Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6962

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
C/13/616492 / JE RK 16-1174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pleegouder niet-ontvankelijk op verzoek vervallen verklaring aanwijzing; verzoek aangemerkt als 1:262b BW (geschillenregeling).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 262b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 264
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0294
JPF 2017/36

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

zaakgegevens : C/13/616492 / JE RK 16-1174

datum uitspraak: 25 oktober 2016

beschikking in de zaak van

[naam 1] , hierna te noemen de pleegouder,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. D.H. Bialkowski.

betreffende

[naam 2] , geboren op [datum] te [plaats] , hierna te noemen [naam 2] ,

[naam 3] , geboren op [datum] te [plaats] , hierna te noemen [naam 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen WSJ,

gevestigd te Amsterdam;

[naam 4] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

advocaat: mr. M. Kemmers;

[naam 5] , hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de pleegouder, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2016 en de aanvulling daarop, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2016.

Op 25 oktober 2016 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:
- de pleegouder, bijgestaan door haar advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam 6] , namens WSJ.

De vader heeft schriftelijk te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

De feiten


Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de moeder.

De minderjarigen zijn sinds 2007 onder toezicht geteld en tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De minderjarigen verblijven sedertdien bij de pleegouder.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van 19 september 2016 verlengd tot 25 september 2017.

WSJ heeft op 23 september 2016 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende
[naam 2] en [naam 3] .
De schriftelijke aanwijzing omvat, voor zover hier van belang, dat de minderjarigen van vrijdag 17.00 uur (na de BSO) tot dinsdagochtend bij de moeder verblijven.

Het verzoek


De pleegouder verzoekt primair de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en subsidiair dat de kinderrechter op grond van de geschillenregeling ex artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt, in die zin dat de pleegouder de minderjarigen ook regelmatig in het weekend bij zich heeft.


De standpunten

De pleegouder voert aan dat de ouders hun leven anders hebben ingericht en beter in staat zijn om de opvoeding en verzorging van de minderjarigen op zich te nemen in termen van een omgangsregeling. Hierdoor is een discussie ontstaan over de regeling. Het struikelblok is het weekend. Zij heeft een dag in het weekend nodig om met de minderjarigen zaken te regelen. Daarnaast wil zij met de minderjarigen ook leuke dingen doen op een vrije dag. De minderjarigen verblijven nu alleen door de weeks bij haar. Dan is er altijd de druk van school en huiswerk maken. Zij voelt dat zij de minderjarigen kwijtraakt omdat de moeder de minderjarige nu meer bij zich heeft. De vader is in beeld en de minderjarigen willen de vader graag meer zien. Dat kan alleen in het weekend. Er is ruimte om te schuiven in de omgangsregeling. Zij wil eenmaal per twee weken een zaterdag.
Het lukt niet om met de moeder tot afspraken te komen. De moeder wil altijd gelijk krijgen. Zij heeft de minderjarigen veertien jaar opgevoed.


De moeder voert aan dat zij zich kan verenigen met de schriftelijke aanwijzing. De huidige regeling inzake de omgang geldt van voor de zomervakantie. De regeling loopt goed. Zij moet weer in haar moederrol kunnen groeien. De minderjarigen voelen zich ook goed bij de regeling.

Zij kan zich er in vinden wanneer de minderjarigen af en toe een dag in het weekend bij de pleegouder zijn, maar zij heeft er problemen mee als de vader meelift met de regeling. Het probleem daarbij is dat de vader haar niet wil vertellen waar hij met de minderjarigen verblijft. De vader heeft net als zij een drugsverleden, maar waar zij haar leven weer op de rit heeft, is dat bij de vader (en zijn huidige vriendin) niet het geval. Zij maakt zich zorgen om de minderjarigen als zij bij de vader zijn.
De vader heeft nu eenmaal per maand op zondag de minderjarigen bij zich.

Zij heeft de pleegouder aangeboden om af en toe een dag in het weekend de minderjarigen bij zich te hebben, maar de pleegouder gaat niet op dat aanbod in.
Zij verzet zich tegen vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing.


WSJ voert aan dat er sprake is van een geschil. Er is altijd strijd tussen de pleegouder en de moeder. De minderjarigen willen een 50-50 regeling. Er moet een regeling komen die iedereen past. De minderjarigen hebben last van de strijd. De minderjarigen geven aan rust te willen. De strijd moet worden gestaakt. Het antwoord ligt in overeenstemming tussen de pleegouder en de moeder.

De beoordeling
WSJ heeft de schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling genomen op grond van artikel 1:265f Burgerlijk Wetboek.

Op grond van artikel 1:265f Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken.
De beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing. Artikel 1:264 en 1:265 Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 1:264 BW kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

De schriftelijke aanwijzing is verzonden aan de pleegouder en de vader en in kopie aan de moeder.

De pleegouder voert aan dat zij ontvankelijk is in haar verzoek. Zij doet een beroep op artikel 6 en 8 EVRM. Zij stelt in alle procedures ten aanzien van de minderjarigen als betrokkene te zijn aangemerkt en er is sprake van family life. Het gezinsleven van haar wordt rechtstreeks beïnvloed indien de schriftelijke aanwijzing wordt opgevolgd.

Op grond van de wet heeft een pleegouder geen eigen rechtsingang met betrekking tot een schriftelijk aanwijzing. In uitspraken voor 1 januari 2015 is de pleegouder incidenteel wel ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8 EVRM.
In de wetgeving die per 1 januari 2015 in werking is getreden, is aan pleegouders wel een rechtsingang verschaft in de vorm van de geschillenregeling van artikel 1:262b BW.


De kinderrechter zal de pleegouder dan ook in haar primaire verzoek
niet-ontvankelijk verklaren.
De kinderrechter zal het verzoek van de pleegouder behandelen als een verzoek in de zin van artikel 1:262b BW.

Artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek bepaalt, voor zover hier van belang, dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoel in artikel 1.1. van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.

Er is sprake van een geschil tussen betrokkenen omtrent de bezoekregeling van de minderjarigen aan de moeder.
Ter zitting is gebleken dat een vergelijk tussen betrokkenen niet lukt. Daarvoor liggen de standpunten te ver uiteen.

Gelet op de standpunten van de pleegouder, de moeder en WSJ, is de kinderrechter van oordeel dat een bezoekregeling, waarbij de minderjarigen ook af en toe in het weekend een dag bij de pleegouder zijn, in het belang van de minderjarigen wenselijk is.
Het belang van de minderjarigen dient voorop te staan. De minderjarigen hebben baat bij rust en duidelijkheid. De huidige strijd die de pleegouder en de moeder voeren omtrent de bezoekregeling kan de ontwikkeling van de minderjarigen schaden.

Een bezoekregeling waarbij de minderjarigen, in afwijking van de schriftelijke aanwijzing van de WSJ, eenmaal per twee weken van vrijdag 17.00 uur (na de BSO) tot zaterdag

17.00

uur bij de pleegouder verblijven (en aansluitend bij de moeder eten), doet recht aan de belangen van de minderjarigen, de pleegouder en de moeder. Zo heeft de pleegouder ook de mogelijkheid voor het regelen van zaken met de minderjarigen waar zij door de week niet aan toekomt en kan de pleegouder op vrijdagavond of zaterdag overdag leuke dingen met de minderjarigen ondernemen. Dat komt de ontwikkeling van de minderjarigen ten goede waarvan uiteindelijk ook de moeder profiteert.

De kinderechter neemt nadrukkelijk de vader niet mee in de bezoekregeling. Er is op dit moment te weinig bekend van de vader en er is geen rapportage met betrekking tot de vader. Daarnaast is er een regeling met de vader waarbij hij eenmaal per maand op zondag met de minderjarigen kan zijn, welke regeling door de moeder wordt gefaciliteerd.

De kinderrechter zal beslissen als na te melden.

De beslissing


De kinderrechter:

-
verklaart de pleegouder niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek;

- bepaalt in het kader van artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek dat, in afwijking van de schriftelijke aanwijzing van de WSJ van 23 september 2016, de minderjarigen het ene weekend van vrijdag 17.00 uur (na de BSO) tot dinsdagochtend bij de moeder verblijven en het andere weekend van zaterdag 17.00 uur tot dinsdagochtend bij de moeder verblijven;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van P.A.W. van Schaick, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.