Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7787

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
C/13/603721 / HA ZA 16-234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opeising leningen op zeer korte termijn door de bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar onder de in vonnis omschreven omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3664
NTHR 2017, afl. 1, p. 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/603721 / HA ZA 16-234

Vonnis van 23 november 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. M. Kashyap te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap

FGH BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.G. Mengelberg te Bussum.

Eisers worden gezamenlijk [eisers gezamenlijk] genoemd en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] . Gedaagde wordt FGH genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 mei 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 juli 2016 met de daarin genoemde processtukken en waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 27 juli 2016 opdat partijen een schikking zouden kunnen beproeven,

  • -

    de faxbrief van 19 september 2016 van FGH met daarin opmerkingen van partijen ten aanzien van de inhoud van het proces-verbaal,

  • -

    het rolbericht van 12 oktober 2016 van de zijde van [eisers gezamenlijk]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn met elkaar gehuwd. Tussen [eiser 1] en FGH zijn vier overeenkomsten van geldlening gesloten. Het betreft de volgende vier overeenkomsten:
(1) de overeenkomst met [nummer] (hierna lening 1), ingegaan op 1 maart 1999 voor een periode van vijf jaar en nadien verschillende keren verlengd, voor het laatst in 2011 met een (rentevaste) periode van vijf jaar, met als einddatum 1 maart 2016 en met thans een hoofdsom van € 350.000,=,
(2) de overeenkomst met [nummer] (hierna lening 2), ingegaan in 2008 en in 2013 verlengd met een (rentevaste) periode van vijf jaar, met als einddatum 1 februari 2018 en met per 1 februari 2016 een hoofdsom van € 36.300,=,
(3) de overeenkomst met [nummer] (hierna lening 3), ingegaan in 2008 en in 2013 verlengd met een (rentevaste) periode van vijf jaar, met als einddatum 1 juni 2018 en per 1 februari 2016 een hoofdsom van € 497.875,=,
(4) de overeenkomst met [nummer] (hierna lening 4) ingegaan in 2005 voor de duur van 10 jaar, met als einddatum 1 september 2015 en verlengd tot 1 januari 2016 en thans een hoofdsom van € 725.000,=.

2.2.

De overeenkomsten tot geldlening zijn gesloten ten behoeve van de aankoop door [eiser 1] van onroerende zaken. Tot zekerheid van de terugbetaling van de leningen heeft [eiser 1] aan FGH een recht van hypotheek verschaft op (thans) zijn woning aan de [straat 1] te [plaats] (die hij sinds 2008 in eigendom heeft) en op twee bedrijfsruimtes aan de [straat 2] en de [straat 3] te [plaats] (die hij sinds 1999 in eigendom heeft). Hiertoe zijn op 10 februari 1999, 31 augustus 2005 en 15 mei 2008 een drietal hypotheekaktes opgesteld. Op die aktes zijn de Algemene Bepalingen van Geldlening en Zekerheidstelling van toepassing van achtereenvolgens 19 december 1991, 8 juli 1999 en 4 mei 2005.
In artikel 4 van deze bepalingen (“Duur van de lening en verlenging”) is onder meer het volgende opgenomen:
“1. Het uit hoofde van de lening uitstaande bedrag moet, behoudens verlenging van de looptijd, op de afloopdatum worden terugbetaald.
2. Indien de bank bereid is tot verlenging van de looptijd, zal zij daartoe een schriftelijk voorstel doen. (…)”

In de twee hiervoor genoemde bedrijfsruimtes exploiteert [eiser 1] sinds 1999 coffeeshops.

2.3.

De op 11 december 1998 gedateerde aanbieding voor lening 1 luidt, voor zover hier van belang:

“Rente : nominaal 5,95% (…)

Aflossingsvorm : maandafboeking (…)

Duur : 5 jaar

(…)”

2.4.

De op 10 februari 1999 gedateerde akte van geldlening van lening 1 luidt, voor zover hier van belang:

“De hoofdsom moet aan de bank worden terugbetaald in één termijn op één maart tweeduizend vier behoudens verlenging van de duur van de looptijd. (…)”

2.5.

De op 26 mei 2005 gedateerde aanbieding voor lening 4 luidt, voor zover hier van belang:

“Rente : nominaal 4,6%

(…)

Periodieke aflossing : NIHIL

Maandtermijn : (…)

Betaalwijze : per maand achteraf (…)

Looptijd : 10 jaar

Vervroegde aflossing (…)”

De op 31 augustus 2005 gedateerde hypotheekakte behorende bij lening 4 luidt, voor zover hier van belang:

“De hoofdsom moet aan de bank worden terugbetaald in één termijn op een september tweeduizend vijftien behoudens verlenging van de duur van de looptijd. (…)”

2.6.

De op 9 januari 2008 gedateerde offerte voor lening 2 luidt, voor zover hier van belang:

“Betaalwijze : per maand achteraf (…)

Looptijd : 5 jaar (…)”

2.7.

De op 5 maart 2008 gedateerde offerte voor lening 3 luidt, voor zover hier van belang:

“Looptijd : 5 jaar

Periodieke aflossing : NIHIL (…)”

De op 15 mei 2008 gedateerde hypotheekakte en pandakte behorende bij lening 3 luidt, voor zover hier van belang:

“De hoofdsom moet aan de bank worden terugbetaald in één termijn op één juni tweeduizenddertien, behoudens verlenging van de duur van de looptijd. (…)”

2.8.

Bij brieven van 4 maart 2004, 5 augustus 2004, 8 maart 2005, 8 februari 2006 en 19 januari 2011 heeft FGH aan [eiser 1] voorstellen gedaan voor de condities voor het verlengen met de duur van respectievelijk drie maanden, zes maanden, een jaar en vijf jaar van lening 1. De aanhef van de brieven luidt of heeft de strekking, voor zover hier van belang:

“Uw lening (…) eindigt op (…).

Ervan uitgaande dat alle verschuldigde termijnen zijn voldaan, stellen wij u per (…) onderstaande verlengingscondities voor.

(…)”

2.9.

Bij brief van 24 april 2013 heeft FGH aan [eiser 1] een voorstel gedaan voor het verlengen van lening 3 met vijf jaar .

2.10.

Op 3 juli 2015 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen FGH en [eiser 1] waarbij FGH aan [eiser 1] heeft meegedeeld dat zij de kredietrelatie wilde beëindigen.

2.11.

Bij aangetekende brief van 6 juli 2015 heeft FGH [eiser 1] onder meer het volgende medegedeeld:
“Wij hebben geconstateerd dat er door u, dan wel door een vennootschap waarin u (in)direct aandeelhouder bent, een coffeeshop wordt geëxploiteerd in door de FGH (…) gefinancierd onroerend goed.
Deze bedrijfsuitoefening is in strijd met ons financieringsbeleid, hetgeen tot gevolg heeft dat deze leningen niet door ons kunnen worden verlengd.
Wij verstrekten aan u de hieronder genoemde leningen op basis van de voorwaarden en zekerheiden zoals vermeld in de destijds door u getekende overeenkomsten. Deze leningen hebben een looptijd als volgt:
1. [nummer] , pro resto hoofdsom per heden € 350.000,00 expiratie d.d. 1 maart 2016
2. [nummer] , pro resto hoofdsom per heden € 725.000,00, expiratie d.d. 1 september 2015. Deze lening wordt eenmalig verlengd tot 1 januari 2016. Op of voor deze datum zal de lening afgelost dienen te zijn.
3. [nummer] , pro resto hoofdsom per heden (…) expiratie d.d. 1 februari 2018
4. [nummer] , pro resto hoofdsom per heden € 504.000,00 expiratie d.d. 1 juni 2018
Zoals besproken zullen de leningen per expiratiedatum niet worden verlengd. Mogelijke aflossingen voor genoemde expiratiedata zijn bespreekbaar.
(…)”

2.12.

Bij e-mail van 15 juli 2015 heeft de hypotheekadviseur van [eisers gezamenlijk] aan [eiser 1] geschreven, voor zover hier van belang:

“(…) ik heb geen hypotheekverstrekker gevonden die een woonhuis wil financieren indien de inkomsten komen vanuit de coffeeshop activiteiten. (…)”

2.13.

In een kort gedingprocedure, aangespannen door [eisers gezamenlijk] , heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 29 oktober 2015 FGH geboden om de leningen 1 en 4 tegen de op dat moment geldende condities voort te zetten tot 1 augustus 2016.

2.14.

Bij brief van 27 januari 2016 heeft de hypotheekadviseur van [eisers gezamenlijk] aan [eiser 1] geschreven, voor zover hier van belang:

“In verband met de mogelijke herfinanciering van uw lopende hypotheek op uw woonhuis (…) moet ik u helaas mededelen dat wij geen hypotheekverstrekker bereid hebben gevonden de gevraagde hypotheek te verstrekken.

Wij hebben uw case voorgesproken bij diverse banken en verzekeringsmaatschappijen zoals bijvoorbeeld de ABN AMRO Bank, ING Bank, Rabobank, NIBC, Handelsbanken, Obvion, Nationale Nederlanden, Aegon en Delta Lloyd. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eisers gezamenlijk] vordert samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

primair FGH te gebieden de kredietrelaties voor onbepaalde tijd voort te zetten tegen marktconforme voorwaarden per 1 september 2015 en

subsidiair FGH te gebieden tot voortzetting van de kredietrelatie ten aanzien van leningen 1, 3 en 4 ad € 350.000 respectievelijk € 525.000 en € 725.000 tegen een marktconforme rente en met een marktconforme rentevaste periode voor bepaalde tijd, waarbij de leningen binnen 10 jaar na het wijzen van vonnis kunnen worden afgelost, met veroordeling van FGH in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt hij samengevat het volgende. De leningen zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, de overeengekomen duur had slechts betrekking op de rentevaste periode. Dit kan worden afgeleid uit de meest recente verlengingsoffertes. Daarin is duidelijk vermeld wat de rentevaste periode is en daarin ontbreekt iedere vermelding over een bepaalde duur van de overeenkomst. In de offertes wordt ook melding gemaakt van een aan het einde van de termijn toegestane “vervroegde” aflossing. Tenslotte heeft [eiser 1] erop vertrouwd dat de hypotheekakte geen afwijkende bepalingen zou bevatten. Daarin staat dat hij op de einddatum moest aflossen, “behoudens verlenging”. Ook is daarin het uitgangspunt dat steeds een nieuwe rentevaste periode zou worden aangeboden. Dat alles duidt erop dat sprake is van een overeenkomst van onbepaalde tijd en daarom dient de kredietrelatie te worden voortgezet. [eiser 1] dient nog 15 jaar de tijd gegund te worden om de hypothecaire leningen (aangegaan op 1 september 2005 en 1 juni 2008) die zien op zijn woning af te lossen.

Indien geoordeeld wordt dat sprake is van overeenkomsten voor bepaalde tijd, geldt dat FGH in strijd heeft gehandeld met artikel 4.19 Wft doordat zij in haar verlengingsoffertes onduidelijk en misleidend is geweest en niet duidelijk heeft gemaakt of het gaat om een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd.

De artikelen in de algemene voorwaarden die dateren van 2010 waarnaar FGH ten verwere verwijst zijn niet van toepassing omdat zij zien op overeenkomsten die zijn aangegaan voor bepaalde tijd. De algemene voorwaarden van 1999 zijn niet ter hand gesteld vóór het aangaan van de leningen en [eiser 1] heeft deze vernietigd bij brief van zijn raadsman van 24 september 2015. FGH heeft ten onrechte geen marktconform verlengingsvoorstel gedaan voor lening 4 ( [nummer] ). Gelet op de 16 jaar durende kredietrelatie mag [eiser 1] erop vertrouwen dat FGH een verlengingsvoorstel doet. FGH moet rekening houden met de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomsten en bij de verlengingen, alsmede met haar zorgplicht tegenover [eiser 1] .

Indien ervan wordt uitgegaan dat sprake is van overeenkomsten voor bepaalde tijd, geldt dat het gelet op de omstandigheden van het geval in strijd is met de redelijkheid en billijkheid indien FGH afziet van verlenging. De relatie tussen partijen is steeds probleemloos geweest, [eiser 1] heeft altijd aan zijn verplichtingen voldaan, FGH heeft niet eerder met [eiser 1] over de beleidswijziging (dat exploitanten van coffeeshops niet langer gefinancierd worden, vgl. 2.11) gesproken en zij heeft hem slechts enkele maanden de tijd gegeven om zich aan het nieuwe beleid aan te passen. [eiser 1] wordt door de beëindiging van de kredietrelatie onevenredig in zijn belangen geschaad. FGH handelt onrechtmatig jegens [eiser 1] door de relatie te beëindigen. Tenslotte geldt dat FGH niet heeft voldaan aan haar bancaire zorgplicht door plotseling de leningen niet te verlengen. Bij afweging van de belangen dient rekening te worden gehouden met het feit dat beëindiging van de kredietrelatie voor [eiser 1] verstrekkende gevolgen heeft omdat hij zijn woonhuis waar hij met zijn gezin woont, zal moeten verlaten aangezien herfinanciering niet mogelijk is. Aflossing van de leningen 1 en 4 kan alleen als [eiser 1] zijn woning verkoopt. Indien de relatie mag worden beëindigd dan dient [eiser 1] een redelijke termijn van 10 jaar te worden gegund om zijn hypothecaire leningen af te lossen. FGH heeft geen redelijk belang bij een beëindiging van de kredietrelatie op korte termijn. Reputatieschade kan, voor zover daarvan al sprake zou zijn, niet als zodanig worden aangemerkt.

3.3.

FGH voert verweer dat er samengevat op neer komt dat sprake is van overeenkomsten voor bepaalde tijd en dat FGH niet gehouden is een verlengingsvoorstel te doen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank volgt [eisers gezamenlijk] niet in zijn betoog dat de overeenkomsten moeten worden aangemerkt te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Dit kan niet uit de vier in het geding gebrachte offertes voor de leningen worden afgeleid, waarin steeds sprake is van een bepaalde “looptijd” althans “duur”. Zonder toelichting, die [eisers gezamenlijk] niet heeft gegeven, is niet duidelijk waarom de daarin opgenomen termijnen voor die duur of looptijd slechts op de rentevaste periode betrekking zouden hebben en niet op de termijn waarvoor de lening is gegeven. In de offertes is die duur of looptijd ook niet in verband gebracht met de hoogte van de in die periode te betalen rente. Dat sprake is van leningen voor bepaalde tijd kan voorts worden opgemaakt uit de aktes die betrekking hebben op de leningen 1, 3 en 4. Daarin is in duidelijke en in niet mis te verstane bewoordingen vermeld op welk moment de telkens geleende bedragen moeten worden terugbetaald, behoudens verlenging. Dat [eisers gezamenlijk] de aktes niet heeft gelezen, zoals ter comparitie namens hem is meegedeeld, komt voor zijn rekening en risico en kan er niet toe leiden dat de leningen moeten worden aangemerkt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Dat hij ervan uitging dat in de aktes hetzelfde zou staan als in de offertes maakt dit niet anders nu, zoals is overwogen, uit de offertes niet kan worden afgeleid dat de daarin opgenomen looptijd of duur slechts betrekking heeft op de rentevaste periode. Aan [eisers gezamenlijk] kan worden toegegeven dat in de verlengingsofferte van 19 januari 2011 met betrekking tot lening 1 sprake is van een “rentevastperiode” en dat daarin verder geen melding wordt gemaakt van de duur van de verlenging. In het licht van het feit dat in de akte van 10 februari 1999 voldoende duidelijk is gemaakt dat lening 1 is aangegaan voor een bepaalde periode en dat de lening al meerdere keren voor een bepaalde termijn was verlengd, is dit evenwel onvoldoende voor het oordeel dat [eisers gezamenlijk] vanwege de term “rentevastperiode” in de offerte van 19 januari 2011 erop mocht vertrouwen dat sprake zou zijn van een lening voor onbepaalde duur. Dit geldt te meer nu in alle verlengingsoffertes aan [eisers gezamenlijk] is meegedeeld “uw lening (…) eindigt op (…)” wat niet te rijmen is met een lening voor onbepaalde tijd. [eisers gezamenlijk] moest daaruit begrijpen dat sprake was van een lening met een bepaalde duur. De stelling van [eisers gezamenlijk] dat de verlengingsoffertes onduidelijk en misleidend zijn en dat daarin niet duidelijk is gemaakt of het nu gaat om een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, wordt - mede gelet op het voorgaande - evenmin gevolgd.

4.2.

Dit betekent dat sprake is van leningen voor bepaalde tijd, dat de looptijd van leningen 1 en 4 is verstreken en dat FGH deze leningen in beginsel mag opeisen. [eisers gezamenlijk] stelt nu dat FGH van deze bevoegdheid geen gebruik mag maken omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en zij aldus tekort schiet in de op haar rustende zorgplicht dan wel onrechtmatig handelt.

4.3.

Voorop gesteld wordt dat de rechten en verplichtingen van partijen niet alleen worden bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, doch ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. In het kader van de haar op grond van de overeenkomsten toekomende bevoegdheid om de leningen op te eisen dient FGH dan ook, mede gelet op de op haar jegens [eisers gezamenlijk] rustende zorgplicht, rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [eisers gezamenlijk] Voorts geldt dat FGH op haar bevoegdheid tot opeising geen beroep kan doen voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4.

In dat verband geldt het volgende. [eisers gezamenlijk] heeft onbetwist gesteld dat FGH, althans haar rechtsvoorganger, vanaf het aangaan van de kredietrelatie op de hoogte is geweest van zijn werkzaamheden in de coffeeshop-branche en dat dit tot juli 2015 niet tot problemen heeft geleid. Gesteld noch gebleken is voorts dat FGH daaraan voorafgaand aan [eisers gezamenlijk] heeft meegedeeld dat haar financieringsbeleid gewijzigd zou kunnen worden zoals zij in haar brief van 6 juli 2015 (2.11) aan [eisers gezamenlijk] heeft meegedeeld en welke gevolgen dit voor de kredietrelatie met [eisers gezamenlijk] zou kunnen hebben. Verder staat vast dat [eisers gezamenlijk] steeds de verplichtingen uit de overeenkomsten tot geldlening is nagekomen en dat het opeisen van de leningen zoals FGH bij haar brief van 6 juli 2015 heeft gedaan voor [eisers gezamenlijk] verstrekkende gevolgen heeft. [eisers gezamenlijk] heeft immers voldoende onderbouwd en FGH heeft niet concreet bestreden, dat hij de hypothecaire geldleningen op zo korte termijn niet bij een andere bank kan onderbrengen. Ter comparitie heeft hij onbetwist gesteld dat hij op zo korte termijn evenmin in staat is om de leningen af te lossen zonder zijn woonhuis te verkopen, hetgeen betekent dat hij met zijn gezin, met kinderen in de schoolgaande leeftijd, zou moeten verhuizen.

FGH harerzijds heeft de genoemde beleidswijziging niet anders toegelicht dan dat zij enige jaren geleden is overgenomen door Rabobank, dat zij in het kader van de integratie al haar leningen kritisch tegen het licht heeft gehouden en daarbij besloten heeft gebruik te maken van haar contractuele mogelijkheid leningen in voorkomende gevallen niet te verlengen (vgl. de brief van mr. Mengelberg van 19 september 2016). Zij stelt dat zij thans afscheid neemt van klanten in de zogenaamde “groene horeca”, de coffeeshops. Niet duidelijk is evenwel geworden welk belang zij daarbij heeft en wat de nadelige gevolgen zijn die het voortzetten van de kredietrelatie met [eisers gezamenlijk] voor FGH zal hebben.

4.5.

Al deze omstandigheden tezamen leiden tot het oordeel dat opeising van de leningen op de korte termijn die FGH [eisers gezamenlijk] bij brief van 6 juli 2015 heeft aangezegd naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is. Tussen partijen is in een periode van 16 jaar door de verstrekking van de vier leningen door FGH, laatstelijk in 2008, en de regelmatige verlengingen van de leningen, laatstelijk in 2013, een bestendige kredietrelatie ontstaan waarbij [eisers gezamenlijk] ten behoeve van zijn woonhuis en zijn bedrijfsruimtes in totaal zo’n € 1,5 miljoen van FGH heeft geleend. Aldus mocht hij er in beginsel van uitgaan dat deze relatie ook na de laatste verlenging in 2013 op dezelfde wijze zou worden voortgezet en dat FGH hem bij het expireren van de looptijd van leningen 1 en 4 nieuwe aanbiedingen zou doen. Door hem in juli 2015 voor deze twee leningen van in totaal meer dan € 1 miljoen slechts zes respectievelijk negen maanden de tijd te geven tot de opeising, brengt FGH [eiser 1] in een benarde positie. Daarbij komt dat FGH vanaf het begin van de kredietrelatie wist van [eiser 1] werkkring en uit dien hoofde moest begrijpen dat het voor hem inmiddels zeer moeilijk zou zijn om zijn leningen elders onder te brengen en dat hij geruime tijd nodig zou hebben voor herfinanciering of aflossing. Tenslotte wordt overwogen dat niet duidelijk is geworden waarom FGH [eiser 1] niet eerder heeft kunnen informeren over de voorgenomen beleidswijziging, waar de overname door Rabobank toch enige jaren vóór 2015 heeft plaatsgevonden en waarom de beleidswijziging niet ruim van te voren kon worden aangekondigd. Daarbij geldt dat het FGH vrij staat om haar beleid in vorenbedoelde zin te wijzigen, maar dat zij bij de uitvoering van een dergelijke beleidswijziging rekening moet houden met de gerechtvaardigde belangen van haar bestaande klanten, ook van haar klanten in de “groene horeca”.

4.6.

De primaire vordering van [eisers gezamenlijk] , om FGH te gebieden de kredietrelaties voor onbepaalde tijd voort te zetten, zal worden afgewezen. Noch hetgeen partijen zijn overeengekomen, noch de eisen van redelijkheid en billijkheid bieden daartoe voldoende grond. Subsidiair heeft [eisers gezamenlijk] gevorderd om FGH te gebieden de kredietrelatie voort te zetten ten aanzien van de leningen 1, 3 en 4 voor een periode van tien jaar binnen welke termijn hij verwacht de leningen te kunnen aflossen. Deze vordering zal gelet op hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen worden toegewezen, met dien verstande dat een periode van vijf jaar redelijk voorkomt daar FGH de leningen niet eerder heeft verlengd met een periode van tien jaar. Lening 1 en 3 zijn laatstelijk op respectievelijk 19 januari 2011 en 1 juni 2013 verlengd voor vijf jaar en lening 4 is slechts eenmalig verlengd, met vier maanden. Ook geldt dat [eisers gezamenlijk] in een periode van vijf jaar vanaf heden een oplossing moet kunnen vinden voor de gerezen problemen. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de vordering om FGH te gebieden om de leningen te verlengen voor een periode die eindigt 5 jaar na de dag van dit vonnis tegen een marktconforme rente niet onredelijk voorkomt.

4.7.

FGH zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk] tot op heden begroot op € 94,08 voor explootkosten, € 288,00 voor vastrecht en € € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00) voor salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

gebiedt FGH de kredietrelatie met [eisers gezamenlijk] ten aanzien van de leningen 1 (met [nummer] ), 3 (met [nummer] ) en 4 (met [nummer] ) voort te zetten tot vijf jaar na de datum van dit vonnis, tegen een marktconforme rente,

5.2.

veroordeelt FGH in de proceskosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk] tot op heden begroot op € 1.286,08,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.1

1 type: EMH coll: