Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6673

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
C/13/614774 / KG ZA 16-1061 CB/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KG, Vordering ontruiming woning ex-partner afgewezen. Vordering medehuur in bodemprocedure na beëindiging samenwoning zonder instemming hoofdhuurder niet bij voorbaat kansloos. Belang zoon van partijen wordt meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/614774 / KG ZA 16-1061 CB/MB

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 13 september 2016,

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. T.M. van Angeren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 21 september 2016 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [gedaagde] heeft zijn standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren partijen en hun raadslieden aanwezig, alsmede [naam 2]

[naam 2] , tolk in de Engelse taal, ten behoeve van [eiseres] .

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad met elkaar. Uit deze relatie is op

[datum] een zoon geboren, genaamd [naam 1] . Partijen woonden samen in de woning aan de [straat] te ( [plaats] ) (hierna: de woning). [eiseres] huurt de woning van de Stichting Ymere. [eiseres] is samen met [naam 1] op het adres van de woning ingeschreven sinds 19 juli 2011, [gedaagde] sinds 23 november 2012.

2.2.

Bij beschikking van 18 januari 2016 is [naam 1] onder toezicht gesteld van JBRA (Jeugdbescherming Regio Amsterdam) voor de duur van zes maanden.

2.3.

Onder de gedingstukken (productie 3 van [gedaagde] ) bevinden zich de ‘Uitkomsten aanvullend kinderbeschermingsonderzoek’ van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 30 mei 2016. Hierin staat onder meer:

Positief is dat ouders de hulp van JBRA en Samen Doen lijken te accepteren. Er zijn positieve ontwikkelingen: moeder krijgt een andere woning (ze zegt zich nu vanaf 1 februari 2016 uit te schrijven bij vader en [naam 1] ), [naam 1] woont nu samen met zijn vader die hoofopvoeder is (…).

De kinderrechter benoemt 18 januari 2016 dat er de komende tijd gewerkt dient te worden aan de doelen die in het raadsrapport van 29 december 2015 zijn opgenomen, te weten:

“- Voortgezet dient te worden dat vader voor [naam 1] zorgt, en moeder in een andere woning verblijft.

(…)

- [naam 1] heeft een duidelijke omgangsregeling met moeder, waarbij hij moeder op vaste dagen en –tijden ziet. [naam 1] en moeder hebben frequent contact met elkaar, waarbij moeder tijd vrijmaakt voor [naam 1] .

(…)

- Bij ouders is overmatig middelengebruik niet aan de orde.

(…”

Dit rapport dient samen gelezen te worden met het kinderbeschermingsonderzoek d.d. 29 december 2015.

(…)

Moeder heeft sinds 10 mei 2016 een full time baan en een eigen huis. Het enige probleem is nog het huurcontract.

(…)

Moeder is tevreden met hoe het contact tussen moeder en [naam 1] verloopt.

(…)

Moeder is ook tevreden met hoe de communicatie met vader verloopt sinds januari 2016. (…)

[naam 1] vindt het vanaf januari 2016 goed gaan. Sindsdien is het rustiger in huis, omdat er thuis niet meer geschreeuwd wordt en er geen ruzies meer zijn. [naam 1] denkt dat dit komt doordat moeder niet meer thuis woont. (…) [naam 1] is tevreden over het contact met moeder sinds januari 2016. (…) Hij vindt het altijd leuk om moeder te zien. (…)

Sinds januari 2016 gaat het op school hetzelfde als voorheen. Hij doet nog steeds zijn best en hij leert goed. (…) [naam 1] schat in dat de leraren ook zouden zeggen dat het goed met [naam 1] gaat. (…)

Conclusie

Het is positief dat vader nog steeds voor [naam 1] zorgt, terwijl moeder elders verblijft, waardoor er thuis minder spanningen zijn. Dit leidt tot meer rust bij [naam 1] .”

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 juli 2016 is de ondertoezichtstelling van [naam 1] verlengd tot 18 januari 2017. Daaraan ligt onder meer de volgende overweging ten grondslag:

“(..…) blijkt dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige [naam 1] . (…) [naam 1] wordt al langere tijd geconfronteerd met spanningen en ruzies tussen de ouders. (…) De huurwoning kan niet worden overgeschreven op naam van de vader, de huidige hoofdverzorger van [naam 1] . Mocht de vader de woning verlaten, zodat de moeder wel in de huurwoning kan blijven, dan krijgt [naam 1] mogelijk een andere hoofdverzorger. (…) De ouders dienen mee te werken met de hulpverlening en de GI (Gecertificeerde Instelling, in dit geval JBRA, vzr.) dient daarbij sturend op te treden.”

2.5.

[eiseres] is momenteel gedurende 42 uur per week werkzaam in de horeca, [gedaagde] is huisman en verzorgt [naam 1] met wie hij thans (alleen) in de woning woont. [naam 1] zit in groep 8 van de basisschool.

2.6.

Bij brief van 27 juni 2016 heeft Ymere aan [eiseres] meegedeeld geconstateerd te hebben dat zij niet meer in de woning verblijft en haar verzocht de huurovereenkomst op te zeggen en de woning leeg op te leveren, uiterlijk op

30 november 2016.

2.7.

Bij brief van 14 juli 2016 heeft de raadsman van [eiseres] aan [gedaagde] verzocht om afspraken te maken over zijn vertrek uit de woning, aangezien hij geen huurrechten heeft. In deze brief staat onder meer: “Zoals u weet is door de Raad voor de Kinderbescherming het advies gegeven dat het voor de ontwikkeling van [naam 1] van belang is dat u en mevrouw [eiseres] niet langer samenwonen.”

2.8.

Bij brief van 2 augustus 2016 heeft Ymere aan [gedaagde] onder meer het volgende meegedeeld:

Ymere geeft geen toestemming voor medehuurderschap.

Op 28 april 2016 zijn mevrouw [eiseres] en u voor een gesprek op kantoor geweest. Mevrouw [eiseres] had een brief bij zich waarin zij vraagt om medehuurderschap voor u. Uit eerdere gesprekken met [eiseres] en andere partijen, zoals Jeugdbescherming en Samen Doen, blijkt niet dat u en [eiseres] het plan hebben daar samen te wonen.”

2.9.

Op 22 augustus 2016 heeft Ymere [eiseres] gedagvaard in een procedure bij de kantonrechter van deze rechtbank en ontbinding gevorderd van de huurovereen-komst en ontruiming van de woning, vanwege een huurachterstand. Volgens de dagvaarding bedroeg de achterstand (de huur tot en met augustus 2016) inclusief kosten op dat moment € 2.429,17.

2.10.

Op 12 september 2016 heeft [gedaagde] Ymere gedagvaard in een bodemprocedure bij deze rechtbank en gevorderd dat de kantonrechter zal bepalen dat [gedaagde] medehuurder, althans huurder zal worden van de woning, althans dat het Ymere zal worden verboden om enige ontruimingshandeling jegens [gedaagde] en [naam 1] te verrichten alvorens hij (zij) beschikt (beschikken) over vervangende huisvesting.

2.11.

Bij brief van 13 september 2016 heeft [naam 3] van Maatschappelijke opvang De Cocon te Hilversum bevestigd dat [eiseres] aldaar sinds 6 september 2016 in de daklozenopvang verblijft.

2.12.

In een verslag van JRA van 15 september 2016 staat onder meer:

In ons uitvoerdersoverleg van 31 augustus heeft moeder ( [eiseres] , vzr.) aangegeven dat zij het voor [naam 1] het beste vindt dat vader voor hem blijft zorgen en opvoeden.”

2.13.

Bij brief van 19 september 2016 heeft de raadsvrouw van Ymere aan de raadsman van [eiseres] meegedeeld dat Ymere zich op het standpunt stelt dat het medehuurderschap van [gedaagde] uitsluitend is aangevraagd om hem de mogelijkheid te geven de woning te huren en dat Ymere daaraan niet zal meewerken. In de brief is vermeld dat [gedaagde] de stelling dat hij gelijktijdig met [eiseres] de woning heeft betrokken, niet heeft onderbouwd. In de brief staat verder onder meer:

De heer [gedaagde] stelt dat [eiseres] niet meer op de woning woonachtig is, echter dit is noodgedwongen, zo meent Ymere, gelet op de verstoorde relatie tussen mevrouw [eiseres] en de heer [gedaagde] . Ymere stelt zich dan ook op het standpunt dat mevrouw [eiseres] haar intrek weer moet nemen in de door haar gehuurde woning (…) zodra dit voor haar mogelijk is, gelet op de relationele problemen met de heer [gedaagde].”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat, [gedaagde] , op straffe van een dwangsommen, te bevelen om de woning binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis te ontruimen en te verlaten en ontruimd te houden. Daarnaast vordert [eiseres] om te bepalen dat het vonnis tot een jaar na de dag waarop het wordt uitgesproken of bekrachtigd ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de woning bevindt. Tot slot vordert [eiseres] dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Een vordering tot ontruiming van een woning kan in kort geding alleen worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure deze ook toewijst en van de eisende partij niet kan worden gevergd om de uitkomst van zodanige procedure af te wachten.

4.2.

In dit geval betreft de ontruimingsvordering de woning waarin partijen met elkaar hebben samengewoond, vergelijkbaar met een voormalige echtelijke woning. Partijen en ook de hulpverlenende instanties zijn het erover eens dat voortzetting van de samenwoning niet in het belang is van hun zoon [naam 1] . Partijen hebben ook beiden te kennen gegeven dat de belangen van [naam 1] , waarop elk van hen zich (mede) heeft beroepen ter ondersteuning van het eigen standpunt, zwaar moeten wegen en dat zijn welbevinden gebaat is bij rust en stabiliteit in de thuissituatie.

4.3.

Over de feitelijke gang van zaken rond hun voormalige samenwoning hebben partijen ieder een andere lezing. Volgens [eiseres] huurde zij de woning aanvankelijk alleen en is [gedaagde] naderhand bij haar ingetrokken. Volgens [gedaagde] is dat onjuist en hebben partijen ook voordat de woning werd betrokken (gedurende een langere periode) samengewoond, maar heeft [gedaagde] zich op verzoek van [eiseres] pas op een later tijdstip op het adres van de woning ingeschreven, om haar moverende redenen. Welk van beide lezingen de juiste is kan vooralsnog niet worden vastgesteld, aangezien dat een nader onderzoek vergt naar de feiten, waarvoor het kort geding zich niet leent. Wat daarvan ook zij, de huidige situatie is dat [gedaagde] al geruime tijd samen met [naam 1] alleen in de woning woont en dat dit, zoals kan worden afgeleid uit de rapportages van de begeleidende instanties, voor [naam 1] de nodige rust heeft gecreëerd. [eiseres] heeft niet betwist dat het met [naam 1] naar omstandigheden goed gaat, met [gedaagde] als hoofdopvoeder en verzorger.

4.4.

[eiseres] heeft zich ter ondersteuning van haar vordering erop beroepen dat de huurovereenkomst op haar naam staat, dat Ymere geen toestemming heeft willen verlenen voor (mede)huurderschap en dat [gedaagde] dan ook uiteindelijk geen enkel recht op de woning zal kunnen doen gelden. Dat zij aanvankelijk heeft willen meewerken aan het medehuurderschap van [gedaagde] is naar haar zeggen uitsluitend voortgekomen uit de opstelling van JBRA, welke instantie haar zou hebben gezegd dat [naam 1] anders uit huis geplaatst zou worden. Inmiddels is dat niet meer aan de orde en heeft [eiseres] , hoewel dat eerst wel het geval leek, geen zicht op andere huisvesting. [eiseres] wil daarom terug naar de woning, waar zij voornemens is samen met [naam 1] te gaan wonen. De stabiliteit in de situatie van [naam 1] is in de optiek van [eiseres] in voldoende mate gewaarborgd, doordat [eiseres] voornemens is minder te gaan werken en [gedaagde] bij de verzorging zal kunnen inschakelen.

Daarnaast heeft [eiseres] verklaard dat haar ouders binnenkort voor enkele maanden vanuit hun woonplaats in Japan naar Nederland zullen komen en ook als oppas/verzorger van [naam 1] zullen kunnen functioneren.

4.5.

[gedaagde] heeft daar tegenin gebracht dat [eiseres] een volledige baan heeft en, in tegenstelling tot [gedaagde] nooit als hoofdverzorger van [naam 1] heeft gefunctioneerd. Ook de gezinsmanager en de Raad zijn volgens [gedaagde] voorstander van een voortzetting van de huidige opvoedsituatie van [naam 1] . Als [gedaagde] de woning zou moeten verlaten zou dat dan ook samen met [naam 1] zijn. [gedaagde] heeft inmiddels een procedure tegen Ymere aangespannen om (mede)huurderschap af te dwingen, die volgens [gedaagde] geenszins kansloos is, terwijl Ymere op haar beurt een ontruimingsprocedure tegen [eiseres] is begonnen vanwege een huurachterstand. In de visie van [gedaagde] zou uiteindelijk de beste oplossing zijn dat hij met [naam 1] in de woning blijft en dat [eiseres] voor zichzelf andere woonruimte zoekt – waar zij ook omgang met [naam 1] zal kunnen hebben –

die zij nu zij weer een volledige baan heeft, ook zal kunnen betalen. Als [eiseres] de woning opgeeft, zal [gedaagde] een uitkering kunnen aanvragen en (met eventuele toeslagen) de woning ook kunnen betalen.

4.6.

Anders dan [eiseres] heeft betoogd, kan niet worden gesteld dat de procedure tot medehuurderschap van [gedaagde] op voorhand als kansloos moet worden bestempeld. Immers, als partijen (duurzaam) hebben samengewoond, brengt de enkele omstandigheid dat deze samenwoning inmiddels is geëindigd niet zonder meer mee dat geen sprake meer is van een gemeenschappelijke huishouding (HR 14-08-2015, ECLI:NL:HR:2015:2193). Ook kan in bijzondere omstandigheden een (hoofd)huurder (eventueel afgedwongen door een rechterlijk oordeel) gehouden zijn om mee te werken aan een verzoek tot medehuur van zijn of haar voormalige partner, ook als de hoofdhuurder de eigen belangen bij voortzetting van de huurovereenkomst daarmee zou schaden. Dit zo zijnde ligt het, mede gelet op de belangen van [naam 1] , niet in de rede om thans op de (mogelijk negatieve) uitkomst van de pas recentelijk aangespannen procedure tot medehuurderschap vooruit te lopen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [naam 1] op basis van de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter zitting vooralsnog het meest gebaat lijkt bij een voortzetting van de huidige situatie, dat wil zeggen met [gedaagde] als hoofdverzorger en opvoeder, en een (ruime) omgangsregeling met [eiseres] . Uit de rapportages komt immers naar voren dat [gedaagde] voldoende tijd en aandacht heeft voor [naam 1] en zich kan richten op de verzorging en opvoeding van [naam 1] hem goed afgaat, terwijl niet is gebleken dat [eiseres] daartoe ook (op dezelfde wijze) in staat is. [eiseres] heeft dat op zichzelf ook niet betwist, sterker nog, lijkt deze opvatting tot voor kort te hebben gedeeld (zoals bijvoorbeeld valt af te leiden uit de bij 2.12 geciteerde rapportage). Verder heeft zij vooralsnog onvoldoende geconcretiseerd hoe de continuïteit in de thuissituatie van [naam 1] zal worden gewaarborgd als hij ineens van hoofdverzorger moet wisselen, en hoe zij deze taak zal combineren met haar baan, ook in het geval zij, zoals zij heeft aangekondigd, 10 uur per week minder zal gaan werken. Haar plannen in dit opzicht zijn tamelijk vaag. Daarnaast heeft zij meegedeeld op dit moment weinig contact met [naam 1] te hebben, omdat de zaken nog niet op orde zijn.

Daar komt bij dat [eiseres] nu zij werkt (financieel) (beter dan [gedaagde] ) in staat moet worden geacht om vervangende woonruimte te vinden en de nijpende huisvestingssituatie (in elk geval tijdelijk) te overbruggen, zodat zij niet (structureel) in de daklozenopvang zal hoeven te verblijven, en dat [gedaagde] een ruime omgangsregeling van [eiseres] met [naam 1] niet in de weg staat. De belangen van [eiseres] bij een zeer snelle ontruiming van [gedaagde] uit de woning zijn dan ook beperkt.

4.7.

Al het voorgaande in aanmerking genomen leidt het voorgaande tot de slotsom dat de door [eiseres] ingediende vordering niet voldoet aan het onder 4.1 genoemde criterium en dus voor afwijzing gereed ligt.

4.8.

Nu partijen ex-partners zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

compenseert de kosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.1

1 type: MB coll: TF