Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6512

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
13/846020-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige visser is veroordeeld tot 180 uur taakstraf voor veroorzaken van een aanvaring met wachtschip Maria, waardoor dit schip is gezonken. Dit heeft de dood van drie bemanningsleden tot gevolg gehad. De aanvaring was op 7 oktober 2013 op de Noordzee. Er ontstond een groot gat in de scheepswand van de Maria waardoor dit schip tamelijk snel zonk. De visser was wachtsman op het moment van het ongeval en heeft onvoldoende opgelet en daardoor het andere schip niet gezien. Het zicht was goed, de zee was rustig en de apparatuur (waaronder radar en de elektronische zeekaart) werkte goed. De Maria heeft ook fouten gemaakt, maar dat neemt niet weg dat verdachte maatregelen had moeten nemen om een aanvaring te voorkomen. Bij de strafoplegging weegt mee dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat verdachte geen grove nalatigheid wordt verweten. Ook merkt de rechtbank op dat verdachte zeer schuldbewust is naar de slachtoffers en de nabestaanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/846020-13 (Promis)

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [geboortegegevens] , en aldaar verblijvend.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 september 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. K. Nous en mr. H.H.M. Beune en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.J.M. van Roy naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het veroorzaken van een aanvaring met wachtschip Maria, waardoor dit schip is gezonken en waarbij levensgevaar voor vijf opvarenden is ontstaan en terwijl dit de dood van drie opvarenden ten gevolge heeft gehad.

Subsidiair is dit feitencomplex als dood door schuld ten laste gelegd.

2. het varen op de Noordzee in strijd met voorschriften van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.

3. het als vervanger van de schipper/kapitein varen zonder het operationeel houden van het AIS-systeem aan boord van het vaartuig.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde dood door schuld. De raadsman voert hiertoe aan dat het openbaar ministerie overeenkomstig de Aanwijzing handhaving arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Aanwijzing) had moeten handelen, welke aanwijzing van toepassing is op ongevallen (ook op zee) waarbij in een werksituatie dodelijke slachtoffers vallen en er een verdenking voorligt ter zake overtreding van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De officier van justitie had de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dienen in te schakelen, zodat een gezamenlijk onderzoek door politie en ILT had kunnen plaatsvinden. Het niet navolgen van de Aanwijzing levert een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde op en ontneemt verdachte de mogelijkheid de zaak op een voor hem aanzienlijk minder ingrijpende wijze af te ronden. Op die grond dient het openbaar ministerie dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard ter zake artikel 307 Sr.

De officier van justitie stelt dat de Aanwijzing niet van toepassing is, nu deze slechts geldig is in de relatie tussen werkgever en werknemer. In onderhavige zaak was dit niet het geval. Het verweer van de raadsman dient dan ook te worden verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat, nu zij niet toekomt aan de bespreking van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, bespreking van het ontvankelijkheidsverweer achterwege kan blijven.

3.3.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 7 oktober 2013 heeft op de Noordzee een aanvaring plaatsgevonden tussen de visserskotter TX68 “Vertrouwen” (hierna: de TX68) en het wachtschip Maria. Hierbij heeft de TX68 de Maria midscheeps aan stuurboordzijde geraakt, waarna de Maria is gezonken. Twee bemanningsleden van de Maria zijn overboord gesprongen en door de TX68 aan boord genomen. De drie overige bemanningsleden van de Maria zijn omgekomen. Verdachte was op het moment van de aanvaring wachtsman van de TX68 en als enige aanwezig op de brug van het schip.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

In haar op schrift gestelde requisitoir stelt de officier van justitie het volgende. De vraag is hoe het ongeluk heeft kunnen gebeuren. De weersomstandigheden waren goed, er was weinig wind, het zicht was minimaal 15 mijl en de zee was kalm. Uit onderzoeken is gebleken dat er geen technische redenen zijn waarom verdachte het wachtschip niet zou hebben gezien. De radarschermen en de elektronische zeekaart van de TX68 vertoonden geen gebreken. Ook het AIS-systeem werkte naar behoren. Toch heeft verdachte de Maria niet gezien. Verdachte kan hiervan in strafrechtelijke zin een verwijt worden gemaakt. Als wachtsman kun je in het algemeen voorzien dat als je niet alle voorzorgsmaatregelen neemt die volgens goed zeemanschap zijn geboden, er gevaar voor een aanvaring met de nodige gevolgen kan ontstaan. Dat door een aanvaring en het zinken van het schip op volle zee levensgevaar voor de bemanningsleden van de Maria is ontstaan, lijkt naar de algemene ervaringsregels wel voorzienbaar. Er is voldoende causaal verband tussen het vaargedrag en het levensgevaar voor de bemanning. Ook de dood van de drie bemanningsleden is te rekenen tot hetgeen als gevolg van de aanvaring en het zinken redelijkerwijs was te voorzien. Het mogelijk minder adequaat reageren van de bemanning van de Maria doet hier niet aan af. De bemanningsleden zijn verdronken als gevolg van de aanvaring.

Gelet op alle omstandigheden had verdachte de Maria gedurende langere tijd kunnen en moeten opmerken. Nu hij de Maria helemaal niet heeft gezien, kan het niet anders dan dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam en nalatig is geweest.

Door aldus te handelen/na te laten heeft verdachte ook de onder feit 2 ten laste gelegde Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee niet nageleefd.

Ook het onder 3 ten laste gelegde acht te officier van justitie bewezen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het de rechtbank op grond van art. 69 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid niet is toegestaan in de strafzaak acht te slaan op het rapport dat de Onderzoeksraad voor de Veiligheid over de aanvaring heeft opgemaakt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleidooi vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde betoogt de raadsman dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte verwijtbaar nalatig is geweest en dus schuld heeft aan de aanvaring. Onder het bestanddeel “schuld” in artikel 169 Sr wordt verstaan een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid, respectievelijk een min of meer grove of aanmerkelijke schuld aan de grondhandeling van het verongelukken van het vaartuig. Getoetst moet worden aan de algemene voorzienbaarheidseis: was het uit de grondhandeling voortvloeiend gevaar in het algemeen voorzienbaar. Of sprake is van schuld wordt ten slotte bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Of sprake is van schuld is erg casuïstisch.

Verdachte verklaart in detail op welke wijze hij als wachtsman heeft geopereerd. Hieruit blijkt niet dat hij steken heeft laten vallen. Hij is uitgerust en fit aan zijn dienst begonnen. Uit de verklaring van [naam] , degene die vóór verdachte de wachtsman was, blijkt dat ook hij tijdens zijn dienst de Maria niet heeft gezien op de radar of de AIS. De twee radarsystemen waren afgesteld op 8 respectievelijk 12 zeemijlen. De Maria had dus zichtbaar moeten zijn op de radar en de AIS ten tijde van de overdracht van de wacht. Uit onderzoek blijkt dat de radar, de AIS en het wachtalarm naar behoren functioneerden, hetgeen ook door verdachte wordt verklaard.

Uit het rapport van de Onderzoeksraad voor de veiligheid van maart 2015 volgt dat de Maria als wachtschip de TX68 niet heeft aangeroepen en dat zij geen voorrang heeft verleend.

De concretisering van schuld in de tenlastelegging is gebaseerd op aannames en veronderstellingen, die niet terug te vinden zijn in de bewijsmiddelen.

De aanname dat verdachte onvoldoende uitkijk moet hebben gehouden omdat er nu eenmaal een aanvaring heeft plaatsgevonden, is te kort door de bocht. Dat verdachte de Maria niet heeft gezien, maakt niet dat hij nalatig is geweest.

De handelingen die verdachte heeft verricht tijdens het wachtlopen en de overige omstandigheden van het geval, zoals met name de omstandigheden veroorzaakt door de Maria, maken dat het voor verdachte niet voorzienbaar was dat het uit zijn grondhandeling (het wachtlopen zoals hij heeft gedaan) voortvloeiende gevaar (het zinken van de Maria) voorzienbaar is. De raadsman concludeert dat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair stelt de raadsman, mocht de rechtbank vinden dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is, dat de dood van de drie bemanningsleden van de Maria verdachte niet verweten kan worden. Er was voldoende tijd en gelegenheid om het zinkende schip te verlaten en veilig aan boord van de TX68 geholpen te worden. Causaliteit tussen de aanvaring en de dood van de bemanningsleden doet zich gezien deze omstandigheden niet voor, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken

Ten aanzien van feit 2 verwijst de raadsman naar hetgeen hij over feit 1 primair en subsidiair heeft betoogd. Ook hier concludeert de raadsman tot vrijspraak.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde bepleit de raadsman eveneens vrijspraak. Vastgesteld dient te worden dat verdachte wist of behoorde te weten dat het AIS systeem tijdens zijn wacht niet operationeel was. Verdachte verklaart dat hij er vanuit ging dat de AIS het deed. Aan boord waren geen signalen die duidelijk maakten dat op dat moment de AIS niet zou werken. Ook is hem niet meegedeeld dat de AIS uitstond, niet goed functioneerde of zo was teruggedraaid dat het bereik beperkt was. Niet is vastgesteld dat de AIS niet werkte ten tijde van de wachtdienst van verdachte, noch dat verdachte hier op dat moment wetenschap van had.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Vrijspraak feit 3

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 7 oktober 2013 ten tijde van de aanvaring wachtsman was en dus als vervanger van de kapitein heeft gevaren. Op grond van artikel 9 juncto artikel 1 van de Schepenwet rustte toen op hem de verplichting gedurende de reis alles wat tot de uitrusting van het schip behoort ‘in deugdelijken staat en voor onmiddellijk gebruik gereed te houden’. Ten aanzien van het AIS-systeem heeft verdachte verklaard dat dit aan het begin van de reis door de kapitein was ingeschakeld en dat hij op het display van het AIS-systeem de tekst zag die er op wees dat het systeem was ingeschakeld en normaal werkte. Uit geen bewijsmiddel kan worden afgeleid dat het verdachte bekend kon zijn dat het zendgedeelte van het AIS-systeem niet naar behoren werkte op het moment dat hij de wacht overnam. Voor zover al zou worden aangenomen dat het zendgedeelte niet steeds (en met name ook niet in de periode voorafgaand aan het ongeval) goed heeft gewerkt, is het daarom naar het oordeel van de rechtbank niet zo dat verdachte toen hij de wacht overnam is tekort is geschoten in zijn verplichtingen dit systeem in deugdelijke staat te houden, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken dient te worden.

4.4.2

Het oordeel over het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte schuldig is aan de aanvaring van de TX68 met de Maria. Zij overweegt hierover het volgende.

Ten tijde van de aanvaring waren de weersomstandigheden goed, het zicht was goed en er stond weinig wind. Ook was er geen verkeer in de verkeersbaan of was er sprake van andere obstakels.

Ook was het zicht vanuit het stuurhuis ongehinderd.

Uit diverse verklaringen maakt de rechtbank op dat de Maria door diverse andere schepen in de buurt, zowel visueel aan de hand van de navigatieverlichting, op de radar en de AIS, is waargenomen. Ook door de kustwacht is de Maria op de AIS waargenomen.

Uit het technisch onderzoek aan boord van de TX68 is niet van technische gebreken gebleken. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de resultaten van de technische onderzoeken en de weersomstandigheden, verdachte de Maria had kunnen en had moeten zien.

Verdachte heeft ten tijde van zijn wacht onvoldoende gebruik gemaakt van en acht geslagen op de technische apparatuur die hem ten dienste stond. Verdachte verklaart immers dat hij met behulp van de twee radarsysteem twee schepen heeft waargenomen en dat hij deze ook heeft gezien. Uit onderzoek aan de radars is gebleken dat één radar was afgesteld op een bereik van 12 mijl, met een CPA1-limiet van 1 mijl. De andere radar was ingesteld op een bereik van 4 mijl, met een CPA-limiet van een halve mijl. De radar geeft een alarmsignaal (zowel visueel als akoestisch) als er iets binnen deze limiet in de buurt van het schip komt. Verdachte verklaart dat hij de Maria niet op de radar heeft gezien, maar ook dat hij de alarmsignalen op de radars heeft hij niet waargenomen.

Gezien de genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de Maria op drie manieren had kunnen en dus had moeten zien. Nu hij verklaart dat hij de Maria op geen enkele manier heeft waargenomen is geen andere conclusie mogelijk dan dat hij onvoldoende uitkijk heeft gehouden en als gevolg daarvan de verschillende verplichtingen die op hem rustten als hij de Maria zou hebben waargenomen (zoals uitwijken en vaart minderen) niet heeft kunnen nakomen. Nu verdachte onvoldoende op de uitkijk heeft gestaan heeft hij zich er onvoldoende van heeft vergewist of een veilige vaart mogelijk was en of er geen schepen of obstakels in de nabijheid van de TX68 of op de koers van de TX68 lagen. Het is de belangrijkste taak van de wachtsman om op de uitkijk te staan en te reageren op wat er gebeurt.

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat uit artikel 69 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid niet kan worden afgeleid dat de rechtbank het rapport dat de Onderzoeksraad voor de Veiligheid over de aanvaring heeft opgemaakt geheel buiten beschouwing dient te laten. Dit rapport kan in de beoordeling worden betrokken voor zover het ontlastend is. Uit het rapport kan worden afgeleid dat ook van de zijde van de Maria fouten zijn gemaakt: de Maria had de TX68 voorrang moeten geven en heeft de TX68 kennelijk niet gezien. Ook als daarvan uit wordt gegaan doet dat er echter niet aan af dat verdachte de Maria had moeten opmerken en maatregelen had moeten nemen om een aanvaring te voorkomen.

Daarbij merkt de rechtbank op dat het mogelijk niet, niet goed of op een laag zendvermogen werken van de AIS-zender van de TX68 niet van belang is voor de beoordeling van het aan verdachte te maken verwijt. Dit was immers niet van invloed op zijn eigen mogelijkheden om de Maria waar te nemen.

Ook het mogelijk niet werken of niet ingeschakeld zijn van het wachtalarm is niet van belang, omdat dit slechts een hulpmiddel is om alert te blijven, maar aan de verplichtingen die op verdachte rustten om goede uitkijk te houden niet afdoet.

De vraag is vervolgens of door het onvoldoende uitkijk houden en de als gevolg daarvan ontstane aanvaring levensgevaar is ontstaan voor alle opvarenden en of die aanvaring de dood van drie opvarenden ten gevolge heeft gehad. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van art. 169 Sr is voldoende dat de verdachte schuld heeft aan de aanvaring en hoeft hij geen schuld te hebben aan het ontstaan van levensgevaar of de dood van opvarenden; dit zijn bijkomende voorwaarden voor strafbaarheid. Daarbij dient beoordeeld te worden of de gevolgen van de aanvaring normaal gesproken geschikt waren om levensgevaar of de dood te laten intreden. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, nu het hier gaat om een aanvaring op zee, waarbij een gat in de scheepswand is ontstaan waardoor het schip zoveel water maakte, dat het als gevolg daarvan tamelijk snel is gezonken. Dat door zo’n aanvaring levensgevaar ontstaat is duidelijk, waarbij niet alleen aan verdrinking kan worden gedacht, maar dat levensgevaar zich ook op andere wijzen had kunnen realiseren, bijvoorbeeld als er personen in de Maria aanwezig zouden zijn geweest op de plaats waar het schip werd aangevaren.

Wat de dood van drie opvarenden betreft is het bijzonder wrang dat de bemanning van de TX68 hen heeft toegeroepen dat zij in het water moesten springen en dat de TX68 nabij was om hen vervolgens te redden, maar dat deze drie personen dat niet hebben gedaan. Dit blijft voor alle betrokkenen onbegrijpelijk.

Voor de vraag of de aanvaring de dood van drie opvarenden ten gevolge heeft gehad dient te worden beoordeeld of er voldoende rechtstreeks verband is tussen de aanvaring en hun dood. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat in een noodsituatie niet altijd door alle betrokkenen een juiste keuze wordt gemaakt. Dat is in dit geval op buitengewoon trieste wijze gebleken. Dat neemt echter naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat de dood van drie opvarenden een gevolg is geweest van de aanvaring, het daardoor ontstane grote gat in de scheepswand van de Maria en het als gevolg daarvan tamelijk snel zinken van de Maria. Hierdoor zijn de in het schip nog aanwezige mannen omgekomen.

De rechtbank acht het onder 1 primair dan ook bewezen.

4.4.3

het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank ook het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen.

4.4.4.

Bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich, op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen en de hieronder vervatte overwegingen, schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit zoals in rubriek 5 weergegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 primair

op 7 oktober 2013, op de Noordzee, als wachtsman, met het onder Nederlandse vlag varende vissersschip, TX 68, genaamd "Vertrouwen",

zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is, dat het varende wachtschip, genaamd Maria, is gezonken,

immers heeft verdachte toen aanmerkelijk onoplettend en onachtzaam en nalatig:

- onvoldoende uitkijk gehouden en onvoldoende visueel vastgesteld of veilige vaart mogelijk was, en

- zich onvoldoende vergewist van alle schepen en obstakels die zich bevonden in de nabijheid van die TX68 en binnen de door die TX68 gevolgde koers lagen, en

- onvoldoende gebruik gemaakt van de in die TX68 aanwezige navigatieapparatuur (radar en AIS), en

- geen acht geslagen op het in die TX68 aanwezige radaralarm, en

- niet onvoldoende uitgeweken voor die varende Maria, en

- geen vaart geminderd met die TX68, en

- die Maria niet tijdig opgemerkt,

waardoor levensgevaar is ontstaan voor de opvarenden van die Maria, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ,

terwijl het de dood van de opvarenden van die Maria, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ten gevolge heeft gehad;

ten aanzien van feit 2

op 7 oktober 2013, op de Noordzee, als wachtsman met het onder Nederlandse vlag varende vissersschip, TX68, genaamd "Vertrouwen", in strijd met voorschriften van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972 (VIBVA), met dat schip heeft gevaren, immers heeft hij verdachte toen met dat schip:

- niet te allen tijde goede uitkijk gehouden door te kijken en door gebruik te maken van alle beschikbare middelen die in de heersende omstandigheden en toestanden passend waren ten einde een volledige beoordeling van de situatie en van het gevaar voor aanvaring te kunnen maken (Voorschrift 5 VIBVA),

en

- niet te allen tijde een veilige vaart aangehouden zodat juiste en doeltreffende maatregelen konden worden genomen ter vermijding van aanvaring en dat kon worden gestopt binnen een voor de heersende omstandigheden en toestanden passende afstand (Voorschrift 6 VIBVA),

en

- niet alle beschikbare middelen gebruikt, passend in de heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestond (Voorschrift 7a VIBVA)

en

- geen juist gebruik gemaakt van radarapparatuur, aangebracht en goed werkend, met inbegrip van waarnemingen over grote afstand ten einde een vroegtijdige waarschuwing te verkrijgen van het gevaar voor aanvaring en met inbegrip van ontdekte voorwerpen (Voorschrift 7b VIBVA)

en

- geen tijdige en doeltreffende maatregelen ter vermijding van aanvaringen genomen (voorschrift 8a VIBVA)

en

- terwijl ten gevolge van enige oorzaak (te weten ten gevolge van voorschrift 15 VIBVA) dat schip (de TX68) verplicht was zijn koers en vaart te behouden zich zo dicht bij het andere (de Maria) bevond, dat aanvaring door een handeling van het schip dat moet uitwijken (de Maria) alléén niet kon worden vermeden, niet de maatregelen genomen, die het best hadden kunnen bijdragen tot het vermijden van aanvaring (voorschrift 17 b VIBVA)

en

- terwijl dat schip (de TX68) (op basis van Voorschrift 8f iii VIBVA) uiteindelijk verplicht was uit te wijken voor dat andere schip, die Maria, ondanks dat dit mogelijk was, niet bijtijds ruim voldoende maatregelen genomen om goed vrij te blijven (Voorschrift 16 VIBVA),

immers is hij, verdachte, met de TX68 (met een onverminderde vaart) tegen die Maria (midscheeps) aangevaren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

dat verdachte voor het door haar onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en

dat verdachte voor het door haar onder 3 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 dagen.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt hij met alle besproken feiten en omstandigheden rekening te houden en in overweging te nemen of een strafvorderlijk doel is gediend met oplegging van een straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is tijdens zijn wacht met de viskotter TX68 tegen het wachtschip Maria aangevaren, waarna dit schip is gezonken. Ten gevolge hiervan zijn drie bemanningsleden van de Maria verdronken. Het ongeval kenmerkt zich door een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Verdachte wordt geen grove nalatigheid verweten, maar hij heeft tijdens zijn wacht niet voldoende opgelet, waardoor hij niet tijdig actie kon ondernemen om een aanvaring te voorkomen. Daarbij is gebleken dat ook van de kant van de Maria fouten zijn gemaakt.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het tijdverloop tussen het ongeval en de terechtzitting. Gebleken is dat geen sprake is van recidivegevaar. Verdachte heeft verklaard dat hij na de aanvaring meteen weer is gaan varen en sindsdien zijn er geen nieuwe ongevallen gebeurd en blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 augustus 2016 is hij niet eerder met justitie in aanraking geweest. Daarbij is ter terechtzitting gebleken dat verdachte zeer schuldbewust is naar de slachtoffers en de nabestaanden en dat hij nog steeds moeite heeft met het verwerken van het ongeval.

De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf niet aan de orde en zal een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake is van eendaadse samenloop, nu het om dezelfde handelingen gaat en beide strafbepalingen dezelfde rechtsbelangen beschermen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 55 en 169 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 9 en 58 Schepenwet en artikel 4c.3 Regeling vissersvaartuigen.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2

Eendaadse samenloop van het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig zinkt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat en terwijl het feit iemands dood tot gevolg heeft

en

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 20 van de Scheepsvaartverkeerswet, zes maal gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdacht [verdachte] ten aanzien van feit 1 en 2 strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

  • -

    Twee navigatie-apparaten en een gegevensdrager aan Rederij Groen BV

  • -

    Een usb-stick inhoudende de gegevens van de datarecorder van het schip Enforcer aan JR Shipping BV

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter,

mrs. B. Vogel en M. Vaandrager, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 oktober 2016.

1 CPA= Closest Point of Approach.