Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6593

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
C/13/589073 / HA ZA 15-573
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Collectieve actie ten behoeve van aandeelhouders BP na explosie Deepwater Horizon. Rechtsmacht. Erfolgsort. Arresten Kolassa, Universal Music en Nederlandse beleggingsrekeningen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/382
AR 2016/3044
NTHR 2016, afl. 6, p. 320
NTHR 2017, afl. 1, p. 30
JOR 2017/37 met annotatie van mr. L.F.A. Welling-Steffens
OR-Updates.nl 2016-0266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/589073 / HA ZA 15-573

Vonnis in incident van 28 september 2016

in de zaak van

de vereniging

VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. G.F.E. Koster te Den Haag,

tegen

de vennootschap naar Engels recht

BP P.L.C.,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.F.J.A. Leijten te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de VEB en BP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 april 2015;

  • -

    de akte overlegging producties, tevens akte houdende naamswijziging, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, subsidiair verzoek tot aanhouding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid tevens houdende reactie op het (subsidiaire) verzoek tot aanhouding, met producties;

  • -

    de op 30 juni 2016 gehouden pleidooien, het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

De VEB, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, stelt zich statutair ten doel de behartiging van de belangen van effectenbezitters in de ruimste zin van het woord. Dat doel tracht zij ingevolge haar statuten onder meer te verwezenlijken door het – primair ten behoeve van haar leden – instellen van rechtsvorderingen als bedoeld in artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW).

2.2.

BP is een wereldwijd opererend olie- en gasbedrijf. Haar gewone aandelen zijn genoteerd aan de beurzen van Londen (Verenigd Koninkrijk) en Frankfurt (Duitsland). Aan de beurs van New York (Verenigde Staten van Amerika) zijn van de gewone aandelen afgeleide American Depository Shares genoteerd.

2.3.

Op 20 april 2010 heeft zich op het in de Golf van Mexico gelegen, door BP geleasede olieboorplatform Deepwater Horizon een explosie voorgedaan. Daarbij zijn doden en gewonden gevallen en is schade aan het milieu ontstaan.

3 De hoofdzaak

3.1.

De VEB vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad,

( i) voor recht verklaart dat de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht heeft ten aanzien van de schadevergoedingsvorderingen van BP-aandeelhouders die in de periode van 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010 BP-aandelen hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming;

(ii) voor recht verklaart dat deze rechtbank ten aanzien van de schadevergoedings-vorderingen van BP-aandeelhouders die in de periode van 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010 BP-aandelen hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of via een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming, relatief bevoegd is op grond van het feit dat het ruime merendeel van dit aandelenbelang loopt via een in Amsterdam gevestigde beleggingsrekening en/of bank en/of beleggingsonderneming;

(iii) voor recht verklaart dat op de schadevergoedingsvorderingen van BP-aandeelhouders die in de periode van 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010 BP-aandelen hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of een beleggings-rekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming, Nederlands recht van toepassing is;

(iv) voor recht verklaart dat BP jegens de BP-aandeelhouders die in de periode van 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010, althans in een andere in goede justitie te bepalen periode, BP-aandelen hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming, onjuiste, onvolledige en misleidende mededelingen heeft gedaan: (i) over haar veiligheid- en onderhoudsprogramma’s vóór de olieramp op 20 april 2010; en/of (ii) over de omvang van de olieramp op 20 april 2010; en/of (iii) over de rol en verantwoordelijkheid van BP bij de olieramp op 20 april 2010;

( v) voor recht verklaart dat BP onrechtmatig heeft gehandeld jegens de BP-aandeelhouders die in de periode van16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010, althans in een andere in goede justitie te bepalen periode, BP-aandelen hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of via een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming, door in strijd met een wettelijk verbod en de vereiste maatschappelijke zorgvuldigheid onjuiste, onvolledige en misleidende informatie te verspreiden waarop (potentiële) BP-aandeelhouders hun BP-aandelen in voornoemde periode hebben gekocht, aangehouden of verkocht op grond van deze onjuiste, onvolledige en misleidende informatie;

(vi) voor recht verklaart dat de koop of verkoop van BP-aandelen door BP-aandeelhouders bij afwezigheid van het onrechtmatig handelen van BP – te weten: het in strijd met de wet en de vereiste maatschappelijke zorgvuldigheid doen van onjuiste en misleidende mededelingen aan BP-aandeelhouders waardoor de BP-aandeelhouders hun beleggingsbeslissing op basis van onjuiste, onvolledige en misleidende informatie hebben moeten nemen – tegen een gunstiger marktprijs tot stand zou zijn gekomen, dan wel in het geheel niet tot stand zou zijn gekomen;

(vii) voor recht verklaart dat het condicio sine qua non-verband aanwezig is tussen het onrechtmatig handelen van BP – te weten: het in strijd met de wet en de vereiste maatschappelijke zorgvuldigheid doen van onjuiste, onvolledige en misleidende mededelingen – en de daardoor tot stand gekomen (ver)koop(voorwaarden), en de geleden koersschade zoals geleden door BP-aandeelhouders in de periode tussen 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010, althans in een andere in goede justitie te bepalen periode;

met veroordeling van BP in de kosten van het geding.

3.2.

De VEB treedt, zo stelt zij, op de voet van artikel 3:305a BW op ten behoeve van alle personen die in de periode van 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010 gewone aandelen BP hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een beleggingsrekening in Nederland of via een beleggingsrekening van een in Nederland gevestigde bank en/of beleggingsonderneming. Zij stelt dat BP jegens die personen – de overige aandeelhouders en de houders van American Depository Shares behoren niet tot haar doelgroep – onrechtmatig heeft gehandeld door hen onjuist en/of onvolledig, want veel te positief, te informeren over de drie in onderdeel (iv) van het petitum vermelde onderwerpen. Als gevolg daarvan hebben die personen beleggingsbeslissingen genomen die zij bij juiste en volledige informatie niet zouden hebben genomen. Toen de waarheid over de bedoelde onderwerpen aan het licht kwam, daalde de koers van het gewone aandeel BP. Als gevolg daarvan hebben de meergenoemde personen schade geleden. De onderhavige vorderingen strekken ertoe dat die schade (eenvoudiger) op BP kan worden verhaald, aldus steeds de VEB.

4 Het incident

4.1.

BP vordert dat de rechtbank bij vonnis, zoveel als rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van de VEB;

subsidiair de zaak aanhoudt tot in de Amerikaanse Procedures ten gronde is beslist;

met veroordeling van de VEB in de proceskosten.

4.2.

BP stelt voorop dat te dezen van toepassing is de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351 (Herschikte EEX-Verordening). BP legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat de Nederlandse rechter op grond van de Herschikte EEX-Verordening te dezen niet bevoegd is. Zij stelt in het bijzonder dat de Nederlandse rechter te dezen geen bevoegdheid kan ontlenen aan de artikelen 4 en 7 van die verordening. BP legt aan haar subsidiaire vordering ten grondslag dat de rechtbank op grond van artikel 34 lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening de uitspraak dient aan te houden. Zij stelt dat in een aantal procedures voor Amerikaanse gerechten, door haar gezamenlijk aangeduid als de Amerikaanse Procedures, samenhangende vorderingen in de zin van die bepaling aanhangig zijn.

4.3.

De VEB voert zowel tegen de primaire vordering als tegen de subsidiaire vordering verweer.

4.4.

De rechtbank is met BP – en overigens ook de VEB – van oordeel dat de Herschikte EEX-Verordening te dezen van toepassing is.

4.5.

Bij de beoordeling van de primaire vordering stelt de rechtbank voorop dat de considerans bij de Herschikte EEX-Verordening, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder (…).

(16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was (…)”.

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat de Nederlandse rechter te dezen geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 4 lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening. De rechtbank volgt hen hierin. BP heeft immers geen woonplaats, in de zin van die bepaling in verbinding met artikel 63 van de Herschikte EEX-Verordening, in Nederland.

4.7.1.

De VEB voert aan dat de Nederlandse rechter te dezen wel bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 punt 2 van de Herschikte EEX-Verordening.

4.7.2.

De rechtbank overweegt dat op grond van die bepaling een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat – zoals BP – ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad (ook) kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.

4.7.3.

Artikel 7 punt 2 van de Herschikte EEX-Verordening is de opvolger van het gelijkluidende artikel 5 punt 3 van de EEX-Verordening (oud). De considerans van de Herschikte EEX-Verordening vermeldt in dat verband: “De continuïteit tussen het Verdrag van Brussel van 1968, Verordening (EG) nr. 44/2001 (de EEX-Verordening (oud); rechtbank) en deze verordening moet gewaarborgd worden (…). Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het Verdrag van Brussel van 1968 en de verordening ter vervanging daarvan”. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over (de uitleg van) artikel 5 punt 3 van de EEX-Verordening (oud) geldt daarom ook voor (de uitleg van) artikel 7 punt 2 van de Herschikte EEX-Verordening.

4.7.4.

Uit die rechtspraak volgt dat (ook) artikel 7 punt 2 van de Herschikte EEX-Verordening als volgt moet worden uitgelegd. Indien de plaats waar het feit zich heeft voorgedaan en de plaats waar als gevolg van dat feit schade is ontstaan niet samenvallen, is onder “de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” begrepen zowel de in een lidstaat gelegen plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het “Handlungsort”) als de in een andere lidstaat gelegen plaats waar de schade is ingetreden (het “Erfolgsort”).

4.7.5.

Partijen zijn het erover eens dat de Nederlandse rechter te dezen geen bevoegdheid kan ontlenen aan het “Handlungsort”. De rechtbank volgt hen hierin. Gesteld noch gebleken is immers dat zich in Nederland een schadeveroorzakende gebeurtenis heeft voorgedaan in de zin van de hiervoor bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie.

4.7.6.

Resteert het “Erfolgsort”.

4.7.7.

De VEB neemt tot uitgangspunt dat de schade van de personen ten behoeve van wie zij optreedt zuivere vermogensschade is. Zij ziet – zoals ook blijkt uit onderdeel (i) van het petitum in de hoofdzaak – als “Erfolgsort”, de plaats waar die schade intreedt, de plaats waar die – vooral Nederlandse – personen een beleggingsrekening aanhouden. Onder beleggingsrekening verstaat de VEB, naar de rechtbank begrijpt, de op naam van een of meer van die personen staande rekening waarop in de relevante periode aandelen BP waren geadministreerd. BP bestrijdt dat de plaats van de beleggingsrekening als “Erfolgsort” kan gelden.

4.7.8.

De VEB zoekt voor haar standpunt in het bijzonder steun in het op 28 januari 2015 door het Hof van Justitie gewezen arrest in de zaak tussen enerzijds Kolassa en anderzijds Barclays Bank, ECLI:EU:C:2015:37 (hierna: het arrest Kolassa). Volgens BP baat dat arrest de VEB niet, zeker niet na het op 16 juni 2016 door het Hof van Justitie gewezen arrest in de zaak tussen enerzijds Universal Music International Holding en anderzijds Schilling, Schwartz en Brož, ECLI:EU:C:2016:449 (hierna: het arrest Universal Music).

4.7.9.

In dat laatste arrest heeft het Hof van Justitie zich gebogen over de vraag of artikel 5 punt 3 van de EEX-Verordening (oud) (thans artikel 7 punt 2 van de Herschikte EEX-Verordening) aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als in het betrokken hoofdgeding aan de orde, als “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” kan worden aangemerkt de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden, wanneer die schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat.

4.7.10.

Het Hof van Justitie brengt in dat verband allereerst, voor zover hier van belang, het volgende in herinnering.

a. Hoofdstuk II, afdeling 2, van de verordening regelt slechts als afwijking van de algemene regel van artikel 2 lid 1 (artikel 4 lid 1) dat de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft bevoegd verklaart, een aantal bijzondere bevoegdheden, waaronder die van artikel 5 punt 3 (artikel 7 punt 2). Aangezien de bevoegdheid van de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, een bijzonderebevoegdheidsregel vormt, moet er een autonome en strikte uitlegging aan worden gegeven, die niet verder gaat dan de door de verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen (rechtsoverweging 25).

b. Volgens vaste rechtspraak berust de bijzonderebevoegdheidsregel van artikel 5 punt 3 van de verordening op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn (rechtsoverweging 26).

c. Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan normaliter het best in staat om uitspraak te doen, vooral omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker (rechtsoverweging 27).

d. Het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” doelt zowel op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (rechtsoverweging 28).

e. Het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” kan niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt (rechtsoverweging 34).

f. Het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” omvat niet ook de plaats waar de verzoeker woont, waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt, op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit een in een andere lidstaat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen (rechtsoverweging 35).

4.7.11.

Vervolgens staat het Hof van Justitie stil bij het arrest Kolassa. Het maakt over dat arrest de volgende – onmiskenbaar verduidelijkende en beperkende – opmerkingen.

a. “Inderdaad heeft het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 28 januari 2015 (…) vastgesteld dat de gerechten van de woonplaats van de verzoeker uit hoofde van het intreden van de schade bevoegd zijn wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op de bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank” (rechtsoverweging 36).

b. “Zoals de advocaat-generaal in de punten 44 en 45 van zijn conclusie in de onderhavige zaak in wezen heeft opgemerkt, is deze vaststelling evenwel gedaan in het bijzondere kader van de zaak die aanleiding had gegeven tot dat arrest, die werd gekenmerkt door omstandigheden die er tezamen toe strekten deze gerechten bevoegdheid toe te kennen” (rechtsoverweging 37).

4.7.12.

Het Hof van Justitie formuleert tot slot de volgende regels.

a. “Zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de verzoeker kan (…), zonder bijkomende omstandigheden, niet worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt uit hoofde van artikel 5, punt 3 (…)” (rechtsoverweging 38).

b. “Uitsluitend in de situatie waarin de andere bijzondere omstandigheden van de zaak er eveneens toe bijdragen bevoegdheid toe te kennen aan het gerecht van de plaats waar zuiver financiële schade is ingetreden, zou dergelijke schade kunnen rechtvaardigen dat de verzoeker zijn zaak bij dit gerecht aanbrengt” (rechtsoverweging 39).

4.7.13.

Zoals hiervoor onder 4.7.7 reeds is vermeld, noemt de VEB de schade van de personen ten behoeve van wie zij optreedt zuivere vermogensschade. Gesteld noch gebleken is dat zij daarmee iets anders bedoelt dan de zuiver financiële schade waarvan het Hof van Justitie spreekt. Dat betekent dat te dezen de hiervoor onder 4.7.12 weergegeven regels dienen te worden toegepast, die erop neerkomen dat – behoudens andere bijzondere omstandigheden – het intreden van zuiver financiële schade op de bankrekening van de beleggers niet leidt tot rechtsmacht van de rechter van het land van de bankrekening. In dit verband rijst in het bijzonder de vraag of zich te dezen die andere bijzondere omstandigheden voordoen als door het Hof van Justitie in het arrest Universal Music bedoeld.

4.7.14.

Zoals hiervoor onder 4.7.11 reeds is vermeld, heeft het Hof van Justitie in het arrest Universal Music het toepassingsgebied van de in het arrest Kolassa ontwikkelde regel nader geduid en omlijnd. De vaststelling dat de gerechten van de woonplaats van de verzoeker uit hoofde van het intreden van de schade bevoegd zijn wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op de bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank is, zo is in het arrest Universal Music benadrukt, gedaan in het bijzondere kader van de zaak die aanleiding had gegeven tot het arrest Kolassa, die werd gekenmerkt door omstandigheden die er tezamen toe strekten deze gerechten bevoegdheid toe te kennen. Het Hof van Justitie verwijst met instemming naar de punten 44 en 45 van de conclusie van de advocaat-generaal. Die punten luiden als volgt:

“44. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Kolassa (…) had een belegger in zijn eigen land (Oostenrijk) via een bank een welomschreven bedrag belegd. Voor het Hof deed de schade zich voor op de plaats waar de belegger ze ondervond (…), te weten in Oostenrijk. Volgens het Hof was bevoegdheid op grond van artikel 5, punt 3, (…) gegeven (…). 45. Ik denk dat uit deze zaak echter geen algemene regel kan worden afgeleid dat vermogensschade volstaat als aanknopingspunt voor de toepassing van de aangehaalde bepaling. De feiten in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Kolassa waren namelijk van bijzondere aard. De verwerende partij in deze zaak, een Britse bank, had in Oostenrijk een prospectus gepubliceerd over de betrokken financiële certificaten (…) en het was een Oostenrijkse bank die deze certificaten had (door)verkocht”.

4.7.15.

De VEB betoogt dat de bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval gelegen zijn in de beleggingsrekeningen van de personen ten behoeve van wie zij optreedt. Zij voert aan dat op de beleggingsrekeningen de effecten administratief staan bijgeschreven, dat de vermogensschade zich rechtstreeks in de op die rekening aangehouden effecten manifesteert en dat aldus de schade op de beleggings- of effectenrekening wordt geleden (en niet op de achterliggende betaal- of bankrekening van waaruit de aankoopsom van de aandelen in eerste instantie is voldaan). Daarom biedt de plaats van de beleggingsrekening in deze zaak – anders dan mogelijk een gewone bankrekening – wel degelijk aanknopingspunten voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Ook speelt een rol dat BP wereldwijd opereert en haar aandeelhouders daardoor overal zitten en dat de achterban van de VEB in Nederland woont of daar beleggingsrekeningen aanhoudt, aldus steeds de VEB.

4.7.16.

De rechtbank volgt de VEB niet in het standpunt dat die omstandigheden ertoe leiden dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Redengevend is het volgende.

a. Allereerst wordt verwezen naar al hetgeen hiervoor is overwogen over de (achtergronden van de) leer van het “Erfolgsort”. Daaruit volgt dat er niet altijd een ‘Erfolgsort” is, ook niet in de gevallen die op het eerste gezicht wel in die richting (lijken te) wijzen.

b. Het Hof van Justitie verwijst in het arrest Universal Music naar “de bankrekening” zonder meer. Tussen beleggingsrekeningen en betaalrekeningen wordt geen onderscheid gemaakt. Indien dat onderscheid van belang was geweest, zou het Hof van Justitie daarvan, naar mag worden aangenomen, melding hebben gemaakt. Dat geldt eens te meer waar het arrest Kolassa, zoals ook de VEB en BP signaleren, aanleiding heeft gegeven tot vele commentaren, die juist op het onderhavige punt uiteenlopen.

c. Voor een beursgenoteerde uitgevende instelling als BP met een wereldwijd beleggerspubliek is de plaats van de beleggingsrekening onbekend en onvoorspelbaar. Haar aandeelhouders kunnen overal ter wereld wonen en kunnen overal ter wereld beleggingsrekeningen aanhouden. De plaats van de beleggingsrekening is bovendien variabel. De aandelen van een beursgenoteerde uitgevende instelling kunnen immers tijdens beursuren elk moment worden verhandeld.

d. Gesteld noch gebleken is dat BP zich bij de uitgifte van de onderhavige aandelen of in de door de VEB gewraakte informatievoorziening afzonderlijk, laat staan in het bijzonder, heeft gericht tot het Nederlandse en/of het met Nederland verbonden beleggerspubliek. Evenmin is gesteld of gebleken dat BP zich daarbij afzonderlijk, laat staan in het bijzonder, heeft bediend van Nederlandse banken en/of beleggingsondernemingen dan wel banken en/of beleggingsondernemingen die beleggingsrekeningen in Nederland aanbieden.

e. In de huidige opzet van de handel in effecten kan koersschade niet initieel worden verbonden met de plaats waar niet meer gebeurt dan het administreren van de uiteindelijke rechthebbenden en hun directe aanspraken, welke aanspraken inhoudelijk feitelijk elders worden bepaald.

f. Het standpunt van de VEB zou het onwenselijke gevolg hebben dat in zaken als de onderhavige onder de Herschikte EEX-Verordening de rechters van (vrijwel) alle lidstaten bevoegd zijn, met alle complicerende gevolgen van dien. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan litispendentie- en aanhoudingsperikelen.

4.7.17

Het voorgaande betekent dat de door de VEB aangevoerde bijkomende omstandigheden – in afwijking op de hoofdregel uit het arrest Universal Music (zie hiervoor onder 4.7.12. onder a) – er niet toe leiden dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om over de vorderingen van de VEB te oordelen.

4.7.18.

De VEB vraagt nog aandacht voor haar (bijzondere) positie als ‘305a-organisatie’.

4.7.19.

De rechtbank stelt in dat verband voorop dat de VEB in de onderhavige zaak geen schadevergoeding te voldoen in geld kan vorderen (artikel 3:305a lid 3, tweede volzin, BW). Dat gegeven versterkt slechts het hiervoor onder 4.7.17 gegeven afwijzende oordeel. Niet uitgesloten kan worden dat (een deel van) de personen ten behoeve van wie de VEB optreedt individueel bij de Nederlandse rechter terecht zou(den) kunnen. Dat enkele gegeven rechtvaardigt echter niet de gevolgtrekking dat voor de VEB hetzelfde zou (moeten) gelden. Daarmee zou aan de (Europese) Herschikte EEX-Verordening een daarin niet voorziene (Nederlandse) uitbreiding worden gegeven. Dat kan zonder een, vooralsnog ontbrekende, uitdrukkelijke Europese grondslag niet worden aanvaard. De door de VEB nog aangevoerde omstandigheid dat haar uitsluiting zou kunnen betekenen dat de schade van (een deel van) de personen ten behoeve van wie zij optreedt niet zal worden verhaald (bijvoorbeeld vanwege ontoereikende financiële en andere middelen) maakt dat niet anders. Tot slot heeft de VEB zelf onderkend dat, waar de Herschikte EEX-Verordening ook de relatieve bevoegdheid regelt, een collectieve actie als door haar voorgenomen tot complicaties leidt. Beleggingsrekeningen worden immers op meerdere plaatsen in Nederland gehouden. Slotsom is dat de positie van de VEB als ‘305a-organisatie’ niet afdoet aan het hiervoor onder 4.7.17 gegeven oordeel.

5 Het incident en de hoofdzaak

5.1.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het in het incident gevorderde dient te worden toegewezen. De rechtbank zal zich te dezer zake onbevoegd verklaren. Voor het stellen van prejudiciële vragen over de hiervoor behandelde bevoegdheidskwesties aan de Hoge Raad der Nederlanden en/of het Hof van Justitie van de Europese Unie bestaat, anders dan de VEB heeft voorgesteld, geen aanleiding. De overige stellingen en vorderingen behoeven geen behandeling.

4.8.2.

De VEB zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de aan zijde van BP gevallen proceskosten, zowel in de hoofdzaak als in het incident. Deze worden begroot op EUR 613,00 aan griffierecht en EUR 904,00 (twee punten, tarief II) aan salaris advocaat, in totaal EUR 1.517,00. De gevorderde nakosten en wettelijke rente zijn toewijsbaar als hierna onder de beslissing zal worden vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank:

in het incident en in de hoofdzaak:

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van de VEB;

- veroordeelt de VEB in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van BP begroot op EUR 1.5.17,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de VEB in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat (te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening), te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de VEB niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met EUR 68,00 aan salaris advocaat en de kosten van het betekeningsexploot (te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betekening van het vonnis);

- verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het ter zake van de kosten meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. L. Biller en mr. C. Kraak, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2016.