Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6753

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
13/751602-16
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen, detentieomstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751602-16 (EAB II)

RK-nummer: 16/5235

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 augustus 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2016 (ontvangen op 3 augustus 2016) door the Prosecutor’s General Office of the Republic of Latvia (Letland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] (Letland),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans op grond van EAB I gedetineerd in het Huis van Bewaring te [plaats detentie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 september 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. P.R. de Korte, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Russische taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision of the Liepāja Court of 16 March 2016 by which a restraint measure – arrest was applied to [opgeëiste persoon] reference 11261107214.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan één naar het recht van Letland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsman heeft gesteld dat de officier van justitie heeft nagelaten om van de autoriteiten van Letland informatie te verkrijgen over de termijnen en de toepassing van de voorlopige hechtenis aldaar. Het is ook niet bekend of er in Letland een effectief rechtsmiddel openstaat tegen de voortduring van de voorlopige hechtenis. Het EAB is daarom niet genoegzaam en subsidiair zullen er nadere vragen moeten worden gesteld.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB de voor artikel 2 van de OLW vereiste gegevens bevat en dat er op grond van het binnen Europa geldende vertrouwensbeginsel op moet worden vertrouwd dat er in Letland voldoende en adequate rechtswaarborgen tegen de toepassingen en het voortduren van de voorlopige hechtenis aanwezig zijn.

De beantwoording van de door de raadsman opgeworpen vragen zijn voor de vraag of het EAB voldoet aan de vereisten van artikel 2 van de OLW verder niet relevant. De rechtbank verwijst voor het overige naar paragraaf 5 van de deze uitspraak.

4 Strafbaarheid, feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5 Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen - primair verzocht de overlevering te weigeren nu er een gegrond vermoeden bestaat dat de overlevering zal leiden tot een flagrante schending van de in het EVRM vastgelegde rechten van de opgeëiste persoon. Er bestaat een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling gelet op de medische toestand van de opgeëiste persoon, hij heeft hepatitis C, en de erbarmelijke medische uitrusting van en in de Letse gevangenissen.

De raadsman heeft hiertoe verwezen naar de rapporten van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van 27 augustus 2013 en 11 maart 2014. Hieruit volgt dat er bij het CPT al jaren grote zorgen bestaan met betrekking tot de medische zorg. Het kan de verdediging niet worden tegengeworpen dat er nog geen recentere aanbevelingen zijn.

De slechte medische omstandigheden blijken ook uit andere publicaties, waaronder Infections widespread in Latvia’s Prisons (internetartikel van www.lsm.lv van 12 oktober 2015) en een rapport van European Prison Observatory, Prison Conditions in Latvia van september 2013.

Uit de publicaties blijkt dat de tekortkomingen structureel van aard zijn.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden om de Letse autoriteiten alle noodzakelijke gegevens te laten verstrekken met betrekking tot de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon en om duidelijkheid te verschaffen omtrent het verloop van de voorlopige hechtenis.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de raadsman geen bewijzen heeft aangevoerd voor een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Letland in het algemeen. De medische situatie kan in het kader van artikel 35 van de OLW aan de orde komen. De officier van justitie heeft verder verwezen naar de uitspraak van de broer van de opgeëiste persoon van 13 september 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:6014) die ook aan hepatitis C lijdt.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Onder verwijzing naar haar uitspraken van 2 augustus 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:4857) en 13 september 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:6014) is de rechtbank van oordeel dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Letland niet blijkt van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De door de raadsman aangehaalde gegevens – waaronder de CPT-rapporten en Infections widespread in Latvia’s Prisons (internetartikel van www.lsm.lv van 12 oktober 2015) en een rapport van European Prison Observatory, Prison Conditions in Latvia – bevatten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Letland die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen.

De omstandigheid dat uit het artikel van de Letse radio van 12 oktober 2015, afgezien van de vraag of dit een onafhankelijke bron is, zou blijken dat diverse infectieziekten in de gevangenissen in Letland wijdverspreid zijn, doet aan het voorgaande niet af omdat de opgeëiste persoon reeds is besmet met hepatitis C. Ook heeft de opgeëiste persoon niet onderbouwd dat hij in Letland om politieke redenen gevaar loopt en daardoor niet de bescherming van de autoriteiten kan inroepen.

Ook hetgeen de raadsman met betrekking tot de duur en toepassing van de voorlopige hechtenis heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere oordeel. De raadsman heeft met zijn verweer onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waarop een gegrond vermoeden kan worden gebaseerd dat inwilliging van het overleveringsverzoek zou leiden tot de flagrante schending als hierboven bedoeld, ten aanzien van déze opgeëiste persoon. Letland is partij bij het EVRM en kent het individueel klachtrecht. Dat voor de opgeëiste persoon geen 'effective remedy' zou openstaan als bedoeld in artikel 13 van het EVRM, is niet gebleken.

De rechtbank overweegt verder dat de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon een rol speelt bij de beslissing over een eventueel uitstel van de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW. Deze beslissing is voorbehouden aan de officier van justitie.

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding van de behandeling van het EAB af en verwerpt het verweer.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Prosecutor’s General Office of the Republic of Latvia ten behoeve van het in Letland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. Woerdman, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2016.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

B