Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6587

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 10295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft een verzoek om wedertoelating tot Nederland. In geschil is de vraag of Nederland het meest aangewezen land (als bedoeld in artikel 3.92 Vb 2000) is. Het verzoek is afkomstig van een Amerikaans echtpaar, van wie de (nu 68-jarige) vrouw voor haar 19e verjaardag minimaal vijf jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarna heeft ze 45 jaar in de Verenigde Staten gewoond. Zij wil nu met haar echtgenoot terugkeren naar Nederland.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in redelijkheid mogen oordelen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de vrouw. De vrouw voerde aan dat familieleden in Nederland en Duitsland wonen en dat haar vader vroeger in het

KNIL heeft gediend. De staatssecretaris heeft daar tegenover kunnen stellen dat de vrouw het grootste deel van haar leven in de VS heeft geleefd en gewerkt, daar kinderen heeft gekregen die in de VS wonen, dat ze de

Amerikaanse nationaliteit heeft en daar in al die jaren een sociaal leven moet hebben opgebouwd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 20
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.92
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/14

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/10295 & 16/10293 (beroepen)

AWB 16/10296 & 16/10294 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 18 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum ] , eiseres en verzoeker, hierna te noemen: eiseres

en

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum ] , eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser,

beiden van Amerikaanse nationaliteit,

samen: eisers

(gemachtigde: mr. J.G. Wattilete),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 19 oktober 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Bij besluit van 4 maart 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 oktober 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij echtgenote” afgewezen. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijke besluiten van 18 april 2016 (bestreden besluiten 1 en 2) ongegrond verklaard.

Op 13 mei 2016 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen. Bij brieven van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzettingen te verbieden totdat op de beroepen is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

AWB 16/10295

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Op grond van artikel 3.92, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000, worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:

  1. voor het negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 heeft gehad en wiens aanvraag is ontvangen voor het negenentwintigste levensjaar, of

  2. voor het negentiende levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, en voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is niet gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor eiseres. Eiseres heeft het grootste deel van haar leven in de Verenigde Staten doorgebracht. Eerst na een verblijf van 45 jaar in de Verenigde Staten heeft eiseres verzocht om wedertoelating. Hiertoe wordt overwogen dat de banden van eiseres met Nederland minder sterk worden geacht dan die met de Verenigde Staten. De omstandigheid dat eiseres nog familie in Nederland heeft wonen, doet hier niet aan af.

4. Het door eiseres ingestelde bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij het primaire besluit ingelast. Voorts heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken dat het vertrek uit Nederland niet berustte op de eigen keuze van eiseres of eiser. Daarbij heeft eiseres niet aangetoond dat zij in de Verenigde Staten geen hulp en steun van familie heeft ten aanzien van de zorg voor eiser, die dementerend is. Eisers hebben meer dan veertig jaar in de Verenigde Staten gewoond, het is niet aannemelijk dat zij daar geen sociale banden hebben opgebouwd. Voorts hebben eisers de banden met Nederland niet nader gespecificeerd. De stelling dat eiseres sterke banden heeft met Nederland vanwege haar Molukse achtergrond, is niet nader gemotiveerd.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres voor haar negentiende verjaardag minimaal vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven. In geschil is de vraag of Nederland het meest aangewezen land is.

5.2.

Eiseres is van mening dat Nederland het meest aangewezen land is en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Sinds haar vertrek uit Nederland is eiseres altijd zeer nauw betrokken gebleven bij Nederland en haar alhier verblijvende familie. Dit blijkt ook uit het feit dat eiseres de taal nog steeds machtig is. Voorts heeft eiseres Nederland bijna jaarlijks bezocht. In de jaren zeventig is eiseres ook voor een aantal jaar teruggekeerd naar Nederland. Daarbij hebben eisers altijd het voornemen gehad om ooit naar Nederland terug te keren. Eiser is als beroepsmilitair in Duitsland gestationeerd geweest. Daarbij woont de dochter van eisers in Duitsland. Hierdoor is het van groot belang dat eisers zich in Nederland kunnen vestigen. Dan kunnen ze immers een intensievere band onderhouden dan vanuit de Verenigde Staten. Verweerder had bij de beoordeling moeten betrekken dat de vader van eiseres en andere familieleden in de KNIL hebben gediend. Voorts heeft eiser als in Duitsland gestationeerde militair bijgedragen aan de veiligheid van Nederland. Dit had bij het besluit betrokken moeten worden.

5.3.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet Nederland het meest aangewezen land is maar de Verenigde Staten. Dat eiseres nog steeds een warme band met Nederland heeft en de taal spreekt, betekent nog niet dat Nederland het meest aangewezen land is. Dat geldt ook voor het feit dat de broers en zussen van eiseres hier wonen en dat zij veel steun aan hen heeft bij de verzorging van eiser. Dat eiseres het grootste deel van haar leven in de Verenigde Staten heeft geleefd, gewerkt en kinderen heeft gekregen, weegt zwaarder dan de warme banden met Nederland en de nabijheid van broers en zussen. Daarbij heeft eiseres de Amerikaanse nationaliteit. Ook acht de rechtbank van belang dat de kinderen van eiseres niet in Nederland wonen maar in de Verenigde Staten en in Duitsland. Verder is het niet goed denkbaar dat eiseres in de VS in al die jaren geen sociaal leven heeft opgebouwd. Dit standpunt is door eiseres ook in het geheel niet onderbouwd en dat geldt ook voor de stelling van eiseres dat zij geen goed contact heeft met haar zoon in de Verenigde Saten en juist wel met de dochter in Duitsland. Nog daargelaten de vraag of verweerder de Molukse achtergrond van eiseres en het KNIL-verleden van haar vader had moeten meewegen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft mogen oordelen dat niet Nederland het meest aangewezen land is, maar de Verenigde Staten.

6.

6.1.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor verblijf op grond van de artikelen 1 en de van de Faciliteitenwet voor Molukkers.

6.2.

Deze grond kan niet slagen aangezien de vraag die in deze procedure voorligt de vraag is of Nederland het meest aangewezen land is. Indien eiseres van mening is dat zij op basis van de Faciliteitenwet voor Molukkers in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning, dient zij een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Hetgeen eiseres inmiddels ook gedaan heeft.

7.

7.1.

Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

7.2.

De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen betrokkene in eerste instantie heeft aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiseres in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen in de primaire beslissing daaromtrent is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiseres kon worden afgezien. De beroepsgrond faalt derhalve.

8. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

AWB 16/10293

9. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenote’.

10. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft immers geen rechtmatig verblijf.

11. De rechtbank overweegt dat eiseres geen verblijfsrecht in Nederland heeft, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.3. Dit betekent dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Nu de gronden die eiser naar voren heeft gebracht dezelfde gronden zijn als de gronden van eiseres, behoeven deze gronden geen aparte bespreking. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierboven is overwogen in de rechtsoverwegingen 5 tot en met 7.

12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

13. De gevraagde voorzieningen strekken er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op de beroepen. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, gelet op het feit dat de rechtbank heden op de beroepen heeft beslist.

Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

14. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van de betaalde griffierechten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 16/10295 en AWB 16/10293

- verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 16/10296 en AWB 16/10294,

- wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JK

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.