Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6739

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
13/669013-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij met dodelijke afloop. De rechtbank is op grond van onder andere camerabeelden en gevonden DNA-sporen op de kleding en tas van verdachte en op een uit het water opgedregd mes van oordeel dat verdachte het slachtoffer heeft neergestoken, waardoor deze is overleden. Een alternatief scenario dat de gevonden sporen kan verklaren is niet aannemelijk. Dit levert geen moord maar wel doodslag op. Uit psychologisch en psychiatrisch onderzoek blijkt dat verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank beschouwt hem sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 279 dagen (gelijk aan het voorarrest) en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669013-16 (Promis)

Datum uitspraak: 24 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ingeschreven op het adres [adres] te [plaats 1] ,

gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum [naam] te [plaats 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 april 2016, 21 juli 2016 en 10 oktober 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A.M. Wijffels en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. Berndsen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] één- of meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of de rug, althans in het (boven)lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord en tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De verdachte en het slachtoffer hangen op de avond van 18 januari 2016 beiden rond in Amsterdam in de omgeving van het Centraal Station. Zij hebben aanvankelijk geen contact met elkaar, maar treffen elkaar ’s avonds iets na half elf in de buurt van het Centraal Station, waarbij zij even contact met elkaar maken. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte kort achter het slachtoffer loopt en zijn arm omhoog brengt. Dat is het moment dat de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn rug steekt. Het slachtoffer draait zich vervolgens om en dan steekt verdachte hem met een mes in zijn borst. Het slachtoffer rent weg, zakt in elkaar en overlijdt korte tijd later. Verdachte keert zich direct na het incident om en rent weg richting Park Plaza Victoria Hotel, in de richting van de Prins Hendrikkade. Enkele momenten later komt hij teruglopen, waarna hij een McDonalds inloopt, waar hij verklaart dat er “iets is gebeurd bij het Centraal Station”. Vervolgens gaat hij weer terug naar de plaats delict en loopt daarna weg.

De verdachte heeft het slachtoffer tot tweemaal toe met kracht gestoken, waarbij vaststaat dat de steekwond in de borst de linkerhartkamer heeft doorboord. Hierdoor is functieverlies en bloedverlies opgetreden als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Door met een mes, dat op 27 januari 2016 in het water bij de Prins Hendrikkade is gevonden tussen de fundering van de brug en de kade en waarvan het lemmet 12,7 cm lang was, in de borst en de rug van het slachtoffer te steken, is naar uiterlijke verschijningsvormen de aanmerkelijk kans op de dood van het slachtoffer aanvaard. Er is dan ook sprake van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer.

De officier van justitie acht redengevend voor haar bewijsconstructie dat de verdachte door verbalisant [naam verbalisant] , die ten tijde van het feit op enkele meters afstand stond, is herkend bij een confrontatie op het politiebureau. Op de plastic tas met het opschrift Lidl die de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich droeg, is bloed van het slachtoffer aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de kleding die verdachte droeg ten tijde van zijn aanhouding. Op het heft van het mes is DNA van verdachte aangetroffen, en op het lemmet van het mes DNA van het slachtoffer.

Alle bewijsmiddelen in onderling verband bezien acht de officier van justitie de ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft hiertoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent het slachtoffer om het leven te hebben gebracht. Ten aanzien van het impliciet primair ten laste gelegde, is de raadsman van mening dat het dossier geen enkele indicatie bevat voor voorbedachte raad.

Ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag, is de raadsman van mening dat de camerabeelden te onduidelijk zijn om redengevend te zijn voor het bewijs. Er is geen duidelijke armbeweging op de beelden waar te nemen, en indien er een armbeweging wordt waargenomen, kan niet worden vastgesteld dat dit een steekbeweging is. Voor zover dat wel wordt aangenomen betreft het een steekbeweging naar de rug waaruit volgens de verdediging, en ondersteund door jurisprudentie (Hof Amsterdam 2 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1650), niet zonder meer (voorwaardelijk) opzet op de dood kan worden afgeleid. Op grond van een steekbeweging in de rug kan tevens geen causaal verband tussen de dodelijk verwonding in de borst en een handeling van verdachte worden aangetoond.

A priori is overigens daderschap van verdachte sowieso onwaarschijnlijk, nu verdachte en het slachtoffer elkaar niet kenden en er op de beelden geen escalatie is waar te nemen. Voorts is sprake van een alternatief scenario dat aan de overtuiging in de weg staat. Het bewijs sluit immers niet uit dat verdachte getuige is geweest in plaats van dader. Wellicht heeft hij het mes uit het slachtoffer getrokken en zich vervolgens in een opwelling van het mes ontdaan. Verdachte zelf verklaart dat hij de jas en tas die hij droeg pas voorafgaand aan zijn aanhouding heeft gevonden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Partiële vrijspraak van de impliciet ten laste gelegde moord

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord. Uit het dossier is onvoldoende gebleken dat sprake was van een van tevoren opgevat plan om het slachtoffer van het leven te beroven of dat verdachte de tijd had zich te beraden over zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsmiddelen, die in bijlage I van dit vonnis zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De rechtbank overweegt hierover het volgende.


Betrokkenheid verdachte

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte vast kan worden gesteld dat hij op 18 januari 2016 omstreeks 20:06 uur een proces-verbaal heeft ontvangen vanwege het doelloos rondhangen op Amsterdam Centraal Station. De bekeurde man heeft zich immers geïdentificeerd met een document waarop de volgende persoonsgegevens stonden beschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983. De camerabeelden van voornoemde bekeuring zijn opgevraagd en hierop is te zien hoe verdachte gekleed was en dat hij in het bezit was van een plastic tas van supermarktketen Lidl. De op genoemde camerabeelden waarneembare kleding en de plastic tas droeg verdachte ook ten tijde van zijn aanhouding op 19 januari 2016.

Naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer zijn camerabeelden opgevraagd van meerdere beveiligingscamera’s in de omgeving waar de verdachte en het slachtoffer zich gedurende de avond van 18 januari 2016 hebben bevonden. Zowel het slachtoffer als de verdachte zijn op verschillende tijdstippen op verschillende beveiligingscamera’s te zien. Hiervan is een video-compilatie gemaakt, die ter zitting is vertoond en waarvan zich een beschrijving in het dossier bevindt. De rechtbank is van oordeel dat er gezien het onderlinge verband tussen de beelden en mede gezien de andere bevindingen van verbalisanten vanuit kan worden gegaan dat de in deze videocompilatie als verdachte en slachtoffer aangeduide personen inderdaad de verdachte en het slachtoffer zijn.

Uit deze videocompilatie blijkt het volgende. Omstreeks 22:33 uur treffen verdachte en het slachtoffer elkaar op de hoek van de Prins Hendrikkade en het Damrak, waarbij verdachte vlak achter het slachtoffer loopt. Direct na dit contactmoment is op de beelden waar te nemen dat het slachtoffer met versnelde pas en slingerend richting het Centraal Station loopt en enkele meters later op de grond valt. De verdachte rent weg van het slachtoffer en steekt de kruising van de Prins Hendrikkade en het Damrak over, in de richting van de Nieuwebrugsteeg. Zestien seconden later keert verdachte terug in beeld en loopt terug naar voornoemde kruising. Gedurende zijn oversteek van het Damrak is ten slotte op de camerabeelden te zien dat verdachte met zijn rechterhand in zijn jaszak loopt.

In de gracht op de hoek van het Damrak en de Prins Hendrikkade is op 27 januari 2016 door de politie een mes in het water aangetroffen. Alhoewel het steekincident zelf op de beelden niet goed is waar te nemen, is uit de camerabeelden voorafgaand aan het contactmoment tussen verdachte en slachtoffer geen afwijkend gedrag te zien bij het slachtoffer. Dat is daarna anders: het slachtoffer gaat rennen en valt na korte tijd hevig bloedend op straat en blijkt later twee verwondingen te hebben die duiden op penetrerend letsel door een scherp voorwerp. Het slachtoffer overlijdt omstreeks 23:10 uur. Ook verdachte gedraagt zich na het contactmoment opvallend door ineens de andere kant op te lopen en later te rennen. Daarbij gaat hij kort in de richting van de plaats waar later een mes is aangetroffen, waarop zowel zijn DNA als het DNA van het slachtoffer zit. De rechtbank stelt op basis van het pathologisch rapport van 26 april 2016 vast dat het slachtoffer op gewelddadige wijze, ten gevolge van een steekverwonding in de borst, is overleden. Op zowel het aangetroffen mes als de kleding en plastic tas die verdachte gedurende zijn aanhouding droeg, zijn DNA-sporen van het slachtoffer aangetroffen. Het lemmet van het mes bevat een DNA-spoor waarbij de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek meer dan 1.000.000 keer waarschijnlijker zijn als hypothese 1a waar is (bemonstering bevat celmateriaal van [slachtoffer] ) dan als hypothese 1b waar is (bemonstering bevat celmateriaal van een willekeurige andere persoon). Het heft van het mes bevat een DNA-mengspoor waarbij de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek meer dan 1.000.000 keer waarschijnlijker zijn als hypothese 1a waar is (bemonstering bevat celmateriaal van verdachte [verdachte] en minimaal één ander persoon) dan als hypothese 1b waar is (bemonstering bevat celmateriaal van twee willekeurige andere personen). Op de plastic tas die bij verdachte is aangetroffen, alsmede op zijn broek en jas zijn bloedsporen aangetroffen waarvan de matchkans met het DNA-profiel van het slachtoffer kleiner is dan één op één miljard.

Alternatieve scenario’s

Het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario dat hij de tas en kleding met het daarop aangetroffen bloed van het slachtoffer pas op 19 januari 2016 heeft gevonden, is volgens de rechtbank in strijd met hetgeen reeds is overwogen. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de verdachte op 18 januari 2016 om 20:06 uur is bekeurd en daarbij al in het bezit was van de bewuste plastic tas van supermarktketen Lidl en al de kleding droeg die hij ten tijde van zijn aanhouding op 19 januari 2016 ook aan had.

Het door de raadsman naar voren gebrachte alternatieve scenario dat verdachte wellicht getuige is geweest van het geweldsincident, en vervolgens, toen hij hulp wilde bieden, in een opwelling het mes uit het slachtoffer heeft getrokken en zich daar in alle paniek van heeft ontdaan, is onvoldoende onderbouwd en onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt voorts op dat de verdachte ter terechtzitting op vragen van de rechtbank heeft ontkend de persoon op de camerabeelden te zijn, en derhalve zijn aanwezigheid op de plaats delict heeft ontkend. Dit is in tegenspraak met het alternatieve scenario zoals door de raadsman naar voren gebracht.

Voorwaardelijk opzet

Vast staat dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van massaal bloedverlies als gevolg van een steekverwonding in de borst. Door met een scherp voorwerp te steken in de linkerzijde van de borst, gelet op de kwetsbare en vitale organen die zich in dat deel van het menselijk lichaam bevinden, waaronder het hart en de longen, heeft verdachte op zijn minst welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Het handelen van verdachte was naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het gevolg dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden, dat verdachte dit gevolg bewust heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen.


Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die op 18 januari 2016 rond 22:33 uur het slachtoffer [slachtoffer] heeft gestoken met een mes, ten gevolge waarvan hij is overleden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 18 januari 2016 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes in de borst en de rug gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte – gelet op het advies van de deskundigen – in zeker mate ontoerekeningsvatbaar is, waaruit a contrario voortvloeit dat verdachte in zeker mate toerekeningsvatbaar en derhalve strafbaar is.

De raadsman bepleit – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen – dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het feit niet aan cliënt kan worden toegerekend vanwege een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, hetgeen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid leidt. De raadsman voert aan dat de deskundigen niet expliciet tot de conclusie van ontoerekeningsvatbaarheid komen, maar dat hun rapportages die conclusie ook niet uitsluiten. Schizofrenie van het paranoïde type leidt er vrijwel altijd toe dat geconcludeerd wordt tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid, ook wanneer deskundigen geen preciezer oordeel kunnen geven dan verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdediging verwijst daarvoor naar de in de pleitnota opgenomen jurisprudentie. Zowel de psycholoog als de psychiater geven in soortgelijke bewoordingen aan dat de psychische problematiek van verdachte doorwerking had op het gedrag van verdachte en dat hij niet in staat lijkt te kunnen worden geacht om zijn wil geheel in vrijheid te bepalen. De invloed van de stoornis op het gedrag van verdachte is nog aannemelijker nu een hoge mate van waanstress aannemelijk is en dat dat blijkens wetenschappelijke inzichten bijdraagt aan geweld. Verdachte kan derhalve geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitiarapportage (psychiatrisch onderzoek), opgesteld door drs. [naam psychiater 1] , psychiater, onder supervisie van drs. [naam psychiater 2] , psychiater, van 13 april 2016. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:


De medewerking van betrokkene is beperkt geweest. Betrokkene lijdt aan een paranoïde psychose, hoogstwaarschijnlijk in het kader van schizofrenie. Er is waarschijnlijk sprake van misbruik van verschillende drugs en alcohol en secundair antisociaal gedrag. Betrokkene lijdt vermoedelijk al jaren aan een ernstige chronische paranoïde psychose. In de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde feit waant hij te worden belaagd door onbekenden en vreest te zullen worden vermoord. Hij hoort stemmen en gebruikt middelen die de psychose kunnen verscherpen. Betrokkene ontkent consistent iets met het ten laste gelegde te maken te hebben. Het is daarom niet mogelijk een direct causaal verband te schetsen tussen de bij hem vastgestelde voorlopige diagnose en het ten laste gelegde. Het is evenwel onwaarschijnlijk dat het gedrag van betrokkene bij de totstandkoming van het ten laste gelegde niet in enige mate beïnvloed werd door de ernstige en lang bestaande psychotische toestand waarin hij verkeerde. In welke mate zijn psychotische toestand hem heeft gehinderd bij het bepalen van en handelen naar zijn vrije wil is niet aan te geven. Heruit volgt het advies om betrokkene het ten laste gelegde, indien bewezen, niet volledig toe te rekenen. Het floride paranoïde psychotisch beeld dat bij betrokkene gepaard gaat met doodsangsten is een belangrijke risicofactor die acuut gevaar kan geven. Het klinische risicoprofiel is ongunstig en ook toekomstgerelateerde risicofactoren laten een ongunstig beeld zien. Er lijkt enig besef van ziekte te bestaan, maar inzicht ontbreekt volledig.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitiarapportage (psychologisch onderzoek), opgesteld door mr. drs. [naam psycholoog] , psycholoog, van 12 april 2016. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de vorm van schizofrenie van het paranoïde type en van misbruik van diverse middelen. Er is bij betrokkene sprake van een ernstige psychiatrische stoornis waarvan ook sprake lijkt te zijn geweest ten tijde van het ten laste gelegde. De dagen voor het ten laste gelegde was hij waarschijnlijk psychotisch, gezien het feit dat hij diverse meldingen heeft gedaan dat hij dacht vermoord te zullen worden en tijdens het onderzoek kwamen deze wanen terug. Er lijkt dus sprake van een langdurig (chronisch) psychotische episode. Het is aannemelijk dat de geconstateerde psychische problematiek heeft doorgewerkt op het gedrag van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde. De mate hiervan valt echter niet te bepalen. Betrokkene moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid in te kunnen zien, echter is hij niet in staat om zijn wil geheel in vrijheid te bepalen. De rechtbank wordt geadviseerd om betrokkene in zekere mate verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De exacte mate hiervan is niet te bepalen. De kans op herhaling wordt vanuit psychopathologisch perspectief als verhoogd ingeschat.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de gedragsdeskundigen een deugdelijk gemotiveerde beschrijving hebben gegeven van de problematiek van verdachte. De rechtbank stelt vast dat de deskundigen geen mate van (on)toerekeningsvatbaarheid hebben aangegeven. De rechtbank neemt het oordeel van de deskundigen over en maakt dat tot het hare. De rechtbank zal op basis daarvan een oordeel geven over de mate van toerekenbaarheid van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verdachte sprake van een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het paranoïde type, en misbruik van middelen. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte psychotisch, hetgeen heeft geleid tot wanen en angsten van verdachte dat hij werd gevolgd en vermoord zou worden. Dit vindt steun in het dossier, nu verdachte zich meermalen bij de politie en een ziekenhuis heeft gemeld met een dergelijke boodschap. Volgens de deskundigen is voorts sprake van een langdurige (chronische) psychotische episode. De rechtbank is op grond van deze bevindingen van oordeel dat de stoornis het gedrag en handelen van de verdachte in dusdanige mate heeft beïnvloed, dat er sprake was van een zeer geringe mogelijkheid om zijn handelen naar vrije wil te kunnen bepalen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest, en dat verdachte tevens de maatregel tot tbs met dwangverpleging wordt opgelegd.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van het beslag gevorderd conform de door haar overgelegde en aan het dossier toegevoegde beslaglijst (bijlage II).

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat enkel een maatregel dient te worden opgelegd, en in het geval toch wordt overgegaan tot een strafoplegging, deze zich dient te beperken tot de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Ten aanzien van het beslag heeft de verdediging geen standpunt naar voren gebracht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen oplegging van straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.3.1

Motivering van de straf

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer op de openbare weg met een mes in de borst en rug te steken. De aanleiding van het handelen van verdachte is tot nog toe onbekend gebleven. Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie misdrijven die de wet kent. De verdachte heeft het slachtoffer immers het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Diens familie en vrienden is daarmee onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. Door zijn handelen draagt verdachte tevens bij aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid, temeer nu het delict heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte. Van de directe gevolgen van het feit zijn dan ook meerdere omstanders getuige geweest.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 september 2016 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte zich eerder heeft schuldig gemaakt aan enkele strafbare feiten, maar deze zijn van een geheel andere aard dan het onderhavige feit.

De rechtbank acht in de onderhavige zaak in beginsel een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Nu verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht en het belang van een spoedige behandeling zeer groot is, zal de rechtbank bij de strafoplegging afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest opleggen.

8.3.2

Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht geslagen op de eerder genoemde rapporten van psycholoog [naam psycholoog] en psychiater [naam psychiater 1] van respectievelijk 12 april 2016 en 13 april 2016. Daaruit blijkt dat verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens zoals hiervoor onder 7 vermeld, en dat er ten tijde van het ten laste gelegde een causaal verband bestond tussen de psychotische stoornis en het door verdachte gepleegde strafbare feit.

In de voornoemde rapporten komt naar voren dat de kans op recidive vooral wordt bepaald door de hevige doodsangst die verdachte ervaart door de wanen die uit zijn psychose voortkomen. Betrokkene kan hierdoor aangezet worden zich – desnoods met geweld – te verdedigen. De verdachte bevestigt dit beeld door ter terechtzitting te verklaren dat hij nog altijd angst heeft dat hij vermoord zal worden. Andere risicofactoren die in de rapportages naar voren komen zijn het middelengebruik en een bij verdachte ontwikkelde copingstijl die anti-sociaal gedrag heeft aangewakkerd, welk gedrag tot conflicten kan leiden. Verdachte zal langdurig klinisch psychiatrisch behandeld moeten worden. De behandeling dient zich te richten op de schizofrenie van het paranoïde type en het middelengebruik. Verdachte dient ingesteld te worden op medicatie en moeten leren omgaan met de beperkingen van zijn stoornis, waarbij voorts aandacht besteed zal worden aan cognitieve en sociotherapeutische modules. Gelet op het onvoorspelbare gedrag dient een behandeling in een goed beveiligde setting plaats te vinden. De deskundigen achten een TBS-maatregel met bevel tot verpleging de meest aangewezen reactie.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de inhoud van voornoemde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat verdachte thans onmiskenbaar een gevaar vormt voor de veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornissen noodzakelijk en vereist is om herhaling van ernstige geweldsdelicten te voorkomen. De rechtbank acht het dan ook onverantwoord om verdachte zonder behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.

Gelet op de inhoud van de rapportages van de psycholoog en de psychiater heeft de rechtbank geen vertrouwen dat verdachte kan worden behandeld binnen een kader met een voorwaardelijk karakter, noch in het kader van een deels voorwaardelijke straf met een fors aantal maanden gevangenisstraf boven het hoofd, noch in het kader van TBS met voorwaarden. Daarom zal de rechtbank de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking gesteld te worden en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het bewezen geachte feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

8.3.3

Beslag

De rechtbank stelt – met uitzondering van de hieronder genoemde voorwerpen – vast dat er ten aanzien van de ter terechtzitting door de officier van justitie overgelegde en aan het dossier toegevoegde beslaglijst geen verdere beslissingen van de rechtbank vereist zijn.

Onttrekking aan het verkeer

Het volgende voorwerp is in beslag genomen:

- 1.00 STK Mes Le Chef, beslagnummer [nummer]

Nu dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf, terwijl het kan dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en van zodanige aard kan zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

Teruggave aan verdachte

De volgende voorwerpen zijn in beslag genomen en worden aan verdachte teruggeven:

- 1.00 STK Jas, beslagnummer [nummer] ;
- 1.00 STK Blauw Poloshirt, beslagnummer [nummer] ;
- 1.00 STK Blauw shirt, beslagnummer [nummer] ;

- 1.00 PR Schoenen, beslagnummer [nummer] ;

- 1.00 STK Broek, beslagnummer [nummer] .

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38e en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart de impliciet primair ten laste gelegde moord niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 279 (tweehonderd negenenzeventig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1.00 STK Mes Le Chef, beslagnummer [nummer] .

Gelast de teruggave aan J.P. Kaminski van:

- 1.00 STK Jas, beslagnummer [nummer] ;
- 1.00 STK Blauw Poloshirt, beslagnummer [nummer] ;
- 1.00 STK Blauw shirt, beslagnummer [nummer] ;

- 1.00 PR Schoenen, beslagnummer [nummer] ;

- 1.00 STK Broek, beslagnummer [nummer] .

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2016.

De jongste en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.