Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7074

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
13/751458-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

overlevering, België, detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751458-16

RK-nummer: 16/4136

Datum uitspraak: 30 augustus 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juni 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juni 2016 door Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[adres 1],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 augustus 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij zowel de Nederlandse als de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

3.1.

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel bij verstek van 2 juni 2016 uitgevaardigd door onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.

Dit feit omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2.

Genoegzaamheid van de stukken.

De raadsman heeft betoogd dat de stukken ongenoegzaam zijn omdat de feitomschrijving betrekking heeft op een hennepkwekerij terwijl uit het aangekruiste lijstfeit nummer 5 "Illegale handel in verdovende midden en psychotrope stoffen" blijkt dat zij de opgeëiste persoon ook verdenken van de handel in verdovende middelen. Tevens wordt in het dossier in het toegevoegde rechtshulpverzoek van 17 mei 2016 de verdenking van het bezit en de handel in verdovende middelen genoemd. Op grond van het voorgaande is het specialiteitsbeginsel onvoldoende gewaarborgd en dient de overlevering van de opgeëiste persoon derhalve te worden geweigerd.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit de feitomschrijving in het EAB en de e-mail van de Belgische autoriteit van 4 augustus 2016 blijkt dat de Belgische autoriteit de opgeëiste persoon ervan verdenkt dat de opgeëiste persoon op 25 juli 2014 in de woning die hij huurde aan de [adres 2] te [plaats] een hennepkwekerij met 210 oogstbare planten voorhanden heeft gehad. Voorts staat in het EAB opgemerkt dat er vanuit wordt gegaan dat in totaal 5 oogsten in die woning hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van het strafbare feit bevat, alsmede van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit. Het is hierdoor voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van het feit is voorts zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan en dat de specialiteit voldoende is gewaarborgd.

Eventuele bewijsverweren komen in geval van overlevering eerst aan de orde in de Belgische strafprocedure. Bovendien is sprake van een strafrechtelijk onderzoek waarbij nog niet al het bewijs is of behoeft te worden gepresenteerd. De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat uit de omschrijving van het feit in het EAB slechts blijkt dat de opgeëiste persoon een hennepkwekerij aanwezig heeft maar niet staat vermeld dat de opgeëiste persoon zich schuldig zou hebben gemaakt aan de handel in verdovende middelen. Het lijstfeit is dan ook niet in redelijkheid aangekruist.

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is, hetgeen de verdediging heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des konings heeft op 3 augustus 2016 de volgende garantie gegeven:

"Met verwijzing naar uw verzoek van 3 augustus 2016 inzake het Europees aanhoudingsbevel dd.

02/06/2016, uitgaande van mevrouw T. Van Hoeylandt, onderzoeksrechter te Antwerpen, lastens de

genaamde [opgeëiste persoon] (°[geboortedag]1978) heb ik de eer u volgende garantie te verstrekken:

Overeenkomstig artikel S §3 van hel kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees

aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te

leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon].

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf

of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel

aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de

toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of

maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (20081909/JBZ).”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.

Het onder 4 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B/C van de Opiumwet gegeven verbod.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de behandeling van de vordering tot overlevering dient te worden aangehouden op grond van artikel 11 OLW nu een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een flagrante schending van de in artikel 3 van het EVRM en het overeenkomstige artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder het Handvest) vastgelegde rechten van de opgeëiste persoon.

België is de afgelopen tijd veelvuldig in het nieuws geweest vanwege de slechte detentieomstandigheden aldaar. Niet alleen staakte geruime tijd het gevangenispersoneel maar in de gevangeniscellen is ook sprake van zeer slechte sanitaire voorzieningen, overbevolking en ongedierte. Daarbij dienen te worden betrokken de zorgen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa en Amnesty International over de Belgische detentieomstandigheden. Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld dat sprake is van een algemeen gevaar voor Belgische gedetineerden op een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals is overwogen in de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 5 april 2016 C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru, ECLI:EU:C:2016/198, overwegingen 88 en 89.

De verdediging verzoekt de behandeling van de zaak aan te houden ten einde te onderzoeken onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon naar verwachting in België zal worden gedetineerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de verdediging zich voornamelijk op berichten uit de media baseert en dat anders dan in Hongarije en Roemenië geen CPT-rapport over de detentieomstandigheden in België is verschenen waarin geconcludeerd is dat de detentieomstandigheden in België niet voldoen aan de daartoe te stellen minimumeisen.

De rechtbank dient haar beoordeling te baseren op CPT-rapporten en uitspraken van Europese rechters. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de Belgische staat ervoor zorg zal dragen dat de opgeëiste persoon gedurende haar detentie een behandeling zal genieten die niet strijdig is met het bepaalde in artikel 4 van het Handvest. Er is onvoldoende concrete informatie door de verdediging aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een reëel gevaar als bedoeld in de eerder genoemde uitspraak van het HvJ EU van 5 april 2016. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan.

Oordeel van de rechtbank

In een tussenuitspraak over een soortgelijke kwestie van deze rechtbank van 7 juni 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:3409) is door de rechtbank Amsterdam, voor zover hier van belang het volgende overwogen:

“ Op 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Aranyosi en Căldăraru geoordeeld over de wijze waarop getoetst moet worden of de detentieomstandigheden in het land van de uitvaardigende lidstaat leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest.

Hierbij dient de rechtbank eerst te onderzoeken of zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Indien wordt geconcludeerd dat dit reële gevaar in zijn algemeenheid bestaat, komt de tweede toets aan de orde.

Deze tweede toets houdt in dat op de rechtbank de verplichting rust om te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank dient dan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen, opdat deze alle noodzakelijke aanvullende gegevens verstrekt met betrekking tot de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in de uitvaardigende lidstaat zal worden gedetineerd (zie de punten 89-90 van het arrest Aranyosi en Căldăraru).

In onderhavige zaak moet de eerste toets nog plaatsvinden. De rechtbank moet dus onderzoeken of zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest – dat overeenkomt met artikel 3 EVRM – gewaarborgde grondrechten.

Hiertoe dient de rechtbank zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.

De rechtbank is – ambtshalve en op basis van het gevoerde verweer – bekend met de berichtgeving in (onder andere) de Belgische en Nederlandse media over de detentieomstandigheden in België, over de cipiersstaking in België en over beslissingen van Belgische rechters om gedetineerden vrij te laten als gevolg van slechte detentieomstandigheden en beslissingen waarbij dwangsommen aan de Belgische staat zijn opgelegd zolang die omstandigheden niet verbeteren.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de zorgen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa omtrent de Belgische detentieomstandigheden.

Gelet op voornoemd vereiste om te beslissen op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, is de rechtbank van oordeel dat de thans beschikbare gegevens – voornamelijk berichten uit de media – onvoldoende zijn om daar op dit moment het oordeel op te baseren dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De thans beschikbare gegevens geven echter wel, gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, aanleiding het onderzoek van de zaak te heropenen en de behandeling van de vordering aan te houden om nadere gegevens te verkrijgen van de Belgische uitvaardigende autoriteit teneinde de vraag naar het bestaan van genoemd reëel gevaar te kunnen beantwoorden. Dat er een staking is van cipiers in Belgische gevangenissen die inmiddels al enige tijd voortduurt, acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid en dat deze staking negatieve gevolgen kan hebben voor de detentieomstandigheden in België acht de rechtbank evident. Een beoordeling op basis van nadere gegevens is dan ook onontkoombaar."

Ter beoordeling van het reële gevaar dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld heeft de rechtbank voorts kennis genomen van de CPT News flash naar aanleiding van het CPT-rapport van 31 maart 2016 dat is opgemaakt naar aanleiding van bezoeken door het CPT in september/oktober 2013 aan Belgische gevangenissen;

Uit de informatie van het CPT leidt de rechtbank af dat weliswaar zorgen worden geuit over bepaalde aspecten in het Belgische gevangeniswezen maar dat niet gezegd kan worden dat niet wordt voldaan aan de door het CPT gestelde minimum detentie eisen.

Naar het oordeel van de rechtbank is – los van de situatie die een gevolg is van de stakingen door cipiers – uit hetgeen uit de hiervoor beschreven objectieve bronnen naar voren komt geen sprake van een (algemeen) reëel gevaar dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.

Vervolgens dient de rechtbank, zoals is overwogen in voornoemde tussenuitspraak van 7 juni 2016, te onderzoeken, of de situatie die een gevolg is van de cipiersstakingen, een toestand oplevert die kan worden aangemerkt als een detentieomstandigheid die heerst in de uitvaardigende lidstaat die duiden op gebreken die bepaalde detentiecentra betreffen.

Vastgesteld kan worden dat de uitspraken van de Belgische kort geding rechter, waarin dwangsommen zijn opgelegd ter nakoming van de opdracht tot het verstrekken van bepaalde diensten en het verlenen van zekere faciliteiten zulks ter verbetering van de detentie omstandigheden in de gevangenissen in Nivelles en in Ittre, Waalse gevangenissen betreffen waar het gevangenispersoneel staakt. In de uitspraken zelf wordt benadrukt dat de uitspraken slechts effect hebben zolang de situatie die is ontstaan door de staking van het gevangenispersoneel voortduurt. Daarbij is overwogen dat duidelijk is dat de fundamentele rechten van de betrokken gedetineerden zouden worden nageleefd indien de - vervolgens toegewezen - verbeteringen als genoemd zouden worden getroffen.

Er zijn geen uitspraken bekend waarin, ten aanzien van andere dan Waalse gevangenissen waarin werd gestaakt, dergelijke uitspraken zijn gewezen.

Voorts is bij de beoordeling betrokken de CPT News flash van 9 mei 2016 waarin staat vermeld dat een delegatie van het CPT tussen 7 mei 2016 en 9 mei 2016 bezoeken aan onder meer de gevangenissen van Huy, Ittre en Jamioulx heeft gebracht naar aanleiding van voortdurende stakingen van het gevangenispersoneel in deze gevangenissen. De daarin geuite zorgen zijn uitdrukkelijk gerelateerd aan de stakingen in Belgische Penitentiaire inrichtingen waarin werd/wordt gestaakt.

In het schrijven van de Voorzitter van het directiecomité, Federale Overheidsdienst Justitie, Directoraat-generaal wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst Europees Strafrecht van 15 juni 2016, staat onder meer het volgende vermeld:

" (…)

Het meest recente rapport van het ‘Europees comité voor de preventie van foltering

en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing’ handelt over een bezoek aan België in 2013. Sindsdien werden verschillende maatregelen genomen met het oog op het verbeteren van de levensomstandigheden en het terugdringen van de overbevolking in de Belgische gevangenissen. Zo werden nieuwe penitentiaire inrichtingen in gebruik genomen in Marche-en-Famenne, Leuze-en-Hainaut en Beveren en werd een reeks rennovaties in de bestaande gevangenissen uitgevoerd.

Voor meer gedetailleerde informatie verwijs ik naar het jaarverslag 2015 van het directoraat-generaal penitentiaire instellingen (zie bijlage 1).

(…)

Daar er actueel geen cipiersstakingen zijn in het noorden van het land (m.n. in

Vlaanderen), worden de rechten van de gedetineerden aldaar op volkomen normale wijze gewaarborgd. De situatie in de Waalse en Brusselse gevangenissen varieert van gevangenis tot gevangenis en van dag tot dag.

(..)

Ik wens verder te verduidelijken dat de rechterlijke orde toezicht houdt op de naleving van de fundamentele rechten van burgers.

(…)

Teneinde een normaal detentieregime te waarborgen, engageren de Belgische autoriteiten zich er toe om

personen die aan België zullen worden overgeleverd in het kader van de tenuitvoerlegging van een

Europees aanhoudingsbevel op te sluiten in een inrichting die gevrijwaard blijft van de actuele

cipierstakingen."

De rechtbank concludeert uit dit schrijven dat er geen sprake is van cipiersstakingen in het Vlaamse deel van België en dat Belgische autoriteiten de garantie geven dat de opgeëiste persoon niet in een gevangenis zal worden geplaatst waar stakingen van gevangenispersoneel plaatsvinden en dat de rechterlijke orde toezicht houdt op de naleving van de fundamentele rechten van de burgers.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande worden geoordeeld dat, nu er een uitdrukkelijke garantie is gegeven door de Belgische Federale autoriteiten dat personen die in het kader van de tenuitvoerlegging van het EAB worden overgeleverd aan België zullen worden gedetineerd in een inrichting die gevrijwaard blijft van cipierstakingen, niet aannemelijk is geworden dat sprake zal zijn van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie.

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een reëel gevaar dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest – dat overeenkomt met artikel 3 EVRM – gewaarborgde grondrechten.

Nu geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11 OLW dient de verzochte overlevering te worden toegestaan.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 3 en 11 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en R.A. Sipkens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 augustus 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.