bedrijfsmatige en professionele karakter van de werkzaamheden en de hoge mate van activiteit van de organisatie, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het handelen van de organisatie tot een grote mate van ontwrichting voor de samenleving en de openbare orde leidt. Een ergere soort van criminele organisatie valt moeilijk te bedenken, en de rechtbank neemt verdachte de deelname daaraan dan ook zeer kwalijk.

Verdachte heeft in elk geval ruim acht maanden deelgenomen aan deze organisatie. Hij had daarin, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, een zeer actieve en centrale rol. Hij was onder meer feitelijk betrokken bij de wapens in Nieuwegein, ging meerdere keren met een medeverdachte proefschieten, wist van het “spotten” en bemoeide zich met het rijklaar maken van de Audi’s en beschikte over PGP-telefoons, niet alleen in het kader van het witwassen maar ook voor feitelijk gebruik, teneinde communicatie met medeverdachten zoveel mogelijk af te schermen.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 september 2016 blijkt dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld, maar dat de laatste veroordeling van geruime tijd geleden is. De rechtbank zal het strafblad niet ten nadele van verdachte bij de bepaling van de strafmaat betrekken.

Verdachte heeft ter terechtzitting slechts een enkele vraag willen beantwoorden en heeft een geschreven, weinig inhoudelijke, verklaring overgelegd waarin hij aangeeft niets te weten van de hem verweten gedragingen. Hij heeft daarmee blijk gegeven geen inzicht te hebben in de ernst van de bewezen geachte feiten. Ook staat vast dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor de door hem gepleegde misdrijven. Verdachte is te kenschetsen als een beroepscrimineel die zich niet gebonden voelt aan maatschappelijke normen en waarden en daarmee een ernstig gevaar voor de samenleving oplevert. De rechtbank weegt dat ten nadele van verdachte mee bij het bepalen van de strafmaat.

Wellicht is de media-aandacht negatief geweest voor verdachte, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit niet van zodanig gewicht dat dit moet worden meegewogen in voor verdachte gunstige zin.

Verdachte zit sinds 15 juli 2015 in voorarrest.

Bij de strafoplegging ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de beperkende werking van de wettelijke bepalingen ten aanzien van strafoplegging. Artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij samenloop van strafbare feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, één straf wordt opgelegd. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, maar - voor zover het gevangenisstraf betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.

De maximum op te leggen straf voor het voorhanden hebben van de wapens en munitie is een gevangenisstraf van vier jaren. Indien uitsluitend het wapenfeit onder feit 5 bewezen zou zijn geacht, dan zou de rechtbank hebben overwogen aan verdachte - gelet op zijn betrokkenheid, de omvang van het wapenarsenaal in box 161 Nieuwegein en het soort wapens - een gevangenisstraf op te leggen die grenst aan de daarvoor maximum op te leggen straf. Het voorhanden hebben van het pistool in november 2014 is daarvoor nauwelijks medebepalend, gelet op de enorme hoeveelheid en de aard van de wapens in box 161.

De wetgever heeft deelneming aan een criminele organisatie bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal zes jaren. Gelet op de vaststelling door de rechtbank dat deze organisatie er één was van de ergste soort en verdachte daarin een bepalende rol heeft gespeeld, zou de rechtbank overwegen hem voor alleen al dit feit een gevangenisstraf op te leggen die grenst aan de daarvoor maximum op te leggen straf.

Daarnaast verdient verdachte in beginsel nog aparte straf voor de opzetheling en het witwassen.

Dit alles betekent dat de rechtbank zou uitkomen op een aanzienlijk hogere gevangenisstraf dan de acht jaar die volgens de wet maximaal aan verdachte kan worden opgelegd, zijnde de maximumstraf voor de criminele organisatie, verhoogd met een derde. Dit alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte het wettelijke maximum, te weten een gevangenisstraf van acht jaar, opleggen.

Voor zover de raadsman het verzoek heeft gedaan om de voorlopige hechtenis bij de einduitspraak op te heffen, wordt dit verzoek gelet op na te noemen straf afgewezen.

8.4.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen:

2. Kluis (VE020.01.01.015)

3. Kluis (VE020.01.01.015.010)

4. Jerrycan (BR195.05.01.002)

5. Jerrycan (BR195.05.01.003)

6. Jerrycan (BR195.05.01.004)

7. Blackberry telefoon (BR195.01.02.002)

8. Blackberry telefoon (BR195.02.01.002)

9. Jerrycan (BR195.05.01.001)

10. Schenktuit van een Jerrycan (BR195.05.01.005)

Verbeurdverklaring

De voorwerpen genoemd onder de nummers 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 op de beslaglijst behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte (zaak A) is begaan, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank beveelt de teruggave van de voorwerpen genoemd onder nummer 8 van de beslaglijst aan verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 140, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3, 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1, 2 en 3 in zaak A tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde in zaak A en het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

(Zaak A)

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 6:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 7:

witwassen.

(Zaak B)

Medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de voorwerpen onder de nummers 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 op de beslaglijst, te weten een kluis (VE020.01.01.015), een kluis (VE020.01.01.015.010), een jerrycan (BR195.05.01.002), een jerrycan (BR195.05.01.003), een jerrycan (BR195.05.01.004), een Blackberry telefoon (BR195.01.02.002), een jerrycan (BR195.05.01.001) en een schenktuit van een jerrycan (BR195.05.01.005).

Gelast de teruggave aan verdachte van het onder 8 genoemde voorwerp op de beslaglijst, zijnde een Blackberry telefoon (BR195.02.01.002).

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. C.P.E Meewisse en M.E.B. Nyman, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman en mr. L.S. Janse van Mantgem, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2016.

Bijlage I

Tenlastelegging.

Aan verdachte [verdachte] is, na wijziging ter zitting van 21 juni 2016, tenlastegelegd dat

(Zaak A)

ten aanzien van feit 1:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer personen van het leven beroven (als omschreven in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of een of meer vervoermiddelen, te weten

-een gestolen auto (Audi S5) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten en/of

-een gestolen auto (Audi RS6) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, met in die auto een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

-een of meer (al dan niet (door)geladen) automatische vuurwapen(s) en/of

-een of meer (al dan niet (door)geladen) handvuurwapen(s) en/of

-een of meer handgrana(a)t(en) en/of

-een of meer patroonhouder(s) en/of

-een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s) en/of

-een of meer kogelwerend(e) vest(en) en/of

-een of meer bakenset(s) en/of

-een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

-een of meer handschoen(en) en/of

-een of meer SD-kaartjes met filmbeelden van één of meer (heimelijk gefilmde) personen,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 2:

hij op een of meer tijdstippen in er omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of vervoermiddelen, te weten

- een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, welke fles(sen) zich bevond(en) (onder één van de voorste stoelen) in een gestolen auto (Audi RS6), en/of

- een of meer handgrana(a)t(en) en/of

- een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s),

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 3:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van afpersing (als omschreven in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) dan wel diefstal met geweld (als omschreven in artikel 312 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of een of meer vervoermiddelen, te weten

-een gestolen auto (Audi S5) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten en/of

-een gestolen auto (Audi RS6) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, met in die auto een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

-een of meer (al dan niet (door)geladen) automatische vuurwapen(s) en/of

-een of meer (al dan niet (door)geladen) handvuurwapen(s) en/of

-een of meer handgrana(a)t(en) en/of

-een of meer patroonhouder(s) en/of

-een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s) en/of

-een of meer kogelwerend(e) vest(en) en/of

-een of meer bakenset(s) en/of

-een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

-een of meer handschoen(en) en/of

-een of meer SD-kaartjes met filmbeelden van één of meer (heimelijk gefilmde) personen,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 4:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer personenauto's, te weten een Audi S5 (met oorspronkelijk kenteken [kenteken] ) en een Audi RS6 (met oorspronkelijk kenteken [kenteken] ), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van die auto('s) wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

ten aanzien van feit 5:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 juli 2015 te Nieuwegein (in één of meer kluis/kluizen in één of meer gehuurde opslagruimte(n) aan de [adres 1] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(in (een kluis in) opslagruimte nr. 388 en/of (daarna) nr. 161:)

- 6 automatische geweren, merk/type Cz Vz58, kaliber 7.62x39mm, en/of

- 9 automatische geweren, merk/type Zastava M70AB2, kaliber 7.62x39mm, en/of

- 3 automatische geweren, merk/type Zastava M70B1, kaliber 7.62x39, en/of

- 1 automatisch geweer, merk/type MPi/AK-74N, kaliber 5.45x39mm, en/of

- 1 automatisch geweer, merk/type AIM/PM63, kaliber 7.62x39mm, en/of

- 1 machinepistool, merk/type Agram 2000, kaliber 9mm nato, en/of

- 2 machinepistolen, merk/type IMI Uzi, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 machinepistool, merk/type Ag Strojnica Ero, kaliber 9x19mm, en/of

- 3 machinepistolen, merk/type Cz VZ61, kaliber 7.65 browning, en/of

- 4 machinepistolen, merk/type R9-Arms, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 machinepistool, merk/type Cz Vz61, kaliber 7.65 browning, en/of

- 2 machinepistolen, merk/type Cz Vz61, kaliber 7.65, en/of

- 1 machinepistool, merk/type Imi Micro Uzi, kaliber 9mm para, en/of

- 11 pistolen, merk/type Glock 17, kaliber 9x19mm, en/of

- 3 pistolen, merk/type Glock 19, kaliber 9x19mm, en/of

- 13 pistolen, merk/type Glock 21, kaliber .45 acp, en/of

- 1 pistool, merk/type Glock 26, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 pistool, merk/type Cz 75d, kaliber 9x19mm, en/of

- 2 pistolen, merk/type CZ 75, kaliber 9x19, en/of

- 1 pistool, merk/type CZ 75P-01, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 pistool, merk/type Heckler & Koch Usp, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 pistool, merk/type Fn Browning, kaliber 9mm para, en/of

- 1 pistool merk/type FN Browning Baby, kaliber 6,35, en/of

- 4 pistolen, merk/type Dynamic Grand Powerk100, kaliber 9mm luger, en/of

- 2 pistolen, merk/type Star Firestar, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 pistool, merk/type Astra A80 Para, kaliber 9mm, en/of

- 1 pistool, merk/type Feg p9r, kaliber 9mm, en/of

- 1 pistool, merk/type Norinco 1911 A1 .45 Aut , kaliber .45, en/of

- 1 revolver, merk/type Smith & Wesson Model 36, kaliber .38 special, en/of

- 5 revolvers, merk/type Izhevsk Nagant M1895, kaliber 7.62mm Nagant, en/of

- 1 revolver, merk/type Colt Python .357, kaliber .357, en/of

- 1 revolver, merk/type Velodog 5.5 Mm, kaliber 5.5mm, en/of

- 368 kogelpatronen, kaliber .45 Auto, en/of

- 1233 kogelpatronen, kaliber 9mm luger, en/of

- 50 kogelpatronen, kaliber .32 S&W L, en/of

- 830 kogelpatronen, kaliber 7.65 br., en/of

- 239 kogelpatronen, kaliber 9x19mm, en/of

- 50 kogelpatronen, kaliber .40 S&W, en/of

- 89 kogelpatronen, kaliber 5.56x45mm, en/of

- 26 kogelpatronen, kaliber .38 Special, en/of

- 348 kogelpatronen, kaliber .45 acp, en/of

- 3 kogelpatronen, kaliber .357 Magnum, en/of

- 764 kogelpatronen, kaliber 7.62x39mm, en/of

- 43 kogelpatronen, kaliber 7.62 Nagant, en/of

- 60 kogelpatronen, kaliber .45 acp/.45 Auto, en/of

- 72 kogelpatronen, kaliber .380 ACP, en/of

- 12 kogelpatronen, kaliber 9 mm Br. C., en/of

- 2 kogelpatronen, kaliber .380 Auto, en/of

- 47 kogelpatronen, kaliber 7.65mm, en/of

- 12 kogelpatronen, kaliber 5.5mm, en/of

- 12 geluidsdempers, en/of

- 3 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 7.62x39mm, en/of

- 7 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 7.65 Browning, en/of

- 7 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber .45acp, en/of

- 4 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 patroonmagazijn, merk Agram, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 patroonmagazijn, merk Cz, kaliber 7.62x39mm, en/of

- 1 patroonmagazijn, merk onbekend, kaliber 5.54x39mm, en/of

- 5 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber .45, en/of

- 2 elektrische slagpijpjes

en/of

(in (een kluis in) opslagruimte nr. 40:)

- 1 automatisch geweer, merk/type Orbis, MGV 176, kaliber .22lr, en/of

- 1 machinepistool, merk/type Cobray Imgram M11, kaliber 9x17mm, en/of

- 1 machinepistool, merk/type Agram 2000, kaliber 9mm nato, en/of

- 1 pistool, merk/type Kral Mini 6,35mm, kaliber 8mm knal, en/of

- 1 pistool, merk/type Imi Jericho 941f, kaliber .41AE, en/of

- 1 ( intacte) scherfhandgranaat, type M50 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of

- 5 ( intacte) scherfhandgranaten, type M75 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of

- 1 ( intacte) scherfhandgranaat, type M91 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of

- 2 ( intacte) scherfhandgranaten, type M52 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of

- 274 kogelpatronen, kaliber .22Lr, en/of

- 19 kogelpatronen, kaliber .357 Magnum, en/of

- 48 kogelpatronen, kaliber 9x19 mm, en/of

- 19 kogelpatronen, kaliber 9mm Luger, en/of

- 25 kogelpatronen, kaliber 9x17mm, en/of

- 2 kogelpatronen, kaliber 8mm, en/of

- 4 geluiddempers, en/of

- 3 patroonmagazijnen, merk Baretta, kaliber 9x19mm, en/of

- 1 patroonmagazijnen, merk Sfinx, kaliber 9x19mm, en/of

- 3 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 9x19mm, en/of

- 2 patroonmagazijnen,

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 6:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2014 tot en met 15 juli 2015 te Utrecht en/of te Nieuwegein en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [verdachte 1] en/of [verdachte 2] en/of [verdachte 6] en/of [verdachte 9] en/of [verdachte 4] en/of [verdachte 7] en/of [verdachte 8] en/of [verdachte 5] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (in elk geval / onder meer):

- opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en/of artikel 31, eerste lid, Wet Wapens en Munitie, en/of

- ter voorbereiding van moord (als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal met geweld (als bedoeld in artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of afpersing (als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke brandstichting en/of het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), in elk geval een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, verwerven en/of vervaardigen en/of voorhanden hebben;

ten aanzien van feit 7:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 juli 2015 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (van) 70 telefoontoestellen van het merk BlackBerry, type 9720 en/of 20 telefoontoestellen van het merk BlackBerry, type 9790 en/of 59 simkaarten van T-mobile en/of 30 simkaarten van O2

- de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat/die voorwerp(en) was en/of

- verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) onmiddellijk en/of middellijk uit enig misdrijf afkomstig was/waren.

(Zaak B)

hij of omstreeks 1 november 2014 te Nieuwegein, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Glock, model 19, kaliber 9x19mm) en/of munitie van categorie III, te weten een scherpe volmantelpatroon (merk: Sellier&Bellot, kaliber 9 mm) en/of 12 scherpe deelmantelpatronen (merk: CBC, kaliber 9mm Luger), voorhanden heeft gehad.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal bevindingen ‘straattaal en bijnamen’ (rubriek B, deel 3, p. 1168 e.v.)

3 Proces-verbaal verhoor getuige [naam getuige] (rubriek F, deel 2, p. 324-340)

4 HR NJ 2008, 72

5 Bv. HR NJ 1998, 225

6 HR NJ 2008, 72

7 Bv NJ 2007, 336

8 Processen-verbaal bevindingen ‘notitieboekje’ (rubriek G, deel 1, p. 63-71 en p. 113-207)

9 Processen-verbaal bevindingen (rubriek B, deel 3, p. 1172 en deel 4 p. 1612 ev)

10 Proces-verbaal van identificatie (rubriek B, deel 2, p. 838 ev) proces-verbaal OVC Megane 11 juni 2015, rubriek E, deel 2, p. 425: [verdachte 8] noemt [verdachte 7] [bijnaam verdachte 7]

11 Proces-verbaal BOB-dossier, p. 2314

12 Processen-verbaal bevindingen (rubriek G, deel 2, p. 686 ev PGP [verdachte 6] ; deel 3, p. 1274 ev PGP [verdachte 2] en deel 3, p. 1371 ev PGP [verdachte 8] )

13 Bv Rubriek E, OVC Volkswagen Golf, p. 372 ev

14 Rubriek G, p. 1371 ev

15 Proces-verbaal bevindingen ‘notitieboekje’ (rubriek G, deel 1, p. 204)

16 Proces-verbaal bevindingen (rubriek G, deel 1, p. 130)

17 Proces-verbaal zaaksdossier criminele organisatie, ZD-04, p.32; proces-verbaal bevindingen PGP [verdachte 6] (rubriek G, deel 2, p. 688: over naam van de waggie)

18 Bv Proces-verbaal bevindingen (rubriek B, deel 4, p. 1393 ev [naam getuige] )

19 Bv processen-verbaal bevindingen (rubriek B, deel 4, p. 1380 ev [getuige 2] en [naam 2] ; rubriek G, deel 2, p. 366 ev [getuige 1] ; rubriek G, deel 1, p. 244 ev en rubriek B, deel 2, p. 700 ev [naam 3] )

20 Proces-verbaal bevindingen (rubriek G, deel 1, p. 133)

21 Proces-verbaal bevindingen (rubriek B, deel 3, p. 1169)

22 Requisitoir pag. 65-66

23 Proces-verbaal OVC Renault Megane (rubriek E, p. 317)

24 Proces-verbaal OVC Fiat Punto (rubriek E, p. 72)

25 Bv AG Vegter, rvo 10-11: ECLI:NL:PHR:2016:715

26 Requisitoir p. 34