Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7316

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
CV EXPL 16-7305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWZ. Loonvordering. Vraag of het gehanteerde uurloon correct is, omdat sprake was van een inleerperiode, zoals de CAO in artikel 14 lid 7 bedoelt. Eerdere werkzaamheden. Ook vordering t.a.v. de eindejaarsuitkering. Uitleg van de CAO-bepaling. Oproepcontract; bewijs dat de werknemer niet meer opgeroepen wilde worden bij werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1266
AR 2016/3281

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht - team kanton

zaaknummer: 4865951 CV EXPL 16-7305

vonnis van: 17 oktober 2016

fno.: 245

Tussenvonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1. de vennootschap onder firma Schoonmaakbedrijf Correcto II VOF
gevestigd te Amsterdam
2. [opposant sub 2]

wonende te [woonplaats]

3. [opposant sub 3]

wonende te [woonplaats]
opposanten

nader samen ook te noemen: Correcto

gemachtigde: mr. S. de Vries

t e g e n

[geopposeerde]

wonende te [woonplaats]

geopposeerde

nader te noemen: [geopposeerde]

gemachtigde: mr. T.H.S.P. de Jonge

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- oorspronkelijke dagvaarding van 16 december 2015 met producties

- verstekvonnis van 22 januari 2016
- de verzet-dagvaarding van 23 februari 2016 met producties
- instructievonnis

- dagbepaling comparitie van partijen

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 24 mei 2016. Voorafgaand heeft [geopposeerde] nog de conclusie van antwoord in oppositie ingezonden. Ter zitting waren aanwezig namens Correcto [opposant sub 2] , [opposant sub 3] en [naam 1] , met de gemachtigde. [geopposeerde] was eveneens aanwezig, met zijn gemachtigde en een tolk.

Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, deels aan de hand van een pleitnota, en de kantonrechter heeft de zaak met partijen besproken. Daarvan zijn aantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen.

Vervolgens heeft Correcto nog een conclusie van repliek in oppositie genomen en is vonnis gevraagd.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

Correcto is een vennootschap onder firma van gedaagden, gestart per 1 september 2014. Gedaagde [opposant sub 2] had daarvoor de eenmanszaak “Correcto”, die in de vennootschap onder firma is ingebracht.

1.2.

[geopposeerde] , geboren op [geboortedatum] 1981 en thans derhalve 35 jaar oud, is per 1 juli 2014 als schoonmaker in dienst van [opposant sub 2] getreden, welk dienstver-band vanaf 1 oktober 2014 (stilzwijgend) door Correcto is voortgezet. En is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt. [geopposeerde] werkte een wisselend aantal uren per maand. Het overeengekomen loon bedroeg € 10,00 bruto per uur. Het betrof een dienstverband voor de duur van 12 maanden.

1.3.

De CAO voor het schoonmaak en glazenwassersbedrijf (verder: de CAO), die algemeen verbindend is verklaard van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016, is op het dienstverband van toepassing. Volgens deze CAO kan een arbeidsovereenkomst zonder vast aantal uren slechts voor de duur van 6 maanden worden gesloten. Zo’n overeenkomst kan 2x worden verlengd.

1.4.

Volgens de CAO bedraagt het basis-uurloon van een medewerker tot 7 dienstjaren vanaf 1 juli 2014 tot 1 juli 2015 het bedrag van € 10,91 bruto per uur. Daarnaast, in artikel 14, bevat de CAO een regeling voor de hoogte van het uurloon tijdens een zogenoemde ‘inleerperiode’: de eerste 12 maanden van het dienstverband.

1.5.

De CAO bevat voorts in artikel 15 een recht op een eindejaarsuitkering van 2% over het bruto-inkomen voor medewerkers, die ten tijde van de betaling tenminste 6 maanden in dienst zijn geweest, en in artikel 25 - 27 van de CAO het recht op vakantietoeslag van 8% (verplicht uit te keren in de maand mei) en vakantie-opbouw van 10% over de gewerkte uren. Bij het einde van het dienstverband dienen deze bedragen (pro rata) te worden uitgekeerd.

1.6.

Vanaf juli 2014 en tot en met april 2015 heeft [geopposeerde] maandelijks salaris-specificaties ontvangen, met uitzondering van de maand januari 2015. Volgens de salarisspecificaties wordt voor [geopposeerde] 8% vakantiegeld gereserveerd. De vakantie-uren (ook wel genoemd: vakantie-tegoed) worden op de salarisspecificaties niet bijgehouden, althans staan op 0,00.

1.7.

In februari, maart en april 2015 heeft [geopposeerde] achtereenvolgens 25 uur, 110 uur en 125 uur gewerkt. Volgens een door Correcto in de procedure gebrachte salarisspecificatie heeft [geopposeerde] in januari 2015 op 12 dagen 45 uren gewerkt.

1.8.

Op 2 juni 2015 heeft Correcto het bedrag van € 1350,00 netto naar [geopposeerde] overgeboekt onder de vermelding van “salaris maand mei.15”. Correcto heeft in de procedure gebracht een salarisspecificatie over de maand mei 2015, waarop staan vermeld: vakantie-uren € 500,00 bruto (50 uren à € 10,00) en vakantiegeld € 476,01 bruto. Het uit te betalen bedrag is volgens die specificatie € 619,87 netto.

1.9.

Na 1 juli 2015 is het dienstverband niet voortgezet. Bij brief van 26 oktober 2015 heeft de gemachtigde van [geopposeerde] Correcto aangeschreven over het uurloon van [geopposeerde] , de salarisspecificaties, de uitbetaling van gewerkte uren in juni 2015 en de eindafrekening van het dienstverband. Correcto heeft niet gereageerd. Op 19 november 2015 heeft de gemachtigde Correcto gerappelleerd. Ook daar heeft Correcto niet op gereageerd.

1.10.

Bij dagvaarding van 16 december 2015 is Correcto gedagvaard. Correcto is in die procedure niet verschenen. Bij vonnis van 22 januari 2016 heeft de kantonrechter Correcto verstek verleend en de vordering van [geopposeerde] toegewezen. Het vonnis is op 27 januari 2016 betekend. Op 23 februari 2016 is de verzet-dagvaarding uitgebracht.

Vordering en verweer

2. De kantonrechter stelt vast dat Correcto tijdig en op juiste wijze verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van 22 januari 2016. Aldus dient de vordering van [geopposeerde] opnieuw te worden beoordeeld.

3. [geopposeerde] heeft - samengevat - bij inleidende dagvaarding gevorderd:
- afgifte van salarisspecificaties (zo leest de kantonrechter), welke conform de geldende CAO zijn opgemaakt;
- betaling van het maandloon over de maand juni 2015 ad € 1.283,33 bruto, de eindafrekening ad € 2.120,67 bruto en een nabetaling op grond van het volgens de CAO geldende uurloon ad € 1.206,11 bruto, alles met de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf 30 juni 2015.

4. [geopposeerde] heeft daaraan - eveneens samengevat - ten grondslag gelegd dat hij conform de CAO recht heeft op een uurloon van € 10,91 bruto. Correcto heeft derhalve steeds te weinig betaald, hetgeen dient te worden rechtgezet. Daarnaast heeft [geopposeerde] recht op een eindejaarsuitkering, loon over de maand juni 2015 en een correcte eindafrekening van het dienstverband.

5. Correcto vordert in oppositie (zo begrijpt de kantonrechter) vernietiging van het verstekvonnis van 22 januari 2016, waarbij de bovenstaande vorderingen zijn toegewezen, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geopposeerde] alsnog af te wijzen.

6. Correcto stelt hiertoe - samengevat - dat het zijdens Correcto gehanteerde uurloon van [geopposeerde] correct is, nu sprake was van een inleerperiode, zoals de CAO in artikel 14 lid 7 bedoelt. Voor [geopposeerde] geldt namelijk in de eerste 12 maanden van het dienst-verband een betalingsverplichting van 85% van het CAO-loon, zijnde een bruto uurloon van € 9,55. Correcto heeft meer dan dat, namelijk € 10,00 bruto per uur, uitgekeerd.

7. Daarnaast stelt Correcto dat [geopposeerde] zelf in mei 2015 te kennen heeft gegeven niet meer opgeroepen te willen worden, omdat hij met vakantie ging. Nu [geopposeerde] op eigen verzoek niet heeft gewerkt in mei en juni 2015, heeft hij geen recht op loon. In mei 2015 heeft vervolgens afrekening van het dienstverband plaats gevonden. Het vakantiegeld van € 476,00 bruto is uitgekeerd en omdat per abuis de vakantie-uren niet waren bijgehouden zijn in mei 2015 ook 50 vakantie-uren uitgekeerd voor
€ 500,00 bruto. Dit blijkt achteraf € 95,00 bruto te weinig en Correcto houdt zich bereid dit bedrag alsnog te voldoen. De eindejaarsuitkering is niet verschuldigd, omdat [geopposeerde] nog niet lang genoeg in dienst was, maar als deze wel verschuldigd is, zit het bedrag in de eindafrekening besloten.

8. [geopposeerde] meent dat zijn vordering terecht is toegewezen. Hij concludeert tot bekrachtiging van het verstekvonnis. Met name stelt [geopposeerde] in antwoord op het verweer van Correcto, dat hij in mei en juni 2015 weldegelijk voor Correcto heeft gewerkt. Hij biedt aan zulks te bewijzen, waarbij hij zijn toenmalige collega’s noemt als mogelijke getuigen. Voorts voert [geopposeerde] aan dat hij recht heeft op het volle uurloon van de CAO, aangezien hij conform artikel 14 lid 8 sub c CAO in 2012, 2013 en 2014 en korter dan 6 maanden voorafgaand aan zijn dienstverband bij Correcto, reeds als schoonmaker had gewerkt. Dan geldt geen inleerperiode.

9. [geopposeerde] heeft op een excell-sheet berekend welke bedragen Correcto nog aan hem verschuldigd is, hetgeen neerkomt op het bedrag van totaal € 4.610,11 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

10. Voor het overige zullen de standpunten van partijen bij de beoordeling aan de orde komen.

Beoordeling

11. De vordering van [geopposeerde] valt uiteen in de navolgende onderdelen, die door de kantonrechter afzonderlijk beoordeeld zullen worden.

11. Het uurloon conform CAO
In dit deel van het geschil komt het gelet op de tekst van de bewuste bepaling in de CAO neer op de vraag of [geopposeerde] al dan niet binnen 6 maanden voorafgaand aan de indiensttreding bij (de rechtsvoorganger van) Correcto in de schoonmaakbranche werkzaamheden heeft verricht. Gelet op zijn stellingen dient [geopposeerde] meer specifiek te bewijzen dat hij tussen 1 januari en 1 juli 2014 (regulier) als schoonmaker heeft gewerkt.

11. [geopposeerde] heeft salarisspecificaties ingebracht die betrekking hebben op de maanden maart 2012, januari 2013 en augustus 2014. Daarmee is niet voldaan aan de voor-waarden van artikel 14 lid 8 CAO, nu geen salarisspecificaties zijn overgelegd van de maanden tussen 1 januari 2014 en 1 juli 2014. [geopposeerde] heeft verklaard toen wel als schoonmaker werkzaam te zijn geweest en heeft daarvan bewijs aangeboden. [geopposeerde] zal tot dit bewijs worden toegelaten.

11. Het loon over mei en juni 2015
Correcto heeft zich op het standpunt gesteld dat [geopposeerde] eind april 2015 heeft meege-deeld niet meer te willen worden opgeroepen omdat hij met vakantie zou gaan. [geopposeerde] heeft dit betwist. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij in de maanden mei en juni 2015 gewoon bij restaurant ‘t Paardje heeft gewerkt en pas op 29 juni 2015 met vakantie is gegaan. Correcto heeft tot heden geen (schriftelijk) bewijs van haar stelling bijgebracht. Mede gelet op de omschrijving van de storting van Correcto op het bankrekeningnummer van [geopposeerde] op 2 juni 2015, die als titel draagt: “salaris maand mei .15”, komt de stelling van Correcto ook niet direct logisch voor.

11. Geoordeeld wordt dat het aan Correcto is om te bewijzen dat [geopposeerde] eind april 2015 uitdrukkelijk heeft verzocht hem niet meer op te roepen en dat hij in de maanden mei en juni 2015 dus ook geen werkzaamheden voor Correcto heeft verricht. De kantonrechter merkt daarbij voor de goede orde op dat als alleen komt vast te staan dat [geopposeerde] in mei en juni 2015 geen werkzaamheden voor Correcto heeft verricht, dat op zich niet voldoende is voor het verlies van zijn recht op loon over die twee maanden in 2015. Onder verwijzing naar artikel 7:610b BW kan zo nodig het aantal uren per maand dan worden bepaald aan de hand van het gemiddelde over de maanden februari - april 2015; naar de kantonrechter berekende met Correcto (afge-rond) 87 uur per maand.

11. De eindejaarsuitkering
[geopposeerde] heeft uit hoofde van artikel 15 CAO recht op een eindejaarsuitkering, nu hij

in de referteperiode tenminste 6 maanden in dienst van Correcto is geweest. Het dienstverband tussen partijen heeft immers precies een jaar geduurd. [geopposeerde] is per 1 juli 2014 tot 1 juli 2015 in dienst van de rechtsvoorganger van Correcto getreden, is door inbreng van de eenmanszaak in de vennootschap onder firma met behoud van rechten overgegaan, en heeft derhalve over 2014 én 2015 recht op een eindejaarsuitkering. De hoogte van het toe te wijzen bedrag is afhankelijk van de hoogte van het (uur-)loon en kan derhalve thans nog niet worden vast gesteld.

17. De eindafrekening; het vakantiegeld en de vakantie-uren
Indien de betaling op 2 juni 2015 als eindafrekening dient te worden bestempeld, is niet duidelijk op welke wijze Correcto tot het bedrag van € 1350,- netto komt. Een inzichtelijke eindafrekening is niet voor handen en de door Correcto genoemde bedragen leiden niet tot dit bedrag. In elk geval heeft [geopposeerde] recht op uitbetaling van het vakantiegeld ad 8% over de periode juli 2014 - juli 2015 en op de vakantieopbouw van 10% over dezelfde periode. De daarmee gepaard gaande bedragen kunnen echter eerst na de eventuele herberekening van het uurloon en de bewijslevering over de maanden mei en juni 2015 worden bepaald.

17. De slotsom van het vorenstaande is, dat beide partijen een bewijsopdracht krijgen.
Correcto dient te bewijzen dat [geopposeerde] expliciet heeft verzocht hem niet meer op te roepen voor werkzaamheden met ingang van 1 mei 2015 tot het einde van het dienstverband, terwijl [geopposeerde] dient aan te tonen dat hij in de periode 1 januari - 1 juli 2014 elders (regulier) als schoonmaker werkzaam is geweest.

17. Beide partijen worden verzocht bij akte uit te laten of zij deze bewijsopdracht aanvaarden en op welke wijze zij daaraan inhoud willen geven. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol van 14 november 2016.

17. Bij dit alles zou de kantonrechter zich - in verband met de met bewijslevering gepaard gaande kosten - kunnen voorstellen dat de raadslieden eerst met elkaar om tafel gaan zitten en bezien of, en zo ja welk bedrag nog aan [geopposeerde] uitgekeerd dient te worden.

17. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

draagt ieder der partijen op te bewijzen, hetgeen in rov 18 als te bewijzen is geformuleerd;

verwijst de zaak voor akte uitlating voor beide partijen naar de rolzitting van 14 november 2016;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Griffier Kantonrechter