Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6767

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
13/751189-16
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB België, detentieomstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751189-16

RK-nummer: 16/2458

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 april 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2016 door de Onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Mechelen (België), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 juni 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie bij de Belgische justitiële autoriteiten op te vragen in verband met de detentieomstandigheden aldaar.

In de uitspraak van 23 juni 2016 met betrekking tot de Belgische detentieomstandigheden (ECLI:NL:RBAMS:2016:3943) heeft de rechtbank geoordeeld dat het, gelet op de garantie van de Belgische Federale autoriteiten dat opgeëiste personen na overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een EAB gedetineerd worden in een inrichting die gevrijwaard blijven van de toenmalige cipierstakingen, niet aannemelijk is dat er sprake zal zijn van een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie.

De vordering is vervolgens weer behandeld op de openbare zitting van 29 september 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. A. Oswald.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen op grond van artikel 22, vierde lid, van de OLW voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege de aanhouding van de behandeling niet in is geslaagd binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel bij verstek van 13 maart 2016 van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Mechelen (België).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des konings te Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft bij brief van 13 mei 2016 op verzoek van de officier van justitie de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 § 3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] .

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in ene lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Na de terugkeer kan de Belgische vrijheidsbenemende straf of maatregel worden aangepast.”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

De officier van justitie heeft op de zitting van 9 juni 2016 overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    In België is het onderzoek aangevangen;

  • -

    In België bevindt zich het bewijsmateriaal;

  • -

    De Belgische rechtsorde is met name geschaad aangezien de kwekerijen op Belgisch grondgebied stonden.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Evenredigheid

8.1.

standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd of dat deze voor een periode van ongeveer drie maanden aangehouden zou moeten worden omdat de overlevering in het geval van de opgeëiste persoon onevenredig zwaar is. Het belang van de opgeëiste persoon dient in verband met zijn medische situatie te prevaleren boven het belang van België om hem overgeleverd te krijgen. De opgeëiste persoon heeft in zijn nek aan beide kanten een grote tumor, het syndroom glomus caroticum. Hij ondervindt hiervan veel hinder en pijn. De tumor aan de linkerzijde moet operatief verwijderd worden. Het is echter een zeer riskante operatie die alleen door een gespecialiseerde chirurg uitgevoerd kan worden in Leiden of Rotterdam. Op 11 oktober 2016 hoort hij van de professor die hem behandelt wanneer de operatie zal plaatsvinden. Daarna zal er gerevalideerd moeten worden.

8.2

standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet kan slagen.

8.3.

Oordeel rechtbank

In lijn met eerdere uitspraken van de rechtbank dient voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de Overleveringswet en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de Overleveringswet is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.

Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen (zie bijv. Rb. Amsterdam 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203).

Van zulke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken.

Op grond van artikel 35, derde lid, van de OLW, kan de officier van justitie - onverminderd de mogelijkheid voor de opgeëiste persoon om tegen de feitelijke overlevering in kort geding op te komen - de overlevering bij wijze van uitzondering achterwege laten zolang er ernstige humanitaire redenen zijn die aan de feitelijke overlevering in de weg staan.

De medische situatie van de opgeëiste persoon kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering, maar kan een rol spelen bij de afweging of feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. Die afweging, als bedoeld in artikel 35 van de OLW, is opgedragen aan de officier van justitie. De rechtbank vertrouwt erop dat de officier van justitie, zoals toegezegd ter zitting, op gepaste wijze van haar bevoegdheid gebruik zal maken.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5 en 7, van de OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] ,

aan de Onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Mechelen (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. Woerdman, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.