Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6694

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
KG ZA 16-1174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Festival op ADM-terrein mag doorgaan. Eigenaar terrein in de gegeven omstandigheden geen redelijk belang bij het op de valreep niet verlenen van zijn toestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/15

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/616309 / KG ZA 16-1174 MvdV/MB

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHIDDA VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMSTELIMMO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen bij dagvaarding op verkorte termijn van 4 oktober 2016,

advocaat mr. A.J. Bakhuijsen te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING ADM LEEFT,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mrs. M.F. van Hulst en J. Rutteman te Utrecht.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 5 oktober 2016 hebben eiseressen, hierna Chidda c.s., gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde, hierna ADM Leeft, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is meteen na de behandeling ter terechtzitting mondeling de beslissing gegeven en (samengevat) de daaraan ten grondslag liggende motivering meegedeeld. Het hierna volgende is de schriftelijke vastlegging daarvan en is afgegeven op 19 oktober 2016.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van Chidda c.s.: [naam 1] , [naam 2] en mr. Bakhuijsen;

aan de zijde van ADM Leeft: [naam 3] , [naam 4] ,

[naam 5] , [naam 6] en mrs. Van Hulst en Rutteman.

2. De feiten

2.1.

Chidda c.s. is eigenaar van het Complex Westhaven aan de Hornweg te Amsterdam, ook wel bekend als het ADM terrein (hierna het terrein). Het terrein is sinds 1997, zonder toestemming van de eigenaar, in gebruik bij bewoners en bedrijfjes. Een van de gebruikers is thans ADM Leeft.

2.2.

Chidda c.s. is voornemens een scheepswerf te realiseren op het terrein en heeft reeds diverse gerechtelijke ontruimingsprocedures tegen de gebruikers aangespannen, tot nu toe (voor haar) zonder succes.

2.3.

ADM Leeft is van plan om op het terrein een festival te organiseren van

6 tot 10 oktober 2016 (hierna: het evenement), waarbij onder meer muziekoptredens en theatervoorstellingen op het programma staan. In het verleden hebben reeds 18 van dergelijke evenementen plaatsgevonden op het terrein.

2.4.

Bij besluit verzonden op 22 september 2016, heeft de burgemeester van Amsterdam aan ADM Leeft een vergunning verleend voor het houden van het evenement. Bij de aandachtspunten vermeld bij de vergunning staat onder meer:

Deze evenementenvergunning is geen toestemming van de grondeigenaar

om het evenement te houden. Zo nodig dient u hiervoor een overeenkomst met de grondeigenaar af te sluiten.” Op het aanvraagformulier voor de vergunning heeft ADM Leeft vermeld dat het evenement zal plaatsvinden ‘op eigen terrein’.

2.5.

Chidda c.s. had aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening en bij de bestuursrechter (bij wijze van voorlopige voorziening) schorsing gevraagd van het besluit, maar heeft dat verzoek inmiddels ingetrokken.

2.6.

Onder de gedingstukken (productie 12 ADM Leeft) bevindt zich een offerte/dekkingsbevestiging van een door ADM Leeft ten behoeve van het evenement aangevraagde verzekering. Daarin is bij het aantal bezoekers vermeld: 2.000.

3 Het geschil

3.1.

Chidda vordert dat het ADM Leeft op straffe van verbeurte van dwangsommen met onmiddellijke ingang wordt verboden om gebruik te maken van de evenementenvergunning c.q. het terrein te gebruiken voor het evenement, met veroordeling van ADM Leeft in de proceskosten.

3.2.

ADM Leeft voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat ADM Leeft het terrein zonder toestemming van Chidda c.s. in gebruik heeft en dat Chidda c.s. aan het evenement geen medewerking wenst te verlenen.

4.2.

Voorop staat dat een eigenaar in beginsel niet hoeft toe te staan dat inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsrecht. Uitgangspunt is dus dat een eigenaar van een terrein niet hoeft te dulden dat derden op dat terrein zonder zijn toestemming een evenement organiseren. Het eigendomsrecht is echter niet absoluut. Dit betekent dat een eigenaar zich niet onder alle omstandigheden tegen een inbreuk op zijn recht kan verzetten. Hij moet daarbij wel een redelijk belang hebben. Het ontbreken daarvan kan ertoe leiden dat sprake is van misbruik van recht.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat al 18 keer een soortgelijk evenement is georganiseerd op het terrein en dat Chidda c.s. zich daartegen niet of nauwelijks heeft verzet, met uitzondering van vorig jaar. Verder staat vast dat ADM Leeft over een vergunning beschikt om het evenement te organiseren, waarbij aspecten van openbare orde en veiligheid zijn afgewogen en dat Chidda c.s. zelf het terrein thans niet in gebruik heeft.

4.4.

Verder heeft ADM Leeft onweersproken gesteld dat zij al een bedrag van

€ 50.000,- heeft geïnvesteerd in de organisatie van het evenement, dat een verzekering is afgesloten, dat er al veel kaarten zijn gekocht, dat artiesten zijn gecontracteerd en al op het terrein zijn aangekomen.

4.5.

Ter toelichting op het belang dat Chidda c.s. stelt te hebben bij het niet doorgaan van het evenement, heeft zij zich beroepen op een aantal punten.

Ten eerste heeft zij gesteld dat sprake is van grote risico’s, zoals bijvoorbeeld brandgevaar, nu het evenement niet alleen buiten, maar ook binnen zal plaatsvinden en er veel bezoekers zullen zijn. Chidda c.s. zou als eigenaar van het terrein een (onverzekerbaar) risico lopen aansprakelijk te worden gesteld voor mogelijke schade aan personen en eigendommen van derden.

Ten tweede zou op plekken van het terrein asbest aanwezig zijn, wat ook riskante situaties voor bezoekers zou kunnen opleveren.

Ten derde zou het festival schade kunnen toebrengen aan de aanwezige fauna en flora op het terrein, zoals de rugstreeppad, de dwergvleermuis, de rietorchis en de moeraswespenorchis.

4.6.

Met betrekking tot de belangen van Chidda wordt het volgende overwogen.

De risicoaansprakelijkheid waarop Chidda c.s. doelt is de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel richt zich echter op de bezitter van de opstallen. In dit geval is onvoldoende aannemelijk dat Chidda c.s. als zodanig zal worden aangemerkt, nu zij geen toestemming voor de ingebruikname van de grond en de opstallen heeft verleend, integendeel zich daartegen op alle manieren heeft verzet. Onder die omstandigheden is niet goed denkbaar dat Chidda c.s. aansprakelijk zou zijn voor schade aan derden voortvloeiend uit het evenement.

4.7.

De overige veiligheidsrisico’s worden geacht voldoende te zijn afgedekt door de toetsing voorafgaand aan de verleende vergunning. Hetgeen Chidda c.s. nog heeft aangevoerd over mogelijk brandgevaar en risico’s in verband met asbest geeft geen aanleiding daarover anders te oordelen, aangezien Chidda c.s. tegenover de betwisting daarvan door ADM Leeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat de festivalactiviteiten ook binnen zullen plaatsvinden en omdat voor het terrein een ‘asbestbeheersplan’ is opgesteld, zodat geen sprake is van onaanvaardbare risico’s op dat punt. ADM Leeft heeft terecht aangevoerd dat als er een reëel gevaar voor asbestverspreiding zou zijn, er vermoedelijk geen vergunning voor het houden van het evenement zou zijn verleend.

4.8.

Het belang van Chidda c.s. bij de naleving van fauna- en florabeschermende maatregelen lijkt in het licht van eerder door haar ondernomen acties (met name bomenkap tijdens het broedseizoen) weinig geloofwaardig. Zij heeft zich in het verleden weinig gelegen laten liggen aan het welbevinden van de rugstreeppad, de dwergvleermuis en de vogels zodat haar bezorgdheid op dit punt thans niet aannemelijk voorkomt. Daar komt bij dat in het huidige jaargetijde geen sprake is van een broedseizoen of van andere gronden die extra alertheid op dit punt zouden vereisen. Voorts heeft ADM Leeft onweersproken gesteld dat het leefgebied van de rugstreeppad zich met name bevindt op een deel van het terrein waarop het evenement zich niet afspeelt en dat de vleermuizen vooral huizen in de loods, die ook niet voor het festival wordt gebruikt.

4.9.

Gelet op het voorgaande lijkt Chidda c.s. dan ook geen redelijk belang te hebben bij het te elfder ure afgelasten van het evenement.

4.10.

De belangen van ADM Leeft bij het doorgaan daarvan daarentegen, zijn aanzienlijk, nu zij omvangrijke investeringen heeft gepleegd, veel kaarten al zijn verkocht en artiesten al zijn gecontracteerd en/of zich reeds op het terrein bevinden.

4.11.

Tot slot weegt mee dat Chidda c.s. al geruime tijd ( ADM Leeft heeft onweersproken gesteld: sinds 16 september 2016) op de hoogte was van het op handen zijnde evenement en dus eerder actie had kunnen ondernemen, terwijl ADM Leeft er in dit late stadium niet op bedacht behoefde te zijn dat Chidda c.s. het evenement niet zou willen gedogen.

4.12.

Het voorgaande brengt mee dat voorshands wordt geoordeeld dat Chidda c.s., gelet op de belangen van ADM Leeft, misbruik maakt van haar rechten als eigenaar door zich in dit stadium tegen het houden van het evenement te verzetten.

4.13.

De gevraagde voorzieningen zullen dan ook worden geweigerd, met veroordeling van Chidda c.s., als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van ADM Leeft.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt Chidda c.s. in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van ADM Leeft begroot op:

– € 619,- € 619,- aan griffierecht en

– € 619,- € 816,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.1

1 type: MB coll: SvE