Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6892

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
13/669082-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor zware mishandeling van zijn neef, door meermalen met de auto op hem in te rijden. Ook heeft hij zijn ex-partner bedreigd via WhatsApp. Volgens de rechtbank is sprake van eigenrichting. Verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669082-16 (Promis)

Datum uitspraak: 14 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 september 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Boelens naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. poging doodslag dan wel (poging tot) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [persoon 1] , door op 10 mei 2016 met de auto tegen hem aan en/of over hem heen te rijden;

2. bedreiging van [persoon 2] , door op 10 en 11 mei 2016 bedreigende berichten naar haar te sturen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Verdachte en [persoon 1] , hierna: aangever, zijn neven van elkaar. Ze hebben eerder ruzie met elkaar gehad. Op 10 mei 2016 hebben verdachte en aangever elkaar getroffen op het woonwagenkamp waar aangever woont. Aangever riep iets naar verdachte die op dat moment in zijn auto wegreed na een bezoek aan zijn tante op het kamp. Verdachte had niet verstaan wat aangever riep en hij reed daarom achteruit. Aangever stak verdachte toen met een mes in zijn arm. Verdachte raakte in paniek. Hij gaf gas terwijl hij zich er niet van bewust was dat de auto nog in zijn achteruit stond. Hij raakte toen niets. Daarna is hij nog een keer achteruit gereden. Daarbij heeft hij aangever geraakt. Aangever kwam met zijn been klem te zitten tussen de auto van verdachte, een motor en een hekje. Aangever heeft hierdoor letsel opgelopen, te weten een bloedprop in de hersenen, een gebroken arm en een grote wond aan zijn been.

Op 10 mei 2016 en 11 mei 2016 heeft verdachte vele berichten via WhatsApp gestuurd naar zijn ex-partner, tevens moeder van zijn kinderen, [persoon 2] . De tekst in deze berichten houdt in dat verdachte deze [persoon 2] zal doden, dan wel zwaar zal mishandelen. [persoon 2] heeft aangifte gedaan van bedreiging. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de persoon is geweest die deze berichten naar [persoon 2] heeft gestuurd.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, op grond van de aangifte van [persoon 1] , de letselverklaring, de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen en de verklaring van getuige [getuige] . De onder 2 ten laste gelegde bedreiging acht de officier van justitie bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [persoon 2] en de bevindingen met betrekking tot de WhatsApp berichten van verbalisant [verbalisant] .

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1. Aangever heeft verdachte op 10 mei 2016 met een mes in de arm gestoken. Dit heeft geleid tot blinde paniek bij verdachte. Het heeft verdachte aan elk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen ontbroken. Verdachte weet immers alleen maar te vertellen dat hij is weggereden en dat hij heen en weer is gereden. Bij verdachte ontbrak het opzet, ook in voorwaardelijke vorm, om aangever te doden dan wel om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De gedraging kan bovendien geen dodelijk letsel veroorzaken. Het wel veroorzaakte letsel laat zich niet kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Zoals uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt, volgt de rechtbank verdachte in zijn versie van de gebeurtenissen voor wat betreft de aanleiding van het conflict. Het enkele feit, dat hij in paniek is geraakt, is echter onvoldoende voor de vaststelling dat verdachte geen enkel inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan had. De stelling, dat verdachte zich vrijwel niets meer van het voorval weet te herinneren, strookt bovendien niet met de redelijk uitgebreide verklaring die hij hierover bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Ten slotte kan uit het gedrag van verdachte ten tijde van het incident en kort daarop niet worden afgeleid dat bij verdachte bovenbedoeld inzicht volledig heeft ontbroken. Integendeel, dit gedrag veronderstelt een zekere mate van bewustzijn en wilsbepaling. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank gaat voor wat betreft de vraag, of verdachte opzet had op het inrijden op aangever, uit van de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, omdat deze verklaring door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Uit deze verklaring volgt dat verdachte drie keer achteruit is gereden. De eerste keer was toen hij hoorde dat aangever iets tegen hem riep wat hij niet verstond. De tweede keer was toen hij in zijn arm was gestoken en hij weg wilde rijden van het kamp maar niet in de gaten had dat de auto nog in de achteruit stond. Daar is het echter niet bij gebleven. Verdachte is daarna nog een derde keer achteruit gereden en hij heeft, zoals ook uit zijn eigen verklaring volgt, aangever toen geraakt en verwond. Uit het feit dat verdachte, dus nadat hij een keer per ongeluk achteruit was gereden, nogmaals achteruit reed, volgt afdoende dat verdachte wel degelijk bewust handelde. Anders was hij die laatste keer wel vooruit gereden.

Deze gedragingen leiden niet tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging doodslag, omdat niet duidelijk is hoe vaak verdachte tegen aangever is aangereden en met welke snelheid hij dit heeft gedaan. Daar komt bij dat zich op de plek waar aangever door de auto is geraakt, te weten bij zijn benen, geen vitale onderdelen van het lichaam bevinden. Nu de verklaring van aangever, dat hij ook onder de auto heeft gelegen, niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund, gaat de rechtbank hier niet van uit.

Met als letsel een bloedpropje in de hersenen, een scheurwond aan het been en een meervoudige breuk aan de arm is sprake van zwaar lichamelijk letsel. Het met een auto tegen een persoon aanrijden brengt de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat mee. Dit wordt bij een ieder bekend verondersteld. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard door ondanks deze wetenschap toch op aangever in te rijden. Hiermee had hij dan ook voorwaardelijk opzet op het ontstane, zwaar lichamelijke letsel.

Dit leidt tot de conclusie dat bewezen is dat verdachte het onder 1 subsidiair genoemde en hierna in rubriek 5 vermelde heeft begaan.

4.4.2.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld, op grond van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [persoon 2] en de bevindingen van verbalisant [verbalisant] .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair:

op 10 mei 2016 te Amsterdam aan [persoon 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloedprop in zijn hoofd, een gebroken pols en een grote wond aan zijn been, heeft toegebracht, door met dat opzet met een auto tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] aan te rijden en voornoemde [persoon 1] in de verdrukking te brengen tussen voornoemde auto, een motorfiets en een muur;

2.

op 10 mei 2016 en 11 mei 2016 in Nederland, telkens [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [persoon 2] via WhatsApp berichten dreigend de woorden toegevoegd:

- " "Je mag gelijk de kankerpolitie bellen, je mag heel die kankerzooi bellen wat je wil bellen, maar ik stomp jou je hele kankerogen dicht. Ik stomp jou eerst je kankerogen dicht",

- " "Jij en mijn kankerzuster zijn de vollugunde die d'r aangaan, jij en mijn kankerzuster, JIJ EN MIJN KANKERZUSTER ZIJN DE VOLLUGUNDE DIE D'R AANGAAAAAN!!!!",

- " "Toen ie deze in m'n arm stak, heb ik 'm zo verschrikkelijk de kanker geslagen, ik heb nog nooit in mezelf, ik wist niet dat ik zo sterk kon zijn, ik heb hem helemaal kapot geslagen, kapot geslagen, net zoals ik jullie allemaal kapot sla als jullie me nog één keer een KANKERHAAR IN DE KANKERWEG LEGGUH KANKER KANKER FOLLUK!!!! JIJ EN MIJN KANKERZUSTER, VIEZE KANKERHOEREN!!!",

- " "Hahahahaha, hahaha, oh je kan me zo gek maken zoals je wil, ik kom jou zwaar pakken, ik maak jou kapot, kankerhoer, jij gaat eraan midden in de nacht, midden in de nacht, jij bent je leven niet meer veilig jij",

- " "Vieze uitgemergte maag kankerhoer dat je bent. Me kinderen bij me weghouwuh hè??!!! HIER GA JIJ ZWAAR VOOR BOETUH!!!! JIJ GAAT KAPOT JIJ, IK GA JOU KANKERKAPOT MAKEN, GELOOF ME NOU!!!",

- " "Heb je gauw je stiekeme kankertijd uitgezet vuile kanker stiekeme kankerhoer dat je bent! Hè, vuile kanker stiekeme kankerweggooier. Jij gaat eraan jij hè, dat weet jij hè, je mag de kankerpolitie bellen wat je wil hè, je mag heel die heel die kankerinstanties, alle kankerinstanties inschakelen maar als ik jou tegenkom dan slaan mijn vuisten die slaan zo hard op je kankerkop, geloof me, echt waar, want je hebt het nu voor mekaar jij" en

- " "Blijf van me lijf huis hè, blijf van me lijf huis hè met mijn kinderen hè, met mijn kinderen, je maakt het alleen maar erger, jij gaat KAPOT, JIJ GAAT KAPOT, JIJ JE KANKERBOOTJES, JE GAAT KAPOOOT, JIJ GAAT KAPOT KANKERHOOEÈR, KANKERSLET!".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Zowel verdachte als zijn raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde noodweerelementen naar voren gebracht. Hoewel geen uitdrukkelijk beroep is gedaan op noodweer, ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding om de strafbaarheid van feit 1 nader te bespreken.

Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte, voordat hij met zijn auto tegen aangever aanreed, door diezelfde aangever met een mes in zijn arm is gestoken. Tegen deze messteek mocht verdachte zich verdedigen. Toch is hij strafbaar, omdat de wijze waarop hij zich heeft verdedigd, zoals hiervoor bewezen is verklaard, disproportioneel was. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waarbij van groot belang is dat verdachte zich in een auto bevond en aangever op straat stond, was deze wijze van verdediging niet gepast.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet dan ook strafbaar.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit en slechts kan worden veroordeeld voor het onder 2 ten laste gelegde. De reclassering heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaraan verdachte bereid is mee te werken. Ook is verdachte bereid een taakstraf uit te voeren. Al met al verzoekt de raadsvrouw om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan voor de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn neef, door met zijn auto op hem in te rijden. Blijkens de letselverklaring heeft aangever hier zwaar letsel aan overgehouden. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daar komt bij dat in dit geval sprake was van eigenrichting. Verdachte moet zich realiseren dat dit niet de manier is om conflicten op te lossen.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner, door haar in korte tijd zeer veel en ernstige bedreigende berichten te sturen, waarin hij ook zijn eigen kinderen heeft betrokken. De frequentie en de inhoud van deze berichten maken dat de rechtbank deze aanmerkt als een van de ergste bedreigingen die een persoon kan uiten zonder wapen. De bedreiging is reëel geweest voor het slachtoffer, die zich in de relationele sfeer geconfronteerd zag met een zeer agressieve houding van verdachte, waardoor zij zich genoodzaakt voelde haar woning te ontvluchten en met haar kinderen te vertrekken naar een blijf-van-mijn-lijf-huis. Dergelijke feiten hebben niet alleen een grote impact op de slachtoffers, maar worden ook door de maatschappij als geheel als schokkend ervaren en brengen grote gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank acht voor deze feiten en het handelen van verdachte dan ook een gevangenisstraf passend.

De rechtbank houdt hierbij ook rekening met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 augustus 2016 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij in het verleden meermalen voor geweldsdelicten is veroordeeld, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te begaan.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het vooral van belang is te voorkomen dat verdachte zal recidiveren. Blijkens een reclasseringsrapport van 11 juli 2016 vertoont verdachte een continu patroon van asociaal en gewelddadig grensoverschrijdend gedrag. Verdachte nuttigt veel alcohol, wat bij hem agressief, grensoverschrijdend gedrag opwekt, en hij ervaart problemen op het gebied van huisvesting, financiën, denkpatroon en vaardigheden. Zijn zelfinzicht is beperkt en er zijn aanwijzingen voor psychische problematiek die onderzocht en behandeld dient te worden. Het rapport concludeert tot de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. In reactie op dit rapport heeft verdachte ter terechtzitting verklaard hulp te willen en te aanvaarden om zijn leven op orde te krijgen.

De rechtbank heeft – naast het voorgaande – meegewogen dat het niet alleen in het belang van verdachte, maar uiteindelijk ook in het algemeen belang van de maatschappij is om verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen onder toezicht van de reclassering. De rechtbank zal die bijzondere voorwaarden koppelen aan een voorwaardelijk op te leggen strafdeel. De hierna te noemen op te leggen gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank, al het voorgaande overziende, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de [adres, te plaats] , melden als hij wordt opgeroepen voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende de proeftijd blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht en zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde.

  2. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd deelnemen aan een diagnostisch onderzoek en op basis van de uitkomst van het onderzoek dient hij een behandeling bij Inforsa Amsterdam, een instelling voor ambulante forensische psychiatrie, of soortgelijke instel-ling, te volgen, gericht op agressieregulering en de aanpak van de dynamische risicofactoren van verdachte, voor zover die een directe samenhang met het grensoverschrijdende gedrag vertonen.

  3. Veroordeelde moet zich houden aan andere voorwaarden het gedrag betreffende, zijnde:

  4. Veroordeelde wordt verplicht om gedurende de proeftijd mee te werken met een opleidings- en werktraject bij een instelling zoals de RVE of een soortgelijke instantie en dient de aanwijzingen van de toezichthouder op te volgen;

  5. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan een begeleid wonen traject, ook als dat inhoudt begeleid wonen bij Amsta of een vergelijkbare instelling en

  6. Veroordeelde mag gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met zijn neef [persoon 1] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. J.B. Oreel en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. Haulo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2016.