Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:7023

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
13/751064-15
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751064-15

RK nummer: 16/2514

Datum uitspraak: 14 juni 2016

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 april 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 januari 2015 door de procureur van de republiek bij het Tribunal de Grande Instance de Nancy (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 mei 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Arrestatiebevel van 29 januari 2015, uitgevaardigd door de vice-presidente belast met de instructie bij de Jurisdiction Inter-regionale Specialisee de Nancy, met kenmerk: 14072000203 .

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende brief van de Substituut-Procureur van de Franse Republiek van 20 mei 2016.

4 Artikel 6, vijfde lid, van de OLW en heropening van het onderzoek

De opgeëiste persoon heeft een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Bovendien heeft Nederland rechtsmacht ten aanzien van de feiten uit het EAB. Om te beoordelen of de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, is voorts van belang of ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij niet zijn verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf. Informatie hierover ontbreekt. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen daarover het oordeel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in te winnen.

5 Beslissing

HEROPENT het onderzoek ter zitting.

SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de IND te vragen of ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. P. van Kesteren en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juni 2016.

De voorzitter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.