Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6894

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
HA RK 308.2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechter verweten wordt dat hij niet is ingegaan op een eis in reconventie. Daarnaast wordt de rechter verweten verzoekster niet de gelegenheid heeft gegeven haar standpunt te onderbouwen of bewijsstukken over te leggen. Verzoek afgewezen.

De rechter heeft in de diverse schriftelijke stukken van verzoekster geen concrete tegeneis gelezen. Ook de rolrechter heeft eerder in de conclusie van antwoord van verzoekster geen tegeneis gezien. Het standpunt van de rechter is, mede gezien de eerdere opvatting van de rolrechter, en omdat bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, niet zo onbegrijpelijk dat daaruit de schijn van vooringenomenheid jegens verzoekster kan worden afgeleid. Dat de rechter verzoekster niet de gelegenheid heeft gegeven haar standpunt te onderbouwen of bewijsstukken over te leggen, heeft betrekking op een rechterlijke (processuele) beslissing in een lopende procedure. Dergelijke beslissingen leveren – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – in zijn algemeenheid geen grond op voor het oordeel dat een rechter vooringenomen is jegens een procespartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beslissing op het op 2 augustus 2016 gedane en onder rekestnummer HA RK 308.2016 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster], te [ ],

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.W.J. Ros, kantonrechter te Amsterdam (hierna: de rechter).

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de zitting van 2 augustus 2016;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 3 augustus 2016;

- de schriftelijke reactie van verzoekster van 19 september 2016.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 oktober 2016, waar verzoekster en de rechter zijn verschenen.

Gronden van de beslissing

1. Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

- Verzoekster is de gedaagde partij in een kantonzaak geregistreerd onder zaaknummer 4865103 CV EXPL 16-7259. De eisende partij is de stichting Woningstichting [ ]. Deze zaak wordt behandeld door de rechter.

- Op 2 augustus 2016 heeft een mondelinge behandeling van de zaak door de rechter plaatsgevonden. Verzoekster heeft ter zitting haar verzoek om wraking van de rechter gedaan.

Het verzoek en de gronden daarvan

2.1.

Aan het wrakingsverzoek wordt blijkens het proces-verbaal van de zitting van

2 augustus 2016 het volgende ten grondslag gelegd:

  • -

    de rechter komt niet aan verzoeksters bezwaren tegemoet,

  • -

    de rechter en [ ] gaan niet in op verzoeksters eis in reconventie;

  • -

    de rechter geeft verzoekster niet de gelegenheid haar standpunt te onderbouwen of bewijsstukken over te leggen.

Hieruit maakt verzoekster op dat de rechter het eens is met [ ] en partijdig reageert.

2.2.

Verzoekster concludeert op basis van het voorgaande dat de rechter vooringenomen is jegens haar, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De reactie van de rechter

3.1.

De rechter heeft als reactie op het wrakingsverzoek het volgende standpunt ingenomen. Op de comparitie van 2 augustus 2016 heeft de rechter getracht verzoekster uit te leggen dat zij tegenover de specificatie (van de huurachterstand) van [ ] niet kon volstaan met zeggen en opschrijven dat er meer betalingen zijn gedaan, maar dat zij dit aan de hand van bewijsstukken had moeten aantonen, omdat haar eigen opgave als zodanig onvoldoende bewijs oplevert. Verzoekster verklaarde eerst ter zitting dat zij bewijsstukken bij zich had, maar legde die niet over. Naderhand verklaarde zij dat zij haar bankafschriften thuis moest nakijken. Vervolgens is verzoekster voorgehouden dat er (ook) ontbinding en ontruiming was gevorderd en dat een dergelijke vordering in beginsel toewijsbaar is bij een huurachterstand van drie maanden of meer. Dit omdat verzoekster verklaarde dat zij slechts één maand huurachterstand had maar daarnaast drie maanden had gestorneerd, vanwege het feit dat zij door [ ] in rechte was betrokken. Daarmee erkende verzoekster in feite een huurachterstand van vier maanden, zodat de vordering ook los van de discussie over de verdere huurachterstand toewijsbaar zou zijn. De rechter heeft verzoekster erop gewezen dat [ ] op de comparitie vonnis kon vragen. De gemachtigde van [ ] verklaarde ook dat hij vonnis zou vragen, maar dat [ ] niet perse erop uit was om verzoekster te ontruimen. De gemachtigde zegde toe dat hij na de zitting in afwachting van het vonnis nog wel bereid was om naar eventuele bewijsstukken van verzoekster te kijken. Vervolgens vroeg verzoekster om aanhouding om haar bankadministratie na te kijken en bewijsstukken te zoeken. Dat verzoek heeft de rechter afgewezen, omdat voor het overleggen van bewijsstukken al voldoende gelegenheid was geweest, namelijk bij antwoord, bij aanvullend antwoord of bij de brieven van 19 en 25 juli 2016 die verzoekster ten behoeve van de comparitie had ingestuurd en op de comparitie zelf. Verder heeft de rechter uitgelegd dat eventueel nog aangetoonde betalingen hoe dan ook door [ ] in mindering moeten worden gebracht. De gemachtigde van [ ] stelde voor een dergelijke overweging in het vonnis op te nemen. Vervolgens heeft de rechter verzoekster uitgelegd dat ook na vonniswijzing eventueel nog wel een regeling met [ ] kon worden getroffen om ontruiming te voorkomen. Ten slotte heeft de rechter nog besproken dat verzoekster bij antwoord en aanvullend antwoord geen concrete tegeneis had geformuleerd. Op de rol was het antwoord naar het oordeel van de rechter dan ook terecht niet tevens als eis in reconventie aangemerkt.

3.2.

Volgens de rechter is er geen sprake van (schijn van) vooringenomenheid en dient het door verzoekster ingediende wrakingsverzoek te worden afgewezen.

De beoordeling van het verzoek

4.1.

In een wrakingsprocedure dient de rechtbank te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Daarbij staat voorop dat een rechter op grond van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

4.2.

De rechtbank begrijpt de eerste en tweede wrakingsgrond, mede gelet op het verhandelde ter zitting, in samenhang, aldus dat de rechter verweten wordt dat hij niet is ingegaan op een eis in reconventie en dat de rechter ten onrechte de omvang van het geschil bepaalde op meer dan één maand huurachterstand, te weten vier maanden, inclusief de maanden waarvoor verzoekster de betalingen had gestorneerd. De rechter heeft evenwel in de diverse schriftelijke stukken van verzoekster geen concrete tegeneis gelezen. Ook de rolrechter heeft eerder in de conclusie van antwoord van verzoekster geen tegeneis gezien. Het standpunt van de rechter is, mede gezien de eerdere opvatting van de rolrechter, en omdat bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, niet zo onbegrijpelijk dat daaruit de schijn van vooringenomenheid jegens verzoekster kan worden afgeleid.

4.3.

De derde door verzoekster aangevoerde wrakingsgrond, te weten dat de rechter haar niet de gelegenheid heeft gegeven haar standpunt te onderbouwen of bewijsstukken over te leggen, heeft betrekking op een rechterlijke (processuele) beslissing in een lopende procedure. Dergelijke beslissingen leveren – behoudens uitzonderlijke omstandigheden – in zijn algemeenheid geen grond op voor het oordeel dat een rechter vooringenomen is jegens een procespartij. De rechtbank heeft in het onderhavige geval geen aanknopingspunten gevonden om de hiervoor genoemde uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen en betrekt bij dat oordeel dat verzoekster in diverse stadia van de procedure in de gelegenheid is gesteld bewijsstukken over te leggen. De rechtbank wijst er daarbij op dat zij die gelegenheid had bij antwoord, bij aanvullend antwoord, bij brieven van 19 en 25 juli 2016 en op de comparitie van 2 augustus 2016. Verzoekster heeft die mogelijkheden onbenut gelaten. Dat de rechter vervolgens heeft besloten niet alsnog een nadere mogelijkheid te bieden vormt evenwel geen reden voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is jegens verzoekster of dat de rechter de schijn daartoe heeft opgewekt. Deze wrakingsgrond slaagt daarom evenmin.

4.4.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is, of dat de vrees van verzoekster voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, geen grond bestaat.

4.5.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer 4865103 CV EXPL

16-7259 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. H.C. Hoogeveen en mr. P.H.A. Knol, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan geen hoger beroep worden ingesteld.