Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6890

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
13/669104-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging doodslag op een persoon, door op hem in te rijden en vervolgens door te rijden. Ook heeft hij een scooter vernield en cocaïne voorhanden gehad. Verdachte krijgt een gevangenisstraf opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669104-16 (Promis)

Datum uitspraak: 14 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 september 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.E. Menick naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto met een hoge snelheid, althans een te hoge snelheid voor de verkeerssituatie ter plaatse, achteruit is gereden en/of tegen een snorscooter met bestuurder [persoon 1] is aangebotst en/of aangereden en/of achteruit is blijven rijden en/of geen snelheid heeft gematigd en/of niet heeft afgeremd en/of gas is blijven geven en/of zijn snelheid heeft verhoogd en/of de snorscooter een aantal meters over de rijbaan heeft meegesleurd;

2.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een snorscooter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Eenheid Amsterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door tegen die snorscooter aan te rijden en/of vervolgens die snorscooter een aantal meters mee te sleuren;

3.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

4.

hij op of omstreeks 25 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 11,1 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 25 juni 2016 zag verbalisant [persoon 1] verdachte rijden in een auto, die op naam stond van een ander persoon. [persoon 1] wilde tezamen met andere, inmiddels geïnformeerde verbalisanten verdachte controleren. Zij benaderden verdachte toen hij stilstond voor een verkeerslicht in de Jan Evertsenstraat te Amsterdam. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bevonden zich in een in een opvallend dienstvoertuig, dat zij voor de auto van verdachte parkeerden, en [persoon 1] heeft zich, in burger op een onopvallende dienstscooter, gepositioneerd achter de auto van verdachte. Toen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] uit hun dienstvoertuig stapten en [verbalisant 2] in de richting van verdachte liep, is verdachte achteruit gereden. Verdachte reed hierbij tegen de scooter van [persoon 1] . [persoon 1] kon ternauwernood wegspringen. De scooter werd meegesleept naar achteren. Uit de verkeersongevalanalyse blijkt dat de scooter bijna negentien meter naar achteren is geduwd en dat de scooter beschadigingen heeft aan het voorspatbord, de rechter handrem en het rechter handvat. De auto waarin verdachte reed is onderzocht. In de auto is een zakje met witte brokjes aangetroffen. Die brokjes bleken na onderzoek cocaïne te bevatten.

[persoon 1] heeft aangifte gedaan van poging tot doodslag en vernieling.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag, de onder 2 ten laste gelegde vernieling en het onder 4 ten laste gelegde cocaïnebezit. De officier van justitie komt tot deze bewezenverklaring op grond van de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse, de verkeersongevalanalyse en het onderzoeksrapport van Hommerson. De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd van feit 3, omdat niet is bewezen dat verdachte de auto onder invloed van cocaïne heeft bestuurd.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feiten 1 en 2 kan niet worden bewezen dat verdachte opzet had op de ten laste gelegde handelingen. Uit het toxicologisch rapport volgt niet dat verdachte onder invloed was van cocaïne, zodat ook een bewezenverklaring van feit 3 niet aan de orde is. Tot slot blijkt uit het dossier dat de auto van een derde was, waardoor ook het aanwezig hebben van cocaïne verdachte niet kan worden verweten.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

Niet kan worden bewezen dat verdachte een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van cocaïne, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. In dit verband is in het bijzonder van belang dat uit het toxicologisch rapport van 18 augustus 2016 niet volgt dat cocaïne is aangetroffen in het bloed van verdachte. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

4.4.2.

Het oordeel over het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft verklaard zich niets meer van het voorval te kunnen herinneren. Wel heeft hij duidelijk gemaakt dat hij de scooter niet heeft gezien, dat hij angstig is voor de politie en dat hij meestal weg wil uit situaties waarbij politie is betrokken. Verdachte heeft ook verklaard dat hij vóór het incident cocaïne heeft gesnoven en gerookt.

Verdachte reed in een auto over een rijbaan waarop ook scooters en andere kwetsbare verkeersdeelnemers rijden. Hij stond voor een stoplicht en is niet gewoon vooruit maar achteruit gereden, toen hij zag dat er politie voor hem stond. Dit is een bijzondere manoeuvre waarop andere verkeersdeelnemers niet berekend hoefden te zijn. Het was dus aan verdachte om extra oplettend te zijn en om zich ervan te vergewissen dat hij dit ook zonder problemen kon doen. Toen hij vervolgens achteruit reed, is verdachte na ongeveer twee meter in botsing gekomen met de scooter van [persoon 1] die op de rijbaan stond. Die botsing veroorzaakte een harde klap. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte in ieder geval vanaf dat moment wist dat zich iets achter zijn auto bevond, waarbij het zeer aannemelijk was dat het een voertuig betrof. Maar zelfs na deze botsing is verdachte niet gestopt of weer vooruit gereden. Integendeel, hij is verder achteruit gereden zonder zich op enigerlei wijze te bekommeren over de eventuele bestuurder van het eventuele voertuig dat zich achter zijn auto bevond. Daarbij was het, gelet op de geringe weerstand van het voorwerp achter zich, aannemelijk dat sprake was van een kwetsbare verkeersdeelnemer. Verdachte heeft, zo is later gebleken, de scooter van [persoon 1] bijna negentien meter meegesleept. Door dit handelen is de aanmerkelijke kans ontstaan dat degene die de scooter bestuurde zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Verdachte deed er blijkbaar alles aan om uit handen van de politie te blijven. Zijn gedragingen waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook zodanig gericht op aanvaarding van alle mogelijke consequenties, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel willens en wetens heeft aanvaard.

De rechtbank acht op grond van de bevindingen en de aangifte van [persoon 1] , de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en de verkeersongevalanalyse bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

4.4.3.

Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte had vanaf de aanrijding met de scooter kennis moeten hebben van een aanrijding en dus van de mogelijkheid dat aan iets schade was en werd toegebracht. Door zich op dat moment niet te vergewissen van de verkeerssituatie, heeft verdachte ten minste ook het voorwaardelijk opzet gehad op het (verder) vernielen van de scooter, zoals ten laste gelegd in feit 2. De rechtbank acht dan ook, op grond van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en de bevindingen uit de verkeersongevalanalyse, bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

4.4.4.

Het oordeel over het onder 4 ten laste gelegde

Ten aanzien van feit 4 constateert de rechtbank dat het proces-verbaal van bevindingen, waarin de vondst van het zakje met witte brokjes in de auto wordt gerelateerd, is opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , terwijl het zakje is aangetroffen door een onbekend gebleven politiemedewerker die het voertuig waarin verdachte reed kennelijk ook op dat moment onderzocht dan wel eerder heeft onderzocht. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom deze onbekend gebleven politiemedewerker niet zelf een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot zijn onderzoek aan het voertuig en het aantreffen van het zakje heeft opgemaakt, in het bijzonder gelet op de verbaliseringsplicht zoals neergelegd in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering.

Het voorgaande laat echter onverlet, dat uit het proces-verbaal van bevindingen zoals opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , blijkt dat het voertuig is onderzocht en aan de bestuurderszijde direct in het zicht op het matje voor de bestuurdersstoel een zakje met witte brokjes is aangetroffen. De inhoud van dit zakje is onderzocht door dr. Hommerson en blijkt cocaïne te bevatten.

Verdachte heeft ten aanzien van het voertuig verklaard dat het weliswaar op naam van een derde stond, maar dat hij een regelmatige gebruiker was van het voertuig. Op de avond van het ten laste gelegde is bovendien waargenomen dat verdachte enige tijd in de auto heeft gereden. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte de beschikkingsmacht over het voertuig en daarmee over de in het zicht liggende cocaïne heeft gehad, zodat het verweer van de raadsman in dit verband wordt verworpen.

Op grond van de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] en dr. Hommerson acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna in rubriek 5 is vermeld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 25 juni 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto achteruit is gereden, tegen een snorscooter met bestuurder [persoon 1] is aangereden, achteruit is blijven rijden en de snorscooter een aantal meters over de rijbaan heeft meegesleurd;

2.

op 25 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een snorscooter, toebehorende aan Politie Eenheid Amsterdam, heeft beschadigd door tegen die snorscooter aan te rijden en een aantal meters mee te sleuren;

4.

op 25 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 11,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsrapport van 5 september 2016. Ook heeft de officier van justitie geëist dat een rijontzegging wordt opgelegd voor de duur van twaalf maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gevaarlijk en onaanvaardbaar rijgedrag vertoond, waarmee hij een levensgevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor een andere verkeersdeelnemer en diens scooter heeft beschadigd. Hiermee heeft verdachte het slachtoffer angst aangejaagd en gevoelens van onveiligheid opgewekt bij het slachtoffer en de omstanders. Dat in het onderhavige geval geen letsel is toegebracht aan het slachtoffer, is aan het adequate handelen van het slachtoffer zelf te danken.

Blijkens het reclasseringsrapport van 5 september 2016 staat verdachte vijandig tegenover de politie, voor wie hij grote angst ervaart. Deze angst lijkt echter beïnvloed te worden door het drugs- en alcoholgebruik van verdachte, die ertoe leiden dat hij impulsief en ondoordacht gaat handelen. Nader onderzoek en een behandeling acht de reclassering aangewezen in de vorm van bijzondere voorwaarden, op te leggen bij een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf.

In het belang van verdachte en van de maatschappij acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte wordt onderzocht en zo mogelijk behandeld, om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank zal die bijzondere voorwaarden koppelen aan een voorwaardelijk op te leggen strafdeel. De hierna te noemen op te leggen gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook passend en geboden.

Nu het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden in het verkeer op de openbare weg en er vooralsnog geen aanwijzingen zijn dat het problematische drugsgebruik van verdachte onder controle is dan wel dat hij voor andere impulsen die het problematische rijgedrag beïnvloeden wordt behandeld, ziet de rechtbank tevens aanleiding om hem de maatregel op te leggen van de ontzegging om motorrijtuigen te besturen.

9 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

1.00 STK Personenauto [kenteken] RENAULT clio 2006 Kl:zwart (itemnummer 5157967)

Gebleken is dat dit voorwerp feitelijk aan verdachte toebehoort. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de aan hem door feit 1 veroorzaakte schade.

De officier van justitie heeft, op grond van jurisprudentie, gerekwireerd tot toewijzing van deze vordering. De raadsman heeft vrijspraak bepleit en geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien van deze vordering.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade indien, bijvoorbeeld, de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Indien geen sprake is van meer dan een enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen, is er op grond van de wet geen ruimte voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

Niet is komen vast te staan dat schade is veroorzaakt waarvoor vergoeding kan worden gevorderd. [persoon 1] heeft in zijn toelichting bij de vordering en ter terechtzitting verklaard dat hij geschrokken was van het voorval, dat dit grote indruk op hem heeft gemaakt, maar dat hij geen psycholoog hoefde te bezoeken. Hij heeft verder toegelicht vooral te zijn aangedaan door het gebrek aan reactie bij verdachte toen [persoon 1] zijn vuurwapen op hem had gericht. Dat is iets wat hij als politieambtenaar zelden mee maakt. Hiermee is weliswaar gegeven dat [persoon 1] als gevolg van het strafbare feit psychisch onbehagen heeft ondervonden, maar nog niet dat als gevolg van het strafbare feit ook een psychische beschadiging is ontstaan zoals hiervoor bedoeld. Er zijn onvoldoende nadere gegevens voorhanden waaruit een dergelijke beschadiging blijkt.

Nu niet vast is komen te staan dat aan [persoon 1] door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging tot doodslag;

2. opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat aan een ander toebehoort beschadigen;

4. handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd bij Inforsa, gevestigd aan de [adres, te plaats] , melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

  2. Veroordeelde wordt verplicht zich te laten behandelen voor middelengebruik en/of psychische klachten bij (forensische) psychiatrie FAZ Inforsa, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven.

Ontzegt veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Verklaart verbeurd:

1.00 STK Personenauto [kenteken] RENAULT clio 2006 Kl:zwart (itemnummer 5157967)

Verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. J.B. Oreel en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. Haulo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2016.