Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6884

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
13/751488-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. Detentieomstandigheden in Polen. Gedeeltelijke weigering op grond van artikel 12 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751488-16

RK nummer: 16/5232

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 augustus 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 april 2016 door the Circuit Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1983,

laatst opgegeven verblijfadres: [adres] , [plaats] ,

thans gedetineerd in de [detentie adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 27 september en 4 oktober 2016. De verhoren hebben plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat te Tilburg en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een drietal vonnissen:

- II K 643/06: een vonnis van the District court of Jastrzębie Zdrój (Polen) van 14 maart 2007 waarin de opgeëiste persoon tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden is veroordeeld, welke straf nog volledig openstaat;

- II K 631/05: een vonnis van 26 september 2006 van the District court of Jastrzebie Zdroj (Polen) waarin de opgeëiste persoon tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden is veroordeeld, welke straf nog volledig openstaat;

- II K 1612/10: een vonnis van the District Court of Jastrzębie Zdrój (Polen) waarin de opgeëiste persoon tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden is veroordeeld, welke straf nog volledig openstaat;

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bovengenoemde vrijheidsstraffen de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Ontvankelijkheid van de vordering inzake II K 1612/10

Ter zitting van 27 september 2016 heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard voor zover de vordering ex artikel 23 OLW ziet op het in het EAB genoemde vonnis met procedurenummer II K 1612/10, nu de rechtbank de overlevering voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis bij uitspraak van 28 december 2012 al had toegewezen.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW inzake II K 631/05

Het EAB vermeldt ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 631/05 dat de opgeëiste persoon “did not appear in person at the trial resulting in the decision” en dat “the person was not summoned in person.”

De opgeëiste persoon heeft in zijn verklaring, zoals weergegeven in het proces-verbaal van verhoor door de officier van justitie van 1 augustus 2016, medegedeeld dat hij wel bij de zitting in deze zaak aanwezig is geweest. Dit is in tegenspraak met bovengenoemde informatie. De opgeëiste persoon heeft zijn verklaring van 1 augustus 2016 bovendien later weersproken. De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid van hetgeen in het EAB is vermeld.

Uit de verklaringen van de opgeëiste persoon en ook uit de overige inhoud van het dossier blijkt voorts niet dat het vonnis aan de opgeëiste persoon is betekend en hij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder c OLW.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis in de zin van artikel 12 OLW, terwijl bovendien een garantie tot een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d OLW ontbreekt.

De overlevering ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de zaak met procedurenummer II K 631/05, dient daarom te worden geweigerd.

6 Strafbaarheid van het feit in de zaak met procedurenummer II K 643/06

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De raadsman heeft betoogd dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7 OLW. De raadsman heeft erop gewezen dat het de strekking van dit artikel is om overlevering voor bagatelfeiten te voorkomen. De minister van Justitie bij brief van 13 oktober 2015 dit uitgangspunt nogmaals herhaald in reactie op de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 september 2015 (ECLI:EU:C:2015:634). Daarbij heeft de minister opgemerkt dat hij het een positief effect vindt dat deze beschikking ertoe zal leiden dat gedeeltelijke weigering van de overlevering niet meer nodig is wanneer enkele feiten die in het EAB genoemd zijn niet aan de door Nederland gestelde eis van een maximumstraf van ten minste 12 maanden voldoen. De raadsman stelt dat deze stelling van de minister à contrario betekent dat wanneer het enkel om bagatelfeiten gaat, zoals in onderhavig geval, voor deze feiten de overlevering zou moeten worden geweigerd.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt het betoog van de raadsman geen steun in voornoemde beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zoals de rechtbank heeft overwogen bij uitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7460) kan artikel 7 OLW kaderbesluitconform aldus worden uitgelegd dat in geval van executieoverlevering de enige vereisten zijn dat een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd en dat het feit in Nederland strafbaar moet zijn. Een stelling van de minister kan hier niet aan afdoen.

Het feit in de zaak met procedurenummer II K 643/06, voldoet daarom aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Het verweer moet worden verworpen.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, in samenhang met artikel 6, tweede lid, OLW

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon, zoals deze zelf heeft verklaard, al sinds oktober 2009 rechtmatig als EU-burger in Nederland verblijft, dat hij de officier van justitie een nog geldende arbeidsovereenkomst heeft getoond en dat hij in Nederland met zijn partner samenwoont. De opgeëiste persoon moet daarom worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid OLW en de overlevering dient daarom te worden geweigerd, aldus de raadsman.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer moet worden verworpen. Op basis van het dossier kan niet worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven, noch dat dit verblijf gedurende die vijf jaar rechtmatig is geweest. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit een en ander zou kunnen blijken.

8 Artikel 6 EVRM

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, nu er sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe heeft de raadsman gewezen op het rapport “2015 Country Report on Human Rights Practices – Poland” van het United States Department of State, waaruit kan worden afgeleid dat het ten tijde van de za(a)k(en) waarvoor overlevering wordt verzocht eerder uitzondering dan regel was dat, voor zover een verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor toegang had tot een advocaat, dit slechts in aanwezigheid van een politieagent gebeurde.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu door of namens de opgeëiste persoon onvoldoende concrete, op hemzelf betrekking hebbende, feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht om te kunnen concluderen dat hij geen eerlijk proces heeft gehad.

9 Detentieomstandigheden

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat er mogelijk sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de Poolse gevangenissen. De raadsman heeft hierbij verwezen naar het eerdergenoemde rapport van het United States Department of State, waaruit blijkt dat de afmetingen van de cellen de nog altijd niet de Europese norm halen, dat de eerste negen maanden van het jaar 61 gevangenen zijn overleden en 17 gevangenen suïcide hebben gepleegd.

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 mei 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:3081) op het standpunt gesteld dat in Poolse gevangenissen geen sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In de hiervoor genoemde uitspraak van 24 mei 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Uit het rapport van het US State Department waarnaar de raadsman heeft verwezen kan evenmin worden afgeleid dat daarvan sprake is. De algemene conclusie in dit rapport luidt: “Prison and detention center conditions were adequate.”

Voor zover de raadsman heeft beoogd te betogen dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling vanwege zijn medische situatie, overweegt de rechtbank dat dit verweer niet kan slagen, reeds omdat hij zijn medische situatie onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de enkele foto waarop te zien is dat de opgeëiste persoon recentelijk op de intensive care heeft gelegen, volgt niet wat de exacte ernst van de gezondheidssituatie was en hoe deze nu is.

10 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB, voor zover dit ziet op de vordering tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de zaak met procedurenummer II K 643/06, voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

11 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6 7 en 12 OLW.

12 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, voor zover dit ziet op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de zaak met procedurenummer II K 1612/10;

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de zaak met procedurenummer II K 631/05.

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Gliwice (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in de zaak met procedurenummer II K 643/06, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en I.V. Ottens, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. A.T.P. van Munster en J.B.C. van der Veer, griffiers,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2016.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.