Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:749

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
13/741230-15, 13/741331-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overval op een café. Verdachte duwde het slachtoffer achter de kassa vandaan, kwam achter de bar en nam met geweld een geldbedrag uit de kassalade weg. Bij zijn vlucht bedreigde hij het slachtoffer door te zeggen dat hij een wapen had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741230-15 en 13/741331-13 (tul)

Datum uitspraak: 16 februari 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het postadres [adres] , [plaats 1] , thans gedetineerd in de [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Schaijck, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R. el Hessaïni, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vordering van benadeelde partij [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en de toelichting die de benadeelde partij ter terechtzitting heeft gegeven.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van wat X. de Visser (hierna: De Visser), werkzaam als trainer en adviseur bij GGZ Inforsa Reclassering, ter terechtzitting ter toelichting over verdachte en zijn reclasseringsrapport betreffende verdachte heeft gezegd.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

op of omstreeks 9 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 660 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [café A] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [persoon 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte,

- voornoemde [persoon 2] een duw heeft gegeven en/of

- toen voornoemde [persoon 2] hem, verdachte, vast greep er een worsteling ontstond, ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 2] en/of verdachte op de grond is/zijn gevallen en/of

- voornoemde [persoon 2] eenmaal of meermalen met kracht in haar arm heeft gebeten en/of

- tegen voornoemde [persoon 2] heeft gezegd: “Ik heb een wapen dus kom niet achter mij aan”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, waarbij hij, verdachte met zijn hand richting zijn jaszak bewoog.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn voorts geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken. Op basis van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, zijn vervat, is de ten laste gelegde diefstal met geweld en bedreiging met geweld bewezen.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 9 oktober 2015 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 660 euro, toebehorende aan [café A] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [persoon 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- verdachte voornoemde [persoon 2] een duw heeft gegeven en

- toen voornoemde [persoon 2] verdachte vast greep, er een worsteling ontstond, ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 2] en verdachte op de grond zijn gevallen en

- verdachte voornoemde [persoon 2] met kracht in haar arm heeft gebeten en

- verdachte tegen voornoemde [persoon 2] heeft gezegd: “Ik heb een wapen dus kom niet achter mij aan”, waarbij verdachte met zijn hand richting zijn jaszak bewoog.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Ter beoordeling van de toerekenbaarheid van het bewezen verklaarde feit aan verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het psychologisch onderzoeksrapport van 15 januari 2016 van A.J. van de Linde. De conclusie van de psycholoog luidt dat bij verdachte sprake is van een reactieve hechtingsstoornis en een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit en hebben de gedragskeuzes van verdachte enigszins beïnvloed. In het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte zich samenhangend met de hechtingsproblematiek snel persoonlijk achtergesteld, afgewezen en benadeeld voelt en dat hij dat anderen verwijt, maar ook dat snel sprake is van bepekt zelfvertrouwen en een sterk optredend gevoel van zelfverwijt. Daarbij lijkt verdachte bij frustratie en spanning weinig in staat effectieve copingstrategieën te gebruiken.

Op basis van voornoemde factoren heeft de psycholoog geadviseerd verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt deze conclusie over en acht verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit licht verminderd toerekeningsvatbaar.

8 Motivering van de straftoemeting

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van verdachte. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op café [café A] . Verdachte was in het café en kwam aan de bar om geld te wisselen voor de gokkasten in het café. Hij duwde vervolgens het slachtoffer achter de kassa vandaan, kwam achter de bar en nam met geweld een geldbedrag uit de kassalade weg. Bij zijn vlucht bedreigde verdachte het slachtoffer door te zeggen dat hij een wapen had en door te doen alsof hij dat wapen zou pakken.

Gebeurtenissen als deze behoren tot een categorie strafbare feiten die ernstig inbreuk maken op de rechtsorde. Dat verdachte uit materiële overwegingen heeft gehandeld en niet heeft stilgestaan bij de angst die hij teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer, is hem ernstig aan te rekenen. Verdachte heeft het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van overvallen zich nog lang onveilig kunnen voelen. Overvallen kunnen bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweegbrengen.

Gezien het vorenstaande en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor een overval met licht geweld en bedreiging, acht de rechtbank in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren gerechtvaardigd. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding hiervan af te wijken.

Uit verschillende reclasseringsrapporten, het psychologisch onderzoeksrapport en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte een jeugdige verdachte is, die al herhaaldelijk met politie en justitie in aanraking is gekomen, wat ook blijkt uit een hem betreffend uittreksel van justitiële documentatie van 5 januari 2016. Verdachte is om die reden op de Top600-lijst van de gemeente Amsterdam gezet. Ook is duidelijk geworden dat verdachte problemen heeft op verschillende levensgebieden en dat zijn psychische problematiek, zoals hiervoor onder 7. vermeld, in verband staat met zijn delictgedrag. De omstandigheid dat het bewezen verklaarde feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, betekent dat hij de verantwoordelijkheid daarvoor niet volledig kan dragen. Dit zal de rechtbank in strafmatigende zin betrekken bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf. Voorts is gebleken dat begeleiding door hulpverlening en behandeling van zijn problematiek in een drangkader noodzakelijk zijn om het verhoogde recidiverisico terug te dringen.

In het reclasseringsrapport van 15 januari 2016 van GGZ Inforsa Reclassering valt te lezen dat verdachte in het verleden bemoeienis vanuit de hulpverlening herhaaldelijk heeft afgewezen en dat het hem zelfstandig niet is gelukt psychisch stabieler te functioneren en recidive te voorkomen. Gedurende de detentie in deze strafzaak bleek verdachte echter bereid aan onderzoek door de psycholoog en de reclassering mee te werken en maakte hij een gemotiveerde indruk om zijn leven een andere wending te geven. De Visser heeft daarom in zijn rapport en ter terechtzitting geadviseerd als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen een meldplicht, een ambulante behandelverplichting met betrekking tot zijn frustratietolerantie, persoonlijkheidsontwikkeling, middelengebruik en gokgedrag, en een locatiegebod met elektronische controle voor de duur van zes maanden.

Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij hulp nodig heeft om zijn praktische problemen en problemen met frustraties, emoties, middelengebruik en gokgedrag aan te pakken. Hij is gemotiveerd zich hiervoor in te spannen en de aanwijzingen en opdrachten van de reclassering na te leven. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verdachte binnen het strafrechtelijk kader te laten begeleiden en behandelen. In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat een locatiegebod met elektronische controle weliswaar wat zwaarte betreft niet gelijk staat aan oplegging van een gevangenisstraf, maar wel een ingrijpende, vrijheid inperkende maatregel betreft.

Bij de straftoemeting zal de rechtbank in het voordeel van verdachte voorts betrekken dat zijn handelen tegen het slachtoffer hem zwaar valt en dat hij ter terechtzitting berouw heeft getoond, wat hij ook in een brief aan slachtoffer heeft geschreven. In een eerder stadium van het onderzoek heeft verdachte zich bereid verklaard aan een traject voor mediation mee te werken. Dit heeft hij ter terechtzitting herhaald. Een dergelijk traject is echter niet van de grond gekomen, omdat het slachtoffer hieraan niet wilde meewerken.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, waarvan een deel van drie maanden voorwaardelijk. Aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank een aantal algemene en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De voorwaardelijke straf strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan al dan niet soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken en zich te houden aan de bijzondere voorwaarden.

9 De vordering van benadeelde partij [persoon 1]

9.1.

De inhoud van de vordering

De benadeelde partij [persoon 1] heeft met betrekking tot het bewezen verklaarde feit betaling van € 1.263,36 aan materiële schadevergoeding gevorderd. Dit geldbedrag bestaat uit de volgende schadeposten:

1. vergoeding van zes gewerkte uren op een vrije dag ad € 90,- per uur (totaal € 540,-);

2. kosten voor het verzamelen en overdragen van beeldmateriaal aan de politie € 302,86;

3. omzetderving € 420,50.

Als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft de benadeelde partij ook andere materiële schade geleden, namelijk het door verdachte weggenomen geldbedrag van € 660,-. Dit bedrag is echter door de verzekering vergoed en wordt daarom in deze procedure niet gevorderd.

9.2.

Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Allereerst kan hij niet worden aangemerkt als voegingsgerechtigde in deze strafzaak. Daarnaast is niet gebleken dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd, kan worden gezien als schade die rechtstreeks uit het bewezen verklaarde feit voortvloeit.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken en het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder de toelichting van de benadeelde partij, is komen vast te staan dat hij eigenaar is van de eenmanszaak [café A] en in die hoedanigheid, vanwege geleden schade, een vordering benadeelde partij heeft ingediend. De benadeelde partij is daarmee voegingsgerechtigde en ontvankelijk in zijn vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden, namelijk kosten met betrekking tot het beeldmateriaal (post 2) en omzetderving (post 3). Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde feit, omdat op basis van het dossier en de onderbouwing van de vordering is komen vast te staan dat de schade is ontstaan als gevolg van het handelen door verdachte. Het verweer dat de kosten met betrekking tot het beeldmateriaal geen rechtstreekse schade vormen, wordt verworpen, omdat deze kosten niet waren gemaakt als verdachte de [café A] niet had overvallen. Hetzelfde geldt voor de omzetderving: deze schade was niet geleden als de verdachte het café niet had overvallen. De posten worden daarom toegewezen.

Dit ligt anders voor de vergoeding van gewerkte uren (post 1). De verdediging heeft de gevorderde schade gemotiveerd betwist, waarop de benadeelde partij deze post ter terechtzitting heeft toegelicht en heeft verklaard dat hij als eigenaar geen uurloon ontvangt, maar inkomen krijgt uit de ondernemerswinst. Ook als hij in het café achter de bar staat. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende informatie beschikbaar is om te kunnen beoordeelden of de benadeelde partij op dit punt financiële schade heeft geleden en zo ja, op welk bedrag die schade moet worden begroot. In het licht hiervan levert de behandeling van deze post een onevenredige belasting van het strafproces op, wat betekent dat de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

9.3.

Conclusie

Dit alles leidt tot de slotsom dat verdachte wordt verplicht tot betaling van een geldbedrag van € 723,36 aan de benadeelde partij [persoon 1] . In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, voorts de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Beslag

Gedurende het opsporingsonderzoek in deze strafzaak zijn een fles AA-drink (goednummer 5060767) en een Lyca-simkaart (goednummer 5060771) in beslag genomen. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en moeten aan hem worden geretourneerd.

11 De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 november 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/741331-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 3 januari 2014 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 dagen, met bevel dat een gedeelte van deze straf, groot 30 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bij de stukken bevindt zich ook een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te gelasten. In de door de verdediging naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen reden deze gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Beslissingen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

- diefstal, vergezeld van geweld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden en beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast, en stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden gelast, als verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden:

- verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- verdachte wordt, in het kader van het reclasseringstoezicht en ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, verplicht om medewerking te verlenen aan het afgeven van één of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een identiteitsbewijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

- verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- meldplicht: veroordeelde moet zich melden bij GGZ Inforsa Reclassering, op het adres [adres, te plaats] , wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek, en zich daarna gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden, zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht. Gedurende deze periode moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Dit betekent dat de toezichthouder veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel, met als doel om hem te begeleiden en controleren bij de naleving van de bijzondere voorwaarden.

- ambulante behandelverplichting: veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn frustratietolerantie, persoonlijkheidsontwikkeling, middelengebruik en gokgedrag bij het FACT-team van Arkin of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- locatiegebod: veroordeelde wordt verplicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig te zijn op het adres [adres, te plaats] of een ander door de reclassering aangewezen verblijfadres. Daarbij heeft hij op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van twaalf uur ter invulling van zijn dagbesteding. In de weekenden heeft veroordeelde vier uur per dag vrij te besteden. Wanneer veroordeelde op doordeweekse dagen geen dagbesteding heeft, heeft hij twee uur vrij te besteden. De precieze tijdstippen worden vooraf vastgesteld door de reclassering, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het locatiegebod wordt gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel. De elektronische controle zal worden ingezet voor een maximale duur van zes maanden.

Geeft aan GGZ Inforsa Reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van benadeelde partij [persoon 1] , wonende te [plaats 2] , toe tot € 723,36 (zevenhonderd drieëntwintig euro en zesendertig cent) en veroordeelt verdachte tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij.

Verklaart benadeelde partij [persoon 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 723,36 (zevenhonderd drieëntwintig euro en zesendertig cent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als en voor zover verdachte aan één van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave de hiervoor onder 10. vermelde fles AA-drink en simkaart aan verdachte.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 3 januari 2014 voorwaardelijk opgelegde straf, namelijk een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen.

Dit verkorte vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. M.R. Jöbsis en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Boersma, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2016.

De jongste rechter, mr. C.C.M. Oude Hengel, is buiten staat dit verkorte vonnis mede te ondertekenen.