Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
13/421637-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor medeplegen van uitbuiting in de prostitutie van één vrouw en medeplichtigheid bij uitbuiting van een tweetal vrouwen en witwassen tot een gevangenisstraf van 98 dagen, waarbij korting is toegepast in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/421637-08

Datum uitspraak: 11 november 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

adres in Hongarije: [plaats] , Hongarije, [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 21 en 23 september 2016 en 7, 10, 13, 14 en 28 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. J.F. de Boer en C.J. Cnossen, en van wat de gemachtigd raadsvrouw,

mr. K.K. Hansen-Löve, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 21 september 2016 – kort gezegd – onder 1 en 2 ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan, respectievelijk:

  • -

    medeplegen van en/of medeplichtigheid bij mensenhandel bestaande uit uitbuiting in de prostitutie ten aanzien van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] in de periode van 1 november 2008 tot en met 3 december 2008 te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Hongarije;

  • -

    medeplegen van witwassen van een groot deel van de verdiensten van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] uit door hen verrichte prostitutiewerkzaamheden en/of een contant geldbedrag van € 2.110, - en/of € 2.000, - in de periode van 22 november 2008 tot en met 3 december 2008 te Amsterdam, althans in Nederland.

De tekst van de integrale, gewijzigde, tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank heeft op de zitting van 21 september 2016 de vordering wijziging tenlastelegging voor zover daarin bij feit 1 de zinsnede ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouw(en)’ was opgenomen, niet toegelaten, omdat dit onderdeel van de tenlastelegging reeds nietig was verklaard, zoals hieronder in rubriek 3.1 nader weergegeven.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

3.1.1

Beslissing ter terechtzitting van 16 december 2014

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 16 december 2014 ten aanzien van feit 1 op de inleidende dagvaarding de zinsnede ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouw(en)’ nietig verklaard, nu dit een onvoldoende duidelijke opgave is van de tegen verdachte bestaande verdenking.

3.1.2.

Beoordeling geldigheid dagvaarding bij vonnis

3.1.2.1 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Bij de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel is als feitelijke gedraging onder meer vermeld dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, of – voor zover ten aanzien van verdachte medeplichtigheid is ten laste gelegd – dat de (mede)pleger(s) niet zijnde verdachte,

die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] woorden toegevoegd van dreigende aard en/of strekking.

De rechtbank begrijpt dat deze feitelijke gedraging in de tenlastelegging is opgenomen als verfeitelijking van het dwangmiddel ‘bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheden’. Verder stelt de rechtbank vast dat de verfeitelijking hierin bestaat dat de vorm waarin de bedreiging zich heeft geuit – het toevoegen van woorden – is aangeduid. Nu niet is vermeld om welke woorden het gaat, evenmin is gespecificeerd tegen welk(e) van de drie vermeende slachtoffers die zouden zijn geuit en nu er sprake is van meerdere medeverdachten en er meerdere bedreigende woorden (in taps) in het dossier voorkomen is de feitelijke gedraging zo algemeen en onbepaald dat onvoldoende duidelijk is waarop deze doelt.

Dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 261 van Sv. De rechtbank zal de dagvaarding partieel nietig verklaren voor zover deze ziet op voornoemde feitelijke gedraging.

3.1.2.2 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft zich bij pleidooi op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde witwassen zo moet worden gelezen dat dit slechts ziet op de onder verdachte aangetroffen geldbedragen tot een totaal van € 4.100, -.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de raadsvrouw het gewijzigde onder 2 ten laste gelegde te beperkt leest. Het onder 2 ten laste gelegde witwassen in samenhang met het dossier bezien ziet naar het oordeel van de rechtbank niet slechts op bij verdachte aangetroffen geldbedragen van € 2.110, - en € 2.000, -, maar ook op (andere) verdiensten van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] . Dat volgt allereerst uit de taalkundige uitleg van het ten laste gelegde. Voormelde verdiensten zijn door gebruik van het tussenvoegsel ‘en/of’ cumulatief/alternatief ten opzichte van voormelde concrete geldbedragen opgenomen in de tenlastelegging. Verder volgt het ook uit de vermelde pleegperiode. Die is namelijk niet beperkt tot de datum waarop de geldbedragen bij verdachte zijn aangetroffen.

Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beschuldiging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde witwassen zowel ten aanzien van de geldbedragen van € 2.110, - en € 2.000, - als ten aanzien van de (andere) verdiensten van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] voldoende duidelijk is. Voor zover hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd zo moet worden begrepen dat zij gedeeltelijk de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft betwist, wordt dit verweer verworpen.

3.1.2.3 Slotsom ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding

De gewijzigde dagvaarding is voor het overige geldig ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

3.2

Bevoegdheid van de rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.3

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank heeft op de zitting van 21 september 2016 het op de zitting van 19 september 2016 door de raadsvrouw gevoerde ontvankelijkheidsverweer op grond van – kort samengevat – overschrijding van de redelijke termijn verworpen.

De rechtbank heeft overwogen dat zij met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel is dat ten aanzien van verdachte sprake is van een ruime overschrijding van de redelijke termijn. Met betrekking tot de consequenties die daaraan moeten worden verbonden heeft de rechtbank toen het volgende overwogen.

In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad (nogmaals) algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens de Hoge Raad niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Aldus heeft de rechtbank het openbaar ministerie op de zitting van 21 september 2016 ontvankelijk geacht in haar strafvervolging jegens verdachte.

De rechtbank komt ook thans tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3.4

Ten aanzien van de schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het openbaar ministerie

Met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2]

Bewezen kan worden dat verdachte in de periode van 22 november 2008 tot en met

3 december 2008 te Amsterdam medeplichtig is geweest aan de uitbuiting in de prostitutie van [persoon 1] en [persoon 2] als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 1, 4, 6 en 9. Zijn aandeel bestond erin dat hij hen naar hun werk stuurde en hen bewoog langer door te werken. Hij bewoog hen ook hun verdiensten aan hem en/of zijn mededaders af te staan. Verder beheerde hij de sleutel van hun woning en hield hen in de gaten.

Enige betrokkenheid van verdachte bij het aanwerven of medenemen van [persoon 1] en [persoon 2] (artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3) kan niet worden bewezen.

Met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 3]

Bewezen kan worden dat verdachte in de periode van 1 november 2008 tot en met

3 december 2008 te Amsterdam en in Hongarije tezamen en in vereniging met in elk geval zijn moeder, medeverdachte [medeverdachte 1] , [persoon 3] door dwang en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en haar kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [persoon 3] (artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 1).

Ook heeft hij [persoon 3] tezamen en in vereniging met zijn moeder aangeworven en medegenomen met het oogmerk haar in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling (artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3).

Tevens heeft hij [persoon 3] met eerdergenoemde middelen bewogen zich beschikbaar te stellen tot

het verrichten van prostitutiewerkzaamheden (artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 4).

Niet is gebleken dat het tot een daadwerkelijk voordeel trekken is gekomen, of dat [persoon 3] daadwerkelijk is gedwongen of bewogen hem te bevoordelen, zodat vrijspraak kan volgen voor zover het tenlastegelegde ziet op mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 6 en 9.

Met betrekking tot witwassen

Tot slot kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 22 november 2008 tot en met

3 december 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten

(grote) geldbedragen, te weten telkens een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] en [persoon 2] verrichte prostitutiewerkzaamheden en contante geldbedragen van € 2.110,- en

€ 2.000,-, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en omgezet, althans van deze voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat hij deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

De officier van justitie heeft verder naar voren gebracht dat van de voor kwalificatie als het strafbare feit witwassen vereiste verhullingshandelingen sprake is, nu verdachte de contante verdiensten voor eigen levensonderhoud heeft gebruikt en daarvan is gaan feesten en verdovende middelen heeft gekocht. De rechtbank begrijpt dat de officier van justitie hiermee bewezen acht dat verdachte verdiensten van [persoon 1] en [persoon 2] heeft omgezet dan wel daarvan gebruik heeft gemaakt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2]

Verdachte moet worden vrijgesproken van (mede)plegen van uitbuiting van [persoon 1] en [persoon 2] . Er is geen bewijs dat hij invloed heeft gehad op het ontstaan dan wel voortduren van een eventuele uitbuitingssituatie van deze vrouwen.

Verder kan zijn rol niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, zodat ook medeplichtigheid bij de eventuele uitbuiting van deze vrouwen niet kan worden vastgesteld.

Met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 3]

Verdachte moet worden vrijgesproken van (mede)plegen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 1, 4, 6 en 9 ten aanzien van [persoon 3] omdat er geen bewijs is voor dwang.

Onder meer van belang is dat [persoon 3] negen jaar ouder is dan verdachte, al 33 jaar was toen zij in 2008 naar Nederland vertrok om in de prostitutie te gaan werken en niet afkomstig is uit [plaats] of een andere plaats in de arme en achtergebleven streek in Noordoostelijk Hongarije, zoals andere meisjes die in het onderzoek naar voren komen. Ook gelet op haar verklaring bij de rechter-commissaris en de indruk die zij daarbij maakte, moet zij worden aangemerkt als een rijpe en ervaren vrouw die bij vertrek naar Nederland zich volledig bewust was van waar zij aan begon. Er zijn voorts geen aanwijzingen voor het ontbreken van keuzevrijheid bij [persoon 3] en evenmin is er bewijs voor controle tijdens het werk waardoor haar bewegings- en keuzevrijheid werden beknot.

Ook het bewijs voor (mede)plegen van of medeplichtigheid bij mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3 ontbreekt, zodat verdachte daarvan eveneens moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot witwassen

Nu ten aanzien van alle onderdelen van de ten laste gelegde mensenhandel met betrekking [persoon 3] , [persoon 1] en [persoon 2] vrijspraak moet volgen, kan witwassen van de verdiensten van deze vrouwen evenmin worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Gedeeltelijke vrijspraak

4.3.1.1 Gedeeltelijke vrijspraak met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 1]

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (mede)plegen van mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] .

Verder is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde medeplichtigheid bij mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3 ten aanzien van [persoon 1] , zodat hij daarvan ook moet worden vrijgesproken.

4.3.1.2 Gedeeltelijke vrijspraak met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 2]

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (mede)plegen van mensenhandel ten aanzien van [persoon 2] .

Verder is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde medeplichtigheid bij mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3 ten aanzien van [persoon 2] , zodat hij daarvan ook moet worden vrijgesproken.

4.3.1.3 Gedeeltelijke vrijspraak met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [persoon 3]

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (mede)plegen van en medeplichtigheid bij mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 6 en 9 ten aanzien van [persoon 3] .

4.3.1.4 Gedeeltelijke vrijspraak met betrekking tot witwassen

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte prostitutieverdiensten van [persoon 3] heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Voorts zal verdachte worden vrijgesproken van het witwassen van de verdiensten van [persoon 1] voor zover die niet betreffen de bij verdachte aangetroffen geldbedragen. Het dossier bevat aanwijzingen dat haar verdiensten overigens apart werden gehouden.

4.3.2.

Nadere bewijsoverwegingen

4.3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

4.3.2.2 Uitgangspunt bij de bewijswaardering

Ten aanzien van het bewijzen van de feitelijke gedragingen geldt het volgende. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv geldt voor de gehele tenlastelegging, niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). Toepassing van voormeld criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van één bewijsmiddel een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging wordt bewezen, indien dat bewijsmiddel niet op zichzelf staat.

Voorts is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f Sr gekeken, daar waar dat voor het betreffende dwangmiddel relevant is, naar de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang.

4.3.2.3 Medeplichtigheid bij mensenhandel met betrekking tot [persoon 1]

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat [persoon 1] in de ten laste gelegde periode slachtoffer is geworden van mensenhandel, tezamen en in vereniging gepleegd door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [persoon 4/medeverdachte] .

Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte daarbij als medeplichtige betrokken is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn geweest op de in de bewezenverklaring vermelde wijze. De door verdachte verrichte feitelijke gedragingen zouden als zodanig ook kunnen duiden op een rol als medepleger. Dit blijkt al uit het feit dat die gedragingen in de tenlastelegging ook zijn vermeld als feitelijke gedragingen bij de (mede)pleger(s). Nu verdachte de feitelijke gedragingen incidenteel en gedurende een korte periode heeft verricht, past daarbij naar het oordeel van de rechtbank echter de conclusie dat hij op zijn minst opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van mensenhandel, wat hem tot medeplichtige maakt.

4.3.2.4 Medeplichtigheid bij mensenhandel met betrekking tot [persoon 2]

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat [persoon 2] in de ten laste gelegde periode slachtoffer is geworden van mensenhandel, tezamen en in vereniging gepleegd door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [persoon 4/medeverdachte] .

Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte daarbij als medeplichtige betrokken is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn geweest op de in de bewezenverklaring vermelde wijze. De door verdachte verrichte feitelijke gedragingen zouden als zodanig ook kunnen duiden op een rol als medepleger. Dit blijkt al uit het feit dat die gedragingen in de tenlastelegging ook zijn vermeld als feitelijke gedragingen bij de (mede)pleger(s). Nu verdachte de feitelijke gedragingen zeer incidenteel en gedurende een korte periode heeft verricht, past daarbij naar het oordeel van de rechtbank echter de conclusie dat hij op zijn minst opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van mensenhandel, wat hem tot medeplichtige maakt.

4.3.2.5 Medeplegen van mensenhandel met betrekking tot [persoon 3]

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat [persoon 3] in de ten laste gelegde periode slachtoffer is geworden van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 1, 3 en 4, tezamen en in vereniging gepleegd door verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [persoon 4/medeverdachte] .

Ten aanzien van de rol van verdachte volgt uit de bewijsmiddelen dat hij actief betrokken was bij de bewezen verklaarde vormen van mensenhandel ten aanzien van [persoon 3] . Zo volgt uit de verklaring van [persoon 3] dat verdachte betrokken was bij het naar Nederland brengen van [persoon 3] om haar hier in de prostitutie te laten werken. Verder volgt uit de telefoontaps dat verdachte betrokken was bij het prostitutiewerk van [persoon 3] in Amsterdam door haar daarbij - mede in opdracht van zijn mededaders - te instrueren en controleren, wat kan worden aangemerkt als het uitoefenen van de bewezen verklaarde dwang. Hieruit volgt dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders heeft bijgedragen aan het ten aanzien van [persoon 3] creëren van een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Volgens de Hoge Raad is daarmee sprake van een uitbuitingssituatie (zie HR 5 februari 2002, LJN: AD5235).

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat naast het dwangmiddel ‘dwang’ in de zin van het uitoefenen van controle ook kan worden bewezen dat ten aanzien van [persoon 3] andere dwangmiddelen zijn toegepast, te weten ‘het toepassen van andere feitelijkheden’, ‘dreiging met feitelijkheden’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’.

De bewezenverklaring van toepassing van het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ verdient, mede gelet op hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ten aanzien van de persoon van [persoon 3] , nadere toelichting. De rechtbank overweegt in dit verband dat [persoon 3] , eenmaal in Nederland (blijkens de inhoud van de telefoontaps) afhankelijk was van verdachte en zijn medeverdachten bij het verwerven van een kamer om haar prostitutiewerk uit te oefenen en tijdens dat werk verstoken bleef van een telefoon, wat haar de mogelijkheid ontnam om op die manier met anderen dan met verdachte en zijn medeverdachten te communiceren. Daarnaast werd [persoon 3] gehuisvest bij medeverdachte [persoon 4/medeverdachte] in huis, alwaar werd gecontroleerd wanneer en hoeveel zij werkte en wat zij verdiende. Er zijn geen aanwijzingen dat [persoon 3] zich net zo goed op eigen kracht in Nederland staande had kunnen houden. Deze feitelijke omstandigheden maakten dat verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk overwicht hadden op [persoon 3] , waar zij ook misbruik van hebben gemaakt. .

4.3.2.6 Ten aanzien van witwassen

Met betrekking tot de geldbedragen van 2.100 en 2000 euro

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen ten aanzien van de bij hem aangetroffen geldbedragen van 2.100 en 2000 euro. Op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze geldbedragen voorhanden had en dat de geldbedragen verdiensten van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4/medeverdachte] betroffen. Verder kan worden bewezen dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit misdrijf. Dat volgt wat betreft de verdiensten van [persoon 1] en [persoon 2] uit de ten aanzien van hen onder 1 bewezen verklaarde mensenhandel. Ook de verdiensten van [persoon 4/medeverdachte] waren naar het oordeel van de rechtbank afkomstig uit misdrijf. Op grond van het dossier kan worden bewezen dat ook zij slachtoffer was van uitbuiting in de prostitutie in de ten laste gelegde periode en dat verdachte dat wist.

Met betrekking tot (andere) verdiensten van [persoon 2]

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, naast voornoemde bij hem aangetroffen geldbedragen, ook andere prostitutieverdiensten van [persoon 2] en [persoon 4/medeverdachte] ontving. Hierbij merkt de rechtbank echter op dat witwassen van verdiensten van [persoon 4/medeverdachte] , anders dan voor zover die onderdeel uitmaken van de in de tenlastelegging vermelde bedragen die bij verdachte zijn aangetroffen, niet is ten laste gelegd.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte tijdens zijn verblijf in Nederland in zijn levensonderhoud heeft voorzien door middel van voormelde andere prostitutieverdiensten van [persoon 2] en [persoon 4/medeverdachte] en deze verdiensten voorts heeft besteed aan softdrugs en prostituees. In dat verband is ook van belang dat niet is gebleken dat verdachte een andere bron van inkomsten had waarmee hij in Nederland in zijn levensonderhoud kon voorzien.

Daarmee kan worden bewezen dat verdachte zich ten aanzien van de verdiensten van [persoon 2] heeft schuldig gemaakt aan de witwashandeling ‘omzetten’.

5 Bewezenverklaring

De tekst van de bewezenverklaring is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

6 De strafbaarheid van de feiten

6.1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Het onder 1 bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

6.2.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de bij verdachte aangetroffen geldbedragen tot een totaal van € 4.100, - aangevoerd, zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van de voor kwalificatie als het strafbare feit witwassen vereiste verhullingshandelingen, omdat hij doende was een deel van het geld ten behoeve van medeverdachten te vervoeren naar Hongarije en omdat hij een deel van het geld verstopt had in zijn onderbroek.

6.2.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder verdachte aangetroffen geldbedragen tot een totaal van € 4.100, - aangevoerd dat bij een bewezenverklaring ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen. Het zou volgens de raadsvrouw dan geld betreffen dat onmiddellijk afkomstig zou zijn uit eigen misdrijf. Verdachte had het geld contant op zak, wat geen verhullingshandeling oplevert en kwalificatie als witwassen is daarom, zoals volgt uit inmiddels bestendige jurisprudentie, niet aan de orde, aldus de raadsvrouw.

6.2.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht ten aanzien van de bij verdachte aangetroffen geldbedragen van 2.100 en 2.000 euro – verdiensten van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 4/medeverdachte] , zoals hiervoor vastgesteld – bewezen dat die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf door verdachte. Dat volgt uit de bewezenverklaring van medeplichtigheid bij de ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2] . Hoewel niet aan verdachte ten laste gelegd, acht de rechtbank op basis van het dossier verder bewezen dat verdachte zodanig bij de uitbuiting van [persoon 4/medeverdachte] betrokken was, dat hij tenminste als medeplichtige daarbij kan worden aangemerkt.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de bij verdachte aangetroffen geldbedragen van 2.100 en 2.000 euro geen sprake is van het verhullen van de criminele herkomst van dat geld. Het (ver)stoppen van geld in een broekzak en in de onderbroek, zoals verdachte heeft gedaan, is daarvoor niet voldoende. Weliswaar is daarmee het geld aan het zicht onttrokken, maar de criminele herkomst daarvan is daardoor niet verhuld. Dat verdachte het geld wellicht wilde vervoeren naar Hongarije maakt dat niet anders. Dat zegt slechts iets over de toekomstige bestemming van het geld. De in dat kader beoogde handelingen waren, nog daargelaten of daardoor de criminele herkomst van het geld zou worden verhuld, nog niet verricht op het moment van het aantreffen van het geld.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bewezen geachte feit voor zover dat ziet op het voorhanden hebben van de geldbedragen van € 2.110, - en € 2.000, - niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte moet in zoverre worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het onder 2 bewezen geachte feit is voor het overige volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft een korting toegepast voor overschrijding van de redelijke termijn van 25 %.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft subsidiair rekening gehouden met de mogelijkheid dat de rechtbank verdachte op één of meer onderdelen van de ten laste gelegde mensenhandel als medeplichtige zal aanmerken. Voor zover hij in die zin strafbaar heeft gehandeld, was dat overduidelijk in opdracht van anderen en niet op eigen initiatief en is hoogstens sprake van een incidentele bijdrage, aldus de raadsvrouw. Afdoening volgens artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht acht de raadsvrouw in die situatie passend.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Zij acht het niet opportuun dat verdachte acht jaar na opheffing van zijn voorlopige hechtenis weer terug naar een Nederlandse gevangenis zou moeten. Verder heeft zij de rechtbank verzocht rekening te houden met het excessieve tijdsverloop, de omstandigheid dat geen aangifte tegen verdachte is gedaan en dat niet belastend ten aanzien van hem is verklaard, dat hij slechts twaalf dagen in Amsterdam is geweest, dat niet is aangetoond dat ten aanzien van [persoon 3] sprake was van dwang en dat hij een ondergeschikte positie had in de familie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee weken schuldig gemaakt aan mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie van één vrouw en is medeplichtig geweest bij de uitbuiting in de prostitutie van twee andere vrouwen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan witwassen.

Vooropgesteld wordt dat mensenhandel en het voordeeltrekken uit uitbuiting ernstige strafbare feiten zijn, waarmee inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van een ander wordt gemaakt en de persoonlijke vrijheid van die ander ernstig wordt geschaad.

Kern van het handelen was de constante dwang jegens de slachtoffers, misleiding van deze jonge vrouwen, het misbruik van de kwetsbare positie van die vrouwen en het emotionele overwicht dat verdachte en zijn mededaders hadden op de vrouwen.

Opvallend is de kennelijke vanzelfsprekendheid waarmee verdachte en zijn medeverdachten onderling en jegens hun slachtoffers opereerden. De samenwerking van de verdachten binnen hun familieverband was van een vanzelfsprekendheid die alleen op die manier gestalte kan krijgen wanneer alle daarbij betrokkenen bekend zijn met de gang van zaken en de belangen en doelen identiek zijn. Dat was bij verdachte en zijn medeverdachten evident het geval. Die samenwerking was structureel en systematisch. Weliswaar lijkt wel sprake te zijn van enige vorm van hiërarchie tussen ouders en kinderen waarbij de ouders mogelijk het laatste woord hadden maar ook verdachte ruimte kreeg en in zijn geval – zij het met matig succes - zich als mede uitbuiter te manifesteren.

Daarbij is ook van belang dat gebruik werd gemaakt van – kennelijk - door medeverdachten ontwikkelde codetaal, die zag op klantenaantallen en verdiensten.

Het optreden van verdachte en medeverdachte getuigt van het ontbreken van elk respect jegens de slachtoffers die zij slechts als productiemiddelen beschouwden en hun belangen. De verdiensten van de slachtoffers kwamen voor een overgroot deel, mogelijk geheel ten goede aan verdachte en de medeverdachten dan wel hun (echte) familie en verwanten.

Het geheel maakt de indruk van een goed geolied familiebedrijf, waarin zelfs over de opvolging werd nagedacht. Vader en moeder leiden het bedrijf en de kinderen kunnen hen te zijner tijd opvolgen. In het geval van verdachte bleek dat hij daarin – kennelijk door eigen gedrag – niet bepaald succesvol, hoewel dat strikt genomen voor de verwijtbaarheid van zijn handelen niet doorslaggevend is. Ook kinderen die niet direct betrokken leken bij de uitbuiting zoals (niet medeverdachte) dochter [persoon 5] en anderen familie leden en verwanten eisten hun deel op. In het geval van verdachte wijkt de duur van de uitbuiting en de omvang van zijn bijdrage in aanzienlijke mate af van die van zijn medeverdachten.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Door zijn handelen heeft de verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. De rechtbank rekent de verdachte aan dat hij daardoor de integriteit van het economische verkeer heeft geschaad.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie bij de bepaling van de omvang van de aan verdachte op leggen straf op zich alleen kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De rechtbank zal, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en de rechtbank in verband met de zeer ruime overschrijding van de redelijke termijn tot een grotere korting op de door aanvankelijk beoogde straf komt, wel in voor verdachte gunstige zin afwijken van de door de officier van justitie gevorderde straf.

Recht op berechting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte dient in dit geval als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Onder die bijzondere omstandigheden kan de redelijke termijn langer dan twee jaar duren zolang er geen sprake is van “onnodig stilliggen”.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 3 december 2008 in verzekering gesteld. In de zaak tegen verdachte zijn naar aanleiding van de eerste zitting op 12 maart 2009 (ook op verzoek van verdachte en zijn raadsvrouw) tot 20 december 2010 getuigen gehoord door de rechter-commissaris, een aantal van die getuigen verbleef in het buitenland. Vervolgens heeft op 16 december 2014 de tweede (pro forma) zitting plaats gevonden. Naar aanleiding van die zitting zijn in de zaak tegen verdachte en zijn medeverdachten nog meer getuigen gehoord tussen 4 maart 2015 en 25 november 2015, waarvan wederom een aantal getuigen zich in het buitenland bevond. Vervolgens is de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte aangevangen op 19 september 2016 en afgerond met een eindvonnis op 11 november 2016. De rechtbank is van oordeel dat er tussen 3 december 2008 en 11 november 2016 in verschillende perioden sprake is geweest van onnodig stilliggen van de zaak. Dit is het geval geweest tussen 20 maart 2011 (drie maanden na het laatste getuigenverhoor in 2010) en 16 december 2014 (de tweede zitting) en tussen 25 februari 2016 (drie maanden na het laatste getuigenverhoor in 2015) en 19 september 2016 (de aanvang van de inhoudelijke behandeling). Daarmee is de redelijke termijn in ernstige mate, te weten met ongeveer 4 jaar en drie maanden, overschreden.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Alles afwegende zal de rechtbank de straf met 40 % matigen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen op zijn plaats is. Gezien de ernstige overschrijding van redelijke termijn matigt de rechtbank die straf met 40%. Na afronding kan bij de strafoplegging worden volstaan met de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 98 dagen.

De rechtbank heeft er daarbij in matigende zin rekening gehouden dat verdachte ten aanzien van een periode die ligt na het in deze zaak bewezenverklaarde, in België is veroordeeld tot een langdurige vrijheidsstraf.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van het beslag

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: geldbedragen van respectievelijk 2.110 euro, 2.000 euro en 75,66 euro (buitenlands geld), die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezen geachte zijn verkregen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, , 48, 57, 273f en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de inleidende dagvaarding met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van de zinsnede ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouwen’ nietig.

Verklaart de gewijzigde dagvaarding met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van de zinsnede ‘die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] woorden toegevoegd van dreigende aard en/of strekking’ nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in rubriek 5 onder 2 bewezene niet strafbaar ten aanzien van het voorhanden hebben van de geldbedragen van € 2.110, - en € 2.000, - en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging terzake daarvan.

Verklaart het bewezene voor het overige strafbaar.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplichtigheid aan mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

2.

witwassen.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

  • -

    2.110 euro;

  • -

    2.000 euro;

  • -

    75,66 euro (buitenlands geld).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. R.R. Eijsten en R. Stockmann, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2016.