Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6630

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
C/13/603518 / HA RK 16-81
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijdering registratie bijzonderheidscode 2 in het CKI. Een belangenafweging leidt ertoe dat het verzoek toewijsbaar is. Registratie vond plaats toen al ruim een jaar op de debetstand was afgelost.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 6
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/89
NJF 2017/16

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/603518 / HA RK 16-81

Beschikking van 13 oktober 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. E.B. Schnepper te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoeker] en ING genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 29 februari 2016 ter griffie binnengekomen verzoekschrift, met producties, en het op 2 maart 2016 ter griffie binnengekomen aanvullende verzoekschrift, met producties,

  • -

    de beschikking van 28 april 2016 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het op 25 augustus 2016 ter griffie binnengekomen verweerschrift, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 september 2016.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] heeft een hypothecaire geldlening (hierna: de hypothecaire geldlening) afgesloten bij ING. [verzoeker] had op dat moment geen betaalrekening bij ING. Omdat ING dat eiste, heeft [verzoeker] bij ING een betaalrekening geopend (met contractnummer [rekeningnummer] ) (hierna: de betaalrekening), vanaf welke rekening de maandelijkse hypotheekverplichtingen dienden te worden voldaan.

2.2.

Sinds 2012 waren er betalingsachterstanden op de hypothecaire geldlening en debet standen op de betaalrekening. Op 28 maart 2012 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen ter zake van de debetstand op de betaalrekening. ING heeft [verzoeker] bij brief van 1 mei 2012 gesommeerd tot betaling van de achterstanden op de hypothecaire geldlening en debetstand op de betaalrekening.

2.3.

Op 19 september 2012 is een nieuwe tussen partijen telefonisch besproken betalingsregeling met betrekking tot de hypothecaire geldlening per brief aan [verzoeker] bevestigd.

2.4.

Onder de door ING ingediende stukken bevindt zich een specimen van een brief die ziet op het aanvullen van de debetstand op de betaalrekening binnen tien werkdagen na dagtekening van de brief. Bij de in het geding gebrachte brief is een automatisch aangemaakt verzendbewijs gevoegd waarop onder meer staat ‘Rek. houder: [verzoeker] ’ en ‘Verzonden: 02-10-2014’.

2.5.

ING neemt krachtens artikel 4:32 van de Wet Financieel Toezicht als aanbieder van krediet (verplicht) deel aan de registratie van aan consumenten en zakelijke klanten verstrekte kredieten. De registratie van kredieten wordt uitgevoerd door het Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR). De kredietregistratie in het CKI (Centraal Krediet Informatiesysteem) is neergelegd in het Algemeen Reglement (AR) van het BKR. Artikel 12 van dit Reglement luidt onder meer als volgt:

WELKE BIJZONDERHEDEN WORDEN GEREGISTREERD

1 De zakelijke klant [financiële instelling, rb] meldt de onderstaande feiten

met de daarbij behorende bijzonderheidcode onmiddellijk, maar in ieder

geval binnen 4 weken nadat deze feiten zich hebben voorgedaan, bij BKR:

code 2 de zakelijke klant heeft betaling van het restant van de of de gehele vordering geëist;

code 3 de zakelijke klant heeft een bedrag van € 250,- of meer afgeboekt. (…)

2.6.

Op 20 november 2014 heeft ING wegens de debetstand op de betaalrekening van [verzoeker] bijzonderheidscode 3 laten registreren in het CKI.

2.7.

In januari 2015 heeft [verzoeker] de achterstanden op de hypothecaire lening en de betaalrekening ingelopen. Op 6 januari 2015 heeft [verzoeker] de debetstand op de betaalrekening volledig voldaan.

2.8.

[verzoeker] heeft in kort geding (onder meer) gevorderd ING te veroordelen tot verwijdering van bijzonderheidscode 3 uit het CKI. De dagvaarding van [verzoeker] is op 21 december 2015 betekend aan ING.

2.9.

Op 24 december 2015 heeft ING ten aanzien van de betaalrekening van [verzoeker] bijzonderheidscode 2, met terugwerkende kracht tot 2 oktober 2014, toegevoegd aan de registratie in het CKI.

2.10.

De vordering van [verzoeker] in kort geding is behandeld ter terechtzitting van 29 december 2015 en bij vonnis van 31 december 2015 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is ING onder meer veroordeeld tot verwijdering van bijzonderheidscode 3 uit het CKI.

2.11.

De advocaat van [verzoeker] heeft ING, namens [verzoeker] , bij brief van 13 januari 2016 verzocht de registratie van bijzonderheidscode 2 te verwijderen. Dit verzoek heeft ING op 17 januari 2016 afgewezen.

2.12.

[verzoeker] heeft thans een hypothecaire lening bij een andere kredietverstrekker dan ING. Aan die lening is een rentepercentage van 7,23% gekoppeld.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, ING te bevelen binnen veertien dagen na de uitspraak de bijzonderheidscode 2 van [verzoeker] te (doen/laten) verwijderen uit het CKI, met veroordeling van ING in de proceskosten.

3.2.

Aan het verzoekt legt [verzoeker] , kort weergegeven, ten eerste ten grondslag dat ten onrechte bijzonderheidscode 2 is geregistreerd. De vordering is nimmer opeisbaar geworden. Ten aanzien van de debetstand op de betaalrekening zijn partijen telkens betaalregelingen overeengekomen die [verzoeker] heeft nageleefd. Partijen zijn daarnaast overeengekomen dat eerst de achterstand op de hypothecaire lening zou worden ingelost en daarna de debetstand op de betaalrekening. De verplichtingen uit hoofde van de betaalrekening zouden ‘on hold’ worden gezet. ING heeft daarnaast de vordering nimmer opgeëist. De door ING overgelegde brief d.d. 2 oktober 2014 (zie r.o. 2.4.) heeft [verzoeker] nooit gekregen. [verzoeker] mocht er ook op vertrouwen dat bijzonderheidscode 2 niet zou worden geregistreerd. Ten tijde van de registratie was de achterstand al geruime tijd ingelopen. ING heeft [verzoeker] tijdens het kort geding tussen partijen ook niet gewezen op de registratie van code 2. Ten tweede dient een hernieuwde belangenafweging ertoe te leiden dat de registratie wordt verwijderd. Door de registratie van bijzonderheidscode 2 heeft [verzoeker] de door hem gekochte woning niet bij een reguliere kredietverstrekker kunnen financieren, aldus [verzoeker] .

3.3.

ING voert verweer.

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de vraag of ING terecht gegevens heeft verwerkt in het CKI van het BKR en of ING terecht heeft geweigerd die gegevens (bijzonderheidscode 2) te verwijderen na een daartoe strekkend verzoek van [verzoeker] . De rechtbank stelt voorop dat kredietregistratie van belang is om een maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied te waarborgen. Op de verwerking van persoonsgegevens is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing. De registratie van persoonsgegevens dient met inachtneming van de Wbp op zorgvuldige wijze te geschieden. Beoordeeld dient te worden of de inbreuk op de privacy niet onevenredig is in verhouding tot het met de registratie te dienen doel. Bij deze afweging moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Bij elke gegevensverwerking dient te zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. Hoge Raad 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). De rechtbank volgt derhalve niet het standpunt van ING dat bij de registratie van de bijzonderheidscode geen enkele belangenafweging behoefde te worden gemaakt.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] in gebreke bleef met de betaling van de debetstand op de betaalrekening. [verzoeker] stelt weliswaar dat hij altijd aan zijn verplichtingen heeft voldaan door de met ING overeengekomen betalingsregelingen na te leven, dan wel door een nieuwe afspraak te maken indien hij de betalingsregeling niet meer kon nakomen. [verzoeker] heeft die stelling echter onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling dat de betaalrekening ‘on hold’ zou worden gezet en [verzoeker] in eerste instantie de achterstand op de hypothecaire lening zou inlopen en vervolgens de debetstand op de betaalrekening. [verzoeker] beroept zich op mondeling gemaakte afspraken, echter [verzoeker] heeft niet concreet gemaakt wanneer en met wie hij die afspraken heeft gemaakt. Uit de brieven van ING aan [verzoeker] , zoals de brief van 19 september 2012, kunnen de door [verzoeker] gestelde afspraken evenmin worden afgeleid. In ieder geval staat vast dat de betaalrekening van [verzoeker] op 2 oktober 2014 een debetstand vertoonde van € 4.405,18. [verzoeker] betwist dat hij op 2 oktober 2012 een brief van ING heeft ontvangen gelijkluidend aan het specimen zoals omschreven in r.o. 2.4 en derhalve dat de achterstand toen in zijn geheel is opgeëist. Of [verzoeker] de brief heeft ontvangen, kan bij de nadere beoordeling in het midden blijven. Want ook als de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de brief van 2 oktober 2014 [verzoeker] heeft bereikt en dat ING de achterstand op dat moment heeft opgeëist, dient de vraag te worden beoordeeld of ING in de gegeven omstandigheden, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de registratie van bijzonderheidscode 2 mocht overgaan. En die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Ter toelichting daarvan dient het volgende.

4.3.

De registratie van bijzonderheidscode 2 heeft (met terugwerkende kracht) plaatsgehad op 24 december 2015. Op dat moment was de debetstand op de betaalrekening al bijna een jaar ingelost. Op 6 januari 2015 heeft [verzoeker] immers het restant van de op dat moment openstaande vordering voldaan. Bovendien had de opeising, indien deze inderdaad heeft plaatsgevonden, al ruim voordien plaatsgevonden, namelijk in oktober 2014. ING had derhalve al in oktober 2014 kunnen besluiten over te gaan tot registratie van bijzonderheidscode 2, maar dat heeft zij op dat moment niet gedaan, terwijl ING op grond van artikel 12 van het AR gehouden is dit binnen vier weken daarna te registreren. Hoewel aan de niet-naleving van die termijn geen sanctie is verbonden in het AR, mag van ING in redelijkheid wel worden verwacht dat zij die termijn naleeft en in ieder geval dat zij bij een registratie meer dan een jaar nadat de feiten zich hebben voorgedaan, adequaat kan toelichten waarom zij na verloop van geruime tijd alsnog heeft geregistreerd. Een concrete uitleg van ING op dat punt ontbreekt. Dat ING, zoals zij naar voren heeft gebracht, pas in het kader van de kort geding procedure het dossier van [verzoeker] heeft bekeken en de omissie om bijzonderheidscode 2 te registreren heeft bemerkt, acht de rechtbank niet afdoende. Deze omstandigheid ontslaat ING immers niet van haar verplichting om, voordat zij tot registratie overgaat, alle betrokken belangen (zie r.o. 4.1) in aanmerking te nemen. Aan die belangenafweging mochten in dit geval hoge eisen worden gesteld, gelet op het tijdverloop én in het bijzonder de aflossing van de achterstand.

4.4.

Het vorenstaande klemt temeer nu op 24 december 2015 [verzoeker] ING reeds had gedagvaard in kort geding ter verwijdering van de geregistreerde bijzonderheidscode 3. Op 29 december 2015 vond er een mondelinge behandeling plaats in die procedure. [verzoeker] bestrijdt dat hij toen op de hoogte was van de registratie van bijzonderheidscode 2. ING heeft haar stelling dat [verzoeker] bekend was met de registratie onvoldoende met feiten gestaafd. Dat er, zoals ING heeft aangevoerd, van de zijde van ING tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota in het geding zou zijn gebracht waarin melding is gemaakt van de registratie, heeft [verzoeker] betwist, en heeft ING verder niet onderbouwd. De pleitnota is niet in het geding gebracht. Bovendien kon van ING in alle redelijkheid worden verwacht, juist met het oog op het kort geding, dat zij [verzoeker] nadrukkelijk in kennis zou stellen van de aanvullende registratie. ING was er op dat moment mee bekend dat [verzoeker] opkwam tegen een negatieve registratie - hij vorderde per slot van rekening in rechte verwijdering daarvan - en zij wist dat inmiddels een andere bijzonderheidscode dan die waarover partijen procedeerden, was toegevoegd in het CKI. Het onder die omstandigheden niet (expliciet) richting [verzoeker] of zijn advocaat melden van die toevoeging is een onzorgvuldige handeling die in het kader van de belangenafweging in het nadeel van ING uitvalt. [verzoeker] kon immers dientengevolge zijn eis in het kort geding niet wijzigen en de toegewezen vordering tot verwijdering van bijzonderheidscode 3 werd daarmee in feite een lege huls.

4.5.

De hiervoor genoemde omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank van oordeel is dat de registratie van bijzonderheidscode 2 in dit geval niet in een redelijke verhouding staat tot de nadelige gevolgen van een dergelijke registratie voor [verzoeker] (zie r.o. 2.4). Het verzoek van [verzoeker] is dan ook toewijsbaar.

4.6.

De rechtbank ziet aanleiding ING in de proceskosten te veroordelen. De proceskosten worden tot op heden begroot op € 1.192,00 (griffierecht € 288,00 en salaris advocaat 2 punten × tarief € 452,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt ING om binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking de bijzonderheidscode 2 van [verzoeker] te (doen/laten) verwijderen uit het CKI,

5.2.

veroordeelt ING in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 1.192,00,

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B Brokkaar, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2016.