Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7159

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
C/13/602995 / FA RK 16-1125
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderbijdrage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/602995/ FA RK 16-1125 (JK/SM)

Beschikking van 9 november 2016 betreffende wijziging kinderbijdrage

in de zaak van:

[man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij tevens verwerende,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R.W.S. Nijman te Oestgeest,

tegen

[vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij en verzoekende partij,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. K. Tijsterman te Uithoorn.

1 Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de binnengekomen stukken, te weten:

- het op 22 februari 2016 binnengekomen verzoekschrift van de zijde van de man;

- het op 21 maart 2016 binnengekomen F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man;

- het op 20 april 2016 binnengekomen verweerschrift van de zijde van de vrouw;

- het op 6 september 2016 binnengekomen F9-formulier met en brief en bijlagen van de zijde van de man;

- het op 8 september 2016 binnengekomen F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw.

De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 16 september 2016. Verschenen zijn: partijen en hun advocaten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de na de mondelinge behandeling binnengekomen stukken, te weten:

- het 30 september 2016 binnengekomen F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man;

- het 14 oktober 2016 binnengekomen F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vrouw.

2 De feiten

Partijen zijn gehuwd op [datum] . Hun huwelijk is op 27 december 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 21 december 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

Uit het huwelijk zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1],
    geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

  • -

    [minderjarige 2],
    geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. De kinderen verblijven bij de vrouw.

Bij beschikking van 21 december 2011 van deze rechtbank is de echtscheiding uitgesproken en is daarnaast onder andere bepaald dat de man € 150,-- per kind per maand (thans geïndexeerd € 159,21 per kind per maand) zal gaan betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen.

In het ouderschapsplan van 12 oktober 2011 zijn partijen overeengekomen dat de kosten met betrekking tot school en aanverwante kosten zoals schoolreisjes, boeken, schoolgeld en ouderbijdragen, alsmede de kosten die worden gemaakt bij het uitoefenen van hobby en sport door beide partijen worden gedeeld

3 Het verzoek en verweer

De man verzoekt – na wijziging van zijn verzoek – de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de beschikking van 21 december 2011, voor zover en waar die ziet op de door de man te betalen kinderalimentatie, te wijzigen en de door de man verschuldigde kinderalimentatie per 1 augustus 2015 op nihil, dan wel

€ 29,--, althans € 32,-- per kind per maand en per 1 januari 2016 op nihil, dan wel € 30,--, althans 33,-- per kind per maand te bepalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie voorkomt.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt de rechtbank om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek van de man af te wijzen en de beschikking van 21 december 2011 in stand te laten, aldus dat de man aan kinderbijdrage voor alle twee de kinderen (na indexering thans) € 159,21 per kind per maand dient te betalen, alsmede de helft van de kosten van de kinderen met betrekking tot school en aanverwante kosten, zoals schoolreisjes, boeken, schoolgeld en ouderbijdragen, alsmede de contributie en kosten van benodigdheden voor het uitoefenen van een sport of hobby van de kinderen.

Op de stelling van partijen zal hierna verder worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat in die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hij stelt dat hij in 2014 is ontslagen bij zijn voormalige werkgever Connexion, waardoor zijn inkomen is gedaald. Daarnaast stelt hij thans af te lossen op een huwelijkse schuld en ontvangt de vrouw thans een kindgebonden budget.

De vrouw betwist de door de man gestelde wijzigingen van omstandigheden. Zij stelt dat er geen sprake is van een wijziging in het inkomen van de man die een verlaging van de kinderbijdrage rechtvaardigt. Hij is in staat inkomen te verwerven dat minimaal gelijk is aan zijn inkomen in 2011. De schuld die de man opvoert is volgens de vrouw een nieuwe schuld en behoort dan ook buiten beschouwing te blijven bij de berekening van de draagkracht van de man. Voorts kan het feit dat zij thans kindgebonden budget en eenouderkop ontvangt, volgens de vrouw, niet worden gekwalificeerd als een wijziging van omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde wijziging van het inkomen van de man te kwalificeren is als een wijziging in de zin van voornoemd artikel, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en de rechtbank zal beoordelen of en zo ja, in hoeverre de onderhoudsbijdrage is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.2.

De behoefte

Partijen zijn het er over eens dat kosten van de kinderen € 300,-- per maand bedragen.

Daarnaast heeft de vrouw onbetwist gesteld dat er naast voornoemde kosten jaarlijks een bedrag van € 1.000,-- aan aanverwante kosten dient te worden voldaan, zoals de kosten voor de schoolreisjes, de boeken, het schoolgeld, de ouderbijdragen, de contributies en benodigdheden voor de sporten van de kinderen.

Nu de voornoemde aanverwante kosten geacht worden te zijn verdisconteerd in de kosten van de kinderen zoals deze zijn bepaald in de Nibud-tabellen en dus geacht worden onderdeel uit te maken van de behoefte van de kinderen, acht de rechtbank het redelijk om deze jaarlijkse kosten op te tellen bij het door partijen overeengekomen bedrag aan kosten van de kinderen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen dan ook vast op een bedrag van € 383,-- per maand voor twee kinderen, zijnde € 191,50 per kind per maand.

4.3.

De draagkracht

Voor het bepalen van het netto gezinsinkomen van partijen voor de berekening van de draagkracht wordt in de regel gekeken naar de middelen die de ouder(s) hebben, ten tijde van de periode waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld. Dat wil zeggen de daadwerkelijke inkomsten uit arbeid, uitkering en/of vermogen, dan wel het in redelijkheid te verdienen inkomen, verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, en vermeerderd met eventuele heffingskortingen die kunnen worden verzilverd door de minst verdienende partner.

De man heeft de gelegenheid gekregen om na de mondelinge behandeling stukken te overleggen ten aanzien van zijn inkomsten over het jaar 2016. Uit de op 30 september 2016 door de man aan de rechtbank overgelegde stukken blijkt dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot eind september 2016 een inkomen uit arbeid heeft gegenereerd bij drie verschillende werkgevers, te weten Payper, R-recruitment BV en Olympia. Bij deze werkgevers heeft hij in deze periode een bruto inkomen van in totaal afgerond € 21.055,-- gegenereerd. Voorts blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat hij tot 1 oktober 2016 recht had op een WW-uitkering en de door de man ontvangen WW-uitkering vanaf 1 januari 2016 tot 1 oktober 2016 in totaal afgerond € 4.107,-- netto bedroeg.

Gelet op het feit dat de WW-uitkering van de man per 1 oktober 2016 beëindigd is, stelt de man dat daarmee rekening mee moet worden gehouden bij de berekening van zijn draagkracht.

De vrouw stelt echter dat de rechtbank geen rekening dient te houden met het wegvallen van de inkomsten van de man uit WW-uitkering en verzoekt de rechtbank om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met de verdiencapaciteit van de man, nu de man in staat kan worden geacht een volledige werkweek te gaan werken om zodoende zijn inkomen aan te vullen. De vrouw stelt dan ook dat het huidige inkomen van de man en in ieder geval zijn verdiencapaciteit op dit moment nauwelijks lager ligt dan zijn inkomen ten tijde van de vaststelling van de kinderbijdrage in 2011.

Wat betreft de verdiencapaciteit van de man overweegt de rechtbank dat de man na zijn ontslag drie verschillende werkgevers heeft/had. Dat is een aanwijzing dat de man de nodige moeite doet om inkomsten uit arbeid te genereren. Daarbij komt dat niet gebleken is dat het UWV zich op het standpunt dat de man zich onvoldoende heeft ingespannen. Daar staat tegenover dat de man niet heeft aangetoond wat zijn inspanningen daadwerkelijk inhielden.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voor de berekening van het inkomen van de man uit arbeid uit van het voornoemde inkomen van € 21.055,-- bruto over de eerste negen maanden van het jaar, zijnde een inkomen van afgerond € 28.073,-- bruto per jaar. Dit is een netto inkomen van € 22.451,-- per jaar. Voorts houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met de WW-uitkering die de man in de eerste negen maanden van het jaar ontving, zijnde een totaal bedrag van € 4.107,-- netto. In totaal had de man in 2016 dan ook een netto inkomen van afgerond € 26.558,--, zijnde een netto inkomen van € 2.213,-- per maand, inclusief de door de man te ontvangen heffingskortingen.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de vrouw haar verdiencapaciteit thans onvoldoende benut, nu zij slechts voor 50% werkt. De man stelt dat de vrouw gelet op de leeftijd van de kinderen meer moet kunnen werken. De vrouw voert verweer tegen de stelling van de man dat zij haar verdiencapaciteit onvoldoende zou benutten. De vrouw stelt dat zij thans nog niet in staat is meer te gaan werken, nu zij nog de zorg heeft over de kinderen van partijen (13 en 11 jaar) en zij een baan heeft waarbij zij op onregelmatige tijden werkt en ook avonddiensten heeft tot 22.30 uur. De vrouw kan de kinderen in de avonden niet alleen thuis laten.

De rechtbank is van oordeel dat niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij op korte termijn meer gaat werken, de rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan de stelling van de man dat de vrouw haar verdiencapaciteit onvoldoende benut. De rechtbank merkt hierbij wel op dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich in de toekomst, zodra de kinderen minder zorg nodig hebben, zal inspannen om haar uren verder uit te breiden.

Uit de door de vrouw overgelegde loonstrook over de maand augustus 2016 blijkt uit de cumulatieven dat de vrouw in de eerste acht maanden van het jaar een bruto inkomen heeft gegenereerd van € 12.275,34, zijnde een gemiddeld inkomen van € 1.534,42 bruto per maand inclusief vakantietoeslag en exclusief eindejaarsuitkering. Dit levert een jaarinkomen op van afgerond € 18.413,-- bruto inclusief vakantietoeslag en exclusief eindejaarsuitkering. In totaal berekend de rechtbank het inkomen van de vrouw voor 2016 op een bedrag van € 19.555,-- bruto per jaar inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Voorts houdt de rechtbank rekening met de door de vrouw te ontvangen heffingskortingen, het kindgebondenbudget en de eenouderkop. In totaal heeft de vrouw dan ook een netto inkomen van € 24.720,-- per jaar, zijnde € 2.060,-- per maand.

Nu partijen het er over eens zijn dat de zorgkorting van de man 25% bedraagt, zal de rechtbank daar rekening mee houden.

De rechtbank stelt omtrent de door de man opgevoerde in 2012 aangegane schuld bij Interbank vast dat gesteld noch gebleken is dat het om een niet vermijdbare last gaat en niet duidelijk is geworden dat deze schuld verband houdt met een huwelijkse schuld, zodat hiermee geen rekening zal worden gehouden. De man dient deze last uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien dat voor de man niet mogelijk zou zijn, had hij - met een beroep op de aanvaardbaarheidstoets - volledig inzicht in zijn inkomsten en lasten dienen te verschaffen. Nu de man dat heeft nagelaten, zal de rechtbank geen rekening houden met de door de man gestelde maandelijkse aflossing en het draagkrachtloos inkomen van de man daarmee niet verhogen.

Uitgaande van de aangehechte berekeningen bedraagt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen € 112,-- per maand en het aandeel van de vrouw € 175,-- per maand. Gelet op het voorgaande is de man thans in staat een kinderbijdrage te voldoen van € 56,50 per kind per maand.

4.4.

Ingangsdatum

Nu de vrouw vanaf de datum van indiening van het verzoek, zijnde 22 februari 2016, er rekening mee heeft kunnen houden dat de door de man te betalen kinderbijdrage kan worden gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding de wijziging van de kinderbijdrage in te laten gaan vanaf 22 februari 2016.

Voorzover door de man vanaf 22 februari 2016 tot heden meer is betaald of op hem is verhaald bepaalt de rechtbank de bijdrage over die periode op dat meerdere. Omdat de bijdrage door de vrouw ten behoeve van verzorging en opvoeding van de kinderen geacht wordt te zijn verbruikt, kan van de vrouw in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaald.

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 21 december 2011 en voornoemd ouderschapsplan in zoverre:

- bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen met ingang van 22 februari 2016 op € 56,50 (zesenvijftig euro vijftig eurocent) per kind per maand, met dien verstande dat – voor zover de man meer heeft betaald dan wel meer op hem is verhaald over de periode vanaf 22 februari 2016 tot heden – de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter teven kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op

9 november 2016.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.