Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2818
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW-dagloon. In het refertejaar heeft eiser gedurende 5,5 maand loon ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit in strijd is met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW. Toepassing van het Dagloonbesluit is derhalve in strijd met het recht. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft noodzaak gezien het Dagloonbesluit voor onder meer gevallen als het onderhavige te repareren per 1 januari 2017. Het beroep is gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2818

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend met ingang van 18 januari 2016.

Bij besluit van 15 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2016.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser was van 17 juni 2015 tot 1 december 2015 werkzaam bij [bedrijf] . Eiser heeft op 14 januari 2016 een aanvraag gedaan om een uitkering ingevolge de WW.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het dagloon vastgesteld op € 36,15. Eiser heeft tot en met 17 april 2016 recht op een WW-uitkering.

3. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het dagloon correct heeft berekend. De voornemens van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neergelegd in zijn brief van 7 maart 2016 (referentie 2016-0000054430) leiden niet tot verhoging van het dagloon omdat deze voornemens nog in regelingen moeten worden neergelegd en deze regelingen nog niet in werking zijn getreden. De huidige wetgeving is nog van toepassing waardoor tijdvakken zonder loon niet buiten beschouwing worden gelaten en het totale loon dus wordt gedeeld door 261 dagen.

4. Eiser voert aan dat zijn uitkering, omdat hij in een jaar tijd niet alle maanden heeft gewerkt, een stuk lager is dan de uitkering van mensen die wel alle maanden hebben gewerkt. Gelet op de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hij van mening dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu verweerder gehouden was om hem een eenmalige tegemoetkoming aan te bieden in verband met het verlies aan inkomen.

Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de hoogte van het dagloon in strijd met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW tot stand is gekomen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:1181, en de noot bij deze uitspraak. Ook verwijst eiser naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4322.

5. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat, nu de voornemens van de Minister nog niet in regelingen zijn neergelegd, de huidige regelgeving van toepassing is en daarom een verhoging van het dagloon niet aan de orde is. Verweerder heeft verder te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de genoemde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant en heeft daarom geen reden gezien het door die rechtbank vastgestelde gebrek te herstellen. De rechtbank Oost-Brabant heeft op 24 april 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:1953) einduitspraak gedaan. Tegen deze einduitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld bij de CRvB. Verweerder ziet geen reden zijn standpunt te wijzigen.

Daarnaast geeft verweerder aan dat over de overgangsregeling nog geen besluit is genomen. Het besluitvormingstraject is nog niet afgerond. Verweerder ziet dan ook geen reden om de overgangsregeling in deze procedure te betrekken.

6. Op grond van artikel 1b, eerste lid, van de WW wordt als dagloon voor de berekening van de hoogte van de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

7. Met ingang van 1 juli 2015 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: het Dagloonbesluit) gewijzigd. In hoofdstuk 2 van het Dagloonbesluit zijn de bepalingen voor de vaststelling van het dagloon voor de WW neergelegd.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder referteperiode de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het dagloon van uitkeringen op grond van de WW de uitkomst van de volgende berekening:

[(A-B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die vakantiebijslag reserveren;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in de referteperiode heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers die geen vakantiebijslag reserveren; en

D staat voor 261 indien de referteperiode een duur van één jaar heeft of indien artikel 2, vierde lid, van het Dagloonbesluit van toepassing is. Indien er sprake is van een afwijkende referteperiode staat D voor het aantal dagloondagen in de referteperiode.

In artikel 5, eerste lid, zoals dat luidde in het Dagloonbesluit dat gold tot 1 juli 2015, stond D voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

Met het Dagloonbesluit zoals dat per 1 juli 2015 geldt, is de berekening van het dagloon dus in zoverre gewijzigd dat in gevallen waarin de referteperiode één jaar is, het in die periode genoten loon altijd door 261 wordt gedeeld. Anders dan tot 1 juli 2015 wordt daarbij voor de berekening van de hoogte van het dagloon dus geen rekening meer gehouden met situaties waarin niet gedurende de gehele referteperiode, maar slechts gedurende een deel daarvan, loon is genoten.

8. In de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 7 maart 2016 staat onder meer het volgende.

“Het dagloonbesluit wordt zodanig gewijzigd dat kalendermaanden in de referteperiode waarin geen loon is genoten buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het dagloon. Deze wijziging leidt ertoe dat wanneer een werknemer in een of meer kalendermaanden in de referteperiode geen loon heeft genoten, het totale loon in een jaar niet door 261 dagloondagen wordt gedeeld maar door minder dagen. Dit heeft voor starters, flexwerkers en herintreders, die één of meer kalendermaanden in de referteperiode geen loon hebben genoten, een dagloonverhogend effect. Voor overige werknemers heeft deze wijziging geen effect.

(…)

Zoals in het voorgaande aangegeven kan UWV de wijziging van het Dagloonbesluit niet eerder dan per 1 januari 2017 invoeren. Eerder heb ik aan uw Kamer toegezegd om de lagere dagloonvaststelling over de tussenliggende periode te compenseren. Op basis van een apart te treffen overgangsregeling zal aan de betrokken WW-gerechtigden een eenmalige tegemoetkoming worden verstrekt vanwege het lagere dagloon in de periode van 1 juli 2015 tot aan het moment van inwerkingtreding van het gewijzigde Dagloonbesluit. Een concept van deze overgangsregeling wordt momenteel door UWV op uitvoerbaarheid getoetst.”

9. Op de site van verweerder staat sinds 1 juli 2016 ten aanzien van het Dagloonbesluit onder meer het volgende.

“Voor lopende uitkeringen gaan wij vanaf 1 januari 2017 voor sommige starters, flexwerkers, herintreders op de arbeidsmarkt en personen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard het dagloon aanpassen. Ook krijgen zij mogelijk een tegemoetkoming. Wij betalen de tegemoetkoming vanaf april 2017. Voor een aanpassing van het dagloon en een tegemoetkoming gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    Uw WW-uitkering is gestart tussen 1 juli 2015 en 1 december 2016.

  • -

    Het verschil tussen het dagloon op uw eerste WW-dag en het aangepaste dagloon is minimaal 7%.

  • -

    U had geen lopende WW-uitkering in de maand waarin uw nieuwe WW-uitkering is gestart. Of uw oude WW-uitkering is niet tegelijkertijd voortgezet met uw nieuwe uitkering.

Verder geldt 1 van de volgende voorwaarden:

  • -

    U heeft in het jaar voordat u een WW-uitkering kreeg in 1 of meer kalendermaanden geen loon ontvangen.

  • -

    U kreeg na 104 weken ziekte een WW-uitkering in plaats van een WIA-uitkering. En u kreeg in het jaar voor de WW-uitkering in 1 of meer kalendermaanden minder loon door uw ziekte.

(…)

Loopt uw WW-uitkering voor 1 januari 2017 af, omdat de maximale duur wordt bereikt? Dan herzien wij uw dagloon niet. Als u aan de voorwaarden voldoet krijgt u mogelijk wel een tegemoetkoming.”

10. De rechtbank stelt vast dat eiser niet gedurende het gehele refertejaar loon heeft genoten. In het refertejaar, dat voor eiser van 1 december 2014 tot en met 30 november 2015 loopt, heeft eiser gedurende vijf en halve maand loon ontvangen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit heeft verweerder het loon van eiser door 261 gedeeld, hetgeen, na indexering, het dagloon van € 36,15 heeft opgeleverd.

11. Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de berekening van de hoogte van het dagloon en de mogelijke eenmalige tegemoetkoming.

12. Ten aanzien van de tegemoetkoming overweegt de rechtbank dat het op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam nog niet duidelijk was of eiser een eenmalige tegemoetkoming zou gaan krijgen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig gehandeld door eiser voorafgaand aan de ministeriele regeling hieromtrent geen tegemoetkoming toe te kennen.

13. Ten aanzien van de berekening van de hoogte van het dagloon overweegt de rechtbank als volgt. Toepassing van de hoofdregel voor de dagloonberekening, zoals neergelegd in artikel 1b, eerste lid van de WW, mag niet leiden tot een resultaat dat in strijd is met het principe dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau van betrokkenen bij het intreden van het verzekerde risico. Dit heeft de CRvB, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, ten aanzien van artikel 45, eerste lid, van de WW geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 14 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4685 en de uitspraak van 23 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4322). Aan het dagloon in de WW ligt het loondervings- en verzekeringsprincipe ten grondslag. Aangezien strekking en inhoud van het huidige artikel 1b, eerste lid, van de WW met het oude artikel 45, eerste lid, van de WW overeenkomen, acht de rechtbank deze jurisprudentie onverkort van toepassing.

14. De rechtbank is, zoals ook de rechtbank Oost-Brabant in haar hierboven genoemde uitspraak heeft geoordeeld, van oordeel dat in het onderhavige geval de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit in strijd is met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW. Door het gedurende vijf en halve maand genoten loon van eiser te delen door 261, wordt op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de WW en aan het hiervoor genoemde beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van eiser. Toepassing van het Dagloonbesluit is derhalve in strijd met het recht.

In de omstandigheid dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid al binnen een jaar na de wijziging van het Dagloonbesluit noodzaak heeft gezien het Dagloonbesluit voor onder meer gevallen als het onderhavige te repareren, ziet de rechtbank aanwijzingen dat de wetgever de nadelige gevolgen ten tijde van de wetswijziging kennelijk onvoldoende heeft onderkend. Gelet hierop en gelet op het oordeel van de rechtbank dat toepassing van het Dagloonbesluit in strijd is met het recht, volgt de rechtbank niet de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2016 waarin is geoordeeld dat de in de WW en het (huidige) Dagloonbesluit door de wetgever gemaakte keuze moet worden gerespecteerd (ECLI:NL:RBDHA:2016:7564 en ECLI:NL:RBDHA:2016:7626).

Tot slot maakt de aangekondigde reparatie het oordeel van de rechtbank niet anders omdat eisers dagloon niet zal worden aangepast en hij, als hij aan de voorwaarden daarvoor voldoet, geen volledige compensatie, maar enkel een eenmalige tegemoetkoming zal krijgen.

15. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Het dagloon van eiser zal door verweerder opnieuw vastgesteld moeten worden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn begint pas te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

17. Voor toewijzing van de door eiser verzochte schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over na te betalen uitkering bestaat nu geen aanleiding, omdat de omvang van deze schade nog niet vaststaat. Verweerder zal daarover bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar moeten beslissen.

18. Eiser heeft de rechtbank daarnaast verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu het bezwaar van eiser van 10 maart 2016 is, het bestreden besluit op 15 april 2016 is genomen en de rechtbank heden uitspraak doet, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarom ook dit verzoek om schadevergoeding afwijzen.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.488,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.488,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.E.M.M. Zuidwijk, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.