Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7067

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6119, AWB - 16_6120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De kinderopvangtoeslag van verzoekster is beëindigd, omdat zij en haar kinderen niet langer op een woonadres, maar op een postadres stonden ingeschreven in de BRP. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Awir een inschrijving in de BRP van ouder en kind op hetzelfde woonadres vereist. In artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn uitzonderingen op deze bepaling opgenomen. Verweerder heeft aangegeven dat er buiten de in de Awir en de daarop gebaseerde regeling neergelegde uitzonderingen, nog meer uitzonderingen worden toegestaan. Niet duidelijk is geworden op welke wettelijke grondslag deze uitzonderingen zijn gebaseerd of dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid, maar duidelijk is dat er kennelijk uitzonderingsmogelijkheden naast de reeds genoemde wettelijke uitzonderingen bestaan. Net als in het geval van verzoekster gaat het daarbij om situaties waarin de ouder en kinderen niet op hetzelfde woonadres in de BRP staan ingeschreven, maar waarbij wel voldoende vaststaat dat de ouder en kinderen feitelijk op hetzelfde woonadres verblijven. Mogelijk kan dus ook in het geval van verzoekster, wanneer zij met deugdelijke bewijsmiddelen kan onderbouwen op welk woonadres zij samen met haar kinderen feitelijk woonachtig is geweest, een dergelijke uitzondering worden aangenomen, hetgeen verweerder in het verweerschrift ook heeft aangegeven. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/6119 (voorlopige voorziening) & AMS 16/6120 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2016 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam ] , te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Schouten),

en

de Belastingdienst toeslagen, verweerder

(gemachtigde: B.D. van der Hoog).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2016 van verzoekster herzien en wordt aan haar per 19 april 2016 geen kinderopvangtoeslag meer toegekend.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Als de voorzieningenrechter na de behandeling op de zitting tot de conclusie komt dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan zij meteen uitspraak doen in de beroepszaak. Dit staat in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De voorzieningenrechter zal in deze zaak van deze bevoegdheid gebruik maken.

2.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat verzoekster vanaf 19 april 2016 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, op de grond dat de huishoudsamenstelling of woonsituatie van verzoekster is gewijzigd. Verzoekster moet hierdoor een bedrag van

€ 1.506,-- aan ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag terugbetalen.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit

ongegrond verklaard. Verweerder wijst erop dat in de Algemene Wet

Inkomensafhankelijke Regelingen (Awir) en de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt bepaald dat de kinderen op hetzelfde woonadres als de aanvrager moeten staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoekster en haar kinderen voldoen hier niet aan. Zij hebben vanaf 19 april 2016 geen woonadres in de BRP, maar een postadres. Daarom heeft verzoekster vanaf 19 april 2016 geen recht meer op kinderopvangtoeslag, aldus verweerder. Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en op die grond afgezien van horen van verzoekster in de bezwaarfase.

3. Verzoekster voert tegen het bestreden besluit aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van de hoofdregel dat de aanvrager en de kinderen op hetzelfde woonadres in de BRP ingeschreven moeten staan. Verzoekster betoogt dat kan worden afgeweken van dit in artikel 4 van de Awir neergelegde vereiste en wijst in dit verband op artikel 6, derde lid, van de Awir, de Memorie van Toelichting (MvT) op de harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen (Kamerstukken II 2004-2005, 29 764, nr. 3) ten aanzien van artikel 4 van de Awir en de Memorie van Antwoord (MvA) op de harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen en wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Kamerstukken I 2004-2005, 29 764 & 79 765, nr. D). Verzoekster stelt dat in de MvT alleen wordt gesproken over ingeschreven staan in de BRP op hetzelfde adres en dat in de MvA bovendien wordt aangegeven dat in beginsel een inschrijving op hetzelfde woonadres in de BRP nodig is. Hieruit kan volgens verzoekster de conclusie worden getrokken dat er uitzonderingen op de hoofdregel van inschrijving op hetzelfde woonadres in de BRP mogelijk zijn. Artikel 6, derde lid, van de Awir, geeft bovendien uitdrukkelijk de mogelijkheid om van de hoofdregel af te wijken.

Verzoekster voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar bijzondere situatie. Verzoekster draagt alleen de zorg voor haar kinderen en onderhoudt hen financieel. De vader maakt geen onderdeel uit van het leven van de kinderen. De kinderen staan op hetzelfde postadres als verzoekster ingeschreven. Tot 19 april 2016 woonde verzoekster met haar kinderen in de woning aan de [adres 1] te Amsterdam. In verband met de schuldsanering was verzoekster genoodzaakt de woning te verkopen. Zij heeft een urgentieverklaring gekregen, maar had op 19 april 2016 nog geen nieuwe woning. Daarom zag zij zich genoodzaakt met behulp van Mentrum zich in te schrijven op een postadres. Het was voor haar niet mogelijk zich in te schrijven bij familie en vrienden waar zij tot 27 september 2016 verbleef. Voorts kan verzoekster aantonen dat zij in de periode vanaf 19 april 2016 feitelijk samen met haar kinderen op dezelfde adressen heeft verbleven. Verzoekster voldoet daardoor aan alle voorwaarden voor kinderopvangtoeslag.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken van het vereiste van een woonadres zoals neergelegd in artikel 4 van de Awir, bijvoorbeeld bij verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of verblijf op een door de gemeente verstrekt geheim adres. Daarvan is hier echter geen sprake. Het is op dit moment niet duidelijk waar verzoekster verbleef in de betreffende periode en of haar kinderen daar ook feitelijk verbleven. Verweerder heeft onvoldoende informatie om aan artikel 4 van de Awir voorbij te gaan. Pas wanneer hier nadere bewijsstukken van kunnen worden overgelegd, kan worden beoordeeld of er voorbij kan worden gegaan aan artikel 4 van de Awir. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er naast de in de Awir neergelegde uitzonderingen geen mogelijkheden bestaan om af te wijken van het vereiste dat de belanghebbende en de kinderen op hetzelfde woonadres in de BRP moeten zijn ingeschreven. Zelfs al zou er nog een mogelijkheid bestaan om hiervan af te wijken, dan zijn de door verzoekster overgelegde verklaringen van [naam 2] en [naam 3] ten aanzien van het feitelijke verblijf van eiseres en haar kinderen in de periode van 19 april 2016 tot en met 26 september 2016 onvoldoende. Hieruit volgt slechts dat ze gemiddeld twee dagen per week bij deze personen verbleven en de verklaringen zijn niet met bewijsstukken onderbouwd.

5.1

De vraag ligt voor of verweerder verzoeksters recht op kinderopvangtoeslag heeft mogen beëindigen vanaf 19 april 2016. De beoordelingsperiode loopt tot 27 september 2016, omdat vanaf die dag verzoekster weer een voorschot kinderopvangtoeslag ontvangt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

5.2

Uit artikel 4, eerste lid, van de Awir in samenhang met artikel 1.3 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen volgt dat om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag de ouder en het kind op hetzelfde woonadres moeten zijn ingeschreven in de BRP. Het betoog van verzoekster dat dit wettelijke vereiste gelet op de MvT en de MvA zo moet worden uitgelegd dat in beginsel een inschrijving op hetzelfde woonadres in de BRP nodig is, slaagt niet. De wettelijke regeling vereist een inschrijving in de BRP van ouder en kind op hetzelfde woonadres en is in dat opzicht volstrekt helder. Dat betekent dat alleen wanneer de wettelijke regeling zelf in een uitzondering voorziet, van dit vereiste kan worden afgeweken. In het tweede lid van artikel 4 van de Awir is een uitzondering op deze regel opgenomen, namelijk in het geval van co-ouderschap. Vaststaat dat deze uitzondering niet op verzoekster van toepassing is.

5.3

Uit artikel 6, derde lid, van de Awir volgt dat bij regeling regels kunnen worden gesteld op basis waarvan iemand die in de BRP niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Verder heeft verweerder zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat er buiten de in de Awir en de daarop gebaseerde regeling neergelegde uitzonderingen, nog meer uitzonderingen worden toegestaan, bijvoorbeeld wanneer sprake is van verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis of verblijf op een door de gemeente verstrekt geheim adres. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk op welke wettelijke grondslag deze uitzonderingen zijn gebaseerd of dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid. Verweerder heeft dit ter zitting ook niet duidelijk kunnen maken. Verder ziet de voorzieningenrechter in de mededeling van verweerder wel aanleiding om aan te nemen dat er kennelijk uitzonderingsmogelijkheden naast de reeds genoemde wettelijke uitzonderingen bestaan. Verweerder heeft ter zitting echter ook niet duidelijk kunnen maken waarom in de gevallen die verweerder noemt wel een uitzondering wordt gemaakt en voor verzoekster niet. Ook in die gevallen gaat het immers om situaties waarin de ouder en kinderen niet op hetzelfde woonadres in de BRP staan ingeschreven, maar waarbij wel voldoende vaststaat dat de ouder en kinderen feitelijk op hetzelfde woonadres verblijven. Mogelijk kan dus ook in het geval van verzoekster, wanneer zij met deugdelijke bewijsmiddelen kan onderbouwen op welk woonadres zij samen met haar kinderen in de periode van 19 april 2016 tot 27 september 2016 feitelijk woonachtig is geweest, een dergelijke uitzondering worden aangenomen. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven dat indien verzoekster nadere bewijsstukken overlegt ter onderbouwing van haar feitelijke verblijfplaats en die van haar kinderen in de periode van 19 april 2016 tot en met 26 april 2016, kan worden beoordeeld of er voorbij kan worden gegaan aan het vereiste van artikel 4, eerste lid, van de Awir.

5.4

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande, in het bijzonder de mededeling van verweerder dat er wel uitzonderingen op de hoofdregel van inschrijving op hetzelfde woonadres in de BRP mogelijk zijn, van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

6. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en verweerder uit te nodigen het gebrek te herstellen. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij nadere bewijsstukken wenst over te leggen ter onderbouwing van haar feitelijke verblijfplaats en die van haar kinderen in de betreffende periode indien verweerder geen genoegen neemt met de reeds overgelegde twee verklaringen. Omdat gelet op de mededeling van verweerder dat uitzonderingen op de hoofdregel mogelijk zijn maar niet duidelijk is geworden welke deze zijn, verweerder pas in het verweerschrift heeft aangegeven dat indien verzoekster met voldoende bewijsstukken komt, kan worden beoordeeld of van het vereiste van artikel 4, eerste lid, van de Awir kan worden afgeweken en verweerder in de bezwaarfase verzoekster niet heeft gehoord, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment nog geen plaats is voor het finaal beslechten van het geschil in deze beroepsprocedure. Verweerder zal binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van verzoekster een besluit moeten nemen. De voorzieningenrechter draagt verweerder daarbij op om verzoekster in de bezwaarfase in de gelegenheid te stellen zich op een hoorzitting te doen laten horen en om bewijsstukken over te leggen.

7. De gevraagde voorziening strekt ertoe verzoekster met ingang van 19 april 2016 kinderopvangtoeslag te verstrekken tot zes weken nadat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af omdat niet gebleken is van onverwijlde spoed om een dergelijke voorziening te treffen. Met ingang van 27 september 2016 wordt immers weer een voorschot kinderopvangtoeslag aan verzoekster verstrekt. Verder is onvoldoende onderbouwd dat zij in een financiële noodsituatie is komen te verkeren.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,-- en een wegingsfactor 1). Indien aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92,-- (zegge: tweeënnegentig

euro) aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 992,-- (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.

de griffier

de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening geen rechtsmiddel open.