Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6401

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
17-02-2017
Zaaknummer
C/13/571362 / HA ZA 14-851
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bouwzaak, (gezamenlijke) fundering, schade wateroverlast, onrechtmatig handelen bouwbegeleider/directievoerder, ongerechtvaardigde verrijking afgewezen, nieuw voor oud toegepast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/571362 / HA ZA 14-851

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de vereniging

[VvE] ,

gevestigd te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. D.R. van Lijf te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWKUNDIG ADVIESBURO DE BINNENSTAD (AMSTERDAM) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.B. van Vliet te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers gezamenlijk] en De Binnenstad genoemd worden. Eisers sub 1, 2 en 3 zullen ieder voor zich [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en de VVE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2015 (hierna het tussenvonnis), waarbij R.J. van Drie als deskundige is benoemd,

  • -

    het deskundigenbericht van R.J. van Drie van 14 januari 2016,

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eisers gezamenlijk] ,

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van De Binnenstad, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties van [eisers gezamenlijk]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

het deskundigenbericht

2.1.

Bij tussenvonnis heeft de rechtbank R.J. van Drie als deskundige benoemd en hem de in voormeld tussenvonnis geformuleerde vragen gesteld.

2.2.

De deskundige heeft in zijn deskundigenbericht in antwoord op deze vragen - voor zover hier van belang - als volgt gerapporteerd:

(…) 2. Bevindingen

(…) 2.3. Naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse (…)

In het souterrain van nr. 26 (woning [eisers gezamenlijk] ) waren slopers bezig om de gemetselde vloer te verwijderen (…) een deel was voor de beeldvorming van deskundige nog aanwezig. Vastgesteld is dat de gemetselde vloer is opgebouwd uit vier metsellagen. Op de gemetselde vloer is een cementgebonden laag aangebracht van circa 60 mm. Hierop aangebracht een lichte witte epoxylaag als vloerafwerking.

De houten roostervloer is nog aanwezig. Ter plaatse van de vrijgemaakte inspectieput tegen de woningscheidende wand met nr. 25 stelt deskundige vast dat de houten vloerbalken doorlopen onder de gemetselde woningscheidende wand (..). In het bijzonder in de woningscheidende wand met nr. 25 is een grote mate van zichtbare vochtvorming op de wanden te zien. Tot een hoogte van circa 1,20 meter zijn zoutkristallen op de muur te zien hetgeen impliceert dat vocht tot deze hoogte is opgetrokken (…).

De houten baddings die onder de woningscheidende wand doorlopen zijn afgezaagd (…). Onder het hout is een verzadigde kleiachtige grond aanwezig (…). In de kelder van nr. 26 is verder vastgesteld dat ter plaatse van de woningscheidende wand 26/27 een voorziening, gevormd uit staand verwerkte metselwerk klinkers is aangebracht, ter voorkoming van lekkages ter plaatse van wand-/vloerconstructie (…).

Ernstige scheuren in de constructieve muren van het souterrain worden niet door

deskundige vastgesteld.

(…)

3. Beantwoording van vragen

(…)

1. Is er in het pand [adres] sprake van blijvende wateroverlast? (…).

Uit het vooropname rapport van Clarc van 26 juli 2011 blijkt dat voorafgaand aan de werkzaamheden, in de kelder van dit pand met huisnummer 26, geen ernstige zichtbare tekortkomingen aanwezig waren. In het bijzonder niet ter plaatse van de aansluiting van de woningscheidende wand 25/26 en vloer van 26. Met andere woorden, de foto’s laten geen grootschalige tekenen van lekkages of vochtdoorslag zien. Tijdens of direct na de activiteiten wordt een grootschalige wateroverlast gemeld.

Met grote waarschijnlijkheid kan dus op basis van beschikbaar gestelde informatie uit de dossierstudie vastgesteld worden dat er in het pand aan de [adres] 26 sprake is van ernstige blijvende wateroverlast. Dit op basis van onder meer het rapport van Cunningham & Lindsey van 28 april 2013. Uit dit rapport volgt immers dat er sprake was van ernstige sporen van optrekkend vocht in de wanden, lekwater op de vloer, de vloerafwerking had

ernstige blaasvorming en er was witte uitslag op het tegelwerk.

Daarnaast is te herleiden uit het vooropname rapport van Clarc van 26 juli 2011 dat zich in dit pand al lichte vochtproblemen manifesteerden in de keldervloer. Dit wordt onder meer gebaseerd op de foto “ Vloer: vochtplek, IMG_4183.JPG” en de verklaring van partij [eisers gezamenlijk] Op de foto is een geringe en meer incidentele blaasvorming te zien van de epoxyvloer van de

kelder. Aannemelijk is dat dit veroorzaakt is doordat vocht wat door de onderliggende stenen vloerconstructie trekt, zich ophoopt onder de waterkerende epoxyvloer. Deze situatie was dus al incidenteel aanwezig voor de werkzaamheden bij nummer 25. Op basis van beschikbaar gestelde

informatie, klaarblijkelijk stabiel en niet ernstig, in deze ruimte kon goed geleefd en verblijft worden. De staat van de woning en inrichting op de andere foto’s van het opnamerapport bevestigen dit.

2. Zo ja, kunt u vaststellen wat de oorzaak is van deze wateroverlast?

Tijdens het deskundigenonderzoek van 4 september 2015 is vastgesteld dat de oorspronkelijke metselwerkkeldervloer doorloopt onder de woningscheidende kelderwand tussen nummer 25 en 26. (…) Gegeven het feit dat de woningen (…) gelijktijdig gebouwd zijn, is het ook logisch dat deze vloer als één waterkerend geheel gerealiseerd is. Het is daarmee zeer waarschijnlijk dat het vloerveld van de kelders van de [adres] 23 t/m 26 in zijn geheel een waterkerende laag hebben gevormd. De metselwerkvloer van de kelder is ruim 120 jaar oud, bestaat uit vier lagen metselwerk met daarop een cementgebonden dekvloer van 60mm, afgewerkt met een epoxyvloer (…). Van een dergelijke vloeropbouw hoeft geen volledige waterdichtheid te worden verwacht. Aangenomen mag worden dat deze zeer aannemelijk wel waterkerend is geweest, een incidentele doorslag uitgezonderd.

Voor het plaatsen van de betonnen kelderbak is de waterkerende keldervloer ter plaatse van nummer 24 en 25 verwijderd, waardoor het vloerveld van de kelders 23 t/m 26 is doorbroken. Daarmee is de waterkering van de constructieve eenheid 23 t/m 26 in het geding gebracht.

Doordat het grondwaterpeil boven het niveau van de metselwerk keldervloer ligt, wordt de originele metselwerk woningscheidende wand tussen 25 en 26 nu, extra, belast door het grondwater. Primair wordt dit veroorzaakt doordat de waterkerende functie van de vloerconstructie ter plaatse van de wand van nummer 25/26 waterdoorlatend is geworden. Hierdoor wordt deze woningscheidende wand 25/26 vanaf de zijde nr. 25 structureel door het grondwater belast. Deze wand is in beginsel niet ontworpen om deugdelijk water te keren, die functie werd in oorsprong in een aaneengesloten waterkerend vloerveld gevonden. In het rapport van Cunningham & Lindsey van 28 april 2013 valt te herleiden dat er structurele zoutafzetting is op deze woningscheidende wand, ongeveer tot de hoogte van het grondwaterpeil. Het is daarmee hoogst aannemelijk dat het grondwater ook daadwerkelijk doorgedrongen is tot boven het niveau van de metselwerk vloer, met wateroverlast tot gevolg. (…)

Nogmaals wordt hierbij opgemerkt dat deskundige uit de toelichting van [eisers gezamenlijk] begrijpt dat de vochtinfiltratie in het souterrain van nr. 26 zich in het bijzonder manifesteerde ter plaatse van de aansluiting vloer met woningscheidende wand met nr. 25. In de wanden van de voor- en achtergevel en de woningscheidende wand met nr. 27, als ook door het vloerveld, kwam in

algemene zin geen waterinfiltratie naar binnen.

3. Voor zover u een of meerdere oorzaken kunt vaststellen, treft De Binnenstad gezien haar rol in het bouwproces een verwijt ten aanzien van deze oorza(a)k(en) of heeft zij voldoende zorgvuldig gehandeld?

De binnenstad is betrokken geweest als bouwbegeleider en heeft in het ontwerpproces een coördinerende en een ontwerprol gehad. Immers De binnenstad heeft aan DBC adviesbureau voor bouwconstructies opdracht gegeven voor het berekenen en tekenen van de (staal)constructie zoals voorgesteld op de door De Binnenstad geleverde tekeningen. Expliciete

detaillering voor het waterdicht maken of houden van de wand/vloerconstructie is hierin niet genoemd. Dit blijft in beginsel een verantwoordelijkheid van De Binnenstad. Daarnaast heeft De Binnenstad een directievoerende/toezichthoudende rol op het werk gevoerd. Ook tijdens de

uitvoering van het werk ligt er een zekere mate van verantwoordelijkheid, naast die van de uitvoerende aannemer, bij De Binnenstad. De tekeningen zijn dan wel door [naam] gemaakt, maar in opdracht van De Binnenstad. De Binnenstad had er niet vanuit mogen gaan dat dit ontwerp zou leiden tot een waterdichte situatie voor nummer 26. De aansluiting wand/vloer is immers door aanwezige houten schotten, achter de gerealiseerde betonnen kelderwand niet meer waterdicht ten opzichte van 26 (…). Hierin heeft De Binnenstad niet zorgvuldig gehandeld.

In welke mate De Binnenstad dit verwijt is te maken (gedeelde verantwoordelijkheid op het ontwerp/medeverantwoordelijk op het toezicht van de uitvoering) is door deskundige niet hard te zeggen. Dit is afhankelijk van de afspraken die [naam] en Buro De Binnenstad met elkaar gemaakt hebben. Daarnaast de contractuele verhoudingen tussen de afzonderlijke partijen (waaronder een inmiddels failliete aannemer).

(…)

4. Indien De Binnenstad niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld:

a. Kunt u aangeven welke maatregelen getroffen dienen te worden teneinde

de wateroverlast in/aan het pand [adres] 26 te verhelpen, voorzien van een kostenbegroting?

In productie 17 van 5 augustus 2014 wordt het plaatsen van een nieuwe betonnen kelderbak als oplossing aangedragen. Deskundige is van mening dat deze oplossing effectief is, maar meer verbetering levert dan alleen het oplossen van de gebreken / tekortkomingen aansluiting wand/vloer. Zoals reeds bij de beantwoording van vraag 2 is benoemd was de vloer en de tegenoverliggende wand bij nummer 27, deugdelijk. Vertoonde deze geen tekortkomingen die de primaire functievervulling in het geding bracht. Uit het vooropnamerapport van Clarc kan daarnaast geconcludeerd worden dat de kelder en fundering in goede staat verkeren.

De vochtproblemen ten gevolge van de werkzaamheden bij nr. 25 treden primair op, ter plaatse van de woningscheidende wand nr. 25/26 en de aansluiting daarvan op de keldervloer. Volgens deskundige gaat het daarom te ver om een gehele nieuwe kelderbak te maken in de bestaande situatie. De meest reële oplossing in deze situatie, dient te worden gezocht in het vervangen van de bestaande metselwerk kelderwand door een waterdichte betonnen wand (over de lengte van de wand 25/26 die een gedeelte doorloopt in de kopgevel en waterdicht aangesloten wordt op de

vloer en de kopgevels en een hoogte heeft tot ruim boven het waterpeil). Hiermee wordt recht gedaan aan het wegnemen van de oorzaak van het gebrek, zijnde een niet waterdichte aansluiting wand/vloerveld.

De kosten die met deze werkzaamheden gepaard gaan, zijn door mij geraamd op een bedrag van € 39.540,- inclusief btw. Binnen deze werkzaamheden vallen op hoofdlijn:

• Bronbemaling tijdens de werkzaamheden.

• Het tijdelijk onder stempelen van de metselwerk wand.

• Alle benodigde materialen.

• Waterdichte aansluiting wand vloer.

• Reparatiewerkzaamheden nadien.

Met deze maatregel komt vordering 2 te vervallen. Een vergoeding voor de ruimtederving in deze is wel op zijn plaats. De oppervlakte die bedorven wordt bij de voorgestelde oplossing is 1,5 m2. Namelijk 15 strekkende meter wand van 10 cm dik.

b. Kunt u de (overige) schade in/aan het pand [adres] 26 veroorzaakt door de wateroverlast begroten in het licht van de schadeposten die [eisers gezamenlijk] onder 3, 4 en 5 van haar vordering heeft opgevoerd?

Vordering 3

Bij de voorgestelde oplossing gepresenteerd bij vraag 4a van de rechtbank heeft deskundige de afwerking van de wandafwerking en vloeraansluiting meegenomen. Met betrekking tot vordering 3 zoals door [eisers gezamenlijk] opgevoerd merkt deskundige op dat dit de afwerking van een nieuwe kelderbak betreft. Hiervoor ziet deskundige geen redelijke grond. Daarom worden de kosten bij deze vordering op € 0,00 begroot.

Vordering 4

Het uitkeren van een schadevergoeding voor de gemaakte kosten is in de optiek van deskundige reëel. De opgevoerde kosten zijn ook redelijk gezien de situatie en zijn daarnaast marktconforme prijzen.

Vordering 5

Deskundige kan deze vordering van € 71 .226,88 vooralsnog onvoldoende herleiden.

Vraagt partij [eisers gezamenlijk] , zich hierover nader te motiveren. (…)”

2.3.

Het rapport is gebaseerd op een plaatsopneming door de deskundige in aanwezigheid van beide partijen en hun raadslieden. Commentaren van partijen op het concept rapport en de reactie van de deskundige daarop zijn aangehecht aan het rapport.

De reacties van partijen

2.4.

Partijen hebben in reactie op het deskundigenbericht - samengevat - het navolgende naar voren gebracht.

2.5.

[eisers gezamenlijk] stelt zich op het standpunt dat de door de deskundige voorgestelde oplossing geen recht doet aan het uitgangspunt dat degene die schade lijdt zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Door het enkele herstel van de muur aan de zijde van 25 wordt het souterrain niet zoals het was, namelijk scheurvrij en vrij van wateroverlast. Met de rapporten van Olij, Van Ommen en Den Nijs is onvoldoende rekening gehouden. De conclusie van de deskundige dat de vloer, blijkens de blaasvorming, niet in goede staat zou verkeren, is onjuist. De blaasvorming is namelijk veroorzaakt doordat de epoxylaag te snel is aangebracht. Daarnaast is de deskundige er bij de begroting van de schade aan voorbijgegaan dat bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden de indeling van de kelder verwijderd dient te worden om vervolgens weer opgebouwd te worden. Ook heeft de deskundige ten onrechte de schade door verzakking van kozijnen niet als schade ten gevolge van wateroverlast aangemerkt. Deze schade wordt niet door De Binnenstad betwist. Aldus steeds [eisers gezamenlijk]

2.6.

In haar reactie herhaalt De Binnenstad dat het souterrain in 2009 al niet waterdicht was en sporen van lekkage vertoonde en voorts dat het niet voldeed aan de waterdichtheidseisen van het bouwbesluit. Het causaal verband tussen de werkzaamheden en de lekkageschade ontbreekt. De Binnenstad benadrukt dat zij niet verantwoordelijk is voor het ontwerp van de fundering van de kelderbak en dat haar geen verwijt te maken valt met betrekking tot haar rol als bouwbegeleider. Bovendien heeft te gelden dat [eiser sub 1] de woning heeft verkocht, zodat zij geen belang heeft bij de vordering. De fundering en buitenmuren vallen onder de bevoegdheid en beheer van de VVE zodat eventuele schade daaraan betrekking heeft op de VVE, zodat op die grond de vordering jegens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet toewijsbaar is. De kosten van herinrichting zullen door de nieuwe eigenaar worden gemaakt, dus ook die zijn niet toewijsbaar. Tot slot herhaalt De Binnenstad dat [eisers gezamenlijk] door de vernieuwde fundering ongerechtvaardigd is verrijkt. Het genoten voordeel dient in een eventuele schadeberekening betrokken te worden. Aldus steeds De Binnenstad.

Beoordeling door de rechtbank

2.7.

Vooropgesteld zij dat de deskundige door de rechtbank is benoemd. De rechtbank neemt bij de beoordeling van dit rapport dan ook de volgende maatstaf in acht. De waarde die in de onderhavige bodemprocedure aan het deskundigenbericht zal worden toegekend, staat ter beoordeling van de rechtbank, waarbij met name acht zal worden geslagen op het volgende. De rapportage dient zodanig begrijpelijk te zijn, dat de rechtbank aan de hand daarvan een juridisch oordeel kan vellen. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zijn rapport dient deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen. Indien een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen. Van de partij die een dergelijk deskundigenbericht bekritiseert, mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. In dat geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk bericht naast zich neerlegt.

2.8.

De rechtbank stelt vast dat uit het rapport blijkt dat beide partijen en hun advocaten aanwezig zijn geweest bij de inspectie door de deskundige ter plaatse en in de gelegenheid zijn geweest commentaar te leveren op het concept rapport. De deskundige heeft in zijn rapport gereageerd op dat commentaar. In het licht van de door de deskundige gevolgde procedure gaat de rechtbank er vanuit dat de deskundige de voor het opstellen van zijn rapport benodigde informatie heeft gehad of dat partijen in elk geval voldoende gelegenheid hebben gehad ervoor te zorgen dat die informatie tot zijn beschikking stond.

2.9.

Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat ten tijde van de werkzaamheden wateroverlast is ontstaan, bestaat er wel verschil van mening of er sprake is van blijvende wateroverlast. De deskundige heeft bij zijn oordeel dat er inderdaad sprake is van blijvende wateroverlast acht geslagen op onder meer het vooropnamerapport van Clarc van 26 juli 2011 en het rapport van Cunningham & Lindsey van 28 april 2013. Hieruit concludeert hij dat er voorafgaand aan de werkzaamheden lichte vochtproblemen waren in de kelder, maar dat deze ruimte goed bruikbaar was als leef- en verblijfruimte en dat uit het rapport van Cunningham & Lindsay volgt dat er na de werkzaamheden sprake is van ernstige sporen van optrekkend vocht in de wanden, lekwater op de vloer, ernstige blaasvorming in de vloerafwerking en witte uitslag op het tegelwerk. De bevindingen van de expert van Cunningham & Lindsay ten aanzien van de situatie zoals die deze aantrof in de kelder zijn niet concreet door De Binnenstad betwist, zodat de deskundige terecht van deze informatie is uitgegaan. Uit de foto’s van het vooropnamerapport van Clarc trekken partijen hun eigen, lijnrecht tegenover elkaar staande, conclusies. De rechtbank kan de deskundig volgen in zijn oordeel over de vooropname nu ook zij op de foto’s kan zien dat er sprake is van blaasvorming op de vloer en dat hier en daar wat vochtplekken bij wanden en kozijnen te zien zijn, maar ook dat de ruimte kennelijk goed gebruikt kon worden als leef/werkruimte, nu deze als zodanig is ingericht met een bed, meubels, een gevulde boekenkast en schilderijen aan de muur. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige zijn conclusie ten aanzien van de blijvende wateroverlast hiermee voldoende heeft toegelicht en ziet geen aanleiding hiervan af te wijken.

2.10.

Ten aanzien van de oorzaak van de wateroverlast heeft de deskundige in zijn rapport aangegeven dat die is gelegen in het doorbreken van de metselwerkvloer die bij de bouw van de panden nummer 23 tot 26 als waterkerende laag onder het gehele ensemble is aangelegd. Door het doorbreken van die laag wordt – kort gezegd – de woningscheidende wand tussen 25 en 26 nu extra belast door het grondwater, terwijl deze wand niet is ontworpen om deugdelijk water te keren. De Binnenstad heeft hier tegen aangevoerd dat reeds voor de werkzaamheden de vloer niet waterdicht was, doordat de fundering gebrekkig was en doordat Fugro het eerder gemaakte inspectiegat niet goed had afgedicht. Ten aanzien van het inspectiegat heeft de deskundige aangegeven dat tijdens de inspectie niet meer zichtbaar was of deze goed gedicht was, omdat de metselwerkvloer bijna in zijn geheel en ook ter plaatse van het inspectiegat was verwijderd. Ten aanzien van de fundering merkt de deskundige op dat de conditie daarvan buiten beschouwing is gelaten. Wel heeft de deskundige benadrukt dat er geen ernstige zichtbare tekortkomingen waren en heeft hij bij de inspectie geen ernstige scheuren in de constructieve muren van het souterrain geconstateerd.

2.11.

Zoals hiervoor reeds is geoordeeld traden in het souterrain voor de verbouwing bij nummer 24 en 25 slechts in beperkte mate vochtproblemen op. Het ligt voor de hand dat ter plaatse van de inspectieput eerder wateroverlast zou zijn opgetreden als die niet goed zou zijn afgedicht. In dit licht, alsmede gelet op de overwegingen van de deskundige hieromtrent, heeft De Binnenstad onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die leiden tot de conclusie dat deze put niet goed zou zijn afgedicht. Ten aanzien van de staat van de fundering beroept De Binnenstad zich op de berekeningen van Van Rossum Raadgevende Ingenieurs, ID Geotechniek, Bouwkundig Adviesbureau Devente en het rapport van Evers Partners, met daarin de conclusie dat de fundering van nummer 26 in 2007 onvoldoende rekenkundig draagvermogen had om te voldoen aan de splitsingseisen. Naar het oordeel van de rechtbank is de toets of een fundering voldoende draagvermogen heeft om te voldoen aan splitsingsvereisten een heel andere kwestie dan de werkelijke toestand van de fundering. Als niet aan de splitsingsvereisten wordt voldaan, houdt dat nog niet automatisch in dat de fundering gebrekkig is. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige de oorzaak van de wateroverlast uitgebreid heeft toegelicht en ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De rechtbank zal de (onvoldoende concrete) betwisting daarvan door De Binnenstad op dit punt dan ook niet volgen.

2.12.

Op de vraag of De Binnenstad gezien haar rol in het bouwproces een verwijt treft heeft de deskundige geantwoord dat De Binnenstad er gezien haar rol niet op had mogen vertrouwen dat in het ontwerp rekening was gehouden met het waterdicht houden van de aansluiting wand/vloer en hierin niet zorgvuldig heeft gehandeld. De Binnenstad betwist dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij niets anders heeft gedaan dan het uitwerken van het bestek op basis van door andere partijen vervaardigde ontwerpen. Uit de offerte van 1 juli 2005 van De Binnenstad aan Heijmans volgt echter dat De Binnenstad zou zorgdragen voor een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp, het bestek, de bouwvoorbereidingstekeningen en directievoering. Dat zij daarbij gebruik heeft gemaakt van tekeningen van anderen doet er niet aan af dat zij met die verschillende tekeningen in de hand had moeten controleren of met alle details rekening was gehouden, in dit geval met name de vloer/wandconstructie met nummer 26. Gesteld noch gebleken is dat voor die aansluiting een voorziening is getroffen of dat daar acht op is geslagen. Ook is gesteld noch gebleken dat toen de wateroverlast optrad er alsnog acht op is geslagen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van het oordeel van de deskundige af te wijken en oordeelt dat De Binnenstad onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld jegens [eisers gezamenlijk] en gehouden is de daaruit voortgevloeide schade te vergoeden. Het onder 1 gevorderde kan dan ook worden toegewezen. Voor zover in het deskundigenrapport wordt gesproken over een eventuele sleutelverdeling heeft te gelden dat afspraken die mogelijk tussen de oorspronkelijke architect, [naam] en De Binnenstad zijn gemaakt slechts tussen die partijen gelden en [eisers gezamenlijk] niet regarderen.

2.13.

Tot slot heeft de deskundige zich gebogen over de vraag welke maatregelen getroffen dienen te worden teneinde de wateroverlast te verhelpen. De deskundige heeft geoordeeld dat gezien de oorzaak van het probleem, de niet waterdichte aansluiting van de wand en vloer, kan worden verholpen door deze aansluiting alsnog waterdicht te maken door het vervangen van de bestaande metselwerk kelderwand door een waterdichte betonnen wand. Op het commentaar van De Binnenstad dat het injecteren van de wand afdoende zou zijn heeft de deskundige toegelicht dat een waterdichte betonnen wand een deugdelijker en passender oplossing is. Het commentaar van [eisers gezamenlijk] dat een de hele kelderbak vernieuwd dient te worden, wordt door de deskundige als te verregaande oplossing beschouwd, nu deze meer verbetering oplevert dan het oplossen van de gebreken in de aansluiting wand/vloer. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige hiermee voldoende heeft toegelicht dat deze maatregel passend is en ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank wordt [eisers gezamenlijk] met deze oplossing weer in de situatie gebracht waarin zij verkeerde voordat het schade toebrengende feit zich voordeed, nu, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, de wateroverlast plaatsvindt via de vloer/wand aansluiting aan de zijde van nummer 25.

2.14.

Dan dient tot slot te worden bepaald in hoeverre de gevorderde schade toewijsbaar is. Zoals De Binnenstad terecht aanvoert is in ieder geval een deel van de door [eiser sub 1] gevorderde posten niet toewijsbaar vanwege het feit dat zij het appartement heeft verkocht. Daardoor heeft zij geen belang meer bij de gevorderde kosten die zien op het herstel van de wand en de afwerking van het souterrain. Deze kosten zullen immers, nu niet anderszins is gebleken, ten laste van de VVE, [eiser sub 2] en/of de nieuwe eigenaar van nummer 26hs komen. De kosten die [eiser sub 1] heeft gemaakt voorafgaand aan de verkoop komen in beginsel wel voor toewijzing in aanmerking.

2.15.

Onder 2 worden de kosten gevorderd voor het maken van een waterdichte bakconstructie, dan wel voor het plaatsen van een kelderbak op de aanwezige bak, waarbij de laatste optie leidt tot ruimteverlies, hetgeen in dat geval tevens als schadepost wordt gevorderd. De deskundige heeft het waterdicht maken van de vloer/wand aansluiting begroot op € 39.540,00. Zoals hiervoor reeds is overwogen volgt de rechtbank de deskundige in zijn oordeel dat deze maatregel passend is en recht doet aan de situatie. Nu de deskundige zijn begroting afdoende heeft gespecificeerd en de rechtbank dit bedrag redelijk toe komt, is dit bedrag in beginsel voor toewijzing vatbaar. Met De Binnenstad is de rechtbank van oordeel dat deze vordering alleen jegens de VVE toegewezen dient te worden, omdat het onderhoud van de gemeenschappelijke delen voor rekening komt van de VVE en de beide (huidige) appartementseigenaren daarin vertegenwoordigd zijn.

2.16.

De deskundige heeft eveneens redelijk geacht een bedrag toe te kennen voor ruimte derving. Nu deze vordering ziet op het souterrain van [eiser sub 1] geldt ook hier dat haar belang voor deze post vanwege de verkoop is komen te ontvallen, zodat deze post zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het onder 3 gevorderde, de kosten voor afbouw en afwerking van het souterrain van [eiser sub 1] . Ook hier is haar belang komen ontvallen, zodat deze post zal worden afgewezen.

2.17.

Het onder 4 gevorderde ziet op schadeposten die betrekking hebben op de periode dat [eiser sub 1] nog eigenaar was van het souterrain. Zij vordert in totaal € 16.732,25 te vermeerderen met de beredderings- en opslagkosten vanaf 30 juni 2014. Uit 55 en 56 van de dagvaarding begrijpt de rechtbank dat dit bedrag bestaat uit de navolgende onderdelen (waarbij een optelsom van de verschillende onderdelen overigens tot een hogere uitkomst leidt):

  • -

    € 6.607,25 voor opslag van de inboedel bij Passies Verhuizers;

  • -

    € 1.399,00 voor een door het vocht onherstelbaar beschadigde wijnkoelkast;

  • -

    € 200,00 voor een waterstofzuiger;

  • -

    € 175,00 voor een waterpomp;

  • -

    overige kosten voor het verwijderen van het water: € 500,00 aan materiaal en € 9.750,00 aan arbeidskosten;

De beredderings- en opslagkosten vanaf 30 juni 2014 zijn als volgt gespecificeerd:

  • -

    € 37,50 beredderingskosten per week vanaf 30 juni 2014 tot 2 maart 2015 (datum verhuizing), totaal € 1.350,00;

  • -

    € 141,10 opslagkosten per maand vanaf 30 juni 2014 tot 2 maart 2015, totaal € 1.128,80;

2.18.

Ten aanzien van deze kosten heeft de deskundige geoordeeld dat deze in zijn optiek reëel zijn, redelijk zijn gezien de situatie en dat marktconforme prijzen zijn gehanteerd. Nu deze kosten inhoudelijk niet zijn betwist, zullen deze tot een bedrag van € 16.732,25 + € 1.350,00 + € 1.128,80 = € 19.211,05 worden toegewezen.

2.19.

Het onder 5 gevorderde betreft de schadeposten aan de zijde van [eiser sub 2] tot een bedrag van € 71.226,88. Uit de als productie 19 bij dagvaarding overgelegde specificatie blijkt dat dit bedrag is opgebouwd uit (29.862,64 + 27.890,50=) € 57.753,14 voor het plaatsen van een nieuwe kelderbak, € 8.037,00 voor de afbouw van de kelder, € 3.822,36 voor stuc- en schilderwerk, € 246,00 voor parkeerkosten schilder, € 476,00 aan kosten Fugro en € 447,70 en € 444,68 aan kosten Strackee. De rechtbank begrijpt uit genoemde specificatie dat het bedrag van € 57.735,14 het aandeel van [eiser sub 2] betreft in de nieuwe kelderbak à € 102.444,75. Deze post is dubbel opgevoerd, want de post betreffende het plaatsen van een nieuwe kelderbak is eveneens onder 2. gevorderd. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld wordt deze post afgewezen. De overige posten (€ 8.037,00 + € 3.822,36 + € 246,00 + € 476,00 + € 447,70 + € 444,68 = € 13.473,74) zullen als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.

2.20.

De Binnenstad heeft aangevoerd dat [eisers gezamenlijk] in het licht van artikel 5:65 BW ongerechtvaardigd is verrijkt. Zij had volgens De Binnenstad op deze grond een bijdrage moeten leveren voor het funderingsherstel. Het had in de rede gelegen dat zij 13,75% van de totale kosten van het funderingsherstel, te weten € 17.276,00, had bijgedragen. Nu zij dat niet heeft bijgedragen, maar wel het genot heeft, is zij tot dat bedrag verrijkt, aldus De Binnenstad.

2.21.

Hoewel in casu geen vordering ex artikel 5:65 BW voorligt overweegt de rechtbank dat een dergelijke vordering in beginsel slechts toewijsbaar is als vast komt te staan dat er sprake is van noodzaak tot herstel. Er is sprake van noodzaak tot herstel in de zin van dit artikel als te voorzien is dat uitstel van herstel kan leiden tot instorten of dat de toestand zo onrustbarend is geworden dat ingrijpen niet langer mag worden uitgesteld, maar ook indien de werkzaamheden tot herstel of vernieuwing op niet al te lange termijn onvermijdelijk gemaakt zullen moeten worden en strekken tot behoud van de betrokken panden, daaronder begrepen – door tijdig ingrijpen – voorkomen van verval, schade of (door verwaarlozing veroorzaakte) kostbare reparaties. Zoals hiervoor reeds is overwogen is niet gebleken dat de fundering van nummer 25/26 gebrekkig was, laat staan dat gebleken is dat er noodzaak tot herstel was in de zin van artikel 5:65 BW. Het ligt dan ook niet voor de hand dat [eisers gezamenlijk] op deze grond verplicht zou zijn geweest bij te dragen in het herstel. Voorts overweegt de rechtbank dat [eisers gezamenlijk] , zoals zij onbetwist heeft gesteld, voorafgaand aan de werkzaamheden desgevraagd te kennen heeft gegeven niet mee te willen doen met het funderingsherstel omdat zij daarvoor de middelen niet had. Onder deze omstandigheden is sprake van een opgedrongen verrijking, zodat artikel 6:212 BW geen recht geeft op vergoeding.

2.22.

Tot slot heeft De Binnenstad aangevoerd dat verrekening van voordeel dient plaats te vinden ex artikel 6:100 BW. Het aandeel van [eisers gezamenlijk] in de kosten van het herstel van de fundering zou € 17.276,00 bedragen, zodat de schade met dat bedrag verminderd dient te worden, aldus De Binnenstad.

2.23.

De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding is om tot verrekening van voordeel over te gaan. [eisers gezamenlijk] heeft immers een nieuwe fundering onder de betreffende muur, hetgeen doorgaans betekent dat deze gedurende vele decennia onderhoudsvrij is en niet vervangen hoeft te worden. De Binnenstad ging in haar conclusie van antwoord nog uit van een bijdrage in de kosten van het herstel van € 30.000,00. Na het deskundigenbericht heeft De Binnenstad dit bedrag verlaagd naar € 17.276,00. Aangezien niet concreet is onderbouwd welke kosten exact zijn gemaakt voor het funderingsherstel, zal de rechtbank schattenderwijs een percentage op de kosten hanteren ter vaststelling van het te verrekenen voordeel. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat de bestaande fundering niet gebrekkig was en niet binnen een afzienbare periode vervangen behoefde te worden, dat [eisers gezamenlijk] niet om het voordeel heeft gevraagd; zij heeft juist aangegeven dat zij niet mee wilde doen aan het herstel. Daarom zal een beperkt percentage worden toegepast. Gelet op de omstandigheden acht de rechtbank een percentage van 20% van het door De Binnenstad voorgestelde bedrag redelijk, hetgeen tot een te verrekenen voordeel leidt van € 3.455,20. Dit bedrag zal verrekend worden op het bedrag van € 39.540,00 (zie 2.15), hetgeen leidt tot een toewijsbaar bedrag van € 36.084,80.

2.24.

De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. [eisers gezamenlijk] heeft weliswaar gesteld dat er kosten zijn gemaakt, maar heeft deze kosten onvoldoende gespecificeerd en/of onderbouwd. De kosten waarvan zij vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

2.25.

De Binnenstad zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers gezamenlijk] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 3.829,00

- deskundige € 9.676,37

- salaris advocaat € 4.470,00 ( 5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 18.069,17

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat De Binnenstad onrechtmatig jegens [eisers gezamenlijk] heeft gehandeld en derhalve gehouden is de door hen geleden schade te vergoeden,

3.2.

veroordeelt De Binnenstad om aan de VVE, te betalen een bedrag van € 36.084,80, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 5 augustus 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt De Binnenstad om aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 19.211,05,

3.4.

veroordeelt De Binnenstad om aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van € 13.473,74, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 5 augustus 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.5.

veroordeelt De Binnenstad in de proceskosten, aan de zijde van [eisers gezamenlijk] tot op heden begroot op € 18.069,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.6.

veroordeelt De Binnenstad in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat De Binnenstad niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kraak, bijgestaan door mr. S.A.M. Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.