Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7333

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
13/525357-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor medeplegen van uitbuiting in de prostitutie van een viertal vrouwen en witwassen tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarbij korting is toegepast in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/525357-08

Datum uitspraak: 11 november 2016

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1967,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

adres in Hongarije: [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19, 21, 23 en 26 september 2016 en 5, 7, 10, 11, 13 en 28 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,

mrs. J.F. de Boer en C.J. Cnossen, en van wat verdachte en haar raadsvrouw,

mr. M.J. van Essen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 21 september 2016 onder 1 en 2 – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich tezamen en in vereniging met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan, respectievelijk:

- mensenhandel door middel van uitbuiting in de prostitutie ten aanzien van [persoon 1] en/of [persoon 2/medeverdachte] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] in de periode van 1 maart 2008 tot en met 3 december 2008 te Amsterdam, althans in Nederland, althans in Hongarije;

- gewoontewitwassen van een groot deel van de verdiensten van voornoemde vrouwen uit door hen verrichte prostitutiewerkzaamheden en/of door haar en/of haar mededader(s) middels moneytransfers verstuurde en/of ontvangen geldbedragen, waarvan negen moneytransfers zijn geconcretiseerd in de tenlastelegging, in de periode van 1 november 2006 tot en met 3 december 2008 te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Hongarije.

De tekst van de integrale gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank heeft op de zitting van 21 september 2016 de vordering wijziging tenlastelegging voor zover daarin bij feit 1 de zinsnede ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouw(en)’ was opgenomen, niet toegelaten, omdat dit onderdeel van de tenlastelegging reeds nietig was verklaard, zoals hieronder in rubriek 4.1.1 nader weergegeven.

3 Inleiding

Verdachte wordt ook in een andere – niet bij de onderhavige zaak gevoegde – zaak (13/730019-15, onderzoek 13Overloon) vervolgd voor uitbuiting van onder meer [persoon 2/medeverdachte] . De rechtbank zal in die zaak en in de onderhavige zaak gelijktijdig uitspraak doen. De tenlastelegging in de andere zaak ziet op een periode van uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] van

1 januari 2005 tot en met 31 december 2010 en witwassen van de verdiensten van [persoon 2/medeverdachte] gedurende (naar de rechtbank begrijpt) dezelfde periode. De periode van uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] en het witwassen van haar verdiensten in de onderhavige zaak valt dus binnen de ten laste gelegde periode in de andere zaak. De rechtbank heeft – kort samengevat – in deze overlap aanleiding gezien de officier van justitie in de andere zaak al tijdens het gelijktijdig onderzoek ter terechtzitting niet-ontvankelijk te verklaren daar waar het betreft de vervolging voor uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] en het daarmee samenhangende witwassen in de overlappende periode. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank zich in de onderhavige zaak en voormelde andere zaak zal uitlaten over de vermeende uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] en het daarmee samenhangende vermeende witwassen voor zover het betreft de daarin respectievelijk tenlastegelegde periode.

4 Voorvragen

4.1

Geldigheid van de dagvaarding

4.1.1.

Beslissing ter terechtzitting van 16 december 2014

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 16 december 2014 ten aanzien van de inleidende dagvaarding de zinsnede ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouw(en)’ nietig verklaard, nu dit een onvoldoende duidelijke opgave is van de tegen verdachte bestaande verdenking. Daarbij heeft de rechtbank destijds overwogen dat mede gelet op het tijdsverloop op dat moment duidelijkheid diende te bestaan over de omvang van de beschuldiging.

4.1.2

Beslissing op verweer bij pleidooi

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 onvoldoende feitelijk is omschreven, omdat de in de tenlastelegging genoemde bedragen niet nader zijn aangeduid met vermelding van een moneytransferdatum of een verwijzing naar de vindplaats in het dossier. Nu het dossier omvangrijk en complex is en de officier van justitie ook spreekt over een enorme hoeveelheid moneytransfers, is het voor de verdediging niet duidelijk waar de in de tenlastelegging genoemde bedragen op zien. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 nietig te verklaren.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging duidelijk is. Ten aanzien van de bedragen heeft de officier van justitie verwezen naar de overzichten met money transfers.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de tekst van het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen zijn de voorwerpen waarop dit feit ziet nader omschreven als (onder meer) een of meer (grote) geldbedrag(en). Deze geldbedragen zijn vervolgens onderverdeeld in twee categorieën, te weten:

  1. een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] en/of [persoon 2/medeverdachte] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden;

  2. (een) door haar, verdachte, en/of haar mededader(s) middels money transfer(s) verstuurde en/of ontvangen geldbedrag(en) van (onder meer) € 1.000,- en/of € 3.742,- en/of € 3.908,- en/of € 3.000,- en/of € 3.908,- en/of € 3.570 en/of € 3.498,- en/of € 3.284,- en/of € 2.076,-).

De rechtbank is van oordeel dat de toevoeging van de woorden ‘onder meer’ voor zowel een of meer (grote) geldbedrag(en) als voor de concreet met bedragen aangeduide money transfers de beschuldiging onduidelijk maakt.

Kennelijk duidt de eerst vermelde toevoeging ‘onder meer’ erop dat naast geldbedragen mogelijk ook andere voorwerpen zouden zijn witgewassen. Zonder nadere aanduiding van die voorwerpen is de beschuldiging in zoverre echter onvoldoende bepaald.

Wat betreft de toevoeging van ‘onder meer’ voor de concrete money transfers is duidelijk dat daarmee wordt gedoeld op andere money transfers door verdachte en/of haar mededader(s) als verzender of ontvanger. Gelet op de ruime pleegperiode, de omstandigheid dat er meerdere mededaders zijn en nu in het dossier sprake is van vele money transfers is de beschuldiging in zoverre echter ook onvoldoende bepaald.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van feit 2 nietig verklaren met betrekking tot de toevoeging ‘onder meer’.

De rechtbank is van oordeel dat de beschuldiging van gewoontewitwassen wel voldoende duidelijk is voor zover die ziet op gewoontewitwassen van een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] en/of [persoon 2/medeverdachte] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden en de concreet aangeduide money transfers. Wat betreft die money transfers is, anders dan gesteld door de verdediging, uit het dossier op te maken dat die zien op money transfers waarbij verdachte als verzender of ontvanger betrokken is. De rechtbank verwijst in dit verband naar het proces-verbaal van bevindingen ‘uitwerking financiële gegevens’ van 16 december 2008, met bijlagen (blz. 740 e.v.).

4.1.3

Slotsom

De dagvaarding is voor het overige geldig ten aanzien van feiten 1 en 2.

4.2

Bevoegdheid van de rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

4.3

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.3.1

Beslissing op ontvankelijkheidsverweer gevoerd op de zitting van 19 september 2016

De rechtbank heeft op de zitting van 21 september 2016 het op de zitting van

19 september 2016 door de raadsvrouw gevoerde ontvankelijkheidsverweer verworpen. Hieronder zijn de overwegingen en conclusies van de rechtbank weergegeven.

A. Overlevering/specialiteitsbeginsel

A.1 Toetsingskader

Uit het in artikel 27, tweede lid van het Kaderbesluit neergelegde specialiteitsbeginsel vloeit voort dat de opgeëiste persoon het recht toekomt om niet te worden vervolgd, bestraft of van zijn vrijheid te worden beroofd wegens een ander vóór de overlevering gepleegd feit dan dat waarvoor de overlevering is toegestaan. Het derde lid van voornoemde bepaling bevat een aantal uitzonderingsgronden op dat specialiteitsbeginsel. Uit het bepaalde onder c volgt dat strafrechtelijke vervolging voor een ander feit is toegestaan, voor zover tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbenemende maatregelen worden toegepast. Daarbij geldt wel dat indien die vervolging heeft geresulteerd in de oplegging van een (onherroepelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel, deze slechts ten uitvoer kan worden gelegd nadat alsnog aanvullende toestemming wordt verleend. Verder volgt uit het bepaalde onder g dat vervolging ook is toegestaan indien de uitvoerende Lidstaat daarvoor (alsnog) toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Kaderbesluit.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat bij de toetsing of sprake is (geweest) van schending van het specialiteitsbeginsel thans slechts de feitsomschrijving op de vordering inbewaringstelling en de daarop gebaseerde en opvolgende tot vrijheidsbeneming strekkende beslissingen van belang zijn (vergelijk: Gerechtshof Amsterdam 27 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3123). De door de verdachte ondergane vrijheidsbeneming tijdens de vervolging in Nederland, de voorlopige hechtenis, die inmiddels is opgeheven inzake Shogun, was immers gegrond op de feitsomschrijving op de vordering inbewaringstelling en de daarop gebaseerde vervolgbeslissingen. De feitsomschrijving in de tenlastelegging op de dagvaarding heeft de rechtbank in dit kader niet van belang geacht, nu die tot op heden niet de grondslag is geweest voor vrijheidsbeneming van verdachte.

Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat in het arrest van het Europese Hof van Justitie van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 PPU, Leymann en Pustovarov (hierna: Leymann en Pustovarov-arrest), is overwogen dat om uit te maken of al dan niet sprake is van “enig ander feit” dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, moet worden nagegaan

  • -

    of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en

  • -

    of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling

en dat wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits

  • -

    zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen,

  • -

    zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en

  • -

    zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het KEAB.

A.2 Toetsing specialiteitsbeginsel

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van verdachte geldt dat zij in de onderhavige zaak door de Hongaarse justitiële autoriteiten is overgeleverd voor – kort samengevat – mensenhandel te Amsterdam ten aanzien van meer dan één vrouw gedurende een ten aanzien van de duur niet nader omschreven periode die duurt tot 1 oktober 2008 en voor witwassen van geldbedragen verdiend door prostituees.

Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat in de vordering in bewaringstelling van verdachte vervolgens is vermeld – kort samengevat – mensenhandel ten aanzien van [persoon 1] en/of [persoon 2/medeverdachte] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouwen’ te Amsterdam en/of Nederland en/of Hongarije gedurende de periode van 1 maart 2008 tot en met 3 december 2008 en witwassen te Amsterdam en/of Nederland en/of Hongarije van geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf gedurende de periode van 1 november 2006 tot en met 3 december 2008.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat vergelijking van de feitsomschrijving waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen met de feitsomschrijving waarvoor de overlevering is toegestaan, een uitbreiding oplevert ten aanzien van de pleegperiode en pleegplaatsen, die is toegestaan gelet op het Leymann en Pustovarov-arrest. De vermelding van concrete slachtoffers in de feitsomschrijving op de vordering in bewaringstelling heeft de rechtbank aangemerkt als een invulling van het in de overleveringsbeslissing vermelde ‘meer dan één vrouw’.

A.3 Te late verstrekking vereiste overleveringsstukken

Met de raadsvrouw heeft de rechtbank vastgesteld dat de officier van justitie de beslissing van de Hongaarse overleveringsrechter laat, namelijk kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, heeft verstrekt aan de raadsvrouw en de rechtbank. In dit verband heeft de rechtbank van belang geacht dat, zoals volgt uit het voorgaande, deze beslissing van belang is met het oog op de toetsing van het specialiteitsbeginsel door de Nederlandse rechter(-commissaris) bij de te nemen beslissingen over de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft in dit kader ter terechtzitting gewezen op artikel 22 van het Kaderbesluit EAB, waarin is bepaald dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in kennis stelt van de beslissing inzake het aan het Europees aanhoudingsbevel gegeven gevolg. Mogelijk kan hieruit worden afgeleid dat de uitvoerende Hongaarse autoriteiten de overleveringsbeslissingen niet behoeven over te leggen. Gelet op het specialiteitsbeginsel en de omstandigheid dat ten aanzien van verdachte dit beginsel dient te worden toegepast en zij daarvan geen afstand hebben gedaan, hadden de Hongaarse autoriteiten tenminste (desgevraagd) mededeling moeten doen van het feitencomplex waarvoor de overlevering is toegestaan. Een dergelijke mededeling maakte, tot aan het beschikbaar stellen van de overleveringsbeslissing, echter geen deel uit van het dossier. Geconcludeerd moet worden dat de vereiste informatie voor de toetsing aan het specialiteitsbeginsel niet beschikbaar was ten tijde van de (toenmalige) beslissingen over toepassing van de voorlopige hechtenis. Inmiddels is het verzuim hersteld doordat de vereiste informatie ten behoeve van de toetsing van de specialiteit alsnog is verstrekt, en heeft, gelet op het bovenstaande, toetsing kunnen plaatsvinden.

De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat de late verstrekking van de overleveringsbeslissing het haar onmogelijk maakt in contact te treden met een Hongaarse advocaat teneinde de beslissing van de Hongaarse overleveringsrechter te kunnen controleren dan wel betwisten. Dit betoog gaat uit van het uitgangspunt dat de overleveringsbeslissing van de Hongaarse rechtbank in de onderhavige procedure zonder meer ter toetsing staat. Dit standpunt is onjuist. De rechtbank dient op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en het vertrouwensbeginsel uit te gaan van de rechtmatigheid van de Hongaarse beslissing en de procedure die tot die beslissingen heeft geleid. Er zijn geen feiten dan wel omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat in onderhavig geval van dat beginsel zou moeten worden afgeweken.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat hetgeen de raadsvrouw met betrekking tot de overlevering van verdachte heeft aangevoerd de ontvankelijkheid van de officier van justitie niet aantast.

B. Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank heeft, met de raadsvrouw en de officier van justitie, geoordeeld dat in de onderhavige zaak ten aanzien van verdachte sprake is van een ruime overschrijding van de redelijke termijn. Met betrekking tot de consequenties die daaraan moeten worden verbonden heeft de rechtbank het volgende overwogen.

In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad (nogmaals) algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van een verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens de Hoge Raad niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Aldus heeft de rechtbank geoordeeld dat ook de overschrijding van de redelijke termijn de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aantast.

C. Stukken/informatie te laat ontvangen

Ten aanzien van de door de raadsvrouw gemaakte opmerkingen over het niet (tijdig) verstrekken van een aantal stukken - en de daaraan te verbinden consequenties aangaande de ontvankelijkheid van de officier van justitie – heeft de rechtbank het volgende overwogen.

SFO – stukken:

Het door de officier van justitie verstrekte SFO-dossier maakt naar het oordeel van de rechtbank geen onderdeel uit van de dossiers 13Shogun en 13Overloon, en de rechtbank zal hier bij haar beraadslaging dan ook geen acht op slaan. De rechtbank heeft in dat kader verwezen naar de correspondentie van de voorzitter met de officier van justitie omtrent die stukken.

Correspondentie Liaison Officer Hongarije:

Uit het overzicht van de handelingen van de liaison officer zoals dat door de officier van justitie aan de raadsvrouw en de rechtbank is toegezonden blijkt niet dat de liaison officer Van Maasdam in Hongarije betrokken is geweest bij de start van de onderzoeken 13Shogun en/of 13Overloon, maar dat hij alleen in een later stadium, na de start, in het kader van de onderzoeken als ‘contactpersoon’ heeft gefungeerd bij de informatie (uit) wisseling tussen de Hongaarse en Nederlandse autoriteiten. De stelling van de raadsvrouw dat de verdediging de start van de onderzoeken niet heeft kunnen toetsen doordat het correspondentieoverzicht van de liaison officer in een te laat stadium en onvolledig is verstrekt, mist daarom feitelijke grondslag.

Tapgesprekken

Hoewel de tapgesprekken in 13Shogun inderdaad in een laat stadium aan de raadsvrouw is verstrekt, heeft de rechtbank geoordeeld dat verdachte hierdoor niet in haar verdedigingsbelang is geschaad. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de raadsvrouw en verdachte al geruime tijd beschikte over de letterlijke uitwerking van alle tapgesprekken, en dus de mogelijkheid bestond de juistheid daarvan gemotiveerd te betwisten. Niet valt in te zien dat dit niet anders kon dan na het uitluisteren van de gesprekken.

Bewijsmateriaal uit Hongarije

De stelling van de raadsvrouw dat zij de rechtmatigheid van de overdracht van bewijsmateriaal van de Hongaarse aan de Nederlandse autoriteiten niet heeft kunnen toetsen, heeft de rechtbank onvoldoende onderbouwd geacht zodat daaraan voorbij is gegaan.

D. Slotsom

In hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting van 19 september 2016 naar voren heeft gebracht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de officieren van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.

4.3.2

Beslissing op bij pleidooi gevoerd ontvankelijkheidsverweer (recht op eerlijk proces)

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een eerlijk proces waarin de belangen van de verdediging voldoende zijn gewaarborgd. Zij heeft hierbij verwezen naar de eerder door haar ingenomen standpunten. De stukken uit het SFO-dossier zijn volgens de raadsvrouw te laat aangeleverd en de rechtmatigheid van de uit Hongarije verkregen informatie en de inzet van dwangmiddelen aldaar kan niet worden getoetst. Ook of het openbaar ministerie zich wel aan de internationaal strafrechtelijke regels heeft gehouden kan niet worden getoetst. Daar komt bij dat het voor verdachte onmogelijk is om adequaat antwoord te geven op vragen van de rechtbank vanwege het grote tijdsverloop. Voor de verdediging is het vrijwel onmogelijk om adequaat verweer te voeren ten aanzien van de beschuldigingen met betrekking tot [persoon 2/medeverdachte] , nu deze beschuldigingen op een gekunstelde manier aan verdachte ten laste zijn gelegd.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De officieren van justitie hebben aangegeven geen enkel stuk uit het SFO-dossier te hebben aangevoerd als bewijsmiddel. Als de verdediging de rechtmatigheid van de inzet van dwangmiddelen (al dan niet ingezet in Hongarije) aan de kaak had willen stellen, heeft zij hiervoor ruimschoots de tijd gehad. Dat verdachte zich niets meer kan herinneren van hetgeen acht jaar geleden zou hebben plaatsgevonden, kan niet algemeen gesteld worden. De beslissing van [persoon 2/medeverdachte] om na zeven jaar aangifte te doen is juist ingegeven door het tijdsverloop. Pas toen zij reeds geruime tijd uit de ‘greep’ van de familie bevrijd was, heeft zij het aangedurfd om aangifte te doen. Volgens de officieren van justitie hadden veel van de bezwaren van de verdediging ondervangen kunnen worden als verdachte op alle terechtzittingen aanwezig was geweest.

De rechtbank overweegt als volgt.

De raadsvrouw heeft opgemerkt dat zij de ter terechtzitting van 19 september 2016 gevoerde ontvankelijkheidsverweren in de onderhavige zaak en de zaak met parketnummer 13/730019-15 (13Overloon) niet opnieuw voert bij pleidooi. Volgens de raadsvrouw leiden de door de rechtbank genomen beslissingen op die verweren er echter toe dat de verdediging geen eerlijk proces meer krijgt. De rechtbank begrijpt dat de raadsvrouw om die reden nogmaals bij pleidooi de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft bepleit.

Feitelijk komt het er op neer dat de raadsvrouw de beslissingen van de rechtbank betwist en daarbij nogmaals heeft toegelicht waarom een en ander heeft geleid tot schending van de verdedigingsrechten. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding op die beslissingen terug te komen. Onder verwijzing naar de overwegingen die tot de beslissingen hebben geleid, komt de rechtbank tot het oordeel dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat, nu verdachte ervoor heeft gekozen geen vragen van de rechtbank te beantwoorden, onvoldoende is onderbouwd dat door het tijdsverloop het voor verdachte niet mogelijk is om vragen van de rechtbank adequaat te beantwoorden. Voor wat betreft de aan verdachte verweten uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] heeft de rechtbank de officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] en het daarmee samenhangende witwassen in de zaak met parketnummer 13/730019-15 (13Overloon). De rechtbank ziet niet in dat het voeren van verweer met betrekking tot de vermeende uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] hierdoor zodanig wordt bemoeilijkt dat het recht op een eerlijk proces is geschonden. In dit verband is van belang dat de stukken die zien op de uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] in beide zaken over en weer zijn gevoegd. De verdediging kan dus in beide zaken op basis van alle relevante stukken verweer voeren.

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het bij pleidooi gevoerde ontvankelijkheidsverweer.

4.3.3

Slotsom ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank komt tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

4.4

Ten aanzien van de schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Standpunt van de officier van justitie

Feit 1-mensenhandel

Bewezen kan worden dat verdachte in de periode van 1 maart 2008 tot en met

3 december 2008 te Amsterdam en in Hongarije tezamen en in vereniging met anderen

[persoon 1] , [persoon 2/medeverdachte] en [persoon 3] door dwang, geweld, dreiging met geweld, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die vrouwen (mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 1).

Ook de cumulatief tenlastegelegde vormen van medeplegen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3, 4, 6 en 9 kunnen ten aanzien van voornoemde vrouwen bewezen worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitbuiting van [persoon 4] , maar daarbij (in de zaak van verdachte) niet nader vermeld welke onderdelen van de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel kunnen worden bewezen.

Feit 2-witwassen

Het tweede feit op de gewijzigde tenlastelegging kan eveneens worden bewezen, in die zin dat verdachte in de periode 1 november 2006 tot en met 3 december 2008 tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen door grote geldbedragen, te weten telkens een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] , [persoon 2/medeverdachte] en [persoon 3] verrichte prostitutiewerkzaamheden en door haar middels

money transfers verstuurde en ontvangen geldbedragen, te verwerven, voorhanden te hebben, en daarvan gebruik te maken. De in de gewijzigde tenlastelegging concreet genoemde geldbedragen (moneytransfers) kunnen worden bewezen.

Wat het gewoontewitwassen betreft kan niet worden bewezen dat verdachte verdiensten van [persoon 4] heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Daarvoor kan vrijspraak volgen.

5.2

Standpunt van de verdediging

Feit 1-mensenhandel

Ten aanzien van de vermeende uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte]

De raadsvrouw heeft in haar pleitnota haar standpunt ten aanzien van de vermeende uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] weergegeven met betrekking tot de gehele periode zoals die is opgenomen in de tenlasteleggingen in de onderhavige zaak en de zaak met parketnummer 13/730019-15 (13Overloon). Hieronder is weergegeven wat (ook) van belang is ten aanzien van de periode in de tenlastelegging in de onderhavige zaak.

Primair moet verdachte worden vrijgesproken van de ten laste gelegde uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] , nu haar belastende verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden uitgesloten van het bewijs. In 2008 heeft [persoon 2/medeverdachte] een aantal verklaringen afgelegd die erop neerkomen dat zij zelf niet is uitgebuit en evenmin zelf vrouwen heeft uitgebuit. Dat zij dan ineens in 2015 belastend verklaart over onder meer verdachte doet afbreuk aan haar betrouwbaarheid.

Verder heeft zij op meerdere onderdelen aantoonbaar in strijd met de waarheid verklaard. Zo heeft zij leugenachtige verklaringen afgelegd met betrekking tot werktijden, haar bemoeienis met andere meisjes en het uitvoeren van controle op andere meisjes.

Ook spreekt zij zichzelf tegen, soms zelfs in één en hetzelfde verhoor.

Het beeld van willoos slachtoffer dat zij van zichzelf neerzet, komt voorts niet overeen met het beeld van [persoon 2/medeverdachte] dat naar voren komt uit verklaringen van verschillende personen. Hierbij verdient opmerking dat op 14 juli 2010 door [persoon 5] juist tegen verdachte en haar toenmalige vriend aangifte is gedaan van uitbuiting.

Ook volgt uit het dossier dat [persoon 6] , een oud-klant van [persoon 2/medeverdachte] , over de jaren 27.000 euro naar verdachte, haar broer en de toenmalige partner van [persoon 2/medeverdachte] heeft overgeboekt. [persoon 2/medeverdachte] zou volgens [persoon 6] het geld terugbetalen zodra zij in de onderhavige zaak geld zou hebben ontvangen. In de visie van de verdediging is hierin een duidelijk motief voor [persoon 2/medeverdachte] gelegen om in deze zaak alsnog aangifte te doen tegen onder meer verdachte.

Tot slot is van belang dat de broer van [persoon 2/medeverdachte] en [persoon 7] bij de rechter-commissaris slechts hebben verklaard wat zij van [persoon 2/medeverdachte] hebben gehoord. De indruk bestaat verder dat zij [persoon 2/medeverdachte] graag behulpzaam zijn bij het verkrijgen van schadevergoeding in de onderhavige zaak.

Voor het geval de rechtbank het primaire verweer verwerpt, heeft de raadsvrouw opgemerkt dat [persoon 2/medeverdachte] ten aanzien van haar periode in Amsterdam van februari/maart 2008 tot en met oktober/november 2008 heeft verklaard dat zij 800/1000 euro verdiende, maar dat uit taps (november/december 2008) blijkt dat dit niet juist kan zijn.

Ten aanzien van de vermeende uitbuiting van [persoon 1]

Het dossier bevat in potentie slechts belastend bewijs in de vorm van taps. De verklaringen van [persoon 1] zijn weinig concreet en gedetailleerd. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van de uitbuiting van [persoon 1] vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

In geval van een bewezenverklaring moet in ieder geval de pleegperiode worden aangepast.

Ten aanzien van de vermeende uitbuiting van [persoon 3]

Verdachte moet ook worden vrijgesproken van de uitbuiting van [persoon 3] vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

In geval van een bewezenverklaring moet in ieder geval de pleegperiode worden aangepast.

Ten aanzien van de vermeende uitbuiting van [persoon 4]

Uitbuiting van [persoon 4] kan evenmin worden bewezen, zodat verdachte ook daarvan moet worden vrijgesproken. Het gaat om een volwassen vrouw en uit niets blijkt dat zij onder de invloed van verdachte en haar familie zou hebben gestaan. Enige vorm van dwang kan niet worden bewezen.

Feit 2-witwassen

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak verzocht ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen op grond van de (primair) bepleite vrijspraak ten aanzien van mensenhandel.

De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de moneytransfers geld betreffen dat afkomstig is uit misdrijf.

Verder heeft zij gesteld dat onbegrijpelijk is dat de pleegperiode in de tenlastelegging bij witwassen aanvangt in 2006, terwijl de uitbuiting zich volgens de tenlastelegging zou afspelen in 2008.

De raadsvrouw heeft zich voorts aangesloten bij de door de officier van justitie gevraagde vrijspraak met betrekking tot het witwassen van verdiensten van [persoon 4] .

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat als kan worden bewezen dat gelden uit uitbuiting naar verdachte en zijn medeverdachten zijn verzonden, niet bekend is wat er daarna met het geld is gebeurd. Hoewel de officier van justitie heeft gesteld dat de verdachten met de gelden een huis zouden hebben gebouwd, is het nog maar de vraag of dit uit de SFO-stukken blijkt, aldus de raadsvrouw. Zij concludeert dat er geen bewijs is voor wat er met de gelden is gebeurd, dat er daarom evenmin bewijs is van verhulling van die bedragen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

5.3.1

Gedeeltelijke vrijspraak

5.3.1.1 Gedeeltelijke vrijspraak mensenhandel ten aanzien van [persoon 1]

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3 met betrekking tot [persoon 1] , zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

5.3.1.2. Gedeeltelijke vrijspraak mensenhandel ten aanzien van [persoon 2/medeverdachte]

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3 met betrekking tot [persoon 2/medeverdachte] , zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

5.3.1.3. Gedeeltelijke vrijspraak mensenhandel ten aanzien van [persoon 3]

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 3 met betrekking tot [persoon 3] , zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

5.3.1.4.Gedeeltelijke vrijspraak mensenhandel ten aanzien van [persoon 4]

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mensenhandel als bedoeld in artikel 273f Sr (oud), eerste lid, sub 6 en 9 met betrekking tot [persoon 4] , zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

5.3.1.5. Vrijspraak gewoontewitwassen ten aanzien van [persoon 4]

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen met betrekking tot verdiensten van [persoon 4] , zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

5.3.2

Nadere bewijsoverwegingen

5.3.2.1 Redengevende feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5.3.2.2 Uitgangspunt bij de bewijswaardering

Ten aanzien van het bewijzen van de feitelijke gedragingen geldt het volgende. Het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv geldt voor de gehele tenlastelegging, niet voor elk onderdeel ervan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (zie onder meer ECLI:NL:HR:2012:BQ6144). Toepassing van voormeld criterium betekent in de onderhavige zaak dat in sommige gevallen op grond van één bewijsmiddel een in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedraging wordt bewezen, indien dat bewijsmiddel niet op zichzelf staat.

Voorts is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dwangmiddel als bedoeld in artikel 273f Sr gekeken naar de bewezenverklaarde feitelijke gedragingen in onderlinge samenhang. Dat sprake is van een dwangmiddel is dus niet uitsluitend rechtstreeks afgeleid uit individuele in de tenlastelegging genoemde feitelijke gedragingen.

5.3.2.3 Betrouwbaarheid verklaringen van [persoon 2/medeverdachte]

is op 3 december 2008 als verdachte van mensenhandel aangehouden. Zij is in voorlopige hechtenis gesteld op basis van de verdenking dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van onder meer [persoon 1] en [persoon 4] . In de dagvaarding van [persoon 2/medeverdachte] is vervolgens ook [persoon 3] als vermeend slachtoffer vermeld.

[persoon 2/medeverdachte] , die dus medeverdachte is van verdachte ten aanzien van mensenhandel met betrekking tot voornoemde slachtoffers, heeft aanvankelijk ontlastend verklaard ten aanzien van zichzelf en haar medeverdachten. Pas in maart 2015 heeft zij belastend verklaard voor verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarbij heeft zij ook gesteld zelf te zijn uitgebuit door deze personen.

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de belastende verklaringen van [persoon 2/medeverdachte] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Van belang is dat de door haar in 2008 afgelegde verklaringen dat zij niet werd uitgebuit – hoe summier ook – niet strookten met de inhoud van de tapgesprekken destijds. De door [persoon 2/medeverdachte] later afgelegde belastende verklaringen tegen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] komen daarentegen wel overeen met de inhoud van de tapgesprekken. Verder vinden die belastende verklaringen ondersteuning in de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 3] . Ook de verklaring van [persoon 8] – een vermeend slachtoffer van onder meer verdachte in het onderzoek 13Overloon – biedt ondersteuning. Zij heeft verklaard van verdachte te hebben gehoord dat [persoon 2/medeverdachte] ook voor de familie heeft gewerkt. Ook de verklaringen van getuigen [persoon 9] , [persoon 7] en [persoon 6] ondersteunen de betrouwbaarheid van [persoon 2/medeverdachte] , zij het dat de verdediging in dit verband terecht heeft opgemerkt dat zij grotendeels verklaren wat zij van [persoon 2/medeverdachte] hebben vernomen. Verder passen de belastende verklaringen van [persoon 2/medeverdachte] bij de financiële gegevens in het dossier.

5.3.2.4. Ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 1]

Algemene beschouwing ten aanzien van de bewezen verklaarde mensenhandel

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met haar man [medeverdachte 1] , haar zoon [medeverdachte 2] en [persoon 2/medeverdachte] , [persoon 1] heeft uitgebuit in de prostitutie. De verklaring die [persoon 1] hierover heeft afgelegd wordt bevestigd door de telefoontaps van de gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [persoon 1] en tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [persoon 1] . [persoon 1] heeft een groot deel van haar verdiensten aan [medeverdachte 2] afgegeven, al dan niet door tussenkomst van zijn medeverdachten.

Dwangmiddelen

Verdachte en haar medeverdachten hebben - onder meer - de werktijden en verdiensten van [persoon 1] gecontroleerd, en daarnaast door te dreigen dat ze niet thuis mag komen, haar gedwongen door te werken totdat zij, in hun ogen, voldoende had verdiend. Daarbij hebben zij misbruik gemaakt van de feitelijke situatie waarin [persoon 1] verkeerde ten tijde van haar verblijf in Nederland en in Hongarije en het overwicht dat zij daardoor op haar hadden. [persoon 1] is naar Nederland gekomen om in de prostitutie te werken vanwege haar financiële omstandigheden en die van haar familie in Hongarije en zij kende niemand in Amsterdam toen [medeverdachte 2] haar benaderde. Zij was afhankelijk van hem bij het verwerven van een kamer om haar prostitutiewerk uit te oefenen. Daarnaast is zij (uiteindelijk) gehuisvest bij medeverdachte [persoon 2/medeverdachte] in huis, alwaar werd gecontroleerd wanneer en hoeveel zij werkte en wat zij verdiende. Er zijn geen aanwijzingen dat [persoon 1] zich net zo goed op eigen kracht in Nederland staande had kunnen houden. Deze feitelijke omstandigheden maakten dat verdachte en haar medeverdachten daadwerkelijk overwicht op haar hadden, waarvan zij ook misbruik hebben gemaakt.

Handelingen

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met de medeverdachten de handelingen heeft verricht zoals opgenomen in de bewezenverklaring.

Oogmerk van uitbuiting

In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (zie HR 5 februari 2002, LJN: AD5235, waarin wordt verwezen naar de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel waarmee art. 250ter (oud) Sr werd geïntroduceerd. Art. 250ter (oud) en art. 250a (oud) Sr zijn voorlopers van het huidige art. 273f Sr.) De aard van het te verrichten werk is in deze uitleg van groot gewicht. Bij gedwongen tewerkstelling in de seksindustrie is per definitie sprake van uitbuiting, de lichamelijke integriteit is dan altijd in het geding.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [persoon 1] onder dwang door verdachte en haar mededaders (met toepassing van een aantal van de in artikel 273f Sr vermelde dwangmiddelen) prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Reeds hierom kan uitbuiting worden bewezen.

Medeplegen

Bij de beantwoording van de vraag wanneer de samenwerking tussen verdachten zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken moeten de concrete omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.

Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Toegepast op deze zaak komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

Verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [persoon 2/medeverdachte] kunnen op basis van de bewijsmiddelen als medeplegers worden aangemerkt ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 1] . De rechtbank leidt daaruit af dat sprake is geweest van een structurele en systematische samenwerking van de verdachten binnen een familieverband, waarbij zij allen bekend waren met de gang van zaken, en de belangen en doelen (direct of indirect) identiek waren. Ten aanzien van [persoon 1] heeft [medeverdachte 2] een hoofdrol gespeeld.

5.3.2.5. Ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 2/medeverdachte]

Algemene beschouwing ten aanzien van de bewezen verklaarde mensenhandel

De rechtbank maakt uit het dossier het volgende op met betrekking tot het verloop van de uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] door verdachte en de mededaders.

[persoon 2/medeverdachte] is als scholier in Hongarije in contact gekomen met [persoon 10] , de dochter van [verdachte] . Tijdens het begin van de middelbare schooltijd, zo rond 2000, is de moeder van [persoon 2/medeverdachte] overleden. Haar broer is destijds in een instelling terecht gekomen en de verstandhouding met haar vader was niet goed. [persoon 2/medeverdachte] is bevriend geraakt met [persoon 10] , waardoor zij regelmatig bij het gezin thuis kwam. Uiteindelijk is zij in Hongarije bij het gezin ingetrokken. Zij is vervolgens door het gezin ingezet om geld te verdienen. Zo moest zij als minderjarige stelen. Vanaf voorjaar 2005 is zij, vooral onder invloed van [medeverdachte 2] , met wie zij toen ook een liefdesrelatie had, in Hongarije in de prostitutie gaan werken. Tot november 2005 heeft zij vervolgens in Hongarije als prostituee gewerkt. In november 2005 is zij vervolgens vooral door toedoen van [verdachte] en [medeverdachte 1] naar Nederland gegaan en is zij gaan werken in Alkmaar tot eind december 2005. Vervolgens heeft zij weer een korte periode in Hongarije als prostituee gewerkt om in januari 2006 weer naar Nederland te gaan. Van januari 2006 tot februari/maart 2006 heeft zij vervolgens weer in Alkmaar als prostituee gewerkt. In maart 2006 is zij in Amsterdam gaan werken als prostituee. De rechtbank maakt uit de verklaringen van [persoon 2/medeverdachte] op dat zij telkens een periode van tweeëneenhalve maand werken in Amsterdam afwisselde met een periode van een halve maand verblijven thuis in Hongarije. Dat heeft geduurd tot 3 december 2008, toen [persoon 2/medeverdachte] als verdachte van mensenhandel in Nederland is aangehouden en in voorlopige hechtenis is genomen. Na haar invrijheidstelling in maart 2009 is [persoon 2/medeverdachte] weer in Amsterdam als prostituee gaan werken. Uit de verklaringen van [persoon 2/medeverdachte] volgt dat zij in die periode geld moest verdienen om met [verdachte] en [medeverdachte 1] naar Canada te kunnen gaan om aldaar werkzaamheden te gaan verrichten. In mei 2009 is [persoon 2/medeverdachte] naar Canada gegaan met [verdachte] en [medeverdachte 1] en zij zijn daar gebleven tot juli 2009. Van juli 2009 tot mei 2010 heeft [persoon 2/medeverdachte] vervolgens in Hongarije verbleven. In deze periode heeft zij niet gewerkt als prostituee. In mei 2010 is zij weer naar Amsterdam gegaan om daar te gaan werken in de prostitutie. In die periode kreeg zij een relatie met [persoon 7] . Uiteindelijk is zij met hulp van deze [persoon 7] in december 2010 gestopt met het werken in de prostitutie voor [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Dwangmiddelen

De rechtbank acht ten aanzien van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bewezen dat zij zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] .

Zij hebben aanvankelijk misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [persoon 2/medeverdachte] verkeerde toen haar moeder overleed en zij niet kon terugvallen op haar vader en broer. Zij hebben haar opgenomen in hun gezin en daarmee een afhankelijkheidsrelatie gecreëerd die zij vervolgens hebben gebruikt om haar geld te laten verdienen voor het gezin. In eerste instantie moest [persoon 2/medeverdachte] stelen en vanaf het voorjaar van 2005 moest zij in de prostitutie gaan werken. Uit de verklaringen van [persoon 2/medeverdachte] volgt dat [medeverdachte 2] een belangrijke rol heeft gehad bij het brengen van [persoon 2/medeverdachte] in de prostitutie in Hongarije. Daarbij was ook sprake van misleiding, in die zin dat hij gebruik maakte van de omstandigheid dat [persoon 2/medeverdachte] verliefd op hem was. [persoon 2/medeverdachte] werd (later) ook misleid doordat haar – in strijd met de waarheid – werd voorgehouden dat zij haar verdiensten als prostituee afstond aan “het gezin” om daar later ook zelf (financieel) van te kunnen profiteren. Daarnaast werd [persoon 2/medeverdachte] vooral door [verdachte] en [medeverdachte 1] gecontroleerd bij haar prostitutiewerkzaamheden en werd zij een enkele keer ook bedreigd met geweld in het kader van haar uitbuiting, zoals volgt uit de taps.

Voorgaande beschouwing ziet op de gehele periode van uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] . Hoewel in de onderhavige zaak slechts de periode van maart 2008 tot december 2008 in de tenlastelegging is vermeld, acht de rechtbank wat is gebeurd in de gehele periode mede van belang voor de bewezenverklaring in de onderhavige zaak. De uitbuitingsperiode waar de onderhavige tenlastelegging op ziet, moet namelijk worden bezien in de context van de gehele periode. Daarbij geldt dat vooral hetgeen dat is voorafgegaan aan de periode in de tenlastelegging van belang is met het oog op bewezenverklaring van de dwangmiddelen ‘misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Uit het voorgaande volgt dat die misleiding en dat misbruik is aangevangen toen [persoon 2/medeverdachte] in het gezin van (onder meer) [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werd opgenomen zo rond 2000. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van deze dwangmiddelen, mede nu [persoon 2/medeverdachte] volgens haar verklaringen gedurende de gehele periode onderdeel van het gezin is blijven uitmaken, een voortdurend karakter heeft en dus ook aan de orde is gedurende de periode van maart 2008 tot december 2008.

Wat betreft de dwangmiddelen ‘dwang’, ‘andere feitelijkheden’ en ‘dreiging met geweld en feitelijkheden’ geldt dat daarvoor in de bewijsmiddelen concrete onderbouwing moet worden gevonden, in die zin dat daarvan in de ten laste gelegde periode sprake moet zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. Zo volgt uit taps dat in de ten laste gelegde periode sprake is geweest van controle van [persoon 2/medeverdachte] tijdens haar werkzaamheden en dat er in dat verband bedreigingen zijn geuit.

Handelingen

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte met haar medeverdachten de handelingen heeft verricht zoals opgenomen in de bewezenverklaring.

Oogmerk van uitbuiting

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [persoon 2/medeverdachte] onder dwang door verdachte en voormelde mededaders (met toepassing van een aantal van de in artikel 273f Sr vermelde dwangmiddelen) prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Reeds hierom kan gelet op voormeld toetsingskader uitbuiting worden bewezen.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de ten laste gelegde periode nauw en bewust hebben samengewerkt bij de uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] , als bedoeld in voormeld toetsingskader voor medeplegen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een structurele en systematische samenwerking van de verdachten binnen een familieverband, waarbij zij allen bekend waren met de gang van zaken, en de belangen en doelen (direct of indirect) identiek waren.

5.3.2.6. Ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 3]

Algemene beschouwing ten aanzien van de bewezen verklaarde mensenhandel

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [persoon 2/medeverdachte] , [persoon 3] heeft uitgebuit in de prostitutie. De verklaring die [persoon 3] hierover heeft afgelegd wordt bevestigd door onder meer de telefoontaps van de gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [persoon 2/medeverdachte] . [persoon 3] heeft een groot deel van haar verdiensten aan verdachte afgegeven, al dan niet door tussenkomst van haar medeverdachten.

Dwangmiddelen

Verdachte en haar medeverdachten hebben - onder meer - de werktijden en verdiensten van [persoon 3] gecontroleerd, en daarnaast, door te dreigen dat ze niet thuis mag komen, haar gedwongen door te werken totdat zij, in hun ogen, voldoende had verdiend. Ook hebben zij haar misleid door [persoon 3] het gevoel te geven dat ze werd opgenomen in de familie. Daarbij hebben zij misbruik gemaakt van de feitelijk situatie waarin [persoon 3] verkeerde ten tijde van haar verblijf in Nederland en in Hongarije en het overwicht dat zij daardoor op haar hadden. [persoon 3] woonde in huis bij [persoon 2/medeverdachte] , alwaar verdachte en [medeverdachte 1] ook verbleven als zij in Nederland waren. Ook uit de inhoud van de telefoongesprekken is op te maken dat [persoon 3] afhankelijk was van verdachte of haar medeverdachte(n), onder meer kon zij niet zelf bepalen met wie zij kon telefoneren.

Handelingen

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte met haar mededaders de handelingen heeft verricht zoals opgenomen in de bewezenverklaring.

Oogmerk van uitbuiting

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [persoon 3] onder dwang door verdachte en haar mededaders (met toepassing van een aantal van de in artikel 273f Sr vermelde dwangmiddelen) prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Reeds hierom kan gelet op voormeld toetsingskader uitbuiting worden bewezen.

Medeplegen

Verdachte, [medeverdachte 1] en [persoon 2/medeverdachte] kunnen op grond van de bewijsmiddelen als medepleger, als bedoeld in voormeld toetsingskader, worden aangemerkt ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 3] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een structurele en systematische samenwerking van de verdachten binnen een familieverband, waarbij zij allen bekend waren met de gang van zaken, en de belangen en doelen (direct of indirect) identiek waren.

5.3.2.7. Ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 4]

Algemene beschouwing ten aanzien van de bewezen verklaarde mensenhandel

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de telefoontaps, blijkt dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 3] en [persoon 2/medeverdachte] , [persoon 4] gedurende een korte periode heeft uitgebuit in de prostitutie.

Dwangmiddelen

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat naast het dwangmiddel ‘dwang’ in de zin van het uitoefenen van controle ook kan worden bewezen dat ten aanzien van [persoon 4] andere dwangmiddelen zijn toegepast, te weten ‘het toepassen van andere feitelijkheden’, ‘dreiging met feitelijkheden’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’.

De rechtbank overweegt in dit verband dat [persoon 4] , eenmaal in Nederland (blijkens de inhoud van de telefoontaps) afhankelijk was van verdachte en haar medeverdachten bij het verwerven van een kamer om haar prostitutiewerk uit te oefenen en tijdens dat werk verstoken bleef van een telefoon, wat haar de mogelijkheid ontnam om op die manier met anderen dan met verdachte en zijn medeverdachten te communiceren. Daarnaast werd [persoon 4] gehuisvest bij medeverdachte [persoon 2/medeverdachte] in huis, alwaar werd gecontroleerd hoeveel zij werkte en wat zij verdiende. Er zijn geen aanwijzingen dat [persoon 4] zich net zo goed op eigen kracht in Nederland staande had kunnen houden. Deze feitelijke omstandigheden maakten dat verdachte en zijn medeverdachten daadwerkelijk overwicht hadden op [persoon 4] , waar zij ook misbruik van hebben gemaakt.

Handelingen

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de handelingen heeft verricht zoals opgenomen in de bewezenverklaring.

Oogmerk van uitbuiting

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [persoon 4] onder dwang door verdachte en haar mededaders (met toepassing van een aantal van de in artikel 273f Sr vermelde dwangmiddelen) prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Reeds hierom kan gelet op voormeld toetsingskader uitbuiting worden bewezen.

Medeplegen

Verdachte, [medeverdachte 3] en [persoon 2/medeverdachte] kunnen op basis van de bewijsmiddelen als medeplegers, als bedoeld in voormeld toetsingskader, worden aangemerkt ten aanzien van de mensenhandel met betrekking tot [persoon 4] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een structurele en systematische samenwerking van de verdachten binnen een familieverband, waarbij zij allen bekend waren met de gang van zaken, en de belangen en doelen (direct of indirect) identiek waren.

5.3.2.7 Ten aanzien van gewoontewitwassen

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen worden bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] , [persoon 2/medeverdachte] en [persoon 3] verrichte prostitutiewerkzaamheden.

De rechtbank acht dit bewezen voor de gehele tenlastegelegde periode vanaf 1 november 2006 tot 3 december 2008, derhalve ook voorafgaand aan de in het onderhavige vonnis bewezenverklaarde mensenhandel vanaf 1 maart 2008. In het op verdachte betrekking hebbend vonnis van heden in de zaak 13Overloon verklaart de rechtbank bewezen dat verdachte zich met haar mededaders ook in die voorliggende periode heeft schuldig gemaakt aan uitbuiting in de prostitutie van [persoon 2/medeverdachte] . Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat het gewoontewitwassen van de verdiensten van [persoon 2/medeverdachte] uit de prostitutie zich ook in die voorliggende periode heeft voorgedaan, en dat verdachte daar als medepleegster bij betrokken is geweest.

Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank dat ten aanzien van het gewoontewitwassen eveneens is samengewerkt binnen hetzelfde familieverband.

Gelet op het feit dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – de uitbuiting in de prostitutie van voornoemde vrouwen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van gedragingen die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter hebben.

Allereerst is gebleken dat geldbedragen zijn overgemaakt via bankrekeningen en Western Union naar andere personen in Hongarije, waarmee de herkomst van het geld is verhuld.

Ten aanzien van de geldbedragen die niet zijn overgeboekt, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank houdt het ervoor dat verdachte en de medeverdachten het geld onder andere hebben gebruikt om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Ook gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte en medeverdachten met de prostitutie inkomsten andere (luxe)goederen zoals een auto en een woning hebben aangeschaft. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zij daarover beschikken. Verdachte en de medeverdachten hebben zelf geen inzicht gegeven in hun financiële omstandigheden en ter zitting niet willen verklaren. Nergens kan uit worden afgeleid dat zij in de tenlastegelegde periode zelf een andere bestendige bron van inkomsten hadden van waaruit zij in hun eigen levensonderhoud konden voorzien of goederen konden kopen. Met deze uitgaven hebben verdachte en medeverdachten de geldbedragen die uit misdrijf afkomstig waren het legale betalingscircuit ingebracht en daarmee veilig gesteld. Door het geld aldus om te zetten en te gebruiken hebben verdachte en de medeverdachten de criminele herkomst ervan verhuld en zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Gelet op de periode en nu het steeds om verschillende transacties ging acht de rechtbank medeplegen van gewoontewitwassen bewezen. Voorts blijkt uit een aantal tapgesprekken dat ook sprake was van het na - daartoe strekkende opdrachten van medeverdachten - overhandigen van contante geldbedragen aan personen die gelieerd waren aan verdachte en zijn medeverdachten.

6 Bewezenverklaring

De tekst van de bewezenverklaring is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft een korting toegepast voor overschrijding van de redelijke termijn van 25 %.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernstige overschrijding van de redelijke termijn in geval van strafoplegging dient te worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met een verlengde proeftijd.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat oplegging van een straf voor uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] in zowel de onderhavige zaak als de zaak met parketnummer 13/730019-15 (13Overloon) schending van het ne bis in idem beginsel oplevert. De raadsvrouw heeft de rechtbank dan ook verzocht in geval van een bewezenverklaring van de uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] in de onderhavige zaak te volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, omdat de straf al verdisconteerd is in de straf die zal worden opgelegd inzake 13/730019-15 (13Overloon).

9.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich met haar medeverdachten, allen familieleden, schuldig gemaakt aan de uitbuiting van meerdere vrouwen gedurende een periode variërend van enkele weken tot meerdere maanden. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

Vooropgesteld wordt dat mensenhandel en het voordeeltrekken uit uitbuiting ernstige strafbare feiten zijn, waarmee inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van een ander wordt gemaakt en de persoonlijke vrijheid van die ander ernstig wordt geschaad.

Kern van het handelen was de constante dwang jegens de slachtoffers, misleiding van deze jonge vrouwen, het misbruik van de kwetsbare positie van die vrouwen en het emotionele overwicht dat verdachte en haar medeverdachten hadden op de vrouwen.

Opvallend is de kennelijke vanzelfsprekendheid waarmee verdachte en haar medeverdachten onderling en jegens hun slachtoffers opereerden. De samenwerking van de verdachten binnen hun familieverband was van een vanzelfsprekendheid die alleen op die manier gestalte kan krijgen wanneer alle daarbij betrokkenen bekend zijn met de werkelijke gang van zaken en hun belangen en doelen - de uitbuiting van vrouwen in de prostitutie - identiek zijn. Dat was bij verdachte en haar medeverdachten evident het geval. Die samenwerking was structureel en systematisch. Weliswaar lijkt wel sprake te zijn van enige vorm van hiërarchie tussen verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] en kinderen waarbij de ouders mogelijk het laatste woord hadden maar ook dat de kinderen, waaronder medeverdachte en zoon alle ruimte kregen en gebruikten om zich als mede uitbuiter te manifesteren.

Daarbij is ook van belang dat gebruik werd gemaakt van - kennelijk - door verdachte en medeverdachten ontwikkelde codetaal, die zag op klantenaantallen en verdiensten. Voorts werd gebruik gemaakt van communicatiewijzen- en middelen die door hen werden bepaald (geen telefoon maar internetcontact als gevoelige onderwerpen aan de orde waren) terwijl via die middelen permanente controle op de slachtoffers plaatsvond. De slachtoffers werden voorts door alle verdachten aangespoord om elkaar ook onderling te bevragen over de omvang van de verdiensten waarmee een extra element en effectief middel van controle werd gecreëerd.

Het optreden van verdachte en medeverdachten getuigt van het ontbreken van elk respect jegens de slachtoffers die zij slechts als productiemiddelen beschouwden en met voorbijgaan aan hun belangen. Zij veinsden dat hun slachtoffers al deel uitmaakten van hun familie of het gezin zoals in het geval van [persoon 2/medeverdachte] of mogelijk deel van dat familie- of gezinsverband zouden kunnen uitmaken met de daaraan verbonden (voorkeurs) behandelingen. Tekenend is het feit dat verdachte ‘mama’ werd genoemd, en dat de slachtoffers “thuis” konden komen (nadat zij voldoende hadden verdiend) terwijl in werkelijkheid slechts de eigen belangen werden nagestreefd. Er werd een vorm van loyaliteit ten opzichte van de “familie” gekweekt waarbij de slachtoffers als het ware medeverantwoordelijk werden gemaakt voor het welbevinden van de familie en de inkomsten van het gezin en daarop mochten worden aangesproken. Er werd een betere toekomst voorgespiegeld waar aan zou worden gewerkt met het verdiende geld, terwijl daarvan in het geheel geen sprake was. De verdiensten van de slachtoffers kwamen voor een overgroot deel, mogelijk geheel ten goede aan verdachte en de medeverdachten dan wel hun (echte) familie en verwanten.

De controle en de daarmee samenhangende dwang uitte zich in het veelvuldig aansporen van de slachtoffers om hun verdiensten te vergroten en het gebruik van bedreigende woorden daarbij, zoals het aanrichten van een bloedbad en het bezorgen van een shock. De bejegening van de slachtoffers, was dreigend, commanderend, denigrerend en schofferend. Blijkens de getapte telefoongesprekken ging de telefoon tijdens de gesprekken regelmatig over van de ene naar de andere verdachte alsof sprake is van een verantwoordelijke voor een deel van de bedrijfsvoering en de toon van de bejegening.

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte en haar medeverdachten zelf op enige legale wijze bijdroegen aan het “familie- of gezinsinkomen”. Verdachte en zijn medeverdachten hebben tijdens hun verhoren veelvuldig melding gemaakt van hun werkzaamheden in de autobranche, de handel in kleding en activiteiten op de markt. Op geen enkel moment tijdens de verhoren of de behandeling ter zitting zijn deze stellingen voorzien van enige daadwerkelijke feitelijke en verifieerbare onderbouwing. Ook aan de mededeling van verdachte dat zij zelf actief werkzaam was in de prostitutie in de in geding zijnde periode kan ernstig worden getwijfeld gezien de verklaring van de getuige [persoon 11] en anderen. Het beeld dat uit het dossier naar voren komt is van een familie die (nagenoeg) volledig afhankelijk was van de werkzaamheden en de prostitutie-inkomsten van de slachtoffers.

Uit de in het dossier beschikbare mutaties blijkt sprake van aanwezigheid van (leden van) de familie in het Wallengebied gedurende een reeks van jaren terwijl zij in wisselende samenstelling in het gezelschap verkeren van personen die verdacht en soms veroordeeld zijn ter zake van mensenhandel.

Het geheel maakt de indruk van een goed geolied familiebedrijf, waarin zelfs over de opvolging werd nagedacht. Vader en moeder leiden het bedrijf en de kinderen kunnen hen te zijner tijd opvolgen. Ook kinderen die niet direct betrokken leken bij de daadwerkelijke uitbuiting zoals (niet medeverdachte) dochter [persoon 10] en anderen familieleden en verwanten deelden mee in de verdiensten of eisten dat op.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Door haar handelen heeft de verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst verschaft. De rechtbank rekent de verdachte aan dat zij daardoor de integriteit van het economische verkeer heeft geschaad.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie bij de bepaling van de omvang van de aan verdachte op leggen straf alleen worden volstaan met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van langere duur. De rechtbank zal, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en de rechtbank in verband met de zeer ruime overschrijding van de redelijke termijn tot een grotere korting op de door aanvankelijk beoogde straf komt, wel in voor verdachte gunstige zin afwijken van de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsstraf.

Recht op berechting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte dient in dit geval als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Onder die bijzondere omstandigheden kan de redelijke termijn langer dan twee jaar duren zolang er geen sprake is van “onnodig stilliggen”.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 20 februari 2009 in verzekering gesteld. In de zaak tegen verdachte zijn (ook op verzoek van verdachte en haar raadsvrouw) tot 20 december 2010 getuigen gehoord door de rechter-commissaris, een aantal van die getuigen verbleef in het buitenland. Vervolgens heeft op 16 december 2014 de eerste (pro forma) zitting plaats gevonden. Naar aanleiding van die zitting zijn in de zaak tegen verdachte nog meer getuigen gehoord tussen 4 maart 2015 en 25 november 2015, waarvan wederom een aantal getuigen zich in het buitenland bevond. Vervolgens is de inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte aangevangen op 19 september 2016 en afgerond met een eindvonnis op 11 november 2016. De rechtbank is van oordeel dat er tussen 20 februari 2009 en 11 november 2016 in verschillende perioden sprake is geweest van onnodig stilliggen van de zaak. Dit is het geval geweest tussen 20 maart 2011 (drie maanden na het laatste getuigenverhoor in 2010) en 16 december 2014 (de eerste zitting) en tussen 25 februari 2016 (drie maanden na het laatste getuigenverhoor in 2015) en 19 september 2016 (de aanvang van de inhoudelijke behandeling). Daarmee is de redelijke termijn in ernstige mate, te weten met ongeveer 4 jaar en drie maanden, overschreden.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Alles afwegende zal de rechtbank de straf met 40 % matigen.

De rechtbank acht oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden passend. Met toepassing van voormelde matiging in verband met overschrijding van de redelijke termijn zal een gevangenisstraf van afgerond 22 maanden worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

10. Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 2/medeverdachte] en de schadevergoedingsmaatregel

10.1

De schriftelijke vordering en toelichting ter zitting

10.1.1

Gestelde materiële schade

De benadeelde partij [persoon 2/medeverdachte] heeft middels één formulier schadevergoeding gevorderd in zowel de onderhavige zaak als de zaak met parketnummer 13/730019-15 (13Overloon) voor de gehele periode waarin zij zou zijn uitgebuit door verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Zij heeft in verband met het ontnemen van door haar verdiende inkomsten met prostitutiewerkzaamheden een bedrag van 1.626.000, - euro materiële schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag is als volgt berekend:

Hongarije, 2003 tot en met 2005 (2003 en 2005 deels, 2004 geheel)

320 dagen x 2 jaar x 400 euro (per dag)= 256.000 euro

Alkmaar, 2005 (40 dagen)

40 dagen x 250 euro (per dag) = 10.000 euro

Amsterdam, 2005 tot en met 2010

320 dagen x 5 jaren x 850 euro (per dag) = 1.360.000 euro

Ter terechtzitting heeft de raadsman van de benadeelde partij het volgende aangevoerd. Het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade is gebaseerd op de verklaringen van [persoon 2/medeverdachte] . De genoemde bedragen zijn gebaseerd op haar herinneringen over het aantal gewerkte dagen en de gemiddelde opbrengst per dag. De periode dat zij in Hongarije voor de verdachten heeft gewerkt, is ook betrokken in de vordering. Zij heeft hetgeen zij in Hongarije zou hebben verdiend omgerekend in euro’s. De periode dat zij in Canada heeft verbleven is niet meegerekend, omdat zij daar niet gewerkt zou hebben. De berekeningen van de Belastingdienst kwamen redelijk overeen met hetgeen [persoon 2/medeverdachte] heeft verteld omtrent haar verdiensten.

De raadsman heeft de vordering ter zitting aangepast in die zin dat geen materiële schadevergoeding wordt gevorderd over de jaren 2003 en 2004.

10.1.2

Gestelde immateriële schade

De benadeelde partij heeft tevens immateriële schadevergoeding van 400.000 euro gevorderd, bestaande uit 50.000 euro per jaar (periode 2003 tot en met 2010) dat zij is uitgebuit.

De raadsman heeft aangevoerd dat zijn cliënte van haar vrijheid was beroofd gedurende een lange periode en dat zij talloze keren per dag seksueel werd misbruikt.

Ter terechtzitting heeft hij daaraan toegevoegd dat het gedeelte van de vordering dat ziet op de immateriële schade een schatting is, waarbij rekening is gehouden met de omstandigheid dat zijn cliënte extreem lange dagen van 16 uur werkte gedurende een lange periode. De periode dat zij in Canada heeft verbleven is door de raadsman ook betrokken bij het gedeelte dat ziet op de immateriële schade.

De raadsman heeft de vordering ter zitting aangepast in die zin dat geen immateriële schadevergoeding wordt gevorderd over de jaren 2003 en 2004.

10.1.3

Verzoek hoofdelijke veroordeling en wettelijke rente

De benadeelde partij heeft de rechtbank verzocht de drie verdachten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het totaalbedrag en het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

10.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak 72.000 euro materiële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. Daarbij gaat de officier van justitie er vanuit dat gedurende de in de onderhavige zaak te bewijzen periode van negen maanden, waarin [persoon 2/medeverdachte] in Amsterdam prostitutiewerkzaamheden heeft verricht, sprake is geweest van het ontnemen van verdiensten van [persoon 2/medeverdachte] door verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De officier van justitie is uitgegaan van 240 werkdagen in deze periode met een gemiddelde dag verdienste van 300 euro.

De officier van justitie acht 10.000 euro immateriële schadevergoeding toewijsbaar in de onderhavige zaak.

De officier van justitie heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

10.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van de uitbuiting van [persoon 2/medeverdachte] .

Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Hiertoe heeft zij gewezen op de exceptioneel hoge gestelde schadebedragen en de complexiteit van (de beoordeling van) de vordering.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de gestelde materiële schade op geen enkele wijze is onderbouwd en evenmin voldoende onderbouwing vindt in het dossier, wat tot afwijzing van de vordering ten aanzien van de gestelde materiële schade moet leiden.

Voor het geval de rechtbank wel tot het oordeel komt dat een bedrag aan gederfde inkomsten kan worden toegewezen, heeft de raadsvrouw meest subsidiair de rechtbank verzocht het bedrag te matigen tot 100 euro per dag.

10.4

Oordeel van de rechtbank

10.4.1

Inleiding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Die schade kan op na te melden wijze worden gewaardeerd. De vordering is – anders dan gesteld door de raadsvrouw van verdachte – in zoverre voldoende onderbouwd en de behandeling van (een deel van) de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

10.4.2

Ten aanzien van de materiële schade

De rechtbank hanteert op grond van het dossier, in het bijzonder de verklaringen van de benadeelde partij in combinatie met de telefoontaps, de volgende uitgangspunten bij het bepalen van de materiële schade die de benadeelde partij heeft geleden door het moeten afstaan aan verdachte en haar mededaders van haar verdiensten als prostituee gedurende in de tenlastelegging genoemde periode.

De benadeelde partij heeft in de periode van 1 maart 2008 tot 3 december 2008, die ruim negen maanden beslaat, telkens gedurende een periode van tweeëneenhalve maand als prostituee in Amsterdam gewerkt om vervolgens een halve maand naar huis (in Hongarije) te gaan, waar zij niet werkte.

Zij heeft zes dagen per week gewerkt in Amsterdam.

Het aantal werkdagen in Amsterdam gedurende de werkperiode van tweeëneenhalve maand bepaalt de rechtbank op 10 weken x 6 dagen = 60 werkdagen.

De rechtbank gaat er vanuit dat de benadeelde partij in voormelde periode van negen maanden gedurende drie periodes van tweeëneenhalve maand (10 weken) en een periode van een maand (4 weken x 6 werkdagen= 24 werkdagen) in Amsterdam heeft gewerkt. Wat betreft de werkperiode van een maand geldt dat het patroon ‘tweeëneenhalve maand werken en vervolgens een halve maand thuis in Hongarije’ werd doorbroken doordat de benadeelde partij op 3 december 2008 is aangehouden en in voorlopige hechtenis is genomen.

Voorgaand levert in totaal 3 werkperiodes x 60 werkdagen + 1 werkperiode x 24 werkdagen = 204 werkdagen op.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ervan kan worden uitgegaan dat de benadeelde partij gemiddeld minimaal € 300, - per dag afstond.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de materiële schade vast op 204 werkdagen x

€ 300, - = € 61.200, -

10.4.3

Ten aanzien van de immateriële schade

Met de officier van justitie acht de rechtbank € 10.000, - immateriële schadevergoeding toewijsbaar. Het bewezenverklaarde brengt mee dat zij op grove wijze is aangetast in haar lichamelijke en geestelijke integriteit. De rechtbank acht aannemelijk dat zij hiervan de gevolgen heeft ondervonden en nog ondervindt. De rechtbank acht het genoemde bedrag naar maatstaven van billijkheid als geleden schade van immateriële aard toewijsbaar. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen wat in vergelijkbare zaken is toegewezen.

10.4.4

Slotsom

Verdachte is tot vergoeding van een totaal schadebedrag van € 61.200, - + € 10.000, - =

€ 71.200, -, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Hierbij bepaalt de rechtbank dat verdachte en haar mededaders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gehele bedrag.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de inleidende dagvaarding met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van de zinsnede ‘één of meer (andere) tot nu toe onbekend gebleven vrouwen’ nietig.

Verklaart de dagvaarding met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen telkens ten aanzien van de zinsnede ‘(onder meer)’ nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

2.

medeplegen van ‘van witwassen een gewoonte maken’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2/medeverdachte] toe tot een bedrag van € 71.200, -(eenenzeventigduizend tweehonderd euro), bestaande uit € 61.200, - (eenenzestigduizend tweehonderd euro) materiële schadevergoeding en € 10.000, - (tienduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 2/medeverdachte] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 2/medeverdachte] , te betalen de som van € 71.200, -(eenenzeventigduizend tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 355 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. B.E. Mildner en A.J. Dondorp, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. R.R. Eijsten en R. Stockmann, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2016.