Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6938

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6125
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo hangende bezwaar afgewezen. Verplichting onderzoek rijgeschiktheid en schorsing rijbewijs. Vermoeden rijden onder invloed van drugs. Gedragingen niet betwist, wel dat drugs de oorzaak waren. Vermoeden was gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/153

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/6125

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2016 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam,

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR),

(gemachtigde: mr. D. Schokker).

Procesverloop

In het besluit van 7 september 2016 heeft het CBR [verzoeker] verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen. Daarnaast heeft het CBR de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

[verzoeker] heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2016. [verzoeker] is verschenen. Het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Op 18 augustus 2016 ontving het CBR van de politie een mededeling dat het vermoeden bestaat dat [verzoeker] niet langer beschikt over de rijvaardigheid of de lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Bij de politie is dit vermoeden ontstaan omdat [verzoeker] volgens de politie op 18 augustus 2016 een taxibus bestuurde onder invloed van drugs.

1.2

Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR [verzoeker] verplicht tot een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of rijgeschiktheid. Daarnaast heeft het CBR in dat besluit de geldigheid van het rijbewijs van [verzoeker] geschorst, omdat de politie zijn rijbewijs had ingevorderd. Dit betekent dat zijn rijbewijs tijdelijk niet meer geldig is. Hij mag daarom geen auto of een ander motorrijtuig besturen.

Het standpunt van [verzoeker]

2. [verzoeker] is het niet eens met het besluit. [verzoeker] ontkent dat hij de taxibus onder invloed van drugs bestuurde. Het vermoeden van de politie dat dit wel zo was, is volgens hem niet juist. Hij vindt dat het CBR hem daarom niet mocht verplichten tot het onderzoek en dat het rijbewijs niet mocht worden geschorst. Hij vindt ook dat de gevolgen voor hem te zwaar zijn. Hij kan nu niet meer werken als taxichauffeur. Daardoor heeft hij geen inkomen.

Het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening

3.1

[verzoeker] heeft tegen het besluit bij het CBR bezwaar gemaakt. Het CBR zal beoordelen of dat bezwaar ertoe leidt dat het CBR van het besluit moet terugkomen. Dat oordeel wordt een ‘beslissing op bezwaar’ genoemd. Het kost enige tijd voordat het CBR die beslissing op bezwaar heeft genomen. Tot die tijd moet [verzoeker] meewerken aan een onderzoek en mag hij geen auto besturen. [verzoeker] kan dat niet afwachten. Hij is taxichauffeur en heeft zijn rijbewijs nodig. Zonder rijbewijs heeft hij geen inkomen. Daarom heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om in te grijpen door een voorlopige voorziening te treffen. Hij wil daarmee bereiken dat hij niet hoeft mee te werken aan het onderzoek en een auto mag blijven besturen tot het CBR een beslissing op bezwaar heeft genomen.

3.2

De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Zij moet daarbij een afweging maken tussen aan de ene kant het belang van [verzoeker] dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant het belang van het CBR bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.3

In de afweging van de belangen houdt de voorzieningenrechter onder andere rekening met de kans dat het bezwaar van [verzoeker] slaagt en of het besluit rechtmatig is genomen. De voorzieningenrechter zal een zogenoemd voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven. Als de kans van slagen klein is, is er voor de voorzieningenrechter weinig reden om in te grijpen en een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bezwaar van [verzoeker] een redelijke kans van slagen heeft.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

4.1

In welke gevallen het CBR iemand mag verplichten tot een onderzoek en het rijbewijs mag schorsen, is geregeld in de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) en Bijlage I van de Regeling (de Bijlage). De voor deze zaak belangrijke artikelen, zijn te lezen in een bijlage bij deze uitspraak.

4.2

De hoogste bestuursrechter in zaken als deze, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, heeft in diverse uitspraken het volgende gezegd. ‘De bevoegdheid tot het vorderen van een onderzoek naar de geschiktheid komt het CBR reeds toe indien aannemelijk is dat iemand bij zijn staandehouding of aanhouding onder invloed van drogerende stoffen was. Niet vereist is dat is vastgesteld dat betrokkene daadwerkelijk onder invloed van drogerende stoffen was’1. Dit betekent dat het CBR niet hoefde te bewijzen dat hij onder invloed van drugs was toen de motoragent hem stopte. Voldoende is dat dit aannemelijk was.

5.1

Wat is er nu eigenlijk gebeurd in de vroege ochtend van 18 augustus 2015? Volgens het proces-verbaal van bevindingen (een verslag) van de motoragent reed omstreeks 5.15 uur een taxibus slingerend op de [straat] te Amsterdam, overschreed de bus meermalen een doorgetrokken streep en hield die een andere taxi op. Vanwege dit rijgedrag heeft de motoragent de taxibus staande gehouden.

5.2

De taxibus werd bestuurd door [verzoeker] . In het proces-verbaal is niet vermeld dat zich in de bus nog andere personen bevonden. [verzoeker] heeft dat ook nooit beweerd. De motoragent rook in de bus een sterke hasjlucht. Hij zag ook dat de ogen van [verzoeker] bloeddoorlopen waren. Op de bijrijdersstoel lagen tipjes (filtereindjes) en een lange vloei, waarmee een joint kan worden gedraaid. Tussen de stoelen van de bijrijder en de bestuurder lag een half opgerookte joint.

5.3

De motoragent heeft bij [verzoeker] een voorlopig ademonderzoek (een blaastest) afgenomen. Dit wees er niet op dat [verzoeker] alcohol had gedronken. De motoragent vermoedde dat [verzoeker] niet onder invloed was van alcohol maar van drugs.

5.4

Op het politiebureau heeft de politie [verzoeker] gevraagd om toestemming te verlenen voor een bloedonderzoek. Dat weigerde hij. Vervolgens is hem bevolen om daaraan mee te werken. [verzoeker] heeft hieraan geen gevolg gegeven omdat hij bang was flauw te vallen. Een arts heeft op het politiebureau met de [verzoeker] hierover gesproken. Hij concludeerde dat er geen geneeskundige redenen waren om het bloedonderzoek niet uit te voeren.

5.5

De politie heeft vervolgens het rijbewijs van [verzoeker] ingevorderd en aan het CBR een mededeling als bedoeld in artikel 130 van de WVW 1994 gedaan.

5.6

[verzoeker] ontkent niet dat hij zich heeft gedragen zoals de motoragent heeft beschreven. Hij ontkent wel dat hij drugs had gebruikt. Volgens [verzoeker] hield hij zijn achterligger niet op. Die achterligger was een collega die wilde hem voortdurend inhalen, terwijl [verzoeker] de maximumsnelheid niet wilde overschrijden. Vlak voordat de motoragent hem staande hield, probeerde hij die collega via zijn telefoon duidelijk te maken dat hij moest stoppen hem op te jagen. Omdat hij door zijn telefoon was afgeleid, slingerde hij en overschreed hij de doorgetrokken streep. Hij had bloeddoorlopen ogen omdat hij de hele nacht had gewerkt. De hasjlucht, de gevonden vloei, tipjes en joint waren afkomstig van een klant die hij naar Schiphol had gebracht. Het gebeurt wel vaker dat klanten resten van een joint in zijn taxi achterlaten, aldus [verzoeker] .

6.1

Heeft het CBR zich nu op het standpunt mogen stellen dat [verzoeker] onder invloed van drugs de taxibus bestuurde toen de motoragent hem stopte? De voorzieningenrechter vindt van wel. De motoragent heeft nauwkeurig en uitgebreid beschreven waarom hij vermoedde dat [verzoeker] onder invloed van drugs verkeerd. Een aangetroffen joint of slingerend rijden hoeven op zichzelf niet te leiden tot het vermoeden dat iemand onder invloed van drugs een auto bestuurt, maar in dit geval zijn er te veel aanwijzingen die tegen [verzoeker] werken. Zijn rijgedrag was opvallend, hij had bloeddoorlopen ogen, er lagen een opgerookte joint, tipjes en vloei in de taxi. Daar komt bij dat er een hasjlucht in de taxi was, wat erop op duidt dat kort voor de staandehouding in de taxibus hasj is gerookt.

6.2

[verzoeker] heeft voor dit alles verklaringen gegeven, maar daar is het bij gebleven. Hij heeft niet aangetoond dat hij kort voor de staandehouding een klant had vervoerd en met zijn collega had gebeld of geappt. Zo had hij zijn telefoongegevens, zijn rittenstaat of een verklaring van de collega kunnen tonen. In elk geval had hij kunnen verduidelijken wie de hasjlucht had veroorzaakt en wie die collega was. Ook dit heeft hij nagelaten. [verzoeker] heeft dus, behalve zijn beweringen en verklaringen, niets tegenover het proces-verbaal van de motoragent gesteld.

6.3

[verzoeker] heeft op het politiebureau aangeboden om op andere wijze dan door een bloedonderzoek te onderzoeken of hij drugs had gebruikt. De politie is daar niet op ingegaan. Dat hoefde de politie ook niet omdat een arts had geconcludeerd dat er geen geneeskundige redenen waren om geen bloedonderzoek uit te voeren. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat [verzoeker] de mogelijkheid heeft gehad om aan te tonen dat hij geen drugs had gebruikt en dat het niet meewerken aan het bloedonderzoek daarom voor zijn risico komt.

6.4

De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat uit de waarnemingen van de politie voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] bij zijn aanhouding onder invloed was van hasj (zie 4.2 hiervoor).

6.5

Uit de wet volgt dat als het vermoeden is gerechtvaardigd dat iemand niet beschikt over de vereiste geschiktheid, het CBR hem moet verplichten zich aan een onderzoek te onderwerpen. De wet biedt het CBR daarom geen ruimte om rekening te houden met de gevolgen die [verzoeker] daarvan ondervindt.

6.6

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het CBR [verzoeker] terecht verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen. Dit brengt mee dat het CBR ook terecht het aan hem afgegeven rijbewijs heeft geschorst.

Conclusie

7.1

Het bezwaar van [verzoeker] heeft geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter verwacht dat het CBR in een beslissing op het bezwaar van [verzoeker] het besluit zal handhaven. Er is daarom geen reden om het besluit te schorsen, ook al kan [verzoeker] nu zijn beroep als taxichauffeur niet uitoefenen en daarom niet op die wijze geld kan verdienen. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

7.2

Dit betekent voor [verzoeker] dat hij aan het onderzoek zal moeten meewerken en dat hij geen motorrijtuigen mag besturen, in elk geval totdat het CBR een beslissing op bezwaar heeft genomen.

7.3

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.P. Braam, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc: HB

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Bijlage regelgeving

Wegenverkeerwet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt tevens gedaan in bij ministeriële regeling aangegeven gevallen van overtreding van de voorwaarden van deelname aan het alcoholslotprogramma. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.

4. (…);

5. (…).

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. (…);

b. (…);

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

(…);

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

4. (…).

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

a. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 15

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

(…);

g. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 23

1. (…).

2. (…).

3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’,

Bijlage I bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. (…).

B. Geschiktheid

I. (…).

II. (…).

III. Drogerende stoffen

Alcohol

(…).

Andere drogerende stoffen

betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1386. Deze uitspraak met dit ECLI-nummer onder ‘uitspraken’ te vinden op www.rechtspraak.nl