Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:702

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

hotelmatige wijze exploiteren van woning / niet voldaan aan vereisten B&B / geen hoofdverblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/2480

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. S. Levelt),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Franke).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd en ingevorderd van € 12.000,-- wegens het overtreden van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a van de Huisvestigingswet.

Bij besluit van 9 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser is eigenaar van de woning aan [de straat] te Amsterdam en stond tot 28 januari 2015 in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie Personen (BRP), op dit adres ingeschreven.

1.2

Naar aanleiding van een melding dat sprake is van een illegaal hotel is verweerder een administratief onderzoek gestart naar het gebruik van de woning aan [de straat] . Omdat uit onderzoek is gebleken dat deze woning op diverse websites als hotel wordt aangeboden, hebben toezichthouders op 8 oktober 2014 een huisbezoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 8 oktober 2014. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft verweerder op 24 oktober 2014 eiser bericht voornemens te zijn hem een bestuurlijke boete op te leggen wegens het, zonder een vergunning daartoe, onttrekken van de woonruimte door deze op hotelmatige wijze te exploiteren. Eiser heeft op 13 november 2014 zijn zienswijze ingediend.

1.3

Verweerder heeft bij het primaire besluit eiser op grond van artikel 59, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam (hierna: de Huisvestingsverordening) een bestuurlijke boete van € 12.000,- opgelegd en ingevorderd, omdat eiser in strijd met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet de woning heeft onttrokken aan de bestemming woonruimte, zonder dat hij over een daarvoor vereiste vergunning beschikt.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor het hebben van een Bed and Breakfast (B&B), omdat er geen persoonlijke spullen van eiser zijn aangetroffen waaruit kan worden afgeleid dat hij feitelijk zijn hoofdverblijf had op [de straat] Verder is volgens verweerder niet gebleken dat eiser maximaal 40% van het totale vloeroppervlak van de woning voor zijn B&B gebruikt. De overtreding kan naar het oordeel van verweerder eiser worden toegerekend en de hoogte van de boete is in overeenstemming met de Huisvestingsverordening.

2.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de Huisvestingswet van zoals als die gold voor 1 januari 2015 Verweerder heeft dit ook gedaan.

2.2

Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet – zoals deze ten tijde van belang luidde – is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van de burgemeester en wethouders aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is.

2.3

Op grond van artikel 85a, eerste lid, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikel 30, eerste lid.

2.4

Op grond van artikel 26, derde lid, van de Huisvestingsverordening wordt als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet in de gemeente Amsterdam aangewezen alle woonruimte ongeacht huur- of koopprijs met uitzondering van

a. tweede woning huur en tweede woning koop zoals bedoeld in artikel 1 onder w en x; en

b. door burgemeester en wethouders aangewezen woonruimte voor huisvesting van studenten die staan ingeschreven bij een universiteit, een hogere beroepsopleiding of een middelbare beroepsopleiding gevestigd in het gebied van de Stadsregio Amsterdam, alsmede voor promovendi verbonden aan deze instellingen, waarbij sprake is van omzetting van zelfstandige en onzelfstandige woonruimte.

2.5

Op grond van artikel 27 van de Huisvestingsverordening is het verboden om woonruimte als bedoeld in artikel 26, derde tot en met het zesde lid, zonder vergunning aan bestemming tot bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen of van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

2.6

Op grond van artikel 59, eerste lid, van de Huisvestingsverordening kan het college een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet. In Bijlage 5 van de Huisvestingsverordening is bepaald dat in geval van het onttrekken zonder vergunning bij de eerste overtreding de boete € 12.000,-- bedraagt.

3.1

In beroep heeft eiser allereerst aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten eiser te informeren en te horen over de melding dat sprake is van een illegaal hotel alvorens een onderzoek in te stellen naar het gebruik van de woning. Verweerder heeft hierdoor volgens eiser gehandeld in strijd met artikel 4:8, gelezen in samenhang met artikel 4:9, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.2

De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder niet gehouden was eiser te waarschuwen alvorens een onderzoek in te stellen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, wordt bij een vermoedelijke overtreding dat een woning op hotelmatige wijze wordt geëxploiteerd direct een onderzoek ingesteld zonder dat de vermoedelijke overtreder wordt geïnformeerd. Dit heeft te maken met veiligheidsaspecten – zoals de brandveiligheid – en de hoeveelheid meldingen die verweerder ontvangt. Nu verweerder weliswaar na het onderzoek, maar voor het opleggen van een bestuurlijke boete eiser op grond van artikel 4:8 en 4:9 van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen, acht de rechtbank de werkwijze van verweerder niet onredelijk. Immers, voor een adequate indruk van het gebruik van de woning is het belangrijk dat verweerder onaangekondigd verifieert en vaststelt of sprake is van een illegaal hotel. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser heeft verder aangevoerd dat geen sprake is van onttrekking van woonruimte aan de bestemming wonen. Eiser had zijn hoofdverblijf in de woning en stond op dat adres ingeschreven. Eiser exploiteerde een B&B en heeft hiervan melding gedaan bij het stadsdeel. Verder stelt eiser dat op 8 december 2014 nogmaals een huisbezoek is afgelegd, waarbij is geconcludeerd dat geen sprake is van onttrekking er van aan de woonruimte. Nu de feiten en omstandigheden op 8 december 2014 identiek waren ten opzichte van 8 oktober 2014, is het volgens eiser bevreemdend dat verweerders conclusie anders is.

5.1

De rechtbank overweegt allereerst dat het bestreden besluit een voor eiser belastend besluit betreft. Dat betekent dat het aan verweerder is om te onderbouwen dat de betreffende woning is onttrokken aan de bestemming bewoning zonder vergunning en, zo nodig, onderzoek naar de feiten te verrichten.

5.2

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning woonruimte betreft die behoort tot de categorie als bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 26, derde lid, van de Huisvestingsverordening, en dat voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning op grond van artikel 27 van de Huisvestingsverordening een vergunning is vereist, alsmede dat eiser daar niet van in het bezit is. Volgens verweerder is het exploiteren van een B&B in een woning altijd een (gedeeltelijke) onttrekking van de woning. Omdat er in een dergelijk geval sprake is van een onttrekking van relatief ondergeschikte aard is er dan geen vergunning vereist.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat uit de onderzoeksbevindingen is komen vast te staan dat eiser in de periode in geding geen hoofdverblijf had in de woning aan [de straat] en dat hij deze woning op hotelmatige wijze verhuurde aan toeristen. Daarbij wijst de rechtbank op het op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen van het huisbezoek. In dit rapport wordt onder andere verklaard dat de controleurs – behalve één doos met een beperkt aantal kledingstukken – geen persoonlijke spullen van eiser hebben aangetroffen die er op wijzen dat de woning permanent door eiser wordt bewoond. Wel hebben de controleurs twee toeristen aangetroffen, van wie één heeft verklaard dat zij de woning via de website www.booking.com voor drie dagen hebben geboekt voor een bedrag van € 220,--. Zij hebben desgevraagd het boekingsbewijs laten zien. Deze bevindingen worden verder ondersteund door de resultaten uit het internetonderzoek. Daaruit is gebleken dat de gehele woning meermalen is verhuurd. Daarnaast bevat het dossier verklaringen van de melders dat de woning aan toeristen wordt verhuurd. Op basis van al deze gegevens komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser de woning in de periode in geding heeft onttrokken aan de woonbestemming, als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet. Nu eiser niet met objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat hij wel in de woning woonde en derhalve ten tijde van de overtreding de hoofdbewoner was, kan hij geen geslaagd beroep doen op verweerders beleid inzake B&B. De stelling van eiser dat de feiten en omstandigheden ten tijde van het huisbezoek op 8 december 2014 identiek waren heeft hij onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat het een andere periode betreft. De beroepsgrond faalt.

5.4

Gelet op het voorgaande was verweerder dan ook bevoegd om op grond van artikel 85a, eerste lid, van de Huisvestingswet en artikel 59, eerste lid, van de Huisvestingsverordening een bestuurlijke boete aan eiser op te leggen.

6.1

Ten slotte heeft eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3138), aangevoerd dat de boete onevenredig is en dient te worden gedifferentieerd.

6.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder de boete in overeenstemming met Bijlage 5 bij de Huisvestingsverordening heeft vastgesteld op € 12.000,--. Uit de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 28 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1912), volgt dat er geen reden is om de boetes onredelijk hoog te achten, omdat Bijlage 5 van de Huisvestingsverordening met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Op grond artikel 5:46, derde lid, van de Awb, kan verweerder, nu de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere boete opleggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om de boete te matigen.

6.3

De uitspraak van de Afdeling waar eiser zich op beroept, kan hem naar het oordeel van de rechtbank niet baten. De Afdeling heeft in die zaak geoordeeld dat het boetenormbedrag voor het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen, zoals neergelegd in een beleidsregel, in geval van een eerste overtreding dusdanig hoog is dat de minister, uit een oogpunt van evenredigheid, zijn beleid had moeten differentiëren. De onderhavige boete daarentegen betreft een gefixeerd boetestelsel dat, anders dan in de aangehaalde uitspraak, is neergelegd in de Huisvestingsverordening, zodat de evenredigheidsnormen reeds zijn verdisconteerd. De beroepsgrond faalt.

7. Verder heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft genoemd die aanleiding geven de boete te matigen of in te trekken. Eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Bovendien bestaat de mogelijkheid een betalingsregeling te treffen.

8. Het beroep is ongegrond. In hetgeen eiser voor het overige nog heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Boeree, rechter, in aanwezigheid van H. Akbuz, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.