Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6671

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2346
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ntrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht mag niet leiden tot nihilstelling toeslagen.

Uitleg begrip “aansluitend” uit artikel 9 van de Awir. De periode dat eiseres procedeerde over de intrekking van haar verblijfsvergunning dient als aansluitend aan het eerdere rechtmatig verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Awir te worden aangemerkt. Verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2016:969 en ECLI:NL:RBMNE:2016:3303.

Verweerder heeft niet inhoudelijk gereageerd op de stelling van eiseres waarin zij een beroep doet op deze uitspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/2346, AMS 16/4133

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2016 in de zaak tussen

[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. C.J. Forder),

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [betrokkene] ).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget over het jaar 2015 vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 21 augustus 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget opnieuw op nihil vastgesteld.

Bij besluiten van 8 februari 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres deels gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld inhoudelijk te reageren op ter zitting aangevoerde gronden van eiseres.

Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 9 augustus 2016.

Partijen hebben de rechtbank bij brieven van respectievelijk 10 oktober 2016 en 17 oktober 2016 toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Overwegingen

1.1.

Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1962, heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Aan haar is voor de periode van 29 augustus 2013 tot en met 29 augustus 2014 een verblijfsvergunning verstrekt in verband met het feit dat zij aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 25 februari 2015 is de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot 14 augustus 2014. Tevens is haar verzoek om verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen. Bezwaar en beroep van eiseres tegen dit besluit is ongegrond verklaard.

1.2.

In de periode dat eiseres hier legaal verbleef heeft zij zorgtoeslag en kindgebonden budget ontvangen. In de primaire besluiten heeft verweerder deze bij voorschot verstrekte toeslagen op nihil gesteld, omdat eiseres geen rechtmatige verblijfsstatus heeft. Bij het bestreden besluit is verweerder hier deels op teruggekomen.

Eiseres ontving vanaf februari 2015 kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ontving. Haar bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning had schorsende werking van 1 februari 2015 tot en met 31 mei 2015. Daarom heeft eiseres over deze periode wel recht op kindgebonden budget. Geen recht op kindgebonden budget bestaat er voor haar over de periode van 1 juni tot en met 31 december 2015. In verband met de schorsende werking van het bezwaar had eiseres eveneens recht op zorgtoeslag over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015. Van 1 juni tot en met 31 december 2015 heeft zij geen recht op zorgtoeslag.

2.1.

Eiseres heeft in beroep verwezen naar diverse uitspraken. Ter zitting heeft zij een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:969) en de tussenuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3303). In deze zaak ging het om een intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht waardoor een onderbreking in het rechtmatig verblijf is ontstaan die de vreemdeling niet heeft kunnen voorkomen. Met verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 9 van de Awir en de wetsgeschiedenis heeft de Afdeling overwogen dat het begrip “aansluitend” niet zo strikt moet worden opgevat dat de periode waarin de vreemdeling procedeert over de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet als aansluitend aan het eerdere rechtmatige verblijf dient te worden aangemerkt.

Eiseres is van mening dat deze situatie op haar van toepassing is.

2.2.

Verweerder heeft in zijn reactie van 9 augustus 2016 gemeld dat hij geen ander standpunt inneemt dan in de bestreden besluiten is weergegeven. Verweerder is niet nader inhoudelijk op de stelling van eiseres en genoemde uitspraken ingegaan.

Wettelijk kader

3.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

3.2.

De Wet op de zorgtoeslag en de Wet Kindgebonden budget zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1 van de Awir.

3.3.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, heeft, indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) een tegemoetkoming is toegekend, de omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.

3.4.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

3.5.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is.

3.6.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is het eerste lid van overeenkomstige toepassing indien een verblijfsvergunning is ingetrokken of niet verlengd.

3.7.

Ingevolge het derde lid, treden de in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking niet in zolang het beroep van de vreemdeling de werking van de beschikking opschort.

3.8.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Oordeel van de rechtbank

4.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eiseres, onderbouwd met de genoemde uitspraken, pas ter zitting door haar naar voren is gebracht. Met het oog op de goede procesorde heeft de rechtbank daarom verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een inhoudelijke reactie hierop te geven. Verweerder heeft – ondanks dat verweerder daartoe uitdrukkelijk de gelegenheid heeft gekregen – hier geen gebruik van gemaakt. Hetgeen de gemachtigde van verweerder ter zitting over de stelling van eiseres en genoemde uitspraken heeft opgemerkt beoordeelt de rechtbank als onvoldoende onderbouwing en weerlegging van de visie van eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder hetgeen eiseres heeft gesteld en haar beroep op genoemde uitspraken niet, dan wel onvoldoende heeft betwist.

4.2.

Overigens komt de rechtbank tot het oordeel dat het betoog van eiseres slaagt.

Vast staat dat eiseres rechtmatig verblijf had in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 29 augustus 2014. Door middel van het besluit van 25 februari 2015 is haar bekend geworden dat zij vanaf 14 augustus 2014 niet meer legaal hier verbleef. Eiseres heeft hierna bezwaar gemaakt en beroep bij de rechtbank ingesteld. Tevens heeft zij om een voorlopige voorziening verzocht. Op 16 december 2015 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan.

Eiseres had in de periode vanaf het maken van bezwaar (eind maart 2015) tot 16 december 2015 rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

Daarmee is echter nog niet gezegd dat zij ook recht had op toeslagen in de zin van de Wet Awir, aangezien men daarvoor aansluitend aan het rechtmatige verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet moet hebben.

4.3.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 april 2016 overwogen dat van belang is dat de vreemdeling door de intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet in staat is geweest de onderbreking in het rechtmatig verblijf te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor eiseres eveneens geldt. Zij heeft binnen de gestelde termijnen bezwaar en beroep ingediend, waardoor zij weer onder het bepaalde van artikel 8, onderdeel g of h van de Vw 2000 viel. Zoals ook de Afdeling heeft overwogen, is de rechtbank hier van oordeel dat eiseres, door de intrekking met terugwerkende kracht, niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat de zorgtoeslag en het kindgebonden budget gedurende de periode van 14 augustus 2014 tot 25 februari 2015 ten onrechte werden verleend. Feitelijk was dat eiseres immers in die periode niet bekend. Strikte uitleg van het begrip “aansluitend” uit artikel 9 van de Awir zou er dan ook toe leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om de onderbreking van het rechtmatig verblijf op enigerlei wijze te voorkomen. De periode dat eiseres procedeerde over de intrekking van haar verblijfsvergunning dient dan ook als aansluitend aan het eerdere rechtmatige verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Awir te worden aangemerkt. Dit betekent dat eiseres over de periode 14 augustus 2014 tot en met 31 december 2015 recht heeft op zorgtoeslag en kindgebonden budget.

5. Op grond van het bovenstaande slaagt het beroep van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de overige beroepsgronden hier nog inhoudelijk te bespreken.

6. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, aangezien verweerder niet inhoudelijk op de standpunten van eiseres heeft gereageerd. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moeten nemen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.