Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:768

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
AMS 15/6581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-uitkering naar de norm van een samenwonende. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres met een andere persoon haar hoofdverblijf in dezelfde woning heeft en dat sprake is van wederzijdse zorg. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/6581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , te [woonplaats] , België, eiseres

(gemachtigde: mr. S. Ikiz),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Verbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (de AOW) van eiseres met ingang van 1 oktober 2014 herzien naar de norm van een samenwonende.

Bij besluit van 29 januari 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder het AOW-pensioen van eiseres (met terugwerkende kracht) per 1 juli 2011 herzien naar de norm van een samenwonende.

Bij besluit van 29 januari 2015 (het primaire besluit III) heeft verweerder het ten onrechte betaalde AOW-pensioen van € 12.791,23 over de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2014 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 7 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk en tegen de primaire besluiten II en III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 31 maart 2011 heeft verweerder met ingang van 1 juli 2011 een AOW-pensioen aan eiseres toegekend naar de norm van een alleenstaande (€ 927,50 netto per maand).

2. Met een wijzigingsformulier van 21 augustus 2011 heeft eiseres verweerder laten weten dat zij per 22 augustus 2011 is verhuisd naar België [adres] , [woonplaats] ). Met het formulier Onderzoek woonsituatie van 30 juli 2014 heeft eiseres verweerder laten weten dat zij vanaf 2 augustus 2011 op hetzelfde adres (aan de [adres] , [woonplaats] ) woont met [betrokkene ] ( [betrokkene ] ) en dat zij op de bovenverdieping woont.

3. Met het formulier Onderzoek gezamenlijk huishouden van 11 september 2014 heeft eiseres verweerder -onder meer- laten weten dat zij geen relatie, samenlevingscontract en/of gezamenlijke bankrekening met [betrokkene ] heeft. Eiseres heeft verder aangekruist dat sprake is van wederzijdse zorg tussen haar en [betrokkene ] .

4. Bij het primaire besluit I heeft verweerder het AOW-pensioen van eiseres met ingang van 1 oktober 2014 herzien naar de norm van een samenwonende (€ 630,95 netto per maand). Omdat verweerder eiseres als samenwonend ziet, krijgt zij een AOW-pensioen voor samenwonenden.

5. Bij het primaire besluit II heeft verweerder het AOW-pensioen van eiseres (met terugwerkende kracht) per 1 juli 2011 herzien naar de norm van een samenwonende (€ 630,95 netto per maand). Vanaf de datum dat eiseres recht heeft op een AOW-pensioen, woont zij samen met [betrokkene ] . Om die reden verandert haar AOW-pensioen met ingang van 1 juli 2011.

6. Bij het primaire besluit II heeft verweerder het ten onrechte betaalde AOW-pensioen van € 12.791,23 over de periode van 1 juli 2011 tot en met september 2014 van eiseres teruggevorderd.

7. Op 3 maart 2015 hebben controleurs van verweerder een huisbezoek afgelegd. Daarvan is op 10 maart 2015 een handhavingsrapport opgemaakt.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard vanwege een onverschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres heeft eerst op 27 mei 2015 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I. Verweerder acht het niet geloofwaardig dat eiseres dit besluit niet heeft ontvangen, nu zij verweerder op 27 oktober 2014 zelf heeft gebeld naar aanleiding van dit besluit en tijdens dit gesprek ook niet heeft aangegeven het besluit niet te hebben ontvangen. Verder heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten II en III ongegrond verklaard. Volgens verweerder hebben eiseres en [betrokkene ] hun hoofdverblijf in dezelfde woning en is sprake van wederzijdse zorg. Tot slot ziet verweerder geen dringende reden om van herziening en terugvordering af te zien, nu eiseres zelf niet heeft gemeld dat zij met [betrokkene ] in één woning is gaan wonen.

De ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het primaire besluit I

9.1.

Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerder haar bezwaar tegen het primaire besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij dat besluit niet heeft ontvangen. Uit het enkele feit dat zij op 27 oktober 2014 contact heeft opgenomen met verweerder kan niet worden afgeleid dat zij het besluit heeft ontvangen. Zij heeft gebeld naar aanleiding van een rappelbrief van verweerder over een mogelijk recht op toeslag en niet naar aanleiding van het primaire besluit I.

9.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 augustus 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN4254) dient, in het geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde stukken, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld (zie de uitspraak van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617).

9.3.

Eiseres stelt het primaire besluit I niet te hebben ontvangen. Vast staat dat dit besluit niet aangetekend is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verzending van het primaire besluit I niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van verweerder dat dit besluit aan eiseres is toegezonden zonder onderbouwing daarvan, is daartoe onvoldoende. Wil een bestuursorgaan aannemelijk kunnen maken dat een besluit (per niet aangetekende post) is verzonden, dient er sprake te zijn van een deugdelijke verzendadministratie. Daarvan is bij verweerder niet gebleken.

9.4.

Vervolgens is de vraag wanneer de bezwaartermijn dan gaat lopen. Bij brief van 27 mei 2015 heeft de gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit I. De gemachtigde heeft in die brief meegedeeld dat hij eerst uit het primaire besluit II kon opmaken dat verweerder op 22 september 2014 een beslissing heeft genomen (te weten: het primaire besluit I). Nu eiseres zich -blijkens de brief van 27 mei 2015- pas recentelijk tot haar gemachtigde had gewend (en hem vermoedelijk toen een kopie van het primaire besluit II heeft overhandigd), is de rechtbank van oordeel dat de bezwaartermijn is gaan lopen op het moment dat haar gemachtigde op de hoogte was van het bestaan van het primaire besluit I. De bewoordingen van het primaire besluit II, waarin het primaire besluit I van 22 september 2014 wordt genoemd, zijn niet dusdanig helder dat eiseres hieruit kon afleiden dat haar AOW-pensioen met dat besluit per 1 oktober 2014 zou worden verlaagd (laat staan dat zij daartegen tijdig bezwaar had kunnen maken). Nu haar gemachtigde dat alsnog heeft gedaan kort nadat hij op de hoogte raakte van het besluit (rond 27 mei 2015), is de rechtbank van oordeel dat eiseres’ gemachtigde tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit I.

9.5.

Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze beroepsgrond slaagt dan ook.

Juridisch kader

10.1

Artikel 1, vierde lid, van de AOW, bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

10.2.

Artikel 1, zevende lid, van de AOW bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als bedoeld in het vierde en vijfde lid, aanhef, en het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het vierde lid.

10.3.

De in voormeld artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit regels hoofdverblijf in dezelfde woning AOW (hierna: het Besluit).

10.4.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit wordt een pensioengerechtigde die met een andere pensioengerechtigde of met een andere ongehuwde meerderjarige persoon, anders dan een bloedverwant in de eerste graad, zijn hoofdverblijf heeft in een woning voor de toepassing van artikel 1, vierde en vijfde lid, aanhef, van de Algemene Ouderdomswet in ieder geval geacht niet met die pensioengerechtigde of die persoon zijn hoofdverblijf in die woning te hebben als ieder van hen:

a. een op zijn naam staande woning in eigendom heeft, een op zijn naam staande woning huurt of een op zijn naam staande woning heeft op basis van een recht van vruchtgebruik, een recht van gebruik of een recht van bewoning;

b. de woning, bedoeld in onderdeel a, vrij ter beschikking heeft;

c. volledig de kosten en lasten van de woning draagt; en

d. staat ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee vergelijkbare administratie in het buitenland op het adres van de op zijn naam staande woning, bedoeld in onderdeel a.

Overwegingen over ”hoofdverblijf”

11.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij met [betrokkene ] een hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. Op de eerste verdieping bevinden zich weliswaar twee kamers van [betrokkene ] , maar die kamers zijn altijd afgesloten (evenals de kamers van eiseres). Dat de deur die [betrokkene ] toegang geeft tot de hal en zijn woonruimtes op de eerste verdieping nooit was afgesloten, wil niet zeggen dat er dan niet gesproken kan worden van gescheiden woningen. Eiseres gebruikte slechts tijdelijk de wasmachine van [betrokkene ] , aangezien die van haar kapot is.

11.2.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat eiseres en [betrokkene ] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Hoewel sprake is van twee ingangen, is het volgens verweerder altijd mogelijk om binnendoor in elkaars woongedeelten te komen. [betrokkene ] moet om bij zijn kamers op de eerste verdieping te komen ook de hal en trap gebruiken die op eiseres’ ingang uitkomen. Ook moet eiseres de wasmachine in het gedeelte van [betrokkene ] gebruiken. Er is binnen geen strikte scheiding van de woningen, aldus verweerder.

11.3

Het geschil tussen eiseres en verweerder spitst zich toe op de vraag of eiseres met [betrokkene ] vanaf 1 juli 2011 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW heeft gevoerd, en zij om die reden ingevolge artikel 9 van de AOW recht had op een (lager) ouderdomspensioen als samenwonende, in plaats van het (hogere) ouderdomspensioen dat zij heeft ontvangen als alleenstaande.

11.4

Verweerder heeft zijn conclusie dat eiseres en [betrokkene ] hun hoofdverblijf in één en dezelfde woning hebben, ten onrechte (enkel) gebaseerd op de (feitelijke) bevindingen tijdens het huisbezoek op 3 maart 2015. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder daarentegen (artikel 2) van het Besluit als juridisch uitgangspunt/kader moeten nemen bij de beantwoording van die vraag. Vervolgens had verweerder aan de hand van de (feitelijke) bevindingen van het huisbezoek moeten kijken of aan de voorwaarden van artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit is voldaan. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt dat eiseres en [betrokkene ] hun hoofdverblijf in één en dezelfde woning hebben, dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Overwegingen over “wederzijdse zorg”

12.1

Eiseres betwist dat sprake is van wederzijdse zorg. Bij het invullen van het formulier Onderzoek gezamenlijk huishouden van 11 september 2014 heeft zij daarbij gedacht aan het af en toe een ander helpen, maar niet aan de juridische term. Uit hetgeen eiseres op het formulier heeft ingevuld kan niet worden afgeleid dat sprake is van wederzijdse zorg gezien de frequentie van het samen koken en eten. Bovendien heeft zij op het formulier aangegeven alleenstaand te zijn.

12.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit verder geconcludeerd dat sprake is van wederzijdse zorg tussen eiseres en [betrokkene ] , nu zij dat zelf duidelijk in het formulier Onderzoek gezamenlijk huishouden van 11 september 2014 heeft aangegeven. Verweerder acht de invulling dermate gedetailleerd dat er niet zomaar sprake kan zijn van een misverstand (zoals eiseres stelt). Eiseres heeft volgens verweerder bovendien niet aangetoond dat sprake is van een commerciële relatie.

12.3

De rechtbank overweegt dat uit het handhavingsrapport van 10 maart 2015 niet kan worden opgemaakt dat de controleurs tijdens het huisbezoek vragen aan eiseres hebben gesteld over mogelijke wederzijdse zorg tussen eiseres en [betrokkene ] . Evenmin is gebleken dat verweerder eiseres daar op een ander moment over heeft gehoord. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het door eiseres ingevulde formulier Onderzoek gezamenlijk huishouden van 11 september 2014 niet eenduidig kan worden afgeleid dat sprake is van wederzijdse zorg. Weliswaar heeft eiseres op het formulier met ‘ja’ aangevinkt dat sprake is van wederzijdse zorg en heeft zij verschillende activiteiten aangevinkt, zoals boodschappen doen, koken, samen eten klusjes in en rond het huis, elkaar verzorgen bij ziekte en uitjes/vakantie. Niet blijkt echter wie deze activiteiten voor wie verzorgt en evenmin blijkt of er “wederzijds” zorg (dus eiseres aan [betrokkene ] én [betrokkene ] aan eiseres) wordt verleend. Dit door eiseres ingevulde formulier had voor verweerder in elk geval aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt dat sprake is van wederzijdse zorg tussen eiseres en [betrokkene ] , dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie

13. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu voor het herstel van de gebreken nader onderzoek door verweerder nodig is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij verweerder (alsnog) inhoudelijk op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I moet beslissen en verder zijn standpunt dat eiseres en [betrokkene ] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en dat sprake is van wederzijdse zorg tussen eiseres en [betrokkene ] nader -conform het hiervoor overwogene onder 11.1 tot en met 12.3- moet motiveren.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.