Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
C/13/617224 / KG ZA 16-1248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Wetenschapsjournalist van Trouw heeft zich in een tv-programma uitgelaten over een onderzoek naar de werking van het Nederlandse statiegeldsysteem voor PET-flessen. Het onderzoek is uitgevoerd door twee onderzoekers van een onderzoeksinstituut dat is verbonden aan de Universiteit Wageningen, in het kader van een samenwerkingsverband met de Stichting DDL. De Stichting DDL is opgericht door het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) en Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), beiden tegenstanders van het statiegeldsysteem. De inhoud en de strekking van de uitlating van de journalist, zoals die ook door het televisiekijkend publiek is begrepen, komt er op neer dat bij de aanvang van het onderzoek de uitkomst ervan al leek vast te staan (met andere woorden, er was sprake van gestuurd onderzoek). De vraag of de journalist met deze uitlating de grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft overschreden wordt ontkennend beantwoord. De vordering tot rectificatie wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/617224 / KG ZA 16-1248 CB/MV

Vonnis in kort geding van 21 november 2016

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

WAGENINGEN UNIVERSITY,

gevestigd te Wageningen,

2. de stichting

STICHTING WAGENINGEN RESEARCH,

gevestigd te Wageningen,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 25 oktober 2016,

advocaten mrs. A.J. Kronenberg en E.M.C. Mommers te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TROUW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Eisers zullen hierna ook Wageningen University, Wageningen Research, [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna ook Trouw en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 7 november 2016 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en akte houdende wijziging van eis. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Gedaagden hebben tevens een conclusie van antwoord in het geding gebracht.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van eisers: [naam 1] , voorlichter, [naam 2] , general counsel, [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] , onderzoekers, met mrs. Kronenberg en Mommers;

Aan de zijde van gedaagden: [naam 3] , hoofdredacteur, [naam 4] , adjunct-hoofdredacteur, [naam 5] , hoofd juridische zaken en [gedaagde sub 2] , journalist, met mr. Van den Brink.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Wageningen University en Wageningen Research vormen een samenwerkingsverband dat naar buiten treedt onder de naam Wageningen University & Research (hierna ook de WUR). [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] zijn onderzoekers in dienst van Wageningen Research. Zij zijn verbonden aan het onderzoeksinstituut Wageningen Food & Biobased Research.

2.2.

Trouw geeft het landelijke dagblad Trouw uit, zowel op papier als online onder de domeinnaam www.trouw.nl. [gedaagde sub 2] is als wetenschapsjournalist in dienst van Trouw.

2.3.

Op 11 maart 2009 is een overeenkomst gesloten tussen De Duurzame Levensmiddelenketen Stichting EcoVerpakkingen (hierna Stichting DDL) en een onderdeel van de WUR. De overeenkomst is getiteld Overeenkomst Oprichting Kenniscentrum Nascheiding. In de overeenkomst is onder meer opgenomen:
Partijen zijn geïnteresseerd in en hebben respectievelijk belang bij de oprichting en financiering van een Kenniscentrum Nascheiding, hierna te noemen “KCN”, welke zich voornamelijk zal richten op het wetenschappelijk onderzoek naar vernieuwende technologieën en concepten teneinde de totale milieudruk van verpakkingsmateriaal te minimaliseren tegen zo laag mogelijke kosten en het toepassen van deze technologie in Nederlandse afvalverwerkingketen (…)
KCN wil ruim voor 31 december 2012 wetenschappelijk consensus en maatschappelijke acceptatie hebben bereikt over de waarde van nascheiding als technologie om verpakkingsafval uit gemengd huishoudelijk restafval af te scheiden en nuttig her te gebruiken in termen van kosten, opbrengsten en milieueffecten.
(…)

Bijlage 1 bij de overeenkomst is een door de WUR opgesteld Businessplan waarin is beschreven dat de doelstelling van KCN is om van 2009 tot 2012 onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Dit onderzoek is uitgevoerd door [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] .

2.4.

In het kader van het onderzoek is op 6 mei 2009 een document opgesteld door [eiser sub 3] met de titel Analyse van het Nederlands Statiegeldsysteem. Hierin is onder meer opgenomen:
Resultaten tot nu toe
(…)
● Voorlopige conclusies kosten: duurste systeem van allemaal.

2.5.

Op 6 april 2012 is onder de naam Analyse Nederlands statiegeldsysteem voor PET flessen (Studie naar kosten, materiaalgebruik en energiegebruik van het Nederlandse statiegeldsysteem voor frisdank- en waterflessen) een rapport verschenen van het onderzoeksinstituut Wageningen Food & Biobased Research. Het rapport is opgesteld door [eiser sub 3] en [eiseres sub 4] .

2.6.

In Trouw van 27 januari 2016 is onder de kop Hoe de lobby ‘aanschuift’ een artikel verschenen van de hand van [gedaagde sub 2] . Hierin is onder meer opgenomen:
Er verschijnt een document van de Agrotechnology & Food Sciences Group van 6 mei 2009, een commerciële poot van de Wageningen Universiteit die in onderzoek nadrukkelijk de samenwerking met het bedrijfsleven zoekt. Lees: betaalde opdrachten verzamelt. Het stuk is opgesteld door onderzoeker [eiser sub 3] . Titel: ‘Analyse van het Nederlandse statiegeldsysteem’. Het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) waarin de supermarkten zich hebben verenigd, is de opdrachtgever. Onder het kopje ‘Doel’ van de analyse is te lezen: ‘Omdat CBL verwacht dat er binnenkort Europese lobby’s beginnen om statiegeldsystemen uit te breiden is het dus wenselijk om een degelijke analyse te kunnen presenteren.’ Maar de uitkomst van die analyse lijkt al bij voorbaat vast te staan. Citaat: ‘Voorlopige conclusie, statiegeld is het duurste systeem van allemaal’, aldus wetenschapper [eiser sub 3] van de Wageningen Universiteit, in het stuk dat formeel nog maar een opzet voor een onderzoek is.

2.7.

Op 28 september 2016 is door WNL het tv-programma De Haagse Lobby uitgezonden. De aflevering heeft de titel Het gevecht over statiegeld en gaat over de politieke lobby in Nederland van de voor- en tegenstanders van het statiegeldsysteem. In dit programma is [gedaagde sub 2] als journalist van Trouw geïnterviewd. In dit interview is gesproken over het onder 2.5 genoemde rapport. [gedaagde sub 2] zegt daarover:
Ik heb de aanbestedingsbrief onder ogen gehad. En daar staat al in dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is.
De interviewer reageert daarop als volgt:
Ho, ho wacht even, stapje terug.
Het bedrijfsleven vraagt aan de Universiteit Wageningen, je zou zeggen een onafhankelijke club …(…) … toch, om een onderzoek te doen. Maar jij zegt wat in de aanbestedingsbrief staat al hoe wat de uitkomst moet zijn?
Waarna [gedaagde sub 2] antwoordt:

Daar staat voorlopige conclusie, het statiegeldsysteem is te duur.
En eh dat begint eigenlijk, dat document, bij eh de presentatie van het onderzoek dat dus door de industrie is besteld bij de WUR. (…)

2.8.

Bij brief van 30 september 2016 heeft de raadsman van eisers Trouw en [gedaagde sub 2] – kort gezegd – gesommeerd de uitlating van [gedaagde sub 2] in het hiervoor genoemde tv-programma (Ik heb de aanbestedingsbrief onder ogen gehad en daar staat al in dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is) te rectificeren. Volgens de brief is deze uitlating onjuist en ongegrond en daarmee onrechtmatig jegens eisers.

2.9.

Bij e-mail van 3 oktober 2016 heeft Trouw de raadsman van eisers medegedeeld niet aan de sommatie te voldoen omdat de uitlating van [gedaagde sub 2] voldoende steun vindt in de feiten. In de e-mail is opgenomen:
Uw verwijt treft geen doel. In de uitzending van ‘De Haagse Lobby’ van WNL op 28 september 2016 herhaalt de heer [gedaagde sub 2] , in spreektaal en sterk door de makers ingekort, wat hij al op 17 januari 2016 in dagblad Trouw hierover schreef: uit het document ‘Analyse van het Nederlandse Statiegeldsysteem’ blijkt dat er sprake is van gestuurd onderzoek.

2.10.

Bij brief van 4 oktober 2016 heeft de raadsman van eisers Trouw en [gedaagde sub 2] opnieuw gesommeerd tot rectificatie over te gaan.

2.11.

Op 6 oktober 2016 heeft [gedaagde sub 2] bij het op www.trouw.nl online te vinden artikel van 27 januari 2016 (zie 2.6) de volgende toevoeging geplaatst:
Toevoeging van de auteur.
In de WNL-uitzending De Haagse Lobby van 28 september 2016 over de lobby rond statiegeld heb ik verteld dat in een ‘aanbestedingsbrief’ als voorlopige conclusie stond dat statiegeld een duur systeem is. Ik doelde hiermee op het document ‘Analyse van het Nederlandse Statiegeldsysteem’ waar ik in bovenstaande reconstructie ook over schrijf.

2.12.

Bij e-mail van 7 oktober 2016 van de raadsman van eisers aan Trouw is medegedeeld dat de hiervoor geciteerde toevoeging onvoldoende is en dat eisers vasthouden aan rectificatie.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – kort gezegd en – na wijziging van eis het volgende:
I. Trouw en [gedaagde sub 2] op straffe van dwangsommen te verbieden de in het lichaam van de dagvaarding genoemde onrechtmatige uitlatingen te doen dan wel een andere uitlating met de strekking dat bij het statiegeldonderzoek van de WUR sprake is geweest van vooraf afgesproken gestuurd onderzoek;
II. Trouw en [gedaagde sub 2] op straffe van dwangsommen te gebieden een rectificatie te plaatsen waarin – kort gezegd – is vermeld dat de uitlating ‘Ik heb de aanbestedingsbrief onder ogen gehad en daar staat al in dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is’ ongefundeerd en onjuist is en deze tekst te plaatsen op:
a. de voorpagina van de papieren editie van Trouw, en
b. de homepagina van de website www.trouw.nl zolang de tv-uitzending van WNL openbaar wordt gemaakt op de websites www.wnl.nl en/of www.npo.nl zonder dat aan het begin van die uitzending de in dit kort geding gevorderde rectificatietekst gedurende vijf seconden wordt getoond;
III. Trouw en [gedaagde sub 2] op straffe van dwangsommen te bevelen WNL, NPO en andere media die de tv-uitzending openbaar maken te verzoeken de rectificatietekst gedurende vijf seconden zonder commentaar te tonen aan het begin van die uitzending;
IV. Trouw en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
In de akte wijziging van eis is voorts opgenomen dat indien de onder II genoemde eis jegens Trouw wordt afgewezen maar jegens [gedaagde sub 2] wordt toegewezen, Trouw bevolen dient te worden mee te werken aan de uitvoering van de aan [gedaagde sub 2] opgelegde geboden.

3.2.

Eisers stellen hiertoe – samengevat weergegeven – dat op grond van de onder 2.3 genoemde overeenkomst Wageningen Research een grootschalig onderzoek diende te verrichten naar hergebruik van huishoudelijk kunststof verpakkingsafval. Dit onderzoek staat bekend als project KCN. Een onderdeel daarvan is de analyse van het statiegeldsysteem. Uiteindelijk is op 12 maart 2012 het definitieve rapport opgemaakt onder de titel Analyse Nederlands statiegeldsysteem voor PET-flessen.

In het tv-interview van 28 september 2016 zegt [gedaagde sub 2] over het onderzoek dat hij een aanbestedingsbrief heeft gezien waarin al staat dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is. [gedaagde sub 2] zegt hiermee dat bij aanvang van het onderzoek een afspraak is gemaakt met de opdrachtgever tot gestuurd onderzoek. De “aanbestedingsbrief” waar [gedaagde sub 2] over spreekt, bestaat echter niet en er bestaan ook geen andere documenten waaruit dit zou moeten blijken. Het document van 6 mei 2009 (zie 2.4) waarnaar [gedaagde sub 2] verwijst in de bij het artikel van 27 januari 2017 opgenomen toevoeging, bevat geen vastlegging van vooraf gemaakte afspraken, maar is een van de vele interne voortgangsverslagen die tijdens het onderzoek zijn opgesteld. Een vooraf gemaakte afspraak over de uitkomst van het onderzoek bestaat dus niet en ten bewijze hiervan verwijzen eisers naar een schriftelijke verklaring van [naam 6] (productie 12), die namens Stichting DDL betrokken was bij de totstandkoming van de afspraken. De uitlatingen van [gedaagde sub 2] vinden dan ook geen steun in de feiten. De beschuldiging aan het adres van eisers betekent een ernstige beschadiging van de wetenschappelijke integriteit en de reputatie van eisers en is daarmee onrechtmatig. De uitlatingen zijn te meer schadelijk omdat ze zeer bewust en stellig zijn gedaan in een tv-uitzending die een groot publiek bereikt. [gedaagde sub 2] is een bekend wetenschapsjournalist, verbonden aan een groot landelijk dagblad, en aan hem mogen dan ook hoge zorgvuldigheidseisen worden gesteld. [gedaagde sub 2] was er bovendien mee bekend dat er klachten waren ingediend tegen de onderzoekers bij de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de WUR, inhoudende dat zij de wetenschappelijke integriteit zouden hebben geschonden, maar dat deze klachten op 1 december 2015 ongegrond zijn verklaard. Eisers lopen door de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde sub 2] onderzoeksopdrachten en financieringen mis. Zij hebben dan ook een spoedeisend belang toewijzing van hun vorderingen, zeker nu de tv-uitzending van WNL nog steeds op het internet kan worden teruggekeken. Een beroep van Trouw en [gedaagde sub 2] op de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM) weegt hier niet tegen op. In dit geval is het niet zo dat Trouw en [gedaagde sub 2] een maatschappelijke misstand aan de kaak stellen. Eisers beroepen zich daarentegen op artikel 8 EVRM (bescherming van de eer en goede naam). Daarnaast beroepen zij zich op artikel 10 lid 2 EVRM, op grond waarvan in dit geval een beperking van de vrijheid van meningsuiting is gerechtvaardigd.

3.3.

Trouw en [gedaagde sub 2] hebben – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat een felle discussie wordt gevoerd tussen de voor- en tegenstanders van het statiegeldsysteem. De tegenstanders (de supermarkten en de frisdrank- en verpakkingsindustrie) zijn verenigd in het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) en in de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), die het systeem te duur vinden en dus voor “nascheiding” zijn. De voorstanders van het statiegeldsysteem zijn milieuclubs en het bedrijf dat de machines maakt waarmee de statiegeldflessen worden verwerkt. Trouw kiest geen kant in deze discussie. Haar kritiek richt zich erop dat de WUR optreedt als een soort PR-bureau dat de oren laat hangen naar de belangen van de anti-statiegeld lobby, tevens financier en opdrachtgever van het rapport. In de opdrachtgever van het onderzoek (Stichting DDL) zijn immers enkel CBL en FNLI vertegenwoordigd. Overigens is in het rapport nergens te vinden wie de opdrachtgever is, hetgeen doet vermoeden dat de onderzoekers bewust hebben willen verdoezelen dat de opdracht afkomstig is van de anti-statiegeld lobby. Al met al rijst uit de feiten het beeld op van een universiteit die veel te ver is gegaan in het pleasen van haar opdrachtgever en in het uitventen van haar wetenschappelijke statuur. Er was sprake van gestuurd onderzoek waarvan de uitkomst al bij voorbaat leek vast te staan. Dit tast de wetenschappelijke integriteit en onafhankelijkheid aan. Dit is niet alleen gebleken uit het document van 6 mei 2009 (zie 2.4), maar ook uit tal van andere documenten waarover [gedaagde sub 2] beschikt en die een anonieme bron aan hem per e-mail heeft toegezonden. Die documenten zijn hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit de procedure die is gevoerd voor de CWI.
De kwestie waarover het in dit kort geding gaat (dat contractonderzoek een groot risico van beïnvloeding meebrengt) is een kwestie van algemeen belang. Er is sprake van een debat dat in de publieke belangstelling staat en Trouw doet hier nauwgezet en op zorgvuldige wijze verslag van. [gedaagde sub 2] heeft de WUR herhaaldelijk verzocht om wederhoor, maar daar werd niet op gereageerd. Omdat Trouw en [gedaagde sub 2] zich op de feiten baseren (te weten op het dossier dat aan [gedaagde sub 2] is toegezonden), blijven zij binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Trouw en [gedaagde sub 2] doen dan ook terecht een beroep op artikel 10 lid 1 EVRM.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Toewijzing van het door eisers gevorderde zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van Trouw en [gedaagde sub 2] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (zie artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake, indien de uitlating van (Trouw en) [gedaagde sub 2] onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse – in beginsel gelijkwaardige – belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van Trouw en [gedaagde sub 2] is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van eisers is dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen en dat hun goede naam niet onnodig wordt aangetast. Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. Een van die omstandigheden is de mate waarin de uitlatingen van [gedaagde sub 2] steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

4.2.

Het gaat in dit geding om de uitlating van [gedaagde sub 2] in de tv-uitzending van De Haagse Lobby van 28 september 2016 die luidde: “Ik heb de aanbestedingsbrief onder ogen gehad. En daar staat al in dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is”. Met het woord aanbestedingsbrief bedoelde [gedaagde sub 2] het document van 6 mei 2009 genaamd Analyse van het Nederlands Statiegeldsysteem (zie 2.4), hetgeen ook blijkt uit de door hem op 6 oktober 2016 geplaatste toevoeging op www.trouw.nl bij het online artikel van 27 januari 2016. Volgens de verklaring van [gedaagde sub 2] ter zitting was het woord aanbestedingsbrief het eerste woord dat in hem opkwam (waarbij van belang is dat het interview in één take werd opgenomen), en wilde hij hiermee aangeven dat het ging om een soort opzet uit het eerste begin van het onderzoek dat toen nog nauwelijks van start was gegaan.
De voorzieningenrechter overweegt hierover dat [gedaagde sub 2] strikt genomen het woord aanbestedingsbrief ten onrechte in de mond heeft genomen. Bij aanvang van het onderzoek was immers geen sprake van een aanbesteding en dus ook niet van een aanbestedingsbrief (het onderzoek is gebaseerd op de overeenkomst van 11 maart 2009 en op het daarbij behorende Businessplan). Deze ongelukkige woordkeuze van [gedaagde sub 2] rechtvaardigt echter geen rectificatie. Eisers hebben hierbij onvoldoende belang. Mocht deze woordkeuze al tot enig misverstand hebben geleid dan is dit rechtgezet door de hiervoor bedoelde toevoeging van [gedaagde sub 2] bij het online artikel van Trouw van 27 januari 2016. Het lijkt eisers bovendien niet te gaan om een ongelukkige woordkeuze, waaruit voorshands geen schade volgt, maar om de inhoud en de strekking van de uitlating van [gedaagde sub 2] , zoals die ook door het televisiekijkend publiek is begrepen, en die erop neerkomt dat bij de aanvang van het onderzoek de uitkomst ervan al leek vast te staan (met andere woorden, er was sprake van gestuurd onderzoek). De vraag is of [gedaagde sub 2] met deze uitlating de grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft overschreden.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat het feit dat de opdracht is verstrekt door het bedrijfsleven (in dit geval indirect door CBL en FNLI) op zich onvoldoende is voor een wetenschapsjournalist om te concluderen dat sprake is van gestuurd onderzoek. Dat in het onderhavige rapport niet is opgenomen wie de opdrachtgevers en financiers zijn, is echter “slordig”, zoals ook de CWI oordeelde en [gedaagde sub 2] heeft hierbij terecht vraagtekens geplaatst. CBL en FNLI staan immers bekend als tegenstanders van het statiegeldsysteem (zij vinden dit te duur) en zijn voor “nascheiding”, hetgeen blijkt uit de door Trouw en [gedaagde sub 2] als productie 25 in het geding gebrachte documenten. Ter verdere onderbouwing van hun stelling dat de WUR zich leende voor gestuurd onderzoek hebben Trouw en [gedaagde sub 2] niet alleen verwezen naar het document van 6 mei 2009, waarop [gedaagde sub 2] doelt in het gewraakte tv-interview, maar ook naar onder meer de volgende documenten:
(1) Reeds voorafgaand aan de opdrachtverstrekking (op 14 mei 2008) heeft de WUR een presentatie gehouden waarin als gezamenlijke visie en ambitie met KCN is opgenomen: “Uitbouwen wetenschappelijke basis om te komen tot grootschalige invoering van nascheiding (…)” (zie productie 43).
(2) KCN heeft voorafgaand aan de opdrachtverstrekking (op 8 juni 2008) een “Spoorboekje voor de WUR” opgesteld aan de hand waarvan de WUR het Businessplan (bijlage 1 bij de overeenkomst) zou kunnen opstellen. In dit spoorboekje (zie productie 22) is onder meer opgenomen:
Het doel van KCN is (…) een geobjectiveerd en wetenschappelijk onderbouwd en beargumenteerd beeld van nascheiding (…) te hebben dat, door deze “evidence base” nascheiding in Nederland algemeen geaccepteerd wordt bij stakeholders.
En:
Kernboodschappen nascheiding
(…)
nascheiding projecteren als innovatieve, duurzame oplossing met een netto-vermindering van CO2
(…)
nascheiding geeft de hoogst haalbare inzamelings- en recyclingpercentages
nascheiding betekent gemak en laagste kosten voor gemeenten en burgers (en andere stakeholders).

(3) Op 25 november 2008 vond een bijeenkomst plaats waarin de WUR haar plannen presenteerde aan de opdrachtgevers van het onderzoek en waarin de WUR (zie productie 26) zegt:
KCN wil ruim voor 31 december 2012 wetenschappelijk consensus hebben bereikt over de waarde en betekenis van nieuwe technologieën als nascheiding om verpakkingsafval uit gemengd huishoudelijk restafval af te scheiden en nuttig her te gebruiken in termen van kosten, opbrengsten en milieueffecten. Bovendien streeft het KCN ernaar de feiten uit te dragen naar alle betrokkenen en het grote publiek zodat het maatschappelijk draagvlak voor de invoering van dergelijke technieken vergroot wordt.
Ook vermeldt de WUR in die presentatie dat als “bedreiging” geldt: Statiegeldsystemen zijn politiek geaccepteerd
(4) In het Businessplan van 4 maart 2009 (productie 11) dat de WUR heeft opgesteld en dat als bijlage 1 behoort bij de overeenkomst van 11 maart 2009 (zie 2.3) is opgenomen dat het doel is om wetenschappelijke consensus te hebben over nascheiding en het maatschappelijk draagvlak hiervoor te vergroten. Het statiegeldsysteem wordt ook in dit document genoemd als bedreiging.
(5) Ook heeft de WUR voor haar onderzoek met name gebruik gemaakt van gegevens die door de opdrachtgevers zijn verstrekt. Dit blijkt uit een e-mail van de WUR van 22 maart 2012 (productie 31) waarin is opgenomen: Wel zijn we voor de achterliggende informatie grotendeels afhankelijk van datzelfde bedrijfsleven.
(6) Tot slot stellen Trouw en [gedaagde sub 2] dat de opdrachtgevers mede de inhoud van het rapport hebben bepaald. Zij baseren dit onder meer op e-mails die Trouw en [gedaagde sub 2] als producties 35 en 36 in het geding hebben gebracht en waaruit blijkt dat de onderzoekers bepaalde instructies ontvingen (over te gebruiken cijfers) van medewerkers van CBL en FNLI.

4.4.

Het door [gedaagde sub 2] in het interview bedoelde document van 6 mei 2009 waarin reeds een voorlopige conclusie is opgenomen, dateert van zeer kort na het sluiten van de overeenkomst, hetgeen steun geeft aan de mening van [gedaagde sub 2] dat sprake was van gestuurd onderzoek. Wanneer tevens alle andere hiervoor genoemde documenten in ogenschouw worden genomen en tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.2 is overwogen over het woord aanbestedingsbrief, is de uitlating van [gedaagde sub 2] “Ik heb de aanbestedingsbrief onder ogen gehad. En daar staat al in dat de voorlopige conclusie moet zijn dat statiegeld een te duur systeem is” voldoende feitelijk onderbouwd met het document van 6 mei 2009 waarin is opgenomen: Voorlopige conclusies kosten: duurste systeem van allemaal. Dit geldt ook voor zover de uitlating van [gedaagde sub 2] als een beschuldiging aan het adres van eisers moet worden aangemerkt die erop neerkomt dat bij de aanvang van het onderzoek de uitkomst ervan al leek vast te staan (gestuurd onderzoek). De onder 4.1 genoemde belangenafweging valt dan ook in het voordeel uit van Trouw en [gedaagde sub 2] . De voorzieningenrechter oordeelt hiermee niet dat in dit geval daadwerkelijk sprake was van gestuurd onderzoek, maar wel dat voor een beperking van de uitingsvrijheid van [gedaagde sub 2] in de gegeven omstandigheden geen grond bestaat. Het verweer van eisers dat het document van 6 mei 2009 geen vastlegging betrof van vooraf gemaakte afspraken, doch enkel een van de vele voortgangsverslagen, treft gezien al hetgeen hiervoor is overwogen geen doel.

4.5.

Van een landelijk dagblad als Trouw en van een wetenschapsjournalist als [gedaagde sub 2] mag verder worden verwacht dat zij voldoende zorgvuldig journalistiek onderzoek verrichten. Onderdeel hiervan is correcte toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor. In dit kader heeft [gedaagde sub 2] ter zitting verschillende e-mails voorgelezen waaruit blijkt dat hij de WUR heeft benaderd voor commentaar op het aan hem ‘gelekte’ dossier. De WUR heeft van deze uitnodiging tot ‘wederhoor’ geen gebruik gemaakt omdat de procedure bij de CWI nog aanhangig was en de vertrouwelijkheid aan het geven van een reactie in de weg stond. Dit komt echter voor risico van de WUR en laat de uitkomst van de hiervoor bedoelde belangenafweging onverlet.

4.6.

De conclusie is dat de vorderingen van eisers worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Trouw en [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van Trouw en [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 1.435,00,

5.3.

veroordeelt eisers in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2016.1

1 type: MV coll: mb