Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7430

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
HA ZA 14-1113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling omvangrijk gemeenschappelijk vermogen van twee broers. Door de ene broer (eiser) tegen de andere broer en de betrokken bank en notaris ingestelde vorderingen op grond van onrechtmatig handelen dat tot benadeling van eiser zou hebben geleid, worden afgewezen. Tevens afwijzing van de incidentele vordering ex artikel 843a Rv.

Vordering tot veroordeling in de volledige proceskosten wordt toegewezen. Rechtbank toetst aan het door de Hoge Raad ontwikkelde criterium (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828) en oordeelt dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Er is sprake is van vorderingen gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan eiser de onjuistheid kende. De rechtbank heeft in die beoordeling betrokken dat de voorzieningenrechter reeds in de eerdere beslagprocedure een belangrijk deel van de vorderingen op niet mis te verstane wijze had afgewezen. Eiser heeft evenwel volhard in zijn onjuiste en onvolledige beeld van de feiten. De wijze van procederen van eiser kan niet aangemerkt worden als het verdedigbaar gebruik maken van het fundamentele recht van een partij om belangen aan de rechter voor te leggen en diens beslissing daaromtrent te verkrijgen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen zijn belang bij de gebruikmaking daarvan en het belang van zijn broer (en de andere betrokkenen) dat daardoor wordt geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/576224 / HA ZA 14-1113

Vonnis van 9 november 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak en het incident,

advocaat mr. G.T.J. Hoff te Haarlem,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A. Kaspers te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. A.J. Haasjes te Amsterdam,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

ALLEN & OVERY LLP,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

advocaat mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

gedaagden in de hoofdzaak en verweerders in het incident.

Eiser zal hierna worden aangeduid als [eiser] . Gedaagden onder 1 en 2 zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden 1 + 2] en afzonderlijk als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Gedaagden onder 3, 4 en 5 zullen hierna respectievelijk worden aangeduid als ABN AMRO, A&O en de oud-notaris (of [gedaagde 5] ) .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van de rechtbank van 22 april 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin genoemde dagvaarding (van 7 november 2014) met producties en de respectievelijke conclusies van antwoord van [gedaagden 1 + 2] , ABN AMRO en A&O en de oud-notaris, steeds met producties;

  • -

    het verkort proces-verbaal van de zitting van 13 september 2016 met de daarin genoemde stukken;

- de brief van mr. Hoff van 7 oktober 2016 met daarin opmerkingen over het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2016;

- de brief van 6 oktober 2016 van mr. Kaspers met daarin opmerkingen over het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2016;

- de brief van 3 oktober 2016 van mr. Van den Biesen, met daarin een opmerking over het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2016

- de brief van 25 oktober 2016 van mr. Van den Biesen in reactie op de brief van 7 oktober 2016 van mr. Hoff;

- de brief van 25 oktober 2016 van mr. Hoff in reactie op de brief van 25 oktober 2016 van mr. Van den Biesen.

Op de rol van 28 september 2016 hebben partijen de rechtbank laten weten geen schikking te hebben bereikt en vonnis te vragen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in de hoofdzaak en het incident

2.1.

[gedaagde 1] en [eiser] zijn broers. Zij bankieren beiden onder meer bij ABN AMRO. Sinds medio 1985 deden zij voor notariële werkzaamheden een beroep op de oud-notaris, die tot
juli 2012 zijn praktijk hield ten kantore van A&O. [gedaagde 2] is (sinds 1993) de echtgenote van [gedaagde 1] .

2.2.

[gedaagde 1] is eind jaren zeventig naar de Verenigde Staten (VS) verhuisd. In 1983 heeft hij Nedamco International B.V. en Nedamco North America Corporation (hierna gezamenlijk: Nedamco, en laatstgenoemde afzonderlijk: Nedamco NA) opgericht. Kort daarna heeft hij [eiser] gevraagd om in de VS bij Nedamco te komen werken.

2.3.

De broers beschouwden het geld dat zij met Nedamco verdienden en vrijwel al hun bezittingen als gezamenlijk vermogen.

2.4.

Met het in Nedamco verdiende geld aangevuld met hypothecaire leningen van de bank hebben [gedaagde 1] en [eiser] samen, ieder voor de helft, twee in [woonplaats] gelegen landgoederen gekocht: in 1986 [naam landgoed 1] (hierna: [naam landgoed 1] ) en in 1991 [naam landgoed 2] (hierna: [naam landgoed 2] ; [naam landgoed 1] en [naam landgoed 2] hierna ook gezamenlijk: de landgoederen).

2.5.

In 1998 heeft [gedaagde 1] de aandelen in Nedamco NA verkocht en zijn [gedaagde 1] en [eiser] definitief teruggekeerd naar Nederland en op [naam landgoed 2] gaan wonen.

2.6.

Sinds de terugkeer van [gedaagde 1] naar Nederland behandelde Ernst & Young (hierna: EY) in de persoon van belastingadviseur [naam 1] (hierna: [naam 1] ) diens fiscale zaken. Vanaf medio 2001 maakte EY ook vermogensoverzichten op van het (gezamenlijke) vermogen van ( [eiser] en) [gedaagde 1] .

2.7.

Vanaf 1998 heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in opdracht van [gedaagde 1] en [eiser] het beheer en het onderhoud van de landgoederen uitgevoerd en voor hen de administratie bijgehouden.

2.8.

Van de opbrengst van de verkoop van de aandelen Nedamco NA hebben [gedaagde 1] en [eiser] onder meer tijdens de sabbatical van een jaar die zij na hun terugkeer namen geleefd.

2.9.

Na dat jaar heeft [gedaagde 1] een nieuwe onderneming opgericht. [eiser] heeft sindsdien geen, althans nauwelijks bezoldigde werkzaamheden verricht. Dit leidde ertoe dat van het inkomen dat [gedaagde 1] met zijn nieuwe onderneming genereerde alles werd betaald, waaronder in elk geval de volgende kosten: het levensonderhoud van [eiser] , het onderhoud van de landgoederen, de rente op de financiering van de gemeenschappelijke bezittingen, het personeel (vijf personen), het na te noemen appartement aan [adres] , de verzekeringen, de belastingen, de adviseurs.

2.10.

[gedaagde 2] , voormalig Nederlands jeugdkampioen paardrijden, houdt paarden. Om [gedaagde 2] in staat te stellen haar paarden te berijden, hebben [gedaagde 1] en [eiser] begin 1999, ieder voor de helft, een in [woonplaats] nabij [naam park] gelegen weiland (hierna: het weiland) gekocht.

2.11.

In 2000 hebben [gedaagde 1] en [eiser] een appartement aan [adres] (hierna: het appartement) voor [eiser] gekocht. De koopprijs is gefinancierd met een hypothecaire lening.

2.12.

In de zomer van 2000 zijn rekeningen ten name van [gedaagde 1] respectievelijk [eiser] geopend bij het bijkantoor van ABN AMRO in Monaco (hierna: ABN AMRO Monaco).

2.13.

Op 24 november 2000 hebben ABN AMRO enerzijds en [gedaagde 1] anderzijds een kredietovereenkomst gesloten (hierna: lening 1), waarbij ABN AMRO aan [gedaagde 1] een bedrag heeft geleend van NLG 16 miljoen (€ 7.260.483,46) ter financiering van de uitkoop van [eiser] uit [naam landgoed 2] . Hierbij werd tevens een termijndeposito afgesloten dat werd verpand aan ABN AMRO tot zekerheid voor lening 1.

2.14.

Op 1 december 2000 heeft de oud-notaris in aanwezigheid van [gedaagde 1] en [eiser] een akte van verdeling (hierna: de akte 2000) verleden waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:

- partijen zijn overeengekomen [naam landgoed 2] met ingang van 1 oktober 2000 te verdelen zodanig dat dit wordt toegedeeld aan [gedaagde 1] en waarbij [eiser] zijn aandeel in [naam landgoed 2] in economische zin aan [gedaagde 1] levert;

- de akte is niet bestemd om door inschrijving in de openbare registers het aandeel van [eiser] juridisch te leveren aan [gedaagde 1] ;

- [gedaagde 1] is wegens overbedeling aan [eiser] verschuldigd een bedrag van NLG 15 miljoen (hierna: het bedrag van NLG 15 miljoen);

- [gedaagde 1] zal dit bedrag van NLG 15 miljoen als eigen schuld voldoen en vrijwaart [eiser] voor de hypothecaire schuld van NLG 750.000;

- alle baten en lasten van [naam landgoed 2] zijn met ingang van de verdelingsdatum voor rekening van [gedaagde 1] .

Ook op 1 december 2000 is het bedrag uit hoofde van lening 1 door ABN AMRO aan [gedaagde 1] verstrekt en heeft [gedaagde 1] NLG 15 miljoen (€ 6.806.703,24) gestort op de kwaliteitsrekening van de oud-notaris.

2.15.

De bank heeft het bedrag van NLG 15 miljoen vervolgens conform aan haar verstrekte betaalopdrachten een aantal keer doorgeboekt (hierna: het kasrondje): op 4 december 2000 naar de rekening van [eiser] bij ABN AMRO Monaco, op 5 december 2000 naar de rekening van [gedaagde 1] bij ABN AMRO Monaco, en op diezelfde datum naar de rekening van [gedaagde 1] bij ABN AMRO [woonplaats] . Daarbij is het aldus ontstane saldo van NLG 15 miljoen aan ABN AMRO verpand (hierna: deposito 1).

2.16.

Sinds 4 december 2000 beschikken [gedaagde 1] en [eiser] over een bij de ABN AMRO aangehouden en/of-rekening (rekeningnummer 57.97.03.916) (hierna: de en/of-rekening).

2.17.

[gedaagde 1] heeft op 11 december 2003 de vennootschap Landgoed [naam landgoed 2] (hierna: [naam landgoed 2] B.V.) opgericht. Dit betrof een fiscaal transparante landgoedvennootschap omdat [naam landgoed 2] was gerangschikt als landgoed zoals bedoeld in de Natuurschoonwet 1928 (NRW-rangschikking).

2.18.

Op 17 december 2003 heeft ABN AMRO aan [naam landgoed 2] een lening verstrekt van € 14,5 miljoen (hierna: lening 2) ter financiering van de aankoop van [naam landgoed 2] van [gedaagde 1] . Met lening 2 is lening 1 afgelost en het daardoor vrijgevallen deposito 1 is tezamen met de overwaarde (tezamen gelijk aan het totaal uit hoofde van lening 2 geleende bedrag van € 14,5 miljoen) gestort op een rekening bij de ABN AMRO, welk saldo aan de bank is verpand (hierna: deposito 2). De rente ontvangen op deposito 2 is gebruikt voor betaling van de rente op lening 2. De eerstgenoemde rente was maandelijks 0,25% lager dan de laatstgenoemde (hierna: het kwartje van ABN).

2.19.

In 2004 heeft [eiser] zijn huidige partner [naam 3] (hierna: [naam 3] ) ontmoet. [naam 3] werkt(e) als kandidaat-notaris bij [werkgever] .

2.20.

Op 5 juli 2004 heeft ABN AMRO aan de eerder door [gedaagde 1] en [eiser] opgerichte fiscaal transparante landgoedvennootschap Landgoed [naam landgoed 1] (hierna: [naam landgoed 1] B.V.) een lening verstrekt van € 11,5 miljoen (lening 3) ter financiering van de aankoop van [naam landgoed 1] van [gedaagde 1] en [eiser] . Hiervan is een bedrag van € 10,5 miljoen gestort op de en/of-rekening, welk saldo aan de bank is verpand (hierna: deposito 3). ( [naam landgoed 2] en [naam landgoed 1] hierna gezamenlijk ook: de landgoedvennootschappen)

2.21.

[gedaagde 1] heeft ten behoeve van door [eiser] te verrichten werkzaamheden, waar het overigens niet van is gekomen, bij akte van 20 maart 2005 de vennootschap IJsvogel Advisory Services B.V. (hierna: IJsvogel B.V.) opgericht. [eiser] werd van deze vennootschap directeur.

2.22.

In 2005 zijn [eiser] en [naam 3] van [naam landgoed 2] naar [naam landgoed 1] verhuisd.

2.23.

In oktober 2005 heeft [gedaagde 1] ABN AMRO verzocht het verpande deposito 2 over te boeken naar de en/of-rekening (hierna: de overboeking 2005). ABN AMRO heeft hiermee ingestemd toen aan de door haar gestelde voorwaarde, te weten dat [eiser] zou meetekenen, werd voldaan.

2.24.

Op 22 mei 2006 heeft [gedaagde 1] zijn 50% van de aandelen in [naam landgoed 1] overgedragen aan [eiser] voor € 9.000, zodat ook [eiser] en zijn fiscale partner [naam 3] hypotheekrenteaftrek konden genieten.

2.25.

[eiser] en [naam 3] woonden op [naam landgoed 1] en bleven daarnaast gebruikmaken van het appartement. [gedaagde 1] vroeg [naam 3] als verdienende partner van [eiser] om bij te dragen aan de kosten verbonden aan de huisvesting van [eiser] , maar [naam 3] wilde eerst weten welk deel van de gemeenschappelijke zaken van [eiser] was. Mede daarom hebben [gedaagde 1] en [eiser] in 2007 besloten hun gezamenlijke vermogen te gaan ontvlechten.

2.26.

Op 1 april 2008 heeft [eiser] op aanwijzing van [gedaagde 1] zijn betaalinstrumenten voor de en/of-rekening bij [gedaagde 1] ingeleverd. [eiser] kon vanaf dat moment nog wel beschikken over de rekeningen die alleen op zijn naam stonden en waarop ook gezamenlijk vermogen beschikbaar was.

2.27.

Begin april 2008 heeft [eiser] fiscalist [naam 4] (hierna: [naam 4] ) benaderd over de financiële verhoudingen tussen hem en [gedaagde 1] , omdat [eiser] behoefte had aan onafhankelijke financiële bijstand.

2.28.

Op enig moment zijn [eiser] en [naam 3] , ter besparing van kosten, in het appartement gaan wonen en is [naam landgoed 1] verhuurd. De kosten van het appartement werden nog steeds door [gedaagde 1] voldaan.

2.29.

In december 2008 heeft ABN AMRO van [gedaagde 1] de opdracht gekregen het saldo van de en/of-rekening over te boeken naar een rekening van [gedaagde 1] . De bank heeft verzocht deze opdracht door zowel [gedaagde 1] als [eiser] te laten bevestigen. Van geen van beiden is een bevestiging ontvangen; ABN AMRO heeft de betaalopdracht niet uitgevoerd.

2.30.

Vanaf in elk geval eind september 2009 hebben [gedaagde 1] en [eiser] onderhandelingen gevoerd over de ontvlechting van hun gezamenlijke vermogen.

2.31.

In november 2009 heeft ABN AMRO van [gedaagde 1] opnieuw de opdracht gekregen het saldo van de en/of-rekening over te boeken naar een rekening van [gedaagde 1] . ABN AMRO heeft deze betaalopdracht uitgevoerd (hierna: de overboeking 2009).

2.32.

In december 2009 heeft [gedaagde 1] de oud-notaris benaderd om het resultaat van de onderhandelingen tussen hem en [eiser] over de ontvlechting in (concept-)akten op te nemen.

2.33.

Op 29 december 2009 werden bij de oud-notaris in aanwezigheid van [gedaagde 1] en [eiser] (en deels [naam 5] , eigenaar van Huize [naam park] (hierna: [naam 5] )), na een 5½ uur durende bijeenkomst diverse notariële aktes (de aktes 2009 of ontvlechting) gepasseerd. Het ging daarbij – voor zover hier relevant – om de volgende zaken:

  • -

    verkoop en levering door [eiser] van de aandelen in [naam landgoed 1] aan [gedaagde 1] voor
    € 2.284.500;

  • -

    aankoop door [gedaagde 1] van Huize [naam park] (hierna: [naam park] ) van [naam 5] voor
    € 2.350.000;

  • -

    verkoop door [gedaagde 1] van [naam park] aan [eiser] voor dezelfde prijs (€ 2.350.000);

  • -

    verkoop van [gedaagde 1] van zijn onverdeelde helft van het weiland aan [eiser] voor
    € 152.500;

  • -

    verkoop door [gedaagde 1] en [eiser] van het appartement aan [naam 5] voor € 1.000.000;

  • -

    vestiging hypotheek op [naam park] en het weiland ten behoeve van ABN AMRO voor de schulden van [gedaagde 1] , waaronder lening 2;

Ook verkocht [eiser] bij de ontvlechting de aandelen in IJsvogel B.V. aan [gedaagde 1] voor € 18.000.

2.34.

Een van de aktes 2009, te weten de akte van levering/vestiging recht van gebruik ter zake het weiland (productie 18 van [eiser] ) luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

Artikel 4.

(…)

RECHT VAN GEBRUIK

Vervolgens verklaren partijen bij deze te vestigen ten laste van voormeld perceel grasland (…) het recht van gebruik als bedoeld in artikel 3:226 lid 2 Burgerlijk Wetboek ten behoeve van [ [gedaagde 2] ], zulks onder de navolgende voorwaarden en bepalingen:

1. Het recht van gebruik is verleend aan de gebruiker persoonlijk; (…)

2. De gebruiker heeft het recht het weiland te gebruiken ten behoeve van het hebben, houden en berijden van paarden. (…) door gebruiker alsmede door de gebruiker aangewezen derde(n);
3. De gebruiker is niet bevoegd dit recht over te dragen dan wel te bezwaren.

4. Het recht van gebruik bestaat zolang de gebruiker leeft.

(…)”.

2.35.

Een artikel 6 van een van de aktes 2009, te weten de akte van levering en verkoop van aandelen [naam landgoed 1] B.V., luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

“(…)

Artikel 6. Vaststelling.

Verkoper en Koper stellen bij deze akte volledigheidshalve vast dat thans alle tot heden door hen gehouden gemeenschappelijke onroerende en roerende zaken, aandelen of andere vermogensbestanddelen over en weer door partijen zijn geleverd en dat partijen derhalve uit dien hoofde niets meer van elkaar te vorderen hebben, behoudens de vorderingen over en weer uit hoofde van akten van geldlening de dato heden.

(…)”.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. te verklaren voor recht (i) dat [gedaagde 1] , ABN AMRO, [gedaagde 5] en Allen & Overy verwijtbaar onrechtmatig gehandeld hebben jegens [eiser] bij de verdeling van landgoed [naam landgoed 2] begin december 2000, en wel door eraan mee te werken dat (zonder enige vastlegging van de juridische verhoudingen tussen de beide broers) een bedrag van NLG 15 miljoen van [eiser] ten laste van de kwaliteitsrekening van Allen & Overy werd overgeboekt van een rekening van [eiser] bij ABN AMRO Monaco, daarna naar een rekening van [gedaagde 1] bij ABN AMRO Monaco en daarna naar een rekening van [gedaagde 1] bij ABN AMRO [woonplaats] om aldus als een aan [gedaagde 1] (ogenschijnlijk) toebehorend termijndeposito van NLG 15 miljoen tot zekerheid te dienen voor [gedaagde 1] in verband met een door ABN AMRO aan [gedaagde 1] verstrekte financiering van NLG 15 miljoen (in verband met de ‘uitkoop’ van [eiser] uit landgoed [naam landgoed 2] ), en dat [gedaagde 1] , ABN AMRO, [gedaagde 5] en Allen & Overy deswege jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [eiser] geleden schade, (ii) dat [gedaagde 1] en ABN AMRO verwijtbaar onrechtmatig gehandeld hebben jegens [eiser] in november 2009 door – zonder toestemming van [eiser] – eraan mee te werken dat de (mede aan [eiser] toebehorende) tegoeden van € 25 miljoen van de en/of-depositorekening van [gedaagde 1] en [eiser] werden overgeboekt naar een rekening op naam van uitsluitend [gedaagde 1] , en dat [gedaagde 1] en ABN AMRO deswege jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [eiser] geleden schade en (iii) dat [gedaagde 1] , [gedaagde 5] en Allen & Overy verwijtbaar onrechtmatig gehandeld hebben jegens [eiser] bij de ontvlechting van de (gemeenschappelijke) bezittingen van [eiser] en [gedaagde 1] op 29 december 2009, en dat [gedaagde 1] , Allen & Overy en [gedaagde 5] deswege jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [eiser] geleden schade;

2. te verklaren voor recht dat de in de akte van verdeling van 1 december 2000 opgenomen rechtshandeling geen schijntransactie tussen [gedaagde 1] en [eiser] is en dat als gevolg van deze rechtshandeling [eiser] sedert 1 december 2000 een vordering “wegens overbedeling” op [gedaagde 1] van NLG 15.000.000 (te vermeerderen met de sedertdien lopende wettelijke rente) heeft en dat deze vordering van [eiser] als gevolg van de per brief van 24 november 2000 door [eiser] en [gedaagde 1] aan ABN AMRO [woonplaats] gegeven betalingsopdrachten nog niet door [gedaagde 1] aan [eiser] is voldaan, althans dat [gedaagde 1] als gevolg van de per brief van 24 november 2000 door [eiser] aan ABN AMRO gegeven betalingsopdracht tot overboeking van NLG 15.000.000 naar een rekening van [gedaagde 1] de voor [gedaagde 1] daaruit voortvloeiende schuld tot terugbetaling van NLG 15.000.000 (te vermeerderen met de depositorente van 5% althans de wettelijke rente) nog niet door [gedaagde 1] aan [eiser] is voldaan;

3. te verklaren voor recht dat: (i) de verdeling van de opbrengst van de bedrijfsactiviteiten en de verkoop van Nedamco tussen de broers [naam broers] nog niet voltooid is, aangezien [gedaagde 1] weigert daarover rekening en verantwoording aan [eiser] af te leggen en [gedaagde 1] te gebieden die rekening en verantwoording – met medewerking van een onafhankelijke registeraccountant (niet EY) – alsnog aan [eiser] af te leggen binnen 30 dagen na betekening van het vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [gedaagde 1] in strijd met dit gebod handelt, (ii) het door [gedaagde 1] op het termijndeposito van NLG 15.000.000 ten gunste van ABN AMRO gevestigde pandrecht niet rechtsgeldig is gevestigd, althans dat ABN AMRO bij de totstandkoming van dit pandrecht wanprestatie heeft gepleegd althans onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, en wel door ondertekening van [eiser] te verlangen van de per brief van 24 november 2000 aan ABN AMRO gegeven betalingsopdrachten, zonder dat daarbij enig contact tussen ABN AMRO en [eiser] daarover heeft plaatsgehad en zonder dat ABN AMRO enig oog heeft gehad voor de gerechtvaardigde vermogensrechtelijke belangen van [eiser] (te weten het veilig stellen van de aanspraak sedert 1 december 2000 van [eiser] op [gedaagde 1] ten bedrage van NLG 15.000.000, te vermeerderen met rente) en (iii) ABN AMRO jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door op onderpand van landgoed [naam landgoed 2] (te weten het op 1 december 2000 gevestigde hypotheekrecht) aanzienlijk meer krediet te verlenen aan [gedaagde 1] dan NLG 15 miljoen (en wel bij kredietovereenkomsten van 21 november 2000 (welke kredietovereenkomst ABN AMRO weigert te verstrekken aan [eiser] )), 17 december 2003 (Productie 2 bij CvA ABN AMRO), 17 december 2003 (Productie 110 bij CvR), 18/20 oktober 2005 (Productie 6 bij CvA ABN AMRO)) en 22 december 2009 (Productie 109 bij CvR) en mogelijk nog andere kredietovereenkomsten waarvan [eiser] het bestaan (nog) niet kent, terwijl (a) ABN AMRO wist dat de schuld van [gedaagde 1] aan [eiser] ten bedrage van NLG 15 miljoen nog niet was voldaan, (b) ABN AMRO eraan heeft meegewerkt dat deze schuld van [gedaagde 1] aan [eiser] nog niet werd voldaan door het (helpen) optuigen van een overboekingscarrousel, (c) ABN AMRO alleen maar een hypotheekrecht van alleen [gedaagde 1] op landgoed [naam landgoed 2] heeft kunnen verkrijgen doordat [eiser] heeft meegewerkt aan de akte van verdeling van 1 december 2000 zonder dat [gedaagde 1] aan [eiser] zijn schuld wegens overbedeling heeft voldaan (als gevolg van de overboekingscarrousel), (d) ABN AMRO op geen enkel moment in de periode vanaf september 2000 tot en met december 2009 zich met [eiser] in verbinding heeft gesteld om de schuldverhouding tussen de beide broers De Jong te bespreken (dan wel [eiser] daarvoor te waarschuwen) terwijl ABN AMRO zelf heeft meegewerkt aan het ontstaan en laten voortbestaan van die schuldverhouding en daarvan heeft geprofiteerd (e) als gevolg waarvan de verhaalspositie van [eiser] op [gedaagde 1] is benadeeld en ABN AMRO te veroordelen de daardoor veroorzaakte schade aan [eiser] te vergoeden;

4. [gedaagde 1] , ABN AMRO, Allen & Overy en [gedaagde 5] hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [eiser] van € 11.649.230,67 (…), alles te vermeerderen met een depositorente van 5% althans de wettelijke rente vanaf 1 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. primair: [gedaagde 1] , Allen & Overy en [gedaagde 5] hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [eiser] van € 3.416.000, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair: [gedaagde 1] te gebieden zijn medewerking te verlenen aan een met [eiser] tot stand te brengen verdeling van de (gezamenlijke) bezittingen (…) en daarvoor ook elke benodigde informatie te zullen verschaffen, een en ander onder leiding van een door de KNB aan te wijzen notaris, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat [gedaagde 1] in strijd met dit bevel handelt;

6. [gedaagde 1] , Allen & Overy en [gedaagde 5] hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [eiser] van € 800.000, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

7. [gedaagde 1] , Allen & Overy en [gedaagde 5] hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [eiser] van €152.500, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

8. primair: (i) te verklaren voor recht dat (de overeenkomst die ten grondslag ligt aan) het levenslange zakelijk recht van gebruik ten gunste van [gedaagde 2] niet rechtsgeldig is gevestigd, althans buiten rechte vernietigd is, althans om in rechte het levenslange zakelijk recht van gebruik ten gunste van [gedaagde 2] te vernietigen en (ii) [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , Allen & Overy en [gedaagde 5] hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot voldoening aan [eiser] € 30.500 per jaar vanaf 1 januari 2012, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1januari2012 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair: [gedaagde 2] te gebieden om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis afstand te doen van het ten gunste van haar gevestigde levenslange zakelijk recht van gebruik althans te gebieden het recht van gebruik op te zeggen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag dat [gedaagde 2] nalaat aan het vonnis te voldoen, dan wel meer subsidiair: (i) [gedaagde 2] te verbieden ieder ander gebruik te maken van het weiland dan “het hebben, houden en berijden van paarden”, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [gedaagde 2] in strijd met dit verbod handelt, (ii) [gedaagde 2] te gebieden om niet meer dan 0,75 hectare van het weiland te gebruiken voor “het hebben, houden en berijden van paarden” en daartoe een – aan toestemming van [eiser] onderworpen – (van huize [naam 7] verwijderd) vast gedeelte van het weiland met schrikdraad te begrenzen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [gedaagde 2] in strijd met dit gebod handelt, (iii) [gedaagde 2] te gebieden gedurende maximaal 175 door [eiser] aan te wijzen dagen geen gebruik van het weiland te maken en (iv) [gedaagde 2] te gebieden haar medewerking te verlenen aan de omzetting van het zakelijk recht van gebruik in een contractueel mede-gebruiksrecht van het weiland met een beperkte, resterende looptijd van 1 jaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [gedaagde 2] in strijd met één of meer van deze verboden en geboden handelt;

9. [gedaagde 1] te gebieden de in (…) van deze akte omschreven goederen aan [eiser] af te geven binnen 2 dagen na betekening van het vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [gedaagde 1] in strijd met dit gebod handelt;

10. [gedaagde 1] te veroordelen tot voldoening aan [eiser] van: (i) € 34.912,84, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 augustus 2004 tot aan de dag der algehele voldoening en (ii) de helft van hetgeen [gedaagde 1] uit hoofde van het vonnis van de rechtbank Breda van 23 april 2008 heeft ontvangen (na uitbetaling daarvan door Nedamco aan [gedaagde 1] ), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de schadevergoeding van Den Braven Sealants B.V. tot aan de dag der algehele voldoening;

11. te verklaren voor recht dat aan artikel 6 van de Akte van levering aandelen Landgoed [naam landgoed 1] B.V. (…) door [gedaagde 1] geen rechten kunnen worden ontleend, althans dat deze bepaling nietig is;

12. te verklaren voor recht dat artikel 20 van de Algemene Bankvoorwaarden nietig is, althans nietig in relatie tot [eiser] ;

13. [gedaagde 1] , ABN AMRO, Allen & Overy en [gedaagde 5] hoofdelijk – des dat de een betalende de anderen zullen zijn gekweten – te veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van de overige schade die [eiser] heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens te wet;

14. [gedaagde 1] te veroordelen om de beslagkosten, te stellen op € 2.126,62 (…), aan [eiser] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

15. gedaagden hoofdelijk – des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten – te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de nakosten, bestaande uit € 131 aan nasalaris advocaat in geval van niet-betekenen, te verhogen met € 68 aan nasalaris in geval betekening plaatsvindt, en de explootkosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Verkort weergegeven hebben deze verschillende vorderingen betrekking op het volgende:

- vordering 1: (i) de akte 2000 en het kasrondje, (ii) de overboeking 2009 en (iii) de aktes 2009;

- vordering 2: de akte 2000 en het bedrag van NLG 15 miljoen;

- vordering 3: (i) de opbrengst van de verkoop van Nedamco, (ii) de verpanding van deposito 1, (iii) de kredietverlening door ABN AMRO aan [gedaagde 1] op onderpand van [naam landgoed 2] boven het bedrag van NLG 15 miljoen;

- vordering 4: het bedrag van NLG 15 miljoen uit hoofde van de akte 2000 ( [naam landgoed 2] ) minus kosten levensonderhoud [eiser] vermeerderd met rente;

- vordering 5: de benadeling van [eiser] bij de verdeling van [naam landgoed 1] (de waarde van [naam landgoed 1] minus de waarde van [naam 7] );

- vordering 6: de ship shape-garantie van [naam 7] ;

- vordering 7: de te lage waarde van het weiland in de aktes 2009;

- vordering 8: het recht van [gedaagde 2] op het gebruik van het weiland;

- vordering 9: de roerende goederen;

- vordering 10: schadevergoeding Den Braven Sealants B.V.-zaak (hierna: de DBS-zaak);

- vordering 11: artikel 6 (van de akte verkoop en levering aandelen [naam landgoed 1] B.V. van de aktes 2009);

- vordering 12: artikel 20 van de Algemene Bankvoorwaarden;

- vordering 13: overige schade, waaronder kosten adviseurs en advocaten;

- vordering 14: de beslagkosten;

- vordering 15: proceskosten inclusief nakosten.

3.3.

[eiser] heeft – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. Op initiatief en onder regie van [gedaagde 1] hebben zich in de periode van december 2000 tot december 2009 een reeks vastgoed- en andere transacties voorgedaan. Bij de voorbereiding en uitvoering daarvan waren telkens de oud-notaris en ABN AMRO nauw betrokken. Al deze transacties waren materieel evident in het voordeel van [gedaagde 1] en in het nadeel van [eiser] . [gedaagde 1] heeft met hulp van de oud-notaris en ABN AMRO op een onzakelijke en oneerlijke wijze (en derhalve onrechtmatig) in deze reeks transacties het vermogen van [eiser] afgenomen. De oud-notaris en ABN AMRO hebben structureel hun wettelijke en contractueel geregelde zorgplicht niet nageleefd. Daarbij geldt voor de akte 2000 dat, anders dan [gedaagde 1] betoogt, [naam landgoed 2] daarbij is verdeeld, en dat [eiser] niet door [gedaagde 1] (ABN AMRO en/of de oud-notaris) op de hoogte is gebracht van het kasrondje waarbij het bedrag van NLG 15 miljoen op een rekening van [gedaagde 1] bij ABN AMRO is geplaatst. [gedaagde 1] heeft het bedrag van NLG 15 miljoen nog immer niet aan [eiser] voldaan. Voor de overboeking 2009 (op 24 november 2009) heeft [eiser] geen toestemming gegeven. Voor de ontvlechting geldt dat [eiser] noch zijn adviseur [naam 4] werd voorzien van informatie om zijn ( [eiser] ’) positie of de zakelijkheid en fairness van de ontvlechting te kunnen beoordelen. Ook ontbreekt elke uitleg van de oud-notaris en ABN AMRO op (onderdelen van) deze complexe ontvlechting. Met deze adviseurs van [gedaagde 1] heeft [eiser] geen enkel relevant contact gehad. Bij de gesprekken met [eiser] heeft [gedaagde 1] de wils- en oordeelsvoming van [eiser] met een reeks van listige kunstgrepen en met succes beslissend weten te beïnvloeden, aldus steeds [eiser] .

3.4.

[gedaagden 1 + 2] , ABN AMRO, A&O en de oud-notaris voeren ieder afzonderlijk gemotiveerd verweer.

in het incident

3.5.

[eiser] vordert de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in het incident:

- [gedaagde 1] , A&O en de oud-notaris te bevelen aan [eiser] binnen 7 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis afschrift te verstrekken van: (i) papieren of – middels gangbare middelen toegankelijke elektronische – afschriften van uitgewisselde correspondentie uit de maanden september tot en met 29 december 2009 tussen de oud-notaris (en/of een of meer van zijn medewerk(st)ers) enerzijds en [gedaagde 1] en/of Ernst & Young en/of enige andere adviseur of dienstverlener (zoals ABN AMRO) van [gedaagde 1] anderzijds waarin instructies en/of financiële gegevens zijn opgegeven aangaande de inhoud van de stapel (notariële) akten die bij de oud-notaris in deze periode in voorbereiding was én (ii) tijdschrijfgegevens van de oud-notaris (en/of een of meer van zijn medewerk(st)ers) uit de maanden september tot en met 29 december 2009, daaronder begrepen die van de onafhankelijke notarisklerk [naam 6] (althans de door deze notarisklerk aan de oud-notaris toegestuurde nota(s) voor zijn in deze periode verrichte diensten), onder de bepaling dat elke gedaagde die verzuimt uitvoering te geven een dwangsom verbeurt van € 10.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag, dat dat verzuim voortduurt; en

- [gedaagde 1] en ABN AMRO te bevelen aan [eiser] binnen 7 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis afschrift te verstrekken van: papieren of – middels gangbare middelen toegankelijke elektronische – afschriften van uitgewisselde correspondentie tussen ABN AMRO en [gedaagde 1] voorafgaand aan en verband houdende met de overboeking van € 25 miljoen die op 23 november 2009 door [gedaagde 1] ten laste van een geblokkeerd termijndeposito bij ABN AMRO naar een eigen rekening van [gedaagde 1] is uitgevoerd, onder de bepaling dat elke gedaagde die verzuimt uitvoering te geven een dwangsom verbeurt van € 10.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag, dat dat verzuim voortduurt; en

- [gedaagde 1] , ABN AMRO, A&O en de oud-notaris te bevelen aan [eiser] binnen 7 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis afschrift te verstrekken van: papieren of – middels gangbare middelen toegankelijke elektronische – afschriften van uitgewisselde correspondentie tussen ABN AMRO, de oud-notaris en/of voorafgaand aan en verband houdende met het vestigen van een derdenhypotheek op 29 december 2009 op het woonhuis van [eiser] ter verzekering van de financiële verplichtingen van [gedaagde 1] jegens ABN AMRO, onder de bepaling dat elke gedaagde die verzuimt uitvoering te geven een dwangsom verbeurt van € 10.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag, dat dat verzuim voortduurt; en

- A&O en de oud-notaris te bevelen aan [eiser] binnen 7 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis afschrift te verstrekken van: de stukken als bedoeld in art. 2:204c (oud) BW die zijn gehecht aan de notariële akte van 17 december 2003 waarbij landgoed [naam landgoed 2] door [gedaagde 1] verkocht en geleverd werd aan landgoed [naam landgoed 2] , onder de bepaling dat elke gedaagde die verzuimt uitvoering te geven een dwangsom verbeurt van € 10.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag, dat dat verzuim voortduurt; en

- [gedaagde 1] te bevelen aan [eiser] binnen 7 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis afschrift te verstrekken van: de taxatierapporten die in opdracht van [gedaagde 1] zijn opgesteld met betrekking tot de landgoederen [naam landgoed 2] (in 2003) en [naam landgoed 1] (in 2004), onder de bepaling dat als [gedaagde 1] verzuimt uitvoering te geven een dwangsom verbeurt van € 10.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte van een dag, dat dat verzuim voortduurt;

- alles met veroordeling van gedaagden (incidenteel verweerders) in de proceskosten in het incident, inclusief de nakosten bestaande uit € 131 aan nasalaris advocaat in geval van niet betekenen en € 199 aan nasalaris in geval betekening plaatsvindt, en de explootkosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van het incidentele vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.6.

[gedaagden 1 + 2] , ABN AMRO, A&O en de oud-notaris voeren ieder afzonderlijk gemotiveerd verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover nodig – (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak

4.1.

Dit geschil gaat in de kern over twee transacties waardoor [eiser] stelt te zijn benadeeld: (i) de “verdeling” van [naam landgoed 2] in 2000 (de akte 2000) en (ii) de ontvlechting in 2009 (de aktes 2009). [eiser] stelt – kort gezegd – dat [gedaagde 1] zijn verplichting uit hoofde van de akte 2000 om aan hem het bedrag van NLG 15 miljoen te betalen niet is nagekomen en dat de inhoud van de aktes 2009 geen eerlijke verdeling van het gezamenlijke vermogen tot gevolg heeft gehad en dat hij zich daarvan op het moment van het passeren van de aktes niet, althans onvoldoende, bewust was, althans zich gedwongen voelde hiermee akkoord te gaan.

de ontvlechting in 2009 – finale kwijting

4.2.

Voor de beoordeling van de vorderingen ten aanzien van de ontvlechting zijn de hierna weergegeven aanvullende stukken en feiten van belang.

4.3.

Een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde 1] van 22 december 2008:

“(…)

Alvorens mijn instemming te geven voor deze wijziging van de tenaamstelling het volgende:

- ik wil een schriftelijke verklaring van de bank dat ik van 1 op 1 basis ontslagen ben uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle schulden in prive en elke andere hoedanigheid zoals enig aandeelhouder van [naam landgoed 1] .

- misschien is het sowieso een goed idee dat [naam 1] morgenochtend [naam 4] even bijpraat. (…)”.

4.4.

Een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde 1] van 19 juni 2009:

“(…) In augustus 2007 hebben wij op jouw verzoek enkele malen ontmoet. Globaal is er toen het volgende afgesproken :

- te streven naar financiële ontvlechting. (…)

- (…)

- Ontvlechting van prive administratieve zaken, die jarenlang via het kantoor ‘ [naam 2] ’ zijn afgehandeld.

(…)

Omdat [naam 5] is geïnteresseerd in zowel huur als koop van [naam landgoed 1] en ik geïnteresseerd ben in zowel huur als koop van [naam 7] ligt het voor de hand om nu over een ruil te spreken nu beide huizen beschikbaar zijn. (…) In [woonplaats] zijn slechts een aantal huizen die mij erg aanspreken. [naam 7] is hier een voorbeeld van. Hoe vaak komt een dergelijk huis op de markt?”.

4.5.

Een schriftelijk voorstel van [gedaagde 1] aan [eiser] van 27 september 2009:

VOORSTEL

Rijksmonument “villa [naam 7] ” (inclusief weiland) - Taxatiewaarde 3.500.000

Hypotheek (1) 1.000.000

Aan [eiser] / [naam 3] toebehorende zaken

ABN AMRO (…) (…)

GBP Coutts 5.089

(…)

Uitgangspunten:

- Overdracht aandelen Landgoed [naam landgoed 1] (incl. rekeningcourantvordering ad ca €2 mio. aan [gedaagde 1] )

- Uitschrijven [eiser] als mede-rekeninghouder verpande deposito’s ABN AMRO

- Ontruiming en verkoop pand [adres]

- Overdracht weiland van [gedaagde 1] aan [eiser] (erfdienstbaarheid gebruiksrecht voor pony’s)

- Verrekening rekeningcourantverhoudingen IJsvogel Advisory Servies B.V. en [gedaagde 1] (ad ca. €200K)

- Kwijtschelding verrekening gemaakte kosten tbv [naam 3] (o.a. huisvesting, belastingaftrek)

- Wederzijdse finale kwijting [eiser] / [naam 3] en [gedaagde 1]

(…)”.

4.6.

Een door [eiser] opgesteld verslag van een bespreking met [gedaagde 1] gehouden op 27 september 2009:

“(…)

Verdeling van [naam landgoed 1] en de deposito’s:

Die komen aan [gedaagde 1] toe. Op de huizen zitten schulden in het totaal eur 5,5 miljoen wat niet is afgedekt door de deposito’s en de daartegenoverstaande geldleningen. (…)”.

4.7.

Een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde 1] van 1 oktober 2009:

“(…)

Ik heb lang nagedacht over je voorstel en kan me voor een stuk vinden in je oplossingen. Het enige wezenlijke verschil is dat ik [naam landgoed 1] wil hebben, in plaats van [naam park] .

- (…) Ik ben bereid af te zien van enige vordering van mij ter zake van mijn aandeel in de opbrengst van Nedamco

- Toen we [naam landgoed 2] en [naam landgoed 1] uit elkaar haalden en ieder zijn huis op eigen naam kreeg (via de BV’s) had ik recht op een vergoeding van de helft van de meerwaarde van jouw huis. Ik ben bereid ook hiervoor af te zien van enige compensatie voor die overwaarde.

(…)

- Ik wil dit alles voor de jaarwisseling uitgevoerd hebben.

Hiermee voorkomen we eindeloze gesprekken, eindeloze procedures, dus eindeloos veel kosten. Maar belangrijker nog: hiermee voorkomen we dat we elkaar kwijtraken. Ik hoop dat je begrijpt dat ik hiermee bereid ben af te zien van weet ik veel wat voor claims. Uiteindelijk ieder een schone lei, jij met [naam landgoed 2] , ik met [naam landgoed 1] . De rest blijft ieders eigen probleem. (…)”.

4.8.

Een e-mailbericht van [eiser] aan [naam 4] cc aan [naam 3] van 2 november 2009:

“(....)

Gisteren heb ik 2 uur met J ontmoet.

(…)

[gedaagde 1] blijft vasthouden aan zijn eerdere aanbod: [naam park] , weiland, enkele spaarrekeningen + 1m hypotheek.

(…)

NB: Heb dit concept aan P [ [naam 3] , rechtbank] laten lezen. Zij vindt het half zacht (…)”.

4.9.

Een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde 1] van 5 november 2009:

“(…)

Onderstaand voorstel is mijn uiterste bod. Indien ik hierop geen reactie van jou ontvang, ben ik helaas genoodzaakt de interventie van anderen in te roepen. (…)

Mijn bod is het volgende:

- [naam 7] wordt voor [eiser] uit ons vermogen aangekocht van [naam 5]

- Het weiland van [naam 7] wordt aan [eiser] overgedragen en op zijn naam gesteld

- Een bedrag van 1,5 miljoen wordt voor 1 januari 2010 op een door [eiser] te bepalen rekening overgemaakt.

(…)

Mocht je deze laatste poging om in een goede verstandhouding onze gemeenschappelijke bezittingen te ontvlechten afwijzen, dan zal ik er toe moeten over gaan om mijn rechten te claimen:

1) Het bezit van [naam landgoed 1]

2) Vordering op jou sinds 4 december 2000 ter grootte van NLG 15 miljoen voor mijn uitkoop uit [naam landgoed 2] . Volgens Allen & Overy op mijn naam overgemaakt naar de ABN AMRO in Monaco. Referentie brief Allen & Overy 24 februari 2009.

(…)

In het vermogensoverzicht van 2006, de laatste aan mij getoond jaarcijfers opgemaakt door Ernst & Young, zijn o.a de volgende onroerend goed bezittingen opgevoerd:

Landgoed [naam landgoed 2] B.V. E 14.500.000

Landgoed [naam landgoed 1] E 11.400.000

Weiland [naam 7] E 155.190

(…)

Totaal ca E 26,5 miljoen.

(…)
Indien ik zondag avond, 8 november 2009, geen serieuze reactie heb mogen ontvangen per email, dan ben ik genoodzaakt een spoed procedure te starten. (…)”.

4.10.

Een e-mailbericht van [eiser] aan onder anderen [gedaagde 1] van 2 december 2009:

“Alvorens een reactie te geven hoe ik tegenover jouw voorstel voor ontvlechting dd 01-12-09 sta, heb ik nog de volgende vragen:

-Jij wil af van [adres] hypotheek. Uit ons onderzoek is gebleken dat er een hypotheek op rust van Euro 906.000. (…) Ook is getracht maximaal te lenen bij de bank. (…)

-Je bent voornemens E 500.000 van de D&D hypotheek af te lossen op het moment van overlijden van Am [de moeder van [gedaagde 1] en [eiser] , rechtbank]. (…) Omdat jij bij mijn bezittingen overzicht het huis op E 2.500.000,-- waardeert, ben jij dan ook bereid om mijn erfdeel op minimaal E 500.000 te garanderen?

-Jij gaf aan geen enkel fiscaal voordeel te hebben genoten via de IJsvogel constructie. HB [ [naam 4] , rechtbank] heeft hierover een memo opgesteld, zie separate email in bijlage, waaruit zou blijken dat dit wel degelijk het geval is. Graag reactie.

-Bij het weiland heb je tussen haakjes gesteld dat [gedaagde 2] hiervan gebruik kan blijven maken. Ik zal dit verzoek in overweging nemen (…).

(…)

-Jij gaf aan bij een eventuele toewijzing van een schadevergoeding uit de [rechtzaak] geen 50% aan mij te willen afstaan omdat jij de kosten van procederen de afgelopen 10 jaar voor je rekening hebt genomen. (…) Ik ben genegen na te denken over een lager percentage (…)”.

4.11.

Een e-mailbericht van [eiser] aan onder anderen [gedaagde 1] van 6 december 2009:

“(…)

WEILAND: Jij voert het weiland als mijn bezitting op, terwijl het nog onduidelijk is of ik belasting moet afdragen zodra ik dit bezit op mijn naam krijg. (…)

KOPPELING BETALING AAN ERFENIS: (…)

KWARTJE VAN ABN: (…)

HYPOTHEEK D&D: Graag ontvang ik schriftelijk hoe je deze wil structureren. (…)

ERFDIENSTBAARHEID GEBRUIK WEILAND: Ik wil mij onder geen beding vastleggen middels een gebruiksrecht in de vorm van een erfdienstbaarheid. (…)

DBS RECHTZAAK: (…) In het kader van voorkoming van elllelange discussies ben ik genegen mijn aandeel in een eventuele schade toewijzing terug te brengen naar 25%.

MEERWAARDE [naam landgoed 1] BIJ VERKOOP: Je hebt aangegeven [naam landgoed 1] niet te willen verkopen. Indien dit onverhoopt toch het geval zou zijn wil ik meeprofiteren in een deel van deze opbrengst. (…)

BETALING ZEKERHEDEN: (…) Je hebt zelf aangegeven bijna te zijn ‘omgevallen’ dit jaar. Er is dus wel reden voor enige zorg bij mij. (…)

Concluderend: Er zijn ooit hypotheken losgepeuterd bij de bank voor beide landgoederen voor tesamen ca E 25m.

Maw in economisch hoogtij zijn dit kennelijk toch waarden die niet ondenkbeeldig zijn. Globaal wil jij mij toebedelen met E 2.5m + een weiland met een onduidelijke waarde. Maw mijn deel van de toewijzing van verdeling is bescheiden.

(…)

Indien jij geen harde toezeggingen kan(wil) doen, dan concludeer ik hieruit dat jij te weinig middelen hebt om mij nu uit te kopen. (…)

(…)

NB: (…) Wij willen graag door een bouwkundige een inspectie rapport laten opstellen van D&D. (…)”.

4.12.

Een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde 1] van 13 december 2009:

“(…)

Ik begrijp dat jij globaal het volgende ontvlechtingsvoorstel wil doen:

HERENGRACHT

(…)

[naam 7]

- Op naam van [eiser] , [naam 5] levert in ship shape toestand af.

(…)

WEILAND

- [gedaagde 1] bepaalt de waarde van het weiland, [gedaagde 1] betaalt ook de overdrachtsbelasting en het weiland komt dan vrij op naam van [eiser]

- [eiser] zal landgoedrangschikking zelf aanvragen

- Nadere afspraken over het gebruik en het beheer van het weiland worden in onderling overleg gemaakt door [eiser] en [gedaagde 2]

LIQUIDE

- 0.5m wordt door [gedaagde 1] op een spaarrekening [eiser] bij ABN-AMRO gestort.

BELASTING VOORDEEL

(…)

VERKOOP [naam landgoed 1]

- Verzoek om 10% voor [eiser] van de overwaarde boven de 5 m binnen 10 jaar is door [gedaagde 1] afgewezen.

DBS

- [gedaagde 1] wil dit gezien de korte tijdsspanne en de complexe situatie buiten de ontvlechting houden.

Hieronder is vermeld het globale voorstel van [eiser] tot ontvlechting. [eiser] is opnieuw genegen verdere concessies te doen om de impasse nu te doorbreken en veel gedoe later te voorkomen: De vermogens delen die reeds door [gedaagde 1] hierboven zijn vermeld worden niet herhaald.

[naam park] :

[gedaagde 1] levert [eiser] huis en weiland v.o.n. [gedaagde 1] mag afbetaling hypotheek over een groter aantal jaren uitsmeren. (…)

MEERWAARDE CLAUSULE [naam landgoed 1] :

[eiser] is bereid om af te zien van de clausule voor 10% van de meeropbrengst boven de E 5m bij eventuele verkoop.

DBS:

[eiser] is accoord om de verdeling van de opbrengst uit de rechtzaak tot later datum uit te stellen.

HERENGRACHT:

[eiser] verneemt graag van [gedaagde 1] of hij zijn deel van [adres] kan overnemen. (…)

ACHTERSTALLIG ONDERHOUD [naam park] :

Eerder was de indruk gewekt dat D&D in ‘ship-shape’ toestand zou zijn. Uit het bouwkundig onderzoek dd 11-12-09 blijkt dat ca E 75,000 is benodigd om een aantal elementen weer in acceptabele toestand te brengen”. (…)”.

4.13.

Een e-mailbericht van [eiser] aan onder anderen [gedaagde 1] van 22 december 2009:

“(…)

Het pakket met 63 paginas ‘concepten met betrekking tot voorgenomen ontvlechting’ heb ik zaterdag in [woonplaats] afgehaald. (…)

TAB 1 –

Op pagina 3 (…) is vermeld dat de koper het huis accepteert in de huidige staat. Mij is in eerste instantie gemeld dat het in ‘ship-shape’ zou zijn. Zoals vorige week aangegeven is er sprake van ernstig achterstallig onderhoud, waar ca E 70.000 mee is gemoeid. (…)

TAB 6

Vorige week heb ik kenbaar gemaakt dat de vorm waarin jij het gebruik van het weiland door [gedaagde 2] wil veilig stellen niet acceptabel is. In de huidige versie is nog extra opgenomen dat [gedaagde 2] levenslang onbeperkt gebruik aan derden kan toestaan. (…)

TAB 7:

(…) artikel 6: Hier wordt gesproken over finale wederzijdse kwijtschelding van roerende en onroerende zaken. Eerder heb ik aangegeven te willen meedelen in de opbrengst van de Braven rechtzaak. Hier is niets over opgenomen. Ook zijn er van mij bezittingen opgeslagen op [naam landgoed 2] , die daar te goeder trouw zijn gestald. Door deze clausule te tekenen, zou ik daarmee formeel afstand doen van deze bezittingen. Dit is niet acceptabel.

(…)

Tot slot heb ik meerdere malen aangegeven E 0.5m cash deposito te willen ontvangen evenals Huis en weiland [naam park] v.o.n. Ook aan deze voorwaarde is nog niet voldaan. (…)”.

4.14.

Een brief van [naam 3] aan de oud-notaris van 23 december 2009:

“(…) In mijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [naam 8] , geboren op 13 maart 2008, de enige wettige afstammeling van [eiser] richt ik mij tot u. Daarnaast in mijn hoedanigheid van partner van [eiser] die zich ernstig zorgen maakt over de inhoud en de gang van zaken rondom deze transacties.

[naam landgoed 2] en de NLG 15.000.000

[naam landgoed 2] is verdeeld bij een akte van verdeling op 1 december 2000. Sinds uw brief van 24 februari 2009 is het [eiser] duidelijk geworden dat het huis [naam landgoed 2] al is verdeeld en wel aan [gedaagde 1] , en dat hij daarvoor geld heeft ontvangen. Het geld is gestort op een rekening op zijn naam maar hij heeft nimmer een handtekening geplaatst voor de verdere overschrijving van het geld zorg te dragen laat staan er over beschikt. (…)”.

4.15.

Een e-mailbericht van [eiser] aan onder anderen [gedaagde 1] van 27 december 2009:

“(…)

Hierbij mijn reactie op de 2e versie, die ik van [gedaagde 5] heb mogen ontvangen.

(…)

Graag verneem ik of jij bereid bent op de volgende hoofdpunten je voorstel aan te passen, zodat we de afspraak op dinsdag bij de notaris door kunnen laten gaan:

ACHTERSTALLIG ONDERHOUD [naam park] :

Ben je bereid een voorziening te treffen voor E 70,000 zodat D&D in ‘ship-shape’ conditie kan worden gebracht.

WEILAND EN HUIS [naam park] :

Te leveren vrij op naam(v.o.n.), maw [eiser] zal worden gevrijwaard van eventuele rente betalingen over door [gedaagde 1] te vestigen hypotheek op [naam park] .

CASH DEPOSITO:

E 0.5 m te storten op [eiser] zijn rekening op 29-12-09 niet als lening, maar als onomkeerbaar verdeeld bezit. Over deze geldstroom is nl niets vastgelegd in het boek van [gedaagde 5] .

[rechtzaak] :

Naar ik begrepen had was jij accoord de verdeling van de eventuele opbrengst uit de DBS rechtzaak uit deze ontvlechting te houden en na 1-1-10 op te lossen.

Dit staat haaks op de door jou voorgestelde ‘finale wederzijdse kwijtschelding’.

BEZITTINGEN OP [naam landgoed 2] :

De zelfde clausule zou eveneens van toepassing zijn op mijn meubels en archieven op [naam landgoed 2] . Ook dat is niet acceptabel.

GEBRUIK WEILAND:

Ben genegen met [gedaagde 2] voor 10 jaar een afspraak te maken over het gebruik. (…)

Tot slot is mij opgevallen dat er aanpassingen zijn verricht tov het 1e concept die niet gearceerd zijn en bovendien ook niet bepaald in mijn voordeel zijn gewijzigd. Waarom zijn deze wijzigingen niet vermeld. (…)”.

4.16.

Een e-mailbericht van de notaris aan onder anderen [gedaagde 1] en [eiser] van
28 december 2009:

“(…) Sinds de verzending van de laatste concepten ten behoeve van de finalisering van de ontvlechting heb ik vanmiddag gesproken met ieder van jullie. [eiser] deelde mij mede omtrent een aantal materiele punten nog geen overeenstemming te hebben met [gedaagde 1] . (…) Voorts ben ik gebeld door de partner van [eiser] , mevrouw [naam 3] , die mij uit eigen hoofde heeft bericht dat voor wat betreft [eiser] van overeenstemming nog geen sprake is, onder meer omdat naar haar zeggen er verschil bestaat in kennis en [eiser] zich onder druk gezet voelt.

Volledigheidshalve benadruk ik nog eens er vanuit te gaan dat bij een mogelijke ondertekening morgen van de voorliggende stukken, al dan niet in nog te wijzigen vorm, zowel [gedaagde 1] als [eiser] dit met volle overtuiging en wetenschap over en weer zullen doen. (…)”.

4.17.

Een e-mailbericht van [gedaagde 1] aan [eiser] van 28 december 2009:

“(…)

Puntsgewijs geef ik hierbij een reactie op jouw opmerkingen:

1) (…) [naam 5] [ [naam 5] , rechtbank] levert het huis “ship-shape” op, conform het bouwkundig rapport en het wordt ook nog in de kleuren van jouw keuze geschilderd, mits je op tijd de kleurnummers opgeeft. Als je daar aan hecht wil ik ook nog wel een bankgarantie van 10.000,- euro stellen dat Marcel zijn afspraken nakomt

2) (…)

3) Jij ontvangt morgen 300 euro duizend op jouw rekening. Samen met de daar reeds aanwezige saldo levert dat ruim 500 duizend euro op. Doordat ik jou finale kwijting geef, is het bedrag van jou.

4) Ik ben bereid om deze transactie nu zo te doen, omdat ik dan ook van het gedoe af ben. (…)

(…)

Ik stel voor binnen een termijn van 6 weken al jouw archieven, dozen met boeken en andere spullen op te halen van [naam landgoed 2] en [naam landgoed 1]

(…)

Ik spreek graag met je af dat zodra er een alternatief weiland is gevonden jij het gebruik en beheer van het weiland krijgt. (…)”.

4.18.

Een e-mailbericht van [eiser] aan onder anderen [gedaagde 1] van 28 december 2009:

“(…)

Wat heb jij daar tot nu toe tegenover gezet? Niets anders dan verder en verder en verder uitkleden van mijn voorstellen. Onder het eeuwige argument dat jij zo veel voor mij hebt gedaan al deze jaren. Maar daar staat, zoals ook jij weet, net zo veel van mij tegenover. Ik heb het over de niet betaalde huur voor mijn deel van [naam landgoed 2] , over mijn deel in de opbrengsten van [naam landgoed 1] , over mijn opbrengsten van de door jou geinvesteerde bedragen, Dus als we moeten strijden, dan weet ook ik waar ik voor vecht.

Omdat het nu zover gekomen is dat er morgen een verdeling KAN plaatsvinden, geef ik je onderstaand mijn ABSOLUTE en LAATSTE randvoorwaarden:

- de eigendom van D&D + weiland komt volledig bij mij

- ik ben bereid de hypotheek van EUR 1 miljoen daarop te gedogen, MITS jij de rente en

aflossingsverplichtingen daarvoor op je neemt, mij daarvan vrijwaart en de hypotheek met minstens EUR 100.000 per jaar zult aflossen.

- het weiland staat mij volledig ter beschikking. Ik ben bereid het gebruik door [gedaagde 2] te gedogen zolang jij de hypotheeklast van de miljoen voldoet, gedurende de 10 jaars periode.

- daarnaast krijg ik de EUR 500.000 zonder verdere schuldverplichting aan jou

- nu is er per saldo een schuld van mij van EUR 500.000 gecreeerd, deze komt geheel te vervallen

(…)

- mijn aandeel in de DBS claim blijft overeind

Als je hiermee niet akkoord kunt gaan, kan de afspraak bij de notaris morgen worden afgeblazen, want dan hebben we geen deal.

Zonder deal zal ik vechten voor [naam landgoed 1] . (…)”.

4.19.

Een e-mailbericht van [eiser] aan de oud-notaris van 29 december 2009:

“Zoals gisteren reeds aangegeven zijn er nog enkele verschilpunten tussen [gedaagde 1] en mij op te lossen alvorens er getekend kan worden. Zie mijn onderstaande finale aanbod, waarop hij nog niet heeft gereageerd. (…)”.

4.20.

Tijdens de bijeenkomst bij de notaris op 29 december 2009 zijn de concepten van de aktes 2009 nog op drie onderdelen gewijzigd:

- in de akte van verkoop en levering van aandelen van [naam landgoed 1] is:

o de koopprijs van de aandelen met € 500.000 verhoogd;

o aan artikel 6 toegevoegd: “behoudens de vorderingen over en weer uit hoofde van akten van geldlening de dato heden”;

- in de akte van levering/ vestiging recht van gebruik met betrekking tot het weiland is toegevoegd een verplichting voor [gedaagde 1] : “(…) al het mogelijke te verrichten om voor de gebruiker een alternatief grasland te vinden zodanig, dat voormeld recht van gebruik door de gebruiker kan worden opgezegd.”

4.21.

Een e-mailbericht van [naam 4] aan onder anderen [gedaagde 1] , [eiser] en de oud-notaris van 29 juni 2010:

“(…) [eiser] heeft in december volledige medewerking verleend aan zijn broer om de knelpunten die toen nog bestonden weg te nemen. (…)”.

4.22.

Een e-mailbericht van [eiser] aan onder anderen [gedaagde 1] van 5 december 2011:

“(…) Op de cruciale datum 29-12-2009 had ik aangegeven niet te zullen verschijnen omdat partijen nog te ver uiteen lagen, onder andere op het punt van het weiland, waardoor ik aldoor dat recht van gebruik niet wilde.

Op aandringen van [naam 10] [de zus van [gedaagde 1] en [eiser] , rechtbank] ben ik alsnog verschenen om persoonlijk eea toe te lichten. Toen na uren gesteggel nog 1 belangrijk geschilpunt resteerde, zijnde het weiland en het recht van gebruik van [gedaagde 2] (…)”.

4.23.

Een schriftelijke verklaring van [naam 4] van 16 januari 2015:

Tweede halfjaar 2009

Op 19 juni 2009 neemt [eiser] het initiatief richting [gedaagde 1] om de ontvlechting van de gemeenschappelijke vermogens opnieuw aan de orde te stellen. (…)

Deze poging leidt tot een gesprek tussen [gedaagde 1] en [eiser] op 27 september 2009, waarbij [gedaagde 1] hem een memo overlegt. (…) Vanaf dat moment tot aan eind 2009 word ik een aantal malen door [eiser] benaderd met vragen rond dit voorstel. (…) Uiteindelijk resulteert dit in de tekensessie bij de notaris. Tot aan de avond daaraan voorafgaand heb ik [eiser] ontraden te tekenen (…)”.

4.24.

Een schriftelijke verklaring van [naam 5] van 8 februari 2015:

“(…) Eind 2009 ben ik door [gedaagde 1] benaderd met het verzoek mijn te koop staande woning [ [naam 7] , rechtbank] aan zijn broer [eiser] te verkopen en het appartement van [gedaagde 1] en [eiser] (…) van hen te kopen. Ik huurde op dat moment landgoed [naam landgoed 1] .

Ik was daar in principe toe bereid en ben daarover met [gedaagde 1] en later ook [eiser] in gesprek gegaan. Uiteindelijk zijn we tot afspraken gekomen. (…)

We hadden afgesproken de woningen “as is” te leveren. [eiser] nam hier geen genoegen mee, omdat hij vond dat er nog wat aan mijn woning in [woonplaats] moest gebeuren. Ik heb hem toen gezegd dat ik de woning shipshape zou opleveren. Hiermee bedoelde ik schoon en op een wijze dat je er zo kon intrekken. In december 2009 ben ik met [eiser] door de woning gegaan om te kijken wat er nog moest gebeuren. We hadden toen afgesproken dat ik een golfplaten dakje van de garage zou laten repareren en een badkamerkraan en dat ik bepaalde muren zou laten schilderen die beschadigd waren. [eiser] was hiermee akkoord en daarom heb ik hem de gordijnen die ik nog niet zo lang daarvoor speciaal had laten maken (kosten ongeveer 55 duizend euro), een eikenhouten tafel op maat gekocht voor de keuken en een kostbaar Frans logeerbed, aan [eiser] gegeven. Als [eiser] toen niet akkoord zou zijn geweest had ik nooit deze roerende zaken aan [eiser] geschonken. (…)”.

4.25.

Een schriftelijke verklaring van [naam 2] van 9 februari 2015:

“(…) Sinds 1998 ben ik bij [gedaagde 1] en [eiser] werkzaam. In de eerste periode woonde ik in de dienstwoning van [naam landgoed 1] en had ik daar ook mijn kantoor. Later is mijn kantoor naar [naam landgoed 2] verhuisd. (…)

Ik heb mij altijd beziggehouden met het beheer en onderhoud van [naam landgoed 1] en [naam landgoed 2] (…) Ik hield voor [gedaagde 1] en [eiser] de volledige administratie bij en archiveerde diverse stukken.

Dit begon in 1998 met de verkoopdocumentatie van Nedamco North America Corporation. Daarna kreeg ik van [gedaagde 1] en [eiser] alle administratieve bescheiden die belangrijk waren, zoals testamenten, verzekeringen, belastingaangiften (…) bankafschriften overeenkomsten met bijvoorbeeld de bank (…) etcetera.

Zowel [gedaagde 1] als [eiser] kwamen vaak bij mij op kantoor om dingen voor ze te regelen (…)”.

4.26.

Een schriftelijke verklaring van [naam 2] van 23 februari 2016:

“(…) De administratie die ik van [gedaagde 1] en [eiser] bijhield, bestond voornamelijk uit de administratie met betrekking tot [naam landgoed 2] , [naam landgoed 1] en het appartement (…). Maar in mijn kantoor bevonden zich ook allerlei stukken over bankrekeningen van [gedaagde 1] en [eiser] (…) documenten van (…) notarissen (…) enzovoorts.

[eiser] en [naam 3] hebben regelmatig stukken uit de administratie opgevraagd. (…)”.

oordeel rechtbank

4.27.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] en [eiser] in elk geval vanaf september 2009 uitgebreid en grondig hebben onderhandeld over de ontvlechting van hun gezamenlijke vermogen. Op de concepten van de als sluitstuk van deze onderhandelingen door de oud-notaris opgemaakte aktes 2009 heeft [eiser] tot tweemaal toe puntsgewijs commentaar geleverd. Aan het eind van de onderhandelingen waren partijen elkaar dicht genaderd en resteerden nog slechts enkele onderhandelingspunten, te weten het recht van [gedaagde 2] op het gebruik van het weiland en een extra bedrag van € 500.000 voor [eiser] . Tijdens de 5½ uur durende sessie bij de oud-notaris op 29 december 2009 hebben [gedaagde 1] en [eiser] over deze laatste punten overeenstemming bereikt.

[gedaagde 1] heeft van meet af aan (reeds in zijn voorstel van 27 september 2009) en ook voortdurend in het onderhandelingsproces de eis van finale kwijting over en weer aan de orde gesteld. [eiser] heeft deze bedoeling onderschreven, zoals in ieder geval staat in zijn reactie van 1 oktober 2009 blijkens zijn opmerking: “ieder een schone lei”. Deze finale kwijting is uiteindelijk neergelegd in artikel 6 van de akte verkoop en levering aandelen [naam landgoed 1] B.V. Dit artikel is niet op het laatste moment in de akte opgenomen, maar was al opgenomen in de concepten van de aktes 2009 en [eiser] heeft op dit specifieke artikel net als op de overige inhoud van de concepten meermalen commentaar geleverd. Tijdens de bijeenkomst bij de oud-notaris op 29 december 2009 zijn nog een drietal laatste wijzigingen in de aktes 2009 aangebracht, waaronder een (hier verder irrelevante) wijziging in artikel 6, waaruit volgt dat ook toen ook nog aandacht is besteed aan de finale kwijting.

Aldus wordt vastgesteld dat [eiser] bij de daadwerkelijke ontvlechting, het ondertekenen van de aktes 2009 en de daarmee gesloten transacties, nadrukkelijk wist waarmee hij instemde en dat hij en [gedaagde 1] elkaar daarbij over en weer finale kwijting verleenden. Die finale kwijting ziet op alles (”alle tot heden door hen gehouden gemeenschappelijke onroerende en roerende zaken, aandelen of andere vermogensbestanddelen over en weer door partijen geleverd”) en is volledig en finaal; er staat immers “dat partijen derhalve uit dien hoofde niets meer van elkaar te vorderen hebben”. De finale kwijting ziet derhalve ook op allerlei zaken waarover [eiser] in deze procedure vorderingen meent te kunnen instellen. Nedamco, [naam landgoed 1] , de waarde van het weiland, de roerende zaken en de DBS-zaak vallen alle onder de finale kwijting, alsmede het bedrag van NLG 15 miljoen. [eiser] doet het in deze procedure voorkomen alsof hij pas na de ontvlechting in 2009 heeft “ontdekt” dat hij uit hoofde van de “verdeling” van [naam landgoed 2] nog het bedrag van NLG 15 miljoen van [gedaagde 1] had te vorderen, maar dat is evident onjuist. Gezien zijn e-mail van 5 november 2009 (zie hiervoor onder 4.9) en de brief van [naam 3] van 23 december 2009 (zie hiervoor onder 4.14) is buiten twijfel dat hij heel goed wist van (de achtergrond van) dat bedrag en dat dit dus (voor zover nodig) is meegenomen in de finale kwijting. Ditzelfde geldt voor het bedrag van € 25 miljoen op de en/of-rekening (deposito 2 en 3). [eiser] schrijft immers in zijn verslag van de bespreking van 27 september 2009 met betrekking tot de “verdeling van [naam landgoed 1] en de deposito’s”: “Die komen aan [gedaagde 1] toe.” Tussen partijen bestond derhalve overeenstemming over de overboeking 2009 (waarbij het saldo van de en/of-rekening werd overgeboekt naar een rekening van [gedaagde 1] ) en dat deze onderdeel was van de ontvlechting. Dat [eiser] niet expliciet voor de overboeking 2009 toestemming heeft gegeven aan ABN AMRO doet om die reden niet ter zake.

4.28.

[eiser] heeft nog verschillende stellingen geponeerd die tot de conclusie zouden moeten leiden dat er sprake is geweest van listige kunstgrepen van/misbruik van omstandigheden door – en dus onrechtmatig handelen van – [gedaagde 1] . [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde 1] in de onderhandelingen (ongeoorloofde) druk op hem heeft uitgeoefend. Deze stellingen treffen geen doel. Daartoe wordt het volgende overwogen. Duidelijk is dat beide partijen scherp onderhandelden, “er vanaf wilden” en dat ook [eiser] druk uitoefende op [gedaagde 1] . [eiser] heeft de volgende uitlatingen gedaan:

  • -

    Ik wil dit alles voor de jaarwisseling uitgevoerd hebben” (in zijn e-mailbericht van 1 oktober 2009);

  • -

    Onderstaand voorstel is mijn uiterste bod. Indien ik hierop geen reactie van jou ontvang, ben ik helaas genoodzaakt de interventie van anderen in te roepen” en “dan zal ik er toe moeten overgaan om mijn rechten te claimen” en “ben ik genoodzaakt een spoed procedure te starten” (in zijn e-mailbericht van 5 november 2009);

  • -

    Als je hiermee niet akkoord kunt gaan, kan de afspraak bij de notaris morgen worden afgeblazen, want dan hebben we geen deal” (in zijn e-mailbericht van 28 december 2009 aan [gedaagde 1] ).

Ook heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde 1] in de onderhandelingen misbruik heeft gemaakt van zijn natuurlijk overwicht op [eiser] qua persoonlijkheid en ervaring. Onduidelijk is in welke zin dit een onrechtmatige daad op zou kunnen leveren. Aan misbruik van omstandigheden (in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW) worden zware eisen gesteld. Om tot het oordeel te komen dat “misbruik maken van natuurlijk overwicht qua persoonlijkheid en ervaring” onrechtmatig is, zullen dus ook bijkomende omstandigheden moeten worden gesteld. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. Dit geldt te meer nu hiervoor is gebleken dat ook [eiser] het “hard speelde”. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat [gedaagde 1] in het onderhandelingsproces de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Bovendien is van belang dat ook [eiser] zich door adviseurs heeft laten bijstaan. [eiser] is tijdens het onderhandelingsproces van advies voorzien door [naam 3] en [naam 4] vanuit hun respectievelijke expertises van kandidaat-notaris en fiscalist. Wat betreft [naam 4] blijkt dit uit zijn schriftelijke verklaring en uit de e-mailcorrespondentie waarin [naam 4] als zodanig wordt genoemd. Wat betreft [naam 3] volgt dit uit de e-mailcorrespondentie waarin [eiser] meldt dat [naam 3] meeleest (e-mail van 2 november 2009), de e-mails van [eiser] die kennelijk – deels – door [naam 3] zijn geschreven (namelijk in de derde persoon) en uit de brief van [naam 3] aan de oud-notaris van 23 december 2009, waarin zij op de hoogte blijkt van vele kwesties betreffende de ontvlechting. Dat beide adviseurs zeggen [eiser] uiteindelijk te hebben ontraden om de aktes 2009 te tekenen, doet er niet aan af dat hij door hen is geadviseerd, maar bevestigt dit juist. Ook de stelling van [eiser] dat [gedaagde 1] hem de mogelijkheid heeft ontzegd om zich tijdens de in het kader van de onderhandelingen tussen hem en [eiser] gevoerde gesprekken te laten bijstaan door een adviseur (hetgeen [gedaagde 1] op zich niet heeft betwist) maakt dit niet anders. De adviseurs waren immers op de achtergrond aanwezig en niet gesteld of gebleken is dat iemand [eiser] (fysiek of anderszins) heeft gedwongen de 2009 aktes te tekenen.

4.29.

Tot slot heeft [eiser] nog gesteld dat hem tijdens de onderhandelingen nagenoeg alle onderliggende documentatie is onthouden. Deze stelling ontbeert feitelijke grondslag. Vaststaat dat [naam 2] voor [gedaagde 1] en [eiser] de administratie van hun gezamenlijke vermogen deed. Uit de schriftelijke verklaringen van [naam 2] volgt dat die administratie voor [eiser] en [naam 3] beschikbaar was en dat [eiser] en [naam 3] bij hem ( [naam 2] ) ook daadwerkelijk langskwamen om daaruit stukken op te vragen. Bovendien onderhandelde [eiser] in de e-mailcorrespondentie op gedetailleerde wijze over diverse bestanddelen van het gezamenlijk vermogen, en was daartoe blijkbaar voldoende in staat. Vastgesteld wordt dan ook dat [eiser] voldoende op de hoogte was van alle relevante documentatie en informatie, of in ieder geval de mogelijkheid had zich daarvan op de hoogte te stellen, bijvoorbeeld via [naam 2] . Voor de kennelijke aanname van [eiser] (die in zijn stellingen besloten lijkt te liggen) dat [gedaagde 1] gehouden zou zijn [eiser] te informeren over zijn (deel van het gezamenlijke) vermogen als in confesso is dat de administratie daarvan – in opdracht van hen beiden ten behoeve hen beiden – door een derde wordt gedaan, ziet de rechtbank geen rechtsgrond.

4.30.

In aanvulling op het voorgaande wordt ten aanzien van de vorderingen ten aanzien van het weiland en het ship shape opleveren van [naam park] nog het volgende overwogen.

het weiland (vorderingen onder 8)

4.30.1.

Uit de e-mailcorrespondentie volgt dat in de onderhandelingen het recht van [gedaagde 2] op het gebruik van het weiland en de door [gedaagde 1] voorgestane levenslange duur daarvan) een onderhandelingspunt was, zelfs nog tijdens de bijeenkomst bij de oud-notaris op 29 december 2009. Toen en daar hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt en is artikel 4 van de desbetreffende akte aangepast [eiser] heeft ingestemd met het gebruiksrecht onder de voorwaarde dat op [gedaagde 1] een inspanningsverplichting kwam te rusten. Reeds hierop stuiten de vorderingen die betrekking hebben op (het gebruik van) het weiland af.

ship shape-garantie (vordering onder 6)

4.30.2.

[eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd, dat niet is voldaan aan de ship shape-garantie in verband met [naam park] . [naam 5] heeft in dat verband verklaard dat, nadat [eiser] en hij gezamenlijk hiertoe door [naam park] hadden gelopen, zij overeenstemming hebben bereikt over de aanpassingen die [naam 5] aan [naam park] zou verrichten. Aldus hebben zij aan de ship shape-garantie concrete invulling gegeven. Dit correspondeert met het gegeven dat [eiser] in de e-mailcorrespondentie aanvankelijk op basis van het in zijn opdracht opgemaakte bouwkundig rapport nog een vergoeding van € 70.000 verlangde (zie onder meer de e-mail van [eiser] van 22 december 2009, weergegeven onder 4.13). In zijn laatste voorstel heeft [eiser] deze eis evenwel laten vallen en ook geen gebruik gemaakt van het aanbod van [gedaagde 1] om voor een bedrag van € 10.000 garant te staan voor [naam 5] . In de akte van 29 december 2009 waarbij [gedaagde 1] [naam park] aan [eiser] heeft geleverd is uiteindelijk in artikel 2.2 opgenomen dat de levering van het verkochte plaats vindt in de feitelijke staat waarin het zich bevindt. Deze vordering zal dan ook eveneens worden afgewezen.

tussenconclusie

4.31.

Op de vaststelling dat [gedaagde 1] en [eiser] elkaar in de aktes 2009 over en weer finale kwijting hebben verleend ten aanzien de ontvlechting van hun (gezamenlijke) vermogen, en dat die finale kwijting ook zag op de (vermeende) verplichting van [gedaagde 1] om het bedrag van NLG 15 miljoen aan [eiser] te betalen en dat [eiser] zich daarvan terdege bewust was, stuiten alle vorderingen van [eiser] (op [gedaagde 1] , ABN AMRO en A&O/de oud-notaris) af. Dit betekent strikt genomen dat de stellingen van [eiser] ten aanzien van de verdeling van [naam landgoed 2] in 2000 eigenlijk niet relevant zijn en de vorderingen die hij op grond van de deze transactie nog op [gedaagde 1] meent te hebben geen verdere beoordeling behoeven. Omdat [eiser] aan de door hem gestelde benadeling door en gebrek aan inzicht in deze transactie in de processtukken veel aandacht heeft besteed ziet de rechtbank aanleiding deze toch te bespreken, dit te meer nu uit de gang van zaken in 2000 blijkt dat [eiser] van alle aspecten van de transactie op de hoogte was en daarmee heeft ingestemd en dus ook heel goed wist wat hij deed toen hij aan [gedaagde 1] finale kwijting verleende. Hierbij zijn de volgende feiten en stukken van belang.

de verdeling van [naam landgoed 2]

4.32.

Een door [eiser] ondertekende fax aan mr. Kaspers cc aan A&O en de oud-notaris van 11 september 2000:

“(…)

Betreft: kredietregeling

(…)

Conform met [gedaagde 1] besproken tref je bijgaand de documenten aan van de ABN-AMRO (totaal 5 pagina’s)

(…)”.

In de eerste bijgevoegde brief van 7 september 2000 van ABN AMRO aan [gedaagde 1] is het volgende opgenomen:

“Betreft: kredietregeling

Geachte heer [gedaagde 1] ,

Naar aanleiding van de met u gevoerde bespreking, hebben wij het genoegen hierbij de financiering aan te bieden als beschreven in bijgaande kredietovereenkomst. Tegelijkertijd ontvangt u daarmee de onlosmakelijk verbonden offerte voor een ABN AMRO Termijndeposito. (…)”.

De overige stukken zien op een termijndeposito van NLG 15.000.000 en een kredietovereenkomst waarbij ABN AMRO een krediet in rekening-courant aan [gedaagde 1] verstrekt van in totaal NLG 16.000.000.

4.33.

Een door [eiser] ondertekende brief aan A&O ter attentie van de oud-notaris van
24 november 2000:

“(…) hiermee verzoek ik u de opbrengst verkregen uit de verkoop van [naam landgoed 2] ad NLG 15.000.000, - over te boeken naar de navolgende rekening op mijn naam bij ABN AMRO Monaco (…)”.

4.34.

Per door hem ondertekende brief aan ABN AMRO van (eveneens)
24 november 2000 heeft [eiser] de betaalopdracht gegeven om de door hem via de oud-notaris op zijn rekening bij ABN AMRO Monaco ontvangen NLG 15 miljoen over te maken naar de rekening van [gedaagde 1] bij ABN AMRO Monaco.

4.35.

Een door [eiser] en [gedaagde 1] ondertekende brief aan ABN AMRO van 24 november 2000:

“(…) Hierbij verklaren wij dat onze hieronder vermelde betalingsverzoeken aan Allen & Overy en aan ABN AMRO Monaco onherroepelijk zijn. Ondertekening van deze betalingsopdrachten houdt derhalve in dat ze niet eenzijdig door ons herroepen kunnen worden.

1. een overboeking van NLG 15.000.000.- door Allen & Overy naar rekeningnummer [(...)] op naam van [eiser] . Deze rekening wordt geadministreerd bij ABNAMRO Monaco.

2. doorboeking van dit bedrag naar rekeningnummer [(...)] op naam van [gedaagde 1] . Deze rekening wordt eveneens geadministreerd bij ABN AMRO Monaco.

3. het overboeken van deze NLG 15.000.000,- naar rekeningnummer [(...)] ten name van [gedaagde 1] . Deze rekening wordt geadministreerd bij ABN AMRO [woonplaats] . (…)”.

4.36.

De door [eiser] mede getekende verpandingsakte van juli 2004 in verband met lening 3 aan [naam landgoed 1] (zie hiervoor onder 2.20).

4.37.

De in oktober 2005 door [eiser] als mede-rekeninghouder van de en/of-rekening mede getekende kredietovereenkomst betreffende lening 2 aan [naam landgoed 2] en de daarbij behorende door [eiser] getekende pandakte in verband met de verpanding van deposito 2 (zie hiervoor onder 2.23). (Dit was een eis die de bank stelde in verband met de overboeking 2005).

4.38.

Een e-mailbericht van [naam 4] aan [eiser] en [gedaagde 1] van 23 december 2008:

“(…)

1. Ik begrijp uitstekend hoe het product werkt, ook in de gegeven omstandigheden van de toepassing van de 30% regeling. Ik zal het maar even kort samenvatten.

- De twee vennootschappen van [gedaagde 1] en [eiser] hebben de twee landgoederen gekocht van jullie privé voor een hoge taxatiewaarde.

- Het geld voor deze transactie is geleend van de ABN AMRO tegen een forse rentevergoeding.

Datzelfde geld is door ABN AMRO weer aan jullie ter beschikking gesteld tegen een deposito vergoeding die iets lager ligt dan de berekende hypotheekrente (het bekende kwartje).

- De ontvangen rente op deposito blijft effectief onbelast door toepassing van de 30% regeling (10 jaar tax holiday in BOX 3).

- De betaalde rente is aftrekbaar tegen 52% in BOX 1, althans voor zover jullie voldoende arbeidsinkomsten hadden. Dit komt omdat de twee vennootschappen fiscaal transparant zijn (NSW Landgoed BV’s).

2. Omdat [eiser] niet voldoende inkomen had om zijn hypotheekrenteaftrek volledig te benutten, werd het restant de laatste jaren naar [naam 3] overgeheveld. (…)

3. De renteaftrek is per saldo zo hoog dat het inkomen van [naam 3] ook terugwerkend kon worden benut en waardoor er bij haar zelfs nog een saldo rente resteert. Zij heeft daardoor in principe de komende jaren voldoende aan de renteaftrek van Amsterdam. (…)”.

4.39.

Een schriftelijke verklaring van [naam 1] (EY) van 23 september 2015:

“(…) Sinds het moment dat [gedaagde 1] inwoner van Nederland werd, heb ik zijn Nederlandse fiscale zaken behandeld. (…)

Voor de Nederlandse belastingheffing is een verdeling niet steeds vereist zodat deze kan worden uitgesteld tot het moment waarop de inkomsten moeten worden gerapporteerd. Dit was bij [gedaagde 1] en [eiser] ook het geval door de 30%-regeling. Dit maakt het mogelijk ten behoeve van een fiscale optimalisatie schulden en of bezittingen toe te rekenen zonder dat dit een materiële invloed heeft op de onverdeeldheid.

Kort nadat [gedaagde 1] naar Nederland kwam is voor hem de zogenaamde 30% regeling aangevraagd. De fiscaal gunstige regeling is bedoeld voor buitenlandse werknemers die op de Nederlandse arbeidsmarkt schaars zijn. De regeling is ook van toepassing op Nederlanders indien - toentertijd - zij meer dan 10 jaar in het buitenland hadden verbleven. (…)

In 2000 vroeg [gedaagde 1] mij of hij in aanmerking zou kunnen komen voor hypotheek-aftrek. Dit was vanzelfsprekend binnen de grenzen van de wet het geval. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde 1] in 2000 zijn broer [eiser] heeft uitgekocht uit Landgoed [naam landgoed 2] , waar [gedaagde 1] en zijn gezin hun hoofdverblijf hadden. De rente over de lening kon [gedaagde 1] van zijn belastbare inkomsten voor de heffing van inkomstenbelasting aftrekken. [gedaagde 1] heeft het geld voor de koopprijs bij de bank geleend. Omdat – naar ik begrijp – het niet de bedoeling was dat de uitkoop van materiële invloed zou zijn op de onverdeeldheid, zou de (geleende) koopprijs op een depositorekening worden gestort. Omdat [gedaagde 1] op dat moment onder de vrijstelling van de 30% regeling voor vermogensinkomsten viel, is naar ik heb begrepen het (onverdeelde) deposito in eerste instantie op naam van [gedaagde 1] gezet. Uit de e-mail van de heer [naam 4] blijkt dat voor [eiser] vanaf een bepaald moment (dus na zijn immigratie naar Nederland) ook een 30% regeling gold. Vanaf dat moment was de tenaamstelling van de deposito fiscaal niet relevant meer. De e-mail van de heer [naam 4] ziet overigens op een financiering die hetzelfde is als die uit 2000, maar nu met landgoed [naam landgoed 1] . Uit de e-mail blijkt dat hypotheekrente aftrek die daarmee samenhing kon worden benut door de fiscale partner van [eiser] , [naam 3] . Ik heb begrepen dat [gedaagde 1] om dit te realiseren zijn aandelen in landgoed [naam landgoed 1] destijds aan [eiser] heeft overgedragen voor EUR 9.000,-. (…)”.

oordeel rechtbank

4.40.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en stukken staat vast dat [eiser] heeft getekend voor de akte 2000, het kasrondje, de verpanding aan ABN AMRO van deposito 2 en de overboeking 2005. Voorts was hij in ieder geval op de hoogte van de verpanding aan ABN AMRO van deposito 1. De stelling van [eiser] dat hij ten aanzien van deze transacties overal buiten zou zijn gehouden snijdt dan ook geen hout. De stelling van [eiser] dat hij de diverse stukken telkens blindelings heeft getekend en dat hij om die reden niet bekend was met het fiscale karakter van de constructie, kan hem evenmin baten. De ontkenning van [eiser] in deze procedure dat hij op de hoogte was van het fiscale doel dat werd beoogd met de (economische) verdeling van [naam landgoed 2] en de inbreng van [naam landgoed 2] in [naam landgoed 2] is niet te rijmen met (i) het feit dat hij de fiscale voordelen van [gedaagde 1] bij deze transactie in de dagvaarding voorop heeft gesteld en (ii) het feit dat ten aanzien van [naam landgoed 1] voor hem en [naam 3] daarna een zelfde fiscaal voordelige constructie is opgezet (zie hiervoor onder 2.24), hetgeen hem niet kan zijn ontgaan (en hij ook erkent in de processtukken). Ten slotte geldt dat [eiser] in ieder geval vóór de ontvlechting in 2009 – en dus ook ruim voordat hij de dagvaarding in deze procedure uitbracht – van het fiscale doel van de (economische) verdeling op de hoogte was (getuige de e-mail van zijn adviseur [naam 4] van 23 december 2008, zie hiervoor 4.38).

4.41.

Gelet op al het voorgaande behoeven de overige door [gedaagden 1 + 2] , ABN AMRO en A&O/de oud-notaris tegen deze vorderingen gevoerde verweren, waaronder het verweer dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard, geen bespreking.

slotsom

4.42.

Kern van het geschil is uiteindelijk dat [eiser] meent dat hij is benadeeld door zijn broer [gedaagde 1] . In de woorden van zijn advocaat zou sprake zijn van “grove financiële mishandeling” van [eiser] door [gedaagde 1] , daarbij gefaciliteerd door de oud-notaris en ABN AMRO. Het ontgaat de rechtbank – ook na het lezen van de honderden pagina’s processtukken met grote aantallen producties en een mondelinge behandeling van de zaak die een hele dag in beslag heeft genomen – waarom [eiser] meent dat hij door [gedaagde 1] voor miljoenen euro’s is benadeeld. Ooit hebben de broers samen in de VS met Nedamco goed verdiend. De opbrengst van de verkoop Nedamco (door [gedaagde 1] ) hebben zij ten behoeve van hen samen geïnvesteerd in de landgoederen [naam landgoed 2] en [naam landgoed 1] (waarbij tevens hypothecaire leningen voor aanzienlijke bedragen werden afgesloten). Van het met hard werken verdiende geld hebben zij er een jaartje “lekker op los geleefd” en toen moest er weer inkomen komen. [gedaagde 1] is weer aan de slag gegaan, maar [eiser] heeft geen noemenswaardige inkomsten gegenereerd. [gedaagde 1] heeft met het geld dat hij verdiende ook [eiser] in staat gesteld een prettig leven te leiden. Hoe de ontvlechting van het “gezamenlijke vermogen” (dat voor een belangrijk deel uit het inkomen van [gedaagde 1] lijkt te zijn opgebouwd) in 2009 dan – zoals [eiser] stelt – “materieel onevenwichtig” kan zijn geweest, terwijl [eiser] toch het (zij het kleinere) landgoed [naam park] (door hem aangeduid als “tussenwoning”) kreeg, na de ontvlechting geen schulden had en ook nog een aanzienlijk bedrag aan geld meekreeg, kan de rechtbank niet volgen.

vorderingen jegens ABN AMRO en de oud-notaris

4.43.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de (wijze van totstandkoming) van de akte 2000 en de aktes 2009 is overwogen en de omstandigheid dat van benadeling van [eiser] door deze transacties niet is gebleken, vloeit voort dat de vorderingen van [eiser] jegens de oud-notaris (en zijn kantoor) en ABN AMRO eveneens zullen worden afgewezen. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van het handelen van de oud-notaris en ABN AMRO, aangezien zij (de oud-notaris en ABN AMRO) slechts vorm of uitvoering hebben gegeven aan transacties die [eiser] – zoals hiervoor is overwogen – zelf wilde.

proceskosten

4.44.

[gedaagde 1] heeft gevorderd [eiser] te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte advocatenkosten in plaats van een veroordeling op basis van het gebruikelijke liquidatietarief. Een dergelijke vordering komt slechts voor toewijzing in aanmerking indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. In lid 2 van artikel 3:13 BW worden drie gevallen vermeld waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid. Een van de in artikel 3:13 BW genoemde gevallen betreft het geval waarin men in redelijkheid niet tot uitoefening van een bevoegdheid had kunnen komen in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad. Dit geval reikt de onevenredigheidsmaatstaf aan. Ingevolge de schakelbepaling 3:15 BW zijn die maatstaven ook buiten het vermogensrecht te hanteren.

4.45.

Het procesrecht voorziet in de bevoegdheid geschillen ter beslechting aan de rechter voor te leggen in het kader van een procedure. Ter bepaling of de uitoefening van die bevoegdheid misbruik van bevoegdheid oplevert kan ook gebruik worden gemaakt van de hierboven genoemde onevenredigheidsmaatstaf. Bij de toepassing van die maatstaf zal mede in aanmerking moeten worden genomen het in artikel 6 EVRM verankerde recht op een eerlijk proces, waarin mede besloten ligt het recht op toegang tot de rechter. Gelet op dit recht op toegang tot de rechter, past het om terughoudendheid te betrachten met het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure. De Hoge Raad heeft het aldus te hanteren criterium zo ingevuld dat van misbruik van procesrecht pas sprake is als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

4.46.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] zijn vorderingen baseert op onrechtmatig handelen, door [eiser] onder meer omschreven als – zoals eerder overwogen – “grove financiële mishandeling” en “de geraffineerd onrechtmatige wijze waarop [gedaagde 1] het miljoenen euro’s waard zijnde vermogen van [eiser] , deels buiten diens medeweten en deels tegen diens wil, nagenoeg volledig naar zich toe heeft weten te trekken”. Op deze grond stelt hij miljoenenvorderingen in tegen [gedaagde 1] , ABN AMRO en A&O/de oud-notaris. Het bedoelde onrechtmatig handelen zou hebben plaatsgevonden bij diverse transacties in de periode tussen 2000 en 2009, met name bij de hiervoor besproken verdeling van [naam landgoed 2] en de transacties in het kader van de ontvlechting.

4.47.

De rechtbank stelt vast dat – zoals hiervoor is overwogen – uit de hiervoor onder 2 vastgestelde feiten en de onder 4.3 t/m 4.26 en 4.32 t/m 4.38 aangehaalde stukken onmiskenbaar kan worden afgeleid dat ten aanzien van de essentialia van de diverse transacties geen sprake was van het aangaan daarvan buiten medeweten van [eiser] of het ontbreken van diens wil. Met name kan de rechtbank deze stellingen niet rijmen met het beeld dat van [eiser] naar voren komt uit de e-mailcorrespondentie in het kader van de onderhandelingen over de ontvlechting. Uit die correspondentie komt immers – zoals hiervoor ook al is overwogen – het beeld naar voren van een volwaardige onderhandelingspartner die tot in detail op de hoogte was van allerlei onderwerpen waarover hij in deze procedure – de rechtbank kan niet anders dan concluderen: tegen beter weten in – is blijven volhouden dat hij daarmee onbekend was. Zo blijkt uit de hiervoor onder 4.9 aangehaalde e-mail van [eiser] van 5 november 2009 dat hij zich op de hoogte heeft laten stellen van de waardering van de landgoederen. Uit het onder 4.5 aangehaalde voorstel van [gedaagde 1] van 27 september 2009 blijkt voorts dat daarin al melding werd gemaakt van het overzetten van de deposito’s op naam van [gedaagde 1] , het saldo op de rekening bij Coutts en het gebruik van het weiland. Op dit voorstel is door [eiser] gereageerd met zijn onder 4.7 aangehaalde e-mail van 1 oktober 2009. In diverse mails wordt daarnaast door hem melding gemaakt van de hypotheek op het appartement, de hypotheek op [naam park] en het kwartje van ABN. Op al deze punten, waarvan [eiser] in deze procedure heeft gesteld niet op de hoogte te zijn geweest, is onderhandeld. Zoals door [gedaagde 1] terecht is aangevoerd, wijkt het uiteindelijke onderhandelingsresultaat nauwelijks af van het laatste door [eiser] gedane “absolute en laatste” bod in zijn e-mail van 28 december 2009 (zie hiervoor onder 4.18). Juist over deze e-mailcorrespondentie, zo voert [gedaagde 1] terecht aan, wordt in de dagvaarding met geen woord gerept. Ook nadat [gedaagde 1] de e-mailcorrespondentie in het geding had gebracht en deze onderwerp was geworden van het debat, heeft [eiser] geen verklaring gegeven voor de discrepantie tussen zijn stellingen en de feiten zoals die uit de e-mails naar voren kwamen.

4.48.

Daarnaast voert [gedaagde 1] terecht aan dat in de lijvige processtukken van de zijde van [eiser] een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven van de deskundige bijstand die [eiser] had bij de onderhandelingen over de ontvlechting. Uit diverse stukken blijkt van concreet advies van [naam 4] en van [naam 3] aan [eiser] (zie ook hiervoor onder 4.28). Op de hieruit logisch voortvloeiende vraag hoe zich dit verhoudt met het standpunt dat [eiser] “financieel mishandeld” zou zijn door zijn “slimme, brutale en geslepen” broer, wordt nergens antwoord gegeven. Bovendien staat of valt zijn vordering met de houdbaarheid van de premisse van een “aanmerkelijke en structurele bevoordeling van [gedaagde 1] en daarmee verband houdende benadeling van [eiser] ”. Zoals hiervoor onder 4.42 is overwogen, is de stelling dat [gedaagde 1] is overbedeeld in het geheel niet onderbouwd.

De gestelde benadeling wordt – eveneens na grondig pluizen in de lijvige processtukken – slechts onderbouwd met evident onjuiste stellingen, zoals de stelling dat [eiser] nog een vordering van NLG 15 miljoen zou hebben op [gedaagde 1] in verband met de verdeling van [naam landgoed 2] . Hiervoor onder 4.40 is reeds overwogen dat uit de stukken naar voren komt dat [eiser] met alle daartoe relevante handelingen uitdrukkelijk heeft ingestemd. Daarnaast zijn diverse ongefundeerde verdachtmakingen aan het adres van de wederpartijen als onderbouwing aangevoerd, zoals tijdens het pleidooi de beschuldiging aan het adres van de oud-notaris dat deze “vermoedelijk een eigen belang zou hebben om bepaalde zaken die niet deugen onder het tapijt te schuiven” of de beschuldiging dat “gedurende een decennium lang met de financiële belangen van [eiser] planmatig [is] gesold, en wel totdat hij naar tevredenheid van [gedaagde 1] geheel was leeggeschud en kaalgeplukt”. Voor zover er al onderbouwing van deze beschuldigingen wordt aangedragen, gebeurt dit door geheel eenzijdig op sommige feiten te wijzen, zoals toedeling van een landgoed aan [gedaagde 1] , zonder enige aandacht te besteden aan de eveneens vaststaande feiten dat [gedaagde 1] ook schulden op zich heeft genomen en gedurende een geheel decennium in alle kosten van het gemeenschappelijk vermogen en daarnaast in het levensonderhoud van [eiser] en gedeeltelijk ook diens verdienende partner [naam 3] heeft voorzien.

4.49.

De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van procederen niet aangemerkt kan worden als het verdedigbaar gebruik maken van het fundamentele recht van een partij om belangen aan de rechter voor te leggen en diens beslissing daaromtrent te verkrijgen. Voor zover al zou zijn gebleken van enig belang van [eiser] bij de uitoefening van dit recht, staat dit in geen enkele verhouding tot de belangen van [gedaagde 1] (en de oud-notaris en ABN AMRO) die door deze wijze van procederen ernstig worden geschaad. [gedaagde 1] heeft onbetwist gesteld dat hij in deze procedure (tot en met dupliek) voor een bedrag van € 191.838,24 kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken. Daarnaast heeft hij (eveneens onbetwist) aangevoerd dat hij met zinloze beslagen is geconfronteerd en dat hij zakelijk last heeft gehad van de miljoenenclaim die [eiser] ook tegen ABN AMRO heeft ingesteld inzake het in deze procedure aan de orde zijnde feitencomplex. Geoordeeld wordt dan ook dat voldaan is aan het criterium dat [eiser] in redelijkheid niet tot uitoefening van de bevoegdheid tot het instellen van zijn vorderingen in deze procedure had kunnen komen in aanmerking nemende de hiervoor bedoelde onevenredigheid tussen zijn belang bij de uitoefening daarvan en het belang van [gedaagde 1] (en de andere betrokkenen) dat daardoor wordt geschaad. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat in het kader van de beslagprocedure op 20 november 2014 door de voorzieningenrechter reeds het volgende oordeel over een belangrijk deel van de vordering van [eiser] is gegeven:

“4.2. Uit het beslagrekest alsmede uit hetgeen de raadsman van [eiser] ter zitting naar voren heeft gebracht zou blijken dat [gedaagde 1] het geestelijk overwicht heeft over zijn broer [eiser] en dat [eiser] hiertegen niet is bestand. Door [eiser] wordt op zijn minst genomen de suggestie gewekt dat [gedaagde 1] zich op geraffineerde wijze het vermogen van [eiser] heeft toegeëigend. Volgens [eiser] trok [gedaagde 1] aan de touwtjes en heeft hij zijn broer nergens van op de hoogte gehouden. De rode draad is, aldus [eiser] , dat beide broers in de beginsituatie gezamenlijk twee aanzienlijke landgoederen bezaten en dat [gedaagde 1] in de eindsituatie bijna alles bezit en [eiser] bijna niets. Het verschil tussen begin- en eindsituatie verklaart de vordering van ruim 20 miljoen euro, aldus [eiser] .

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet summierlijk gebleken van de deugdelijkheid van de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] . De voorzieningenrechter neemt hierbij als uitgangspunt dat partijen elkaar in alle in december 2009 verleden notariële aktes finale kwijting hebben verleend. In een bodemprocedure zou [eiser] erin moeten slagen om de finale kwijting die is overeengekomen te doorbreken en op grond van hetgeen hierna wordt overwogen is onvoldoende gebleken dat hij hierin zal slagen.

4.4.

Uit hetgeen [gedaagde 1] ter zitting naar voren heeft gebracht en uit de producties die door hem in het geding zijn gebracht blijkt een geheel ander beeld dan door [eiser] is geschetst. Hieruit blijkt immers dat tussen partijen geruime tijd overleg is gepleegd over de ontvlechting van het gezamenlijke vermogen en dat vanaf september 2009 over en weer concrete voorstellen zijn gedaan. Het doel van die voorstellen was steeds om tot een definitieve ontvlechting te komen waarbij beide broers elkaar over en weer finale kwijting zouden verlenen. Uit het eerste voorstel, zoals op 27 september 2009 door [gedaagde 1] op papier gezet (…) blijkt reeds dat wederzijdse finale kwijting een van de uitgangspunten was. Uit de door [eiser] opgestelde e-mails (die door [gedaagde 1] in het geding zijn gebracht) blijkt dat [eiser] wist van de hoed en de rand en dat hij goed voor ogen had welk resultaat hij wilde behalen. In de e-mails is steeds op alle onderwerpen die verband hielden met de ontvlechting ingegaan. Zo blijkt uit een e-mail van 5 november 2009 van [eiser] (…) dat [eiser] op dat moment op de hoogte was van zijn vordering van fl. 15.000.000,- op [gedaagde 1] in verband met landgoed [naam landgoed 2] , en dat die vordering is betrokken bij de voorstellen om tot de ontvlechting te komen. Uit een e-mail van 22 december 2009 van [eiser] volgt dat hij er van op de hoogte was dat in de (concept) notariële aktes wederzijdse finale kwijting was opgenomen. De juistheid van de stelling van [eiser] dat hij op 29 december 2009 onder onoorbare druk is gezet om de aktes te tekenen, is – gezien tegen de achtergrond van de hiervoor bedoelde e-mailcorrespondentie van partijen – onvoldoende aannemelijk geworden.

4.5.

Voorts is voldoende komen vast te staan dat [eiser] ten tijde van de ontvlechting in 2009 beschikte of kon beschikken over deskundige bijstand omdat zijn partner werkzaam is als kandidaat-notaris en omdat hij vanaf 2008 gebruik maakte van de diensten van een financieel adviseur ( [naam 4] ). Derhalve is niet aannemelijk dat hij de inhoud van de aktes – met name de bepaling waarin de finale kwijting is opgenomen – niet heeft begrepen.

4.6.

In het beslagrekest is daarnaast onvoldoende belicht dat [gedaagde 1] al die jaren het onderhoud van beide landgoederen bekostigde, dat tegenover het huidige bezit van [gedaagde 1] van beide landgoederen aanzienlijke schulden staan en dat [eiser] tot 2009 voor zijn levensonderhoud gebruik maakte van gezamenlijke gelden terwijl hij (in tegenstelling tot [gedaagde 1] ) in die periode geen inkomsten genoot.

4.7.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de e-mails van [eiser] , zoals besproken onder 4.4 van deze beschikking, essentieel zijn bij de beoordeling van het onderhavige verzoek en dat deze e-mails ten onrechte niet door [eiser] in het geding zijn gebracht. Zijn kennis over het bestaan van die e-mails, de inhoud daarvan en de gevoerde onderhandelingen moeten ook aan zijn raadsman worden toegerekend, die daarvan (op grond van artikel 21 Rv) in het beslagrekest melding had moeten doen.”

4.50.

Gelet op dit ook reeds niet mis te verstane (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter had van [eiser] des te meer mogen worden verwacht dat hij in deze procedure – alvorens de wederpartijen opnieuw op flinke kosten te jagen en te onderwerpen aan nog meer ongefundeerde beschuldigingen – feiten en omstandigheden zou aanvoeren ter verklaring van de door de voorzieningenrechter reeds gesignaleerde discrepanties tussen de vaststaande feiten en het door hem geschetste onjuiste en onvolledige beeld van de feiten waarin hij vele lange processtukken door blijft volharden. In plaats daarvan heeft [eiser] steevast bij hem bekende feiten ontkend en gesteld documenten niet te hebben ontvangen. De advocaat van [gedaagde 1] heeft bij pleidooi op 13 september 2016 een aantal voorbeelden genoemd van deze proceshouding. Enkele daarvan zijn hiervoor de revue al gepasseerd. De rechtbank wijst hier nog op de aanvankelijke ontkenning door [eiser] dat hij zou hebben getekend voor de overboekingen van het bedrag van NLG 15 miljoen in 2000. Geconfronteerd met diverse documenten waaruit blijkt dat hij wel heeft getekend, heeft hij de stelling ingenomen dat “het vermoeden bestaat dat bestaande handtekeningen van [eiser] van een ander document zijn geknipt en geplakt en dat aan ABN AMRO slechts een kopie is verstrekt”. Toen vervolgens originele documenten door ABN AMRO werden geproduceerd en uit (op initiatief en kosten van ABN AMRO uitgevoerd) deskundigenonderzoek bleek van de authenticiteit van de handtekeningen, werd vervolgens de deskundigheid van de expert betwist. Dit alles overziende concludeert de rechtbank, zelfs met inachtneming van de haar passende terughoudendheid, dat in het onderhavige geval sprake is van vorderingen gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan [eiser] de onjuistheid kende. Er is daarmee ruimte voor toewijzing van de vordering van [gedaagde 1] tot een veroordeling in de volledige proceskosten. Dit leidt tot de volgende proceskostenveroordeling.

4.51.

De kosten aan de zijde van [gedaagden 1 + 2] worden begroot op:

- volledig salaris advocaat

(t/m dupliek) € 191.838,24

- griffierecht € 1.519,00

- salaris advocaat

(na dupliek) € 8.027,50 (2½ punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 201.384,74

(Aangezien de volledig gemaakte proceskosten slechts zijn gespecificeerd tot en met de conclusie van dupliek zijn de kosten van de daarna verrichte proceshandelingen begroot conform het liquidatietarief).

De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 12.844,00 (4 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.673,00

De kosten aan de zijde van A&O en de oud-notaris gezamenlijk worden (tot aan de zitting op 13 september 2016) begroot op:

- griffierecht € 3.829,00

- salaris advocaat € 8.027,50 (2½ punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.856,50

De overige kosten aan de zijde van A&O worden begroot op € 6.422,00 (2 punten × tarief € 3.211,00) aan salaris advocaat.

De overige kosten aan de zijde van de oud-notaris worden begroot op € 6.422,00 (2 punten × tarief € 3.211,00) aan salaris advocaat.

4.52.

De door ABN AMRO en de door A&O en de oud-notaris gevorderde nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

4.53.

De door ABN AMRO gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal worden toegewezen als hierna onder de beslissing staat vermeld.

in het incident

4.54.

De vordering in het incident ziet op inzage in en/of afschrift van bescheiden op grond van artikel 843a Rv (zie hiervoor onder 3.5). [eiser] vordert afgifte van stukken die zien op:

( i) (mogelijke) contacten tussen [naam 1] (EY) en de oud-notaris tijdens de (onderhandelingen rond de) ontvlechting in 2009;

(ii) de contacten tussen [gedaagde 1] en de oud-notaris in verband met het “voorkoken” van de aktes 2009 door de oud-notaris en [gedaagde 1] en de “modus operandi” en “trukendoos” van [gedaagde 1] en het “klakkeloos opvolgen” door de oud-notaris van de instructies van [gedaagde 1] ;

(iii) correspondentie met betrekking tot de overboeking 2009 (van het bedrag van € 25 miljoen van de en/of-rekening naar een rekening op naam van [gedaagde 1] );

(iv) de “misdadige (in de zin van schandalige) gang van zaken” rondom de vestiging van de derdenhypotheek op [naam park] op 29 december 2009;

( v) de notariële leveringsakte van 17 december 2003, waarbij landgoed [naam landgoed 2] is geleverd aan [naam landgoed 2] B.V.;

(vi) taxatierapporten van de landgoederen [naam landgoed 2] en [naam landgoed 1] uit 2003 respectievelijk 2004.

4.55.

Aan de toewijsbaarheid van een vordering op grond van artikel 843a Rv zijn een viertal cumulatieve voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat de eiser een rechtmatig belang dient te hebben. [eiser] heeft dat belang niet. [eiser] is – zoals hiervoor in de hoofdzaak onder 4.27 en 4.47 is vastgesteld – geenszins, zoals hij ook hier weer stelt, een “outsider” geweest bij (de onderhandelingen over) de ontvlechting in 2009. Hij heeft commentaar kunnen leveren op de concepten van de aktes 2009, heeft dat ook uitvoerig gedaan en hij werd daarbij bijgestaan door zijn eigen adviseurs (zie hiervoor onder 4.28 en 4.48 in de hoofdzaak). Dit betekent dat hij geen rechtmatig belang heeft bij nadere stukken (bedoeld onder (i) en (ii)) waaruit zou blijken dat de oud-notaris (ook) rechtstreeks contact heeft gehad met [naam 1] (EY) en [gedaagde 1] . [eiser] ’ partner en adviseur [naam 3] heeft bovendien zelf ook rechtstreeks contact opgenomen met de oud-notaris toen zij dat nodig achtte. Aangezien de rechtbank hiervoor (in de hoofdzaak onder 4.27) heeft vastgesteld dat [eiser] heeft ingestemd met de overboeking van het bedrag van € 25 miljoen (een deposito dat aan [gedaagde 1] toekwam) naar een rekening van [gedaagde 1] , heeft hij ook geen belang bij de onder (iii) bedoelde documenten. Nu ook over de hypotheek op [naam park] in 2009 uitdrukkelijk is onderhandeld (zie bijvoorbeeld hiervoor onder 4.18 in de hoofdzaak) en bovendien alle uit de hypotheek voorvloeiende (betalingsverplichtingen) voor rekening van [gedaagde 1] kwamen, geldt dit ook voor de onder (iv) bedoelde documenten. De vordering tot inzage in de onder (v) bedoelde documenten stuit af op de finale kwijting. Bij de taxatierapporten van de landgoederen [naam landgoed 2] en [naam landgoed 1] uit 2003 respectievelijk 2004 heeft [eiser] om dezelfde reden geen belang.

4.56.

Het gevorderde zal dan ook worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagden 1 + 2] , ABN AMRO en A&O/de oud-notaris gevallen kosten. Deze worden per verweerder begroot op € 452 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten:

- aan de zijde van [gedaagden 1 + 2] tot op heden begroot op € 201.384,74,

- aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 16.673,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

- aan de zijde van A&O en de oud-notaris gezamenlijk tot op heden begroot op € 11.856,50,

- aan de zijde van A&O tot op heden begroot op € 6.422,00,

- aan de zijde van de oud-notaris tot op heden begroot op € 6.422,00,

in het incident

5.3.

wijst het gevorderde af,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten:

- aan de zijde van [gedaagden 1 + 2] tot op heden begroot op € 452,00,

- aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

- aan de zijde van A&O en de oud-notaris tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

in de hoofdzaak en het incident

5.5.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan ABN AMRO van een bedrag van € 131,00 aan nakosten, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan A&O en de oud-notaris van een bedrag van
€ 131,00 aan nakosten, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden,

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.H.E. van der Pol en mr. C.H. Rombouts, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.