Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
16/1439 e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afschaffing koopkrachttegemoetkoming en vervanging daarvan door inkomensondersteuning AOW is niet in strijd met ingeroepen bepalingen van internationaal recht. Geen schending van het gelijkheids- of rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/1439 e.a.

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2016 in de zaken tussen

[naam] , te Kzimkarabekir (Turkije),

en de andere personen van wie de namen zijn opgenomen in de Bijlage bij deze uitspraak,

hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers

(gemachtigden: mr. N. Türkkol en mr. R.S. Rabarison),

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: K. van Ingen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van december 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder de tegemoetkoming van eisers op grond van de Wet Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (Wet KOB) per 1 januari 2015 beëindigd en vervangen door de inkomensondersteuning Algemene Ouderdomswet (AOW).

Eisers hebben daartegen tijdig bezwaar gemaakt. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder die bezwaren ongegrond verklaard.

Eisers hebben ieder afzonderlijk tegen het ten aanzien van hen genomen bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2016. De zaken van eisers zijn tijdens het onderzoek ter zitting gelijktijdig behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

In raadkamer heeft de rechtbank de zaken van eisers gevoegd, waardoor alle zaken worden afgedaan in één uitspraak.

Overwegingen

1. Alle eisers wonen in Turkije en ontvangen een onvolledig AOW-pensioen vanwege een beperkt aantal verzekerde jaren. Alle eisers ontvingen daarnaast tot 1 januari 2015 een tegemoetkoming KOB, bestaande uit een vast bedrag van (laatstelijk) € 25,12 per maand. Zij hebben in juli 2014 een bericht van verweerder ontvangen waarin een wijziging van de regelgeving per 1 januari 2015 is aangekondigd. Verweerder heeft hierin toegelicht dat de Wet KOB zal komen te vervallen en dat de tegemoetkoming KOB zal worden vervangen door de inkomensondersteuning AOW.

2. Voor een overzicht van de ontwikkelingen die hebben geleid tot de afschaffing van de Wet KOB en de invoering van de inkomensondersteuning AOW volstaat de rechtbank op deze plaats met een verwijzing naar haar uitspraak van 30 december 2015, overweging 2.3 tot en met 2.5, met kenmerk ECLI:NL:RBAMS:2015:9674.

3. Anders dan de tegemoetkoming KOB is het bedrag van de inkomensondersteuning AOW afhankelijk van het aantal verzekerde AOW-jaren. Op de inkomensondersteuning wordt hetzelfde kortingspercentage toegepast als op het AOW-pensioen zelf. Deze gewijzigde berekeningsmethodiek heeft tot gevolg dat alle eisers, nu zij geen volledig AOW-pensioen hebben opgebouwd, per 1 januari 2015 een lager aanvullend bedrag ontvangen dan voorheen.

4. Verweerder heeft de tegemoetkoming van eisers op grond van de Wet KOB per 1 januari 2015 beëindigd en vervangen door de inkomensondersteuning AOW.

5. Eisers voeren in beroep aan - kort samengevat - dat het algemeen bekend is dat migranten een pensioengat hebben en dat juist migranten, meer dan anderen, worden getroffen door de veranderde berekeningsmethodiek in de inkomensondersteuning AOW. De invoering van de inkomensondersteuning AOW in haar huidige vorm is in strijd met artikel 11 van het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (EVSZ), artikel 6 van Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 (Besluit 3/80) en artikel 6 (de rechtbank begrijpt: artikel 5) van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (NTV), omdat sprake is van indirecte discriminatie naar woonplaats.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op grond van artikel 11, eerste lid, van het EVSZ kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkering bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer Verdragsluitende Partijen, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die, op het grondgebied waarvan het orgaan is gevestigd dat deze uitkeringen verschuldigd is, tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald.

8. Op grond van artikel 6 van het Besluit 3/80 kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere Lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is, tenzij in dit besluit anders is bepaald.

9. Op grond van artikel 33a, eerste lid, aanhef en onder 4°, van de AOW heeft degene die recht heeft op een ouderdomspensioen en woonachtig is in Nederland, degene die op grond van artikel 5, tweede lid, van het Besluit regels export uitkeringen recht heeft op ouderdomspensioen alsof hij in Nederland woonachtig is of degene die recht heeft op een ouderdomspensioen en woonachtig is op het grondgebied van een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft afgesloten, tevens recht op een inkomensondersteuning. Op grond van het tweede lid wordt, in de gevallen dat op het ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, met toepassing van artikel 13, eerste lid en derde lid, een korting wordt toegepast, op de inkomensondersteuning een evenredige korting toegepast.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat de bestreden besluiten zijn genomen overeenkomstig de nationale wet. Eisers stellen evenwel dat de besluiten in strijd zijn met de door hen genoemde bepalingen uit internationale verdragen. Namens eisers is ter zitting aangegeven dat het zwaartepunt van hun beroepen daarbij ligt bij schending van artikel 6 van het Besluit 3/80 en artikel 11 van het EVSZ. Eisers stellen ook dat sprake is van discriminatie, in het algemeen, maar ook meer specifiek, naar woonplaats.

11. In de hierboven genoemde uitspraak van 30 december 2015 heeft de rechtbank onder andere getoetst of de afschaffing van de tegemoetkoming KOB en de invoering van de inkomensondersteuning AOW in strijd is met artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV).

Zoals ter zitting ook is geconstateerd, zijn de door eisers ingeroepen bepalingen gelijkluidend aan artikel 5 van het NMV.

12. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat in de uitspraak van 30 december 2015 (rechtsoverweging 4.9) is geoordeeld dat feitelijk geen sprake is van direct onderscheid naar woonplaats. Al hetgeen namens eisers is aangevoerd doet geen afbreuk aan die vaststelling. Het verweer van directe discriminatie wordt daarom verworpen als feitelijk onjuist.

13. Eisers hebben verder betoogd dat in elk geval sprake is van indirect onderscheid naar woonplaats dan wel van discriminatie in meer algemene zin. De huidige inrichting van de inkomensondersteuning AOW, tezamen met de afschaffing van de tegemoetkoming KOB is, aldus eisers, een truc van de wetgever geweest om de inkomensondersteuning AOW alsnog te differentiëren naar de woonplaats van de ontvanger. Dit volgt ook uit de memorie van toelichting bij de wetswijziging omdat daarin verwezen wordt naar veranderende migratiepatronen. De huidige maatregel moet derhalve worden bezien in de lange reeks pogingen van de wetgever om de export van uitkeringen naar het buitenland te verminderen. Met de opbouw van het aantal AOW-jaren mag weliswaar een objectief criterium worden gehanteerd, maar het materiële effect is wel degelijk een onderscheid naar het woonland van de pensioengerechtigde, aldus eisers.

14. Ook hierin volgt de rechtbank eisers niet. In de uitspraak van 30 december 2015 heeft de rechtbank reeds gewezen op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:BX48782; inmiddels nog weer bevestigd in de uitspraak van de Raad van 1 april 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:1229). De Raad heeft geoordeeld dat het stellen van de voorwaarde van in het verleden in Nederland woonachtig (en daarmee verzekerd) zijn, niet betekent dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid.

15. De verwijzing van eisers naar de rechtspraak van de Raad inzake de Wet Woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (WWSZ) doet daar niet aan af. In die rechtspraak speelden immers niet de gevolgen van een al dan niet verzekerd zijn in het verleden. Het ging daar om de actuele (woon)situatie. Anders dan in de hier aan de orde zijnde regelgeving, was bij de WWSZ de hoogte van de uitkering wel uitdrukkelijk gebaseerd op de woonplaats van een betrokkene.

16. Het beroep van eisers op de artikelen 11 van het EVSZ en 6 van het Besluit 3/80 slaagt dan ook niet.

17. De stelling van eisers dat sprake is van een “truc” van de wetgever is voor een belangrijk deel gebaseerd op de vergelijking met de WWSZ. Reeds omdat die parallel feitelijk niet opgaat, is er geen reden om eisers te volgen in deze stellingname.

Dat de wetgever blijkens de memorie van toelichting recht heeft willen doen aan de gewijzigde migratiepatronen (Kamerstukken II, 2013/14, 34 015, nr. 3, p. 2), maakt dat ook niet anders. Het staat de wetgever vrij om gevolgen te verbinden aan migratiepatronen, zo lang hij daarbij niet in strijd komt met op hem rustende internationaalrechtelijke verplichtingen.

18. Over het beroep van eisers op artikel 5 van het NTV overweegt de rechtbank nog het volgende. Artikel 5 is opgenomen in Titel I van het NTV. Gelet op de artikelen 5, eerste lid, en 6, derde lid, van het EVSZ en Bijlage III bij dat verdrag, is artikel 5 van het NTV niet meer van toepassing in de relatie tussen Nederland en Turkije na de invoering van het EVSZ. Het beroep op deze bepaling kan eisers dan ook niet baten.

19. Eisers hebben zich tot slot op het standpunt gesteld dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP).

20. De rechtbank heeft deze beroepsgrond ook beoordeeld in de zaken die hebben geleid tot de meergenoemde uitspraak van 30 december 2015. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat artikel 1 van het EP enkel betrekking kan hebben op het vervallen van de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 en dat de afschaffing van de tegemoetkoming KOB niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Daartoe is overwogen dat de afschaffing bij wet is voorzien, een legitiem doel dient en het gekozen middel om dat doel te bereiken niet disproportioneel is. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.16 tot en met 4.22 van de uitspraak van 30 december 2015. In de zaken van eisers ziet de rechtbank geen aanleiding om nu anders te oordelen dan zij heeft gedaan in de voornoemde uitspraak. De beroepsgrond slaagt niet.

21. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

22. Voor veroordeling van verweerder in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. B.C. Langendoen en

mr. J.T. Kruis, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2016.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Zaaknummer Eiser(es)

AMS 16/1449 [naam 1], te Karaman (Turkije)

AMS 16/1451 [naam 2] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1452 [naam 3] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1453 [naam 4] , te Konya (Turkije)

AMS 16/1455 [naam 4] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1456 [naam 5] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1457 [naam 6] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1459 [naam 7] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1461 [naam 8] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1466 [naam 9] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1468 [naam 10] te Karaman (Turkije)

AMS 16/1469 [naam 11] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1472 [naam 12] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1473 [naam 13] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1478 [naam 14] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1481 [naam 15] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1483 [naam 16] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1485 [naam 17] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1487 [naam 18] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1489 [naam 19] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1493 [naam 20] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1500 [naam 21] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1501 [naam 22] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1503 [naam 23] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1504 [naam 24] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1515 [naam 25] , te Konya (Turkije)

AMS 16/1787 [naam 26] , te Karaman (Turkije)

AMS 16/1788 [naam 27] , te Karaman (Turkije)