Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6573

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
AMS 16/4744
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De intrekking van de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd is niet onevenredig. Het werkzaam hebben van prostituees die nog geen 21 jaar oud zijn, is voldoende voor intrekking en verzoeker heeft drie prostituees jonger dan 21 jaar in zijn bemiddelingsbestand opgenomen. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat verzoeker vorig jaar al is gewaarschuwd in verband met het niet vermelden dat de foto’s op zijn website niet de echte escortdames zijn en hij in december 2015 een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens gebreken in zijn bedrijfsadministratie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was hij dus al een gewaarschuwd man. De stelling dat verzoeker en zijn vrouw voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van het escortbureau weegt niet op tegen het belang van verweerder om de leeftijdsgrens strikt te handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/4744

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Kashyap),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mrs. A. Buijs en [betrokkene]).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de exploitatievergunning van verzoeker voor onbepaalde tijd ingetrokken en verzoeker gelast de exploitatie van zijn onderneming escortbureau [naam bedrijf] binnen twee weken na verzending van het besluit te staken en gestaakt te houden onder aanzegging van een last onder dwangsom van € 50.000,-.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 22 juli 2016 heeft verweerder meegedeeld dat het bestreden besluit vrijwillig wordt geschorst totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts was ter zitting aanwezig A. Stamatiou, als tolk in de Engelse taal.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure – hier de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend voor de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure.

2.1

Verzoeker is eigenaar en exploitant van het escortbureau [naam bedrijf] gevestigd op het adres [adres] te Amsterdam. Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft verzoeker een exploitatievergunning verkregen geldig van 1 september 2014 tot 1 september 2017.

2.2

Op 7 [maand] 2015 heeft verzoeker een waarschuwing gekregen, omdat tijdens een controle was gebleken dat verzoeker een klant tijdens het telefoongesprek niet erop gewezen heeft dat de foto’s van de dames op de websites niet de echte escortdames zijn.

2.3

Bij besluit van 28 december 2015 is aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, omdat tijdens een controle geen volledige inzage gegeven kon worden in de administratie. Alleen van de laatste maand was de administratie aanwezig, terwijl de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voorschrijft dat de administratie van de laatste drie maanden beschikbaar moet zijn. Ook bleek dat een intakeverslag ontbrak en dat geen vervolggesprekken waren gevoerd.

2.4

Op [datum] 2016 heeft het Team mensenhandel van de politie en toezichthouders van de gemeente Amsterdam een controle uitgevoerd. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van [datum] 2016 en twee rapporten van bevindingen Bestuurlijk Team Prostitutie van [datum] 2016.

2.5

Vervolgens heeft verweerder verzoeker op 2 juni 2016 zijn voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de exploitatievergunning onder aanzegging van een last onder dwangsom. Verzoeker heeft zijn zienswijze gegeven. Bij het bestreden besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan zijn voornemen.

2.6

Verweerder stelt zich samengevat op het standpunt dat verzoeker meerdere overtredingen heeft begaan. Verzoeker heeft in zijn escortbedrijf prostituees werkzaam die jonger zijn dan 21 jaar, terwijl hij dient te voorkomen dat er in zijn bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Deze maatregel draagt bij het aan het voorkomen van misstanden, omdat juist jonge vrouwen daarvan vaker slachtoffer zijn. Bovendien is het vanwege de aard van de branche niet wenselijk dat prostituees jonger zijn dan 21 jaar, aldus verweerder. Naast deze overtreding van categorie III, zijn tijdens de controle van [datum] mei 2016 meerdere andere overtredingen van categorie II geconstateerd die verzwarend werken. Verzoeker heeft zijn bedrijfsadministratie niet op orde, de verslagen van vervolggesprekken zijn onvoldoende en tot slot heeft verzoeker zijn eigen bedrijfsplan op meerdere onderdelen niet nageleefd. Verzoeker heeft klanten niet gewezen op het feit dat de foto’s van escortdames op de website niet de echte escortdames betreffen en in strijd met verzoekers bedrijfsplan heeft een chauffeur een relatie met een escortdame. Aangezien hierdoor sprake is van cumulatie van overtredingen en omdat soortgelijke overtredingen ook in 2015 hebben plaatsgevonden heeft verweerder geen vertrouwen meer in verzoeker als exploitant. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat verzoeker op internet actief meisjes werft vanaf achttien jaar. Verweerder overweegt verder dat het (financiële) belang van verzoeker om het escortbedrijf te kunnen blijven exploiteren en daaruit inkomsten te genereren niet opweegt tegenover het algemeen belang van handhaving van de wettelijke regels en bepalingen zoals vervat in het bepaalde bij of krachtens de APV, ter voorkoming van precedentwerking en het tegengaan van een situatie waarbij jonge vrouwen slachtoffer kunnen zijn van misstanden. Verzoeker overtreedt doelbewust de regels en werft actief meisjes vanaf achttien jaar. Van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien of van een onevenredige schending van belangen is niet gebleken, aldus verweerder.

3. In geschil is of verweerder vooralsnog in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de exploitatievergunning van verzoeker voor onbepaalde tijd geheel in te trekken. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de bevoegdheid van verweerder om een exploitatievergunning in te trekken, gelet op de bewoordingen van onder andere artikel 3.44 van de APV, discretionair van aard is, zodat het bestreden besluit terughoudend dient te worden getoetst.

4. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het primaire betoog van verzoeker, dat de hoofdgrondslag van het bestreden besluit is komen te vervallen, omdat naar hij stelt ten tijde van het bestreden besluit geen sprake meer zou zijn van overtredingen, niet slaagt. Er dient immers gekeken te worden naar het feitencomplex ten tijde van de overtreding.

5. Verzoeker voert subsidiair aan dat van het actief werven van en/of het daadwerkelijk aanbieden van dames vanaf achttien jaar geen sprake was. Via de website werden ook niet echt dames van achttien jaar aangeboden, maar de leeftijd is desondanks verhoogd naar 21. Verzoeker voert meer subsidiair aan dat het goed mogelijk is dat ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] (twintig jaar en acht maanden bij intake) voldoen aan de overgangsbepaling. Indien dat niet het geval is, geldt dat de overtredingen hebben plaatsgevonden als gevolg van het feit dat verzoeker in een onjuiste veronderstelling verkeerde over de functie van de Kamer van Koophandel-registratie. Verzoeker is uit het buitenland afkomstig en de Kamer van Koophandel in zijn land van herkomst heeft wel een licentiefunctie.

6.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich vooralsnog terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker prostituees bemiddeld heeft die jonger waren dan 21 jaar en dat om die reden sprake is van een categorie III overtreding. Verzoeker heeft immers op 25 februari 2016 een intakegesprek gehouden met ‘ [naam] geboren op [geboortedatum] 1995 die vervolgens in [maand] en [maand] 2016 voor verzoeker heeft gewerkt. Anders dan verzoeker stelt, voldoet ‘ [naam] niet aan de overgangsbepaling van artikel 3.46a van de APV. ‘ [naam] staat blijkens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel immers sinds [datum] 2016 ingeschreven, en niet al in 2013, ten tijde van de inwerkingtreding nieuwe regels APV. Dat verzoeker in de veronderstelling verkeerde dat een inschrijving bij de Kamer van Koophandel impliceert dat ‘ [naam] aan de overgangsregeling voldoet, omdat de Kamer van Koophandel in de Verenigde Staten wel een licentiefunctie heeft, kan aan het voorgaande niet afdoen. Daargelaten het feit dat deze stelling niet is onderbouwd, kan dit verzoeker niet baten omdat hij eigenaar is van een onderneming in Nederland en hij zich op de hoogte dient te stellen van de regels in Nederland.

6.2

Voorts heeft verzoeker met ‘ [naam] ’, geboren op [geboortedatum] 1996, een intakegesprek gehouden op 2 februari 2016 en met ‘ [naam] ’, geboren op [geboortedatum] 1993, en intakegesprek gehouden op 23 februari 2014. Gelet op de leeftijden van ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’ had verzoeker ook nooit een intake met hen mogen voeren en een bemiddelingsovereenkomst met hen mogen sluiten. Of deze dames al dan niet (meer) werkzaam zijn voor verzoeker is dan ook niet relevant.

6.3

Ook het feit dat volgens verzoeker tijdens de controle in 2015 niets over de drie dames door verweerder is opgemerkt, doet niets af aan de geconstateerde overtreding. Verzoeker heeft immers een eigen verantwoordelijk om zich bewust te zijn van de regels en daar ook naar te handelen. Bovendien kon verweerder in 2015 nog niets over ‘ [naam] en ‘ [naam] ’ opmerken, omdat deze intakegesprekken op respectievelijk 26 en 2 februari 2016 hebben plaatsgevonden.

7.1

Naast deze categorie III overtreding, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich voorts vooralsnog terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzwarend werkt dat verzoeker op [aantal] websites advertenties heeft staan waarvan de dames jonger zouden zijn dan 21 jaar. Voorts werft verzoeker meisjes vanaf achttien jaar op de website www.escortamsterdam24.nl. Dat verweerder dit niet eerder heeft geconstateerd, doet niet af aan het feit dat hij geen meisjes onder de 21 jaar mag werven dan wel mag adverteren met meisjes vanaf achttien jaar. Ter zitting is ook gebleken dat nog niet alle websites aangepast zijn, omdat verweerder een dag voor de zitting nog een vacaturetekst heeft gevonden waarbij dames vanaf achttien jaar worden geworven. Het is de keuze van verzoeker zelf om veel websites te gebruiken en dan is het ook zijn eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat op alle websites de correcte informatie staat vermeld. Met het argument dat verzoeker wellicht een website vergeten is, gaat de voorzieningenrechter dan ook mee.

7.2

Bovendien is in mei 2016 geconstateerd dat niet op alle websites gemeld staat dat de foto’s slechts voorbeelden zijn van prostituees en geen foto’s zijn van de echte escortdames, terwijl verzoeker in april 2015 al een waarschuwing heeft ontvangen en daarbij is gewezen op pagina 8 van zijn eigen bedrijfsplan waar staat dat de modellen te zien op de website niet de echte escorts betreffen doch representatief zijn voor de escorts die hun diensten verlenen via escort Amsterdam 24 en dat dit aan klanten bekend moet worden gemaakt.

7.3

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt ook niet, omdat de sites ‘ [naam site] ’ en ‘ [naam site] ’ waar verzoeker naar heeft verwezen, geen websites zijn die toebehoren aan een in Amsterdam vergund escortbemiddelingsbureau, zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt. Ook de advertenties op Kinky betreft prostitutiebedrijven die buiten Amsterdam zijn gevestigd. Gelet daarop geldt de Amsterdamse APV met de leeftijdsgrens van 21 jaar niet voor deze bedrijven.

7.4

Voorts mocht verweerder zich vooralsnog terecht op het standpunt stellen dat de bedrijfsadministratie van verzoeker niet op orde was. Tijdens de controle zijn weliswaar ter plaatse vervolggesprekken uitgeprint en aan het fysieke dossier gevoegd, maar omdat de dossiers erg rommelig en niet geordend waren en omdat onduidelijk was welke dames wel of niet werkzaam meer waren voor verzoeker, hebben de toezichthouders niet kunnen vaststellen of met het toevoegen van de verslagen de dossiers compleet waren. Ook ontbrak in sommige dossiers de bemiddelingsovereenkomst. Anders dan verzoeker stelt, kan uit de zin op pagina 5 van het bestreden besluit ‘hebben de toezichthouders niet kunnen vaststellen of met het toevoegen van de verslagen uit de computer de dossiers compleet waren’ dan ook niet worden afgeleid dat door verweerder is vastgesteld dat er niets ontbrak. In de zin erna staat immers al dat in sommige dossiers de bemiddelingsovereenkomst ontbrak. Ter zitting is gebleken dat het gaat om het intakeverslag van ‘ [naam] en de bemiddelingsovereenkomst van ‘ [naam] ’.

7.5

Verweerder acht de kwaliteit van de vervolggesprekken ook onvoldoende, omdat daaruit niet duidelijk wordt hoe verzoeker tot de conclusie komt dat de prostituees zelfredzaam zijn en hoe een oordeel wordt gegeven over de mate van vrijwilligheid. Tot slot leeft verzoeker zijn eigen bedrijfsplan niet na, omdat hij een chauffeur in dienst heeft die getrouwd is met een escortdame. Weliswaar heeft verzoeker in de bemiddelingsovereenkomst hieraan aandacht besteed, maar het had op zijn weg gelegen om in dat geval zijn bedrijfsplan aan te passen.

8.1

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder vooralsnog bevoegd was om tot handhaving over te gaan. De intrekking van de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd is ook niet onevenredig. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat verzoeker vorig jaar al is gewaarschuwd in verband met het niet vermelden dat de foto’s op zijn website niet de echte escortdames zijn en hij in december 2015 een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens gebreken in zijn bedrijfsadministratie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was hij dus al een gewaarschuwd man. De stelling dat verzoeker en zijn vrouw voor hun inkomen volledig afhankelijk zijn van het escortbureau weegt niet op tegen het belang van verweerder om de leeftijdsgrens strikt te handhaven. Het werkzaam hebben van prostituees die nog geen 21 jaar oud zijn, is voldoende voor intrekking en verzoeker heeft drie prostituees jonger dan 21 jaar in zijn bemiddelingsbestand opgenomen. Daarmee heeft verzoeker zijn bedrijfsbelang laten prevaleren boven een correcte uitvoering van de leeftijdsregels. Verzoeker heeft ter zitting bovendien zelf opgemerkt dat wereldwijd de leeftijd van meisjes overdreven wordt, in die zin dat ze jonger zouden zijn dan in werkelijkheid. Hieruit blijkt ook niet van een juiste intentie van verzoeker. Bovendien is gebleken dat een dag voor de zitting nog advertenties te vinden waren waarin de leeftijd van achttien jaar en ouder vermeld stonden. De enkele toezegging van verzoeker dat hij, gelet op de taalbarrière, vanaf nu alle post door zijn advocaat laat behandelen is ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, in zijn bedrijfsplan staat immers al dat hij alle correspondentie van de gemeente zal laten vertalen door een vertaalbureau of advocatenkantoor.

8.2

Het voorgaande brengt met zich mee dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand zal houden. Ondanks het financiële belang zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Bruggen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2016.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.