Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6395

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
C/13/603300 / HA ZA 16-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

OD perspublicatie. Ontploffing van een handgranaat in een kantoorpand in Amsterdam, waar een advocatenkantoor en een vastgoedbedrijf zijn gevestigd. Het Parool speculeert in diverse artikelen over het vastgoedkantoor als het mogelijke doelwit. Achteraf gezien blijkt dat het advocatenkantoor te zijn. De artikelen zijn echter niet onrechtmatig, want ze vinden voldoende steun in het destijds beschikbare feitenmateriaal. Afwijzing vordering tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/603300 / HA ZA 16-218

Vonnis van 19 oktober 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats] ,

eisers,

advocaat mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HET PAROOL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. C. Wildeman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers samen] en Het Parool worden genoemd. Eisers zullen ook afzonderlijk worden aangeduid met [eiser 1] en [eiser 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 8 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 september 2016, met de daarin vermelde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is bestuurder en samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) eigenaar van vastgoedbedrijf [bedrijf 1] , voorheen geheten [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ).

2.2.

[bedrijf 1] was in 2010 gevestigd op de begane grond van een pand aan de [straat] te [plaats] (hierna: het pand). Op de bovenverdieping van het pand was Sorko & Swane Advocaten en Notarissen (hierna: Sorko & Swane) gehuisvest. Bij dat kantoor was [naam 2] (hierna: [naam 2] ) advocaat-partner.

2.3.

Op zondagavond 13 juni 2010 omstreeks 20:00 uur werd een handgranaat in het deel van het pand dat bij [bedrijf 1] in gebruik was, geworpen. De handgranaat ontplofte vervolgens (hierna: de bomaanslag).

2.4.

Op maandag 14 juni 2010 plaatste Het Parool een artikel van de hand van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) met als titel: "Aanslag op kantoorvilla" en als subtitel: "Veel schade, geen gewonden". Bij het artikel stond een foto van de buitenkant van het pand, waarbij het raam van de benedenverdieping met planken was dichtgetimmerd. Het artikel luidt op pagina 1:

"Een onbekende heeft gisteravond een granaat naar binnen gegooid in een kantoorvilla aan de [straat] in [plaats] . De explosie in een kantoor op de begane grond richtte veel schade aan, maar in het pand was niemand aanwezig.

De recherche had vanmorgen nog geen idee van de achtergronden van de aanslag.

In de vrijstaande villa zijn twee bedrijven gevestigd: [bedrijf 1] van de in die wereld bekende onroerendgoedhandelaar [naam 1] , en Sorko en Swane, een maatschap van advocaten en notarissen, die ook vestigingen heeft elders in Nederland, in Londen, New York en Hamburg.

Getuigen hoorden gisteravond rond acht uur een 'oorverdovende knal' en zagen een lichtgekleurde auto hard wegrijden. De politie ging het pand binnen, maar riep de hulp van het Explosieven Opruimings Commando van de landmacht in omdat in het kantoor behalve de ontplofte handgranaat een tweede explosief leek te liggen. Dat bleek evenwel niet het geval.

In het kantoor was vanmorgen gewoon personeel aanwezig, dat de deur opende nadat was aangebeld, maar geen commentaar gaf: "Wij weten ook niet wat aan de hand is.""

Op pagina 3 gaat het artikel als volgt verder onder de kop: "Waarschijnlijk een intimidatiepoging":

"De granaataanslag lijkt eerder te zijn bedoeld om te intimideren dan om slachtoffers te maken. Het was donker in de kantoorvilla toen de dader waarschijnlijk een ruit brak en de handgranaat naar binnen gooide.

Aangezien in het pand zowel het vastgoedbedrijf als de maatschap van advocaten en notarissen is gevestigd, is op het adres [straat] een forse reeks stichtingen en bedrijfjes geregistreerd.

Veelal gaat het om beheermaatschappijen van vastgoed en allerlei stichtingen, die voor advocaten en notarissen derdengeldrekeningen beheren. Maar in het register van de Kamer van Koophandel is in de villa bijvoorbeeld ook de stichting Blaya Edukasl Anak Anak uit Doorn ingeschreven, die fondsen werft voor een basisschool voor kansarme kinderen op de Molukken.

Onroerendgoedhandelaar [naam 1] was vanmorgen niet zelf voor commentaar bereikbaar."

2.5.

Eveneens op maandag 14 juni 2010 plaatste Het Parool op haar website (www.parool.nl) onder de kop "Aanslag op kantoorvilla, waarschijnlijk om slepende ruzie" het volgende artikel:

"Een onbekende heeft zondagavond rond acht uur een handgranaat naar binnen gegooid in een kantoorvilla aan de [straat] in [plaats] . De reden van de aanslag lijkt een conflict om een onroerendgoedtransactie.

De explosie richtte schade aan in een ruimte op de begane grond van het vrijstaande kantoor aan de [straat] , maar in het pand was niemand aanwezig.

De granaataanslag lijkt verband te houden met een slepende ruzie om een vastgoedverkoop, waarin makelaar [eiser 2] van [bedrijf 1] is verwikkeld. Eerder zijn [eiser 1] en zijn vrouw al met de dood bedreigd.

[bedrijf 1] van de in de vastgoedwereld bekende onroerendgoedhandelaar [naam 1] , houdt kantoor in de villa, samen met Sorko en Swane, een maatschap van advocaten en notarissen, die ook vestigingen heeft elders in Nederland, in Londen, New York en Hamburg.

In de kantoorvilla was vanmorgen gewoon personeel aanwezig, dat de deur opende na aanbellen, maar geen commentaar gaf. "Wij weten ook niet wat er aan de hand is."

De directie van [bedrijf 1] wilde evenmin ingaan op de zaak. Makelaar [eiser 2] was niet bereikbaar.

De handgranaat lijkt eerder te zijn gegooid om te intimideren dan om slachtoffers te maken. Het was donker in het verlaten pand toen de dader waarschijnlijk een ruit brak en de granaat naar binnen gooide.

Getuigen hoorden even voor acht uur 'een oorverdovende knal' en zagen een lichtgekleurde auto hard wegrijden. De recherche onderzocht het pand, maar verliet dat weer toen in de getroffen ruimte nog een tweede explosief leek te liggen. Het ingeroepen Explosieven Opruimingscommando (EOC) van de landmacht trof echter geen andere granaat aan.

De politie kon aan het begin van de middag nog niet zegen of in verband met de aanslag spoedige arrestaties zijn te verwachten - nu het voor de hand lijkt te liggen dat de opdracht komt uit de hoek van de wederpartij waarmee makelaar [eiser 1] in conflict is geraakt."

Als tijdstip staat onder dit artikel: "01:56".

2.6.

Op 20 januari 2012 schreef misdaadjournalist [naam 4] een artikel in De Telegraaf waarin hij meldde dat de nationale recherche drie verdachten, onder wie advocaat [naam 2] , had gearresteerd voor poging tot liquidatie en betrokkenheid bij een aanslag met een handgranaat.

2.7.

Op 24 maart 2012 plaatste Het Parool een artikel van [naam 3] met als titel: "De zieke hond moest uit zijn lijden worden verlost". De inleiding van het artikel, dat mede in overleg met de advocaat van [eisers samen] tot stand was gekomen, luidt:

"Achter de aanslag van juni 2010 op een kantoor in de [straat] en de mislukte moorpoging in Gouda ruim een maand later lijkt een bizar complot te zitten. Langzaam ontvouwt zich een scenario met dubieuze plannen voor goudhandel, zaken met Iran, oplichting, afpersing en intriges".

Voorts staat in het artikel onder meer:

"Getuigen hoorden zondagavond 13 juni 2010 'een oorverdovende knal' in de [buurt] . Een auto spoot met piepende banden weg over de [straat] . In de vrijstaande kantoorvilla op nummer 223 was een granaat ontploft, die grote schade had aangericht in het verlaten pand.

De recherche richtte haar onderzoek allereest op [eiser 2] , mededirecteur van [bedrijf 1] , dat kantoor hield op de begane grond, waar de granaat naar binnen was gegooid, mogelijk door een ingetikt ruitje.

Het duurde een klein kwartaal totdat men in de gaten kreeg dat een verkeerd spoor was gevolgd en dat de aanslag niets met [eiser 1] of [bedrijf 1] van doen had. De kwestie moest in een geheel ander licht worden bezien, werd langzaam duidelijk. Het duurde vervolgens tot januari 2012 totdat de Nationale Recherche zo'n sterke zaak meende te hebben dat ze tot arrestaties kon overgaan.

Cruciaal was de beslissing van de gooier van de handgranaat, [naam 5] , als kroongetuige zijn bizarre verhaal te doen.

De granaat was volgens de spijtoptant gericht tegen advocaat [naam 6] (41) uit [plaats] , die toen op de bovenverdieping van de villa resideerde als partner van Sorko en Swane - een collectief van advocaten en notarissen dat ook een deel van de villa huurt. […]

2.8.

[eiser 1] diende op 5 juli 2012 een klacht tegen Het Parool bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de RvdJ) in over de publicatie van het artikel op internet op 14 juni 2010 (zie 2.5). Het Parool verscheen niet in die tuchtprocedure. De RvdJ bevond de klacht van [eiser 1] gegrond en verzocht Het Parool een samenvatting van de uitspraak op zijn website te publiceren. Dit weigerde Het Parool.

2.9.

Op 5 november 2012 plaatste Het Parool op haar website parool.nl het volgende artikel met als kop: "Vastgoedkantoor [naam 1] in [plaats] te koop":

"Vastgoedmagnaat [naam 1] heeft zijn kantoor aan de [straat] in [plaats] in de verkoop gedaan. Het pand kwam in de zomer van 2010 in het nieuws toen er een handgranaat naar binnen was gegooid. Ook werden de ramen destijds met kogels doorzeefd.

Nu de sporen van de 'aanslag' verdwenen zijn, heeft [naam 1] een prijskaartje van 3,4 miljoen aan het gebouw gehangen. De ruiten van het kantoor zijn vervangen en ook aan de binnenkant van het pand is niets meer van de aangerichte schade te zien, zo meldt Quote.

[naam 1] , bestuurder van VNO - NCW, wordt genoemd in de dagvaarding tegen oud-gedeputeerde van Noord Holland [naam 7] . Zijn bedrijf [bedrijf 1] zou [naam 7] hebben omgekocht. [naam 1] ontkent dit."

2.10.

Op 5 april 2013 werden in het kader van een door onder meer [eisers samen] geëntameerde voorlopig getuigenverhoor [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 1] als getuigen gehoord.

[eiser 1] verklaarde daarbij onder meer:

"U houdt mij voor dat in het webartikel staat dat er een slepend conflict is tussen mij en een wederpartij en dat ik eerder met de dood ben bedreigd en u vraagt mij of dat klopt. Er klopt niets van. Ik ben nog nooit met de dood bedreigd. Ik heb geen vrouw. Mijn partner, [eiser 2] , is ook nooit met de dood bedreigd, voor zover ik weet. Ik heb geen slepende ruzie met een zakenrelatie en ook nooit gehad in deze periode. Slechts één keer in mijn 25-jarige carrière heb ik een conflict gehad over een nota en dat conflict is netjes opgelost. […]

Het is juist dat ik vanaf het moment van de aanslag tot en met de dag erna, 14 juni, niet voortdurend bereikbaar ben geweest. De granaat was in mijn kamer naar binnen gegooid. Dit is gebeurd op 13 juni om half acht ’s avonds. Ik heb in die nacht contact gezocht met een adviseur. Die nacht heb ik weinig geslapen. De volgende ochtend ben ik om 9 uur naar het kantoor gegaan om te spreken met het personeel. Vanaf ongeveer half 12 die ochtend tot een uur of 15 heb ik op het politiebureau gezeten. Het was allemaal erg aangrijpend. Wat ik op mijn telefoon heb kunnen nagaan is dat ik bij mijn weten niet gebeld ben. Het is mijn gewoonte om de mensen die mij bellen op de momenten dat ik niet kan opnemen later terug te bellen. […]

U vraagt mij of ik op enigerlei wijze ben betrokken bij het artikel op de website van 14 juni 2010. Op geen enkele wijze. Er is mij niet om commentaar of wat dan ook gevraagd.

Ik heb een voicemailvoorziening op mijn telefoon. Daar stond geen bericht van Het Parool op. Ik heb ook geen sms-berichten van Het Parool of van [naam 3] ontvangen.

U houdt mij voor dat in het artikel op de website van Het Parool gepubliceerd op 5 november 2012 staat dat ‘de ramen destijds met kogels werden doorzeefd’. Dat klopt niet. Er is geen enkele kogel aangetroffen. Voor dit artikel ben ik niet benaderd voor hoor- en wederhoor door de heer [naam 3] of Het Parool.

Op 20 januari 2012 hoorde ik van de ware toedracht van de granaataanslag. Ik hoorde dat van mijn zakenpartner de heer [naam 1] die dat van de recherche had vernomen.

Toen ik daar van op de hoogte kwam heb ik een gesprek aangevraagd met [naam 8] van het Openbaar Ministerie. Hij leidde het onderzoek in deze zaak. In dat gesprek werd mij duidelijk dat de granaat bestemd was voor een huurder in mijn pand en dat deze huurder dat waarschijnlijk al langer wist. Dat laatste is mijn conclusie. […]

Ik ben de avond van de aanslag gebeld door de politie. Ik ben toen meteen naar Amsterdam gekomen. Mijn eerste reactie was dat ik enorm schrok.

U vraag mij of ik heb nagedacht over van wie die aanslag afkomstig zou kunnen zijn. Natuurlijk. Ik kon er echter geen antwoord op geven. Die avond heeft de politie mij dat niet gevraagd. Van mijn kantoor was er de avond van de aanslag niemand in het pand aanwezig. Ik herinner mij dat [naam 9] ook naar het pand is gegaan nadat de aanslag was gepleegd. Ik heb haar daar kort gesproken. Ik weet niet meer waar het over ging. U vraagt mij of er een conflict besproken is. Nee. U vraagt mij of ik bekend ben met bedreigingen aan de heer en [naam 9] . Nee. Ik weet niet wat u bedoelt met bedreigingen, maar ik ben niet bekend met welke vorm van bedreigingen dan ook.

In een klein kantoor als het onze is de samenwerking met de heer [naam 1] heel nauw. Ik ben niet op de hoogte van de transacties van de heer [naam 1] . Het kan wel, maar het hoeft niet dat ik in het algemeen weet met welke panden hij transacties doet. U vraagt mij of ik weet van conflicten van mijn zakenpartner [naam 1] met klanten. Mijn antwoord is nee. Ik vermeld daarbij dat ik hier specifiek praat over de zaken die zich binnen [bedrijf 1] afspelen. De heer [naam 10] was een relatie van de heer [naam 1] . Hij heeft niets te maken met de gezamenlijke activiteiten van de heer [naam 1] en mij. Ik zal dat toelichten. De vennootschap [bedrijf 1] is van mij en de heer [naam 1] . Wij zijn aandeelhouders en bestuurders van die vennootschap. Van de activiteiten binnen [bedrijf 1] van de heer [naam 1] ben ik in grote lijnen op de hoogte. De heer [naam 10] was niet een van de klanten binnen [bedrijf 1] .

Ik weet wel iets van de contacten van de heer [naam 1] met de heer [naam 10] . Ik weet dat hij de heer [naam 1] niet zo netjes heeft behandeld. Hij stond niet op de goede voet met de heer [naam 10] . U vraagt mij of ik op de hoogte ben van de aard van het conflict tussen [naam 1] en [naam 10] . Nee. Wat ik zo even zei over de relatie tussen de heer [naam 1] en de heer [naam 10] wil ik niet omschrijven als een conflict.

Toen ik het artikel op de website van Het Parool las heb ik geen contact met Het Parool opgenomen. Dat was op uitdrukkelijk verzoek van de recherche. U vraagt mij wie van de recherche mij dit heeft gevraagd. Dat waren onder andere [naam 9] en [naam 11] van de politie. [naam 12] heeft voor het eerst contact opgenomen met Het Parool toen de zaak was opgelost. Het klopt dat ik aan de politie heb verteld dat ik iets aan het artikel wilde doen en dat zij mij hebben aangeraden om even niets te doen. Het komt erop neer dat zij mij voor de duur van het onderzoek hebben geadviseerd om geen enkele actie te ondernemen, dus ook niet tegen Het Parool. […]"

2.11.

[eiser 2] verklaarde op 5 april 2013 onder meer:

"Ik ben op geen enkele wijze benaderd voorafgaand aan de totstandkoming van het artikel op de website van Het Parool op 14 juni 2010. Daarna ook niet.

U vraagt mij of ik bekend ben met een slepende ruzie waar mijn partner, de heer [eiser 1] , bij betrokken zou zijn geweest rondom 14 juni 2010. Het klopt dat de heer [eiser 1] mijn partner is. Ik ben dus niet zijn vrouw. Ik ben niet bekend met een slepende ruzie zoals in het artikel bedoeld. Ik ben nooit met de dood bedreigd. Ik weet ook niet of de heer [eiser 1] ooit bedreigd is, voor zover ik weet niet. […]"

2.12.

[naam 1] verklaarde op 5 april 2013 onder andere:

"Ik ben samen met de heer [eiser 1] eigenaar van [bedrijf 1] Vastgoed. Volgens mij ben ik geen bestuurder van deze vennootschap.

U houdt mij een aantal passages voor uit het webartikel van Het Parool waarin wordt verhaald van de slepende ruzie en de bedreiging van [eiser 1] en zijn vrouw. Dit artikel is 100% onjuist. Binnen de samenwerking met mijn zakenpartner de heer [eiser 1] zijn er geen slepende conflicten. Als ik een slepend conflict zou moeten omschrijven als een dreigend conflict, dan is daar op geen enkele wijze sprake van. Er zijn wel eens de normale zakelijke geschillen die iedereen zakelijk ook heeft, maar daar blijft het bij. Als de heer [eiser 1] en/of zijn vrouw zouden zijn bedreigd, zou ik dat moeten weten. Ik ken hem al ongeveer sinds zijn veertiende levensjaar en ik heb er nooit iets over gehoord of gezien of meegemaakt.

Als u mij vraagt of ik zelf zakelijke conflicten heb waar bedreigingen uit zouden kunnen voortvloeien, dan is mijn antwoord nee. Niet in Nederland en niet daarbuiten. […]

Op het moment van de aanslag zat ik in Houston in de Verenigde Staten. Ik ben de volgende ochtend gebeld door twee journalisten, […]van het Financieele Dagblad en […] van De Telegraaf. Ik heb met hen afgesproken ze later terug te bellen. Ik ben niet door andere journalisten gebeld. Ik heb ook geen voicemailberichten of sms-berichten van de heer [naam 3] of van Het Parool ontvangen. Mijn telefoon heeft wel die functionaliteiten. Mijn telefoon heeft gelet op de hectische omstandigheden voortdurend aan gestaan.

U vraagt mij of het klopt dat het pand met kogels is doorzeefd zoals in het webartikel van Het Parool van 5 november 2012 staat. Nee, dat is absoluut onjuist. Ik heb de zaak die door het OM Yellow Stone werd genoemd op de voet gevolgd. Uit het technisch rechercherapport blijkt dat er een fragmentatiegranaat van Joegoslavische makelij tot ontploffing is gebracht en dat de deeltjes zich in de ruimte, te weten de kamer van de heer [eiser 1] , hebben verspreid. Zolang ik het pand in eigendom heb, dat is sinds 1995, is het nimmer beschoten. […]

U vraagt mij wanneer ik voor het eerst hoorde over de juiste toedracht. […] Ik hoorde op 17 januari 2012 van politieman [naam 11] dat in de zaak Yellow Stone een hele groep was opgepakt inclusief een van onze huurders. Pas toen werd mij duidelijk wat er had gespeeld. Ik heb later van de politie het dossier gekregen. Ik heb dat zorgvuldig bestudeerd tijdens mijn vakantie. In maart 2012 had ik een uitgebreid gesprek met mr. [naam 8] . Hij leidde het strafrechtelijk onderzoek. Bij dat gesprek waren ook de heer [eiser 1] […]. De heer [naam 8] heeft ons uitgebreid ingelicht over het onderzoek en de resultaten daarvan. Men wist al na enkele maanden de exacte toedracht, maar het onderzoek heeft veel langer geduurd. Ik heb de heer [naam 8] tijdens dat gesprek die lange duur verweten, gelet op de impact voor ons hadden de resultaten veel sneller bekend gemaakt kunnen worden. Wij zijn ook nooit gehoord hetgeen ik vreemd vind. Ik vind dat vreemd gelet op de informatie die Het Parool had en in haar webartikel naar buiten heeft gebracht. Ik verwijt het OM dat zij die informatie aan Het Parool hebben verstrekt. Tijdens het gesprek heb ik dat verwijt geuit aan de heer [naam 8] . Hij heeft daarna nader onderzoek laten verrichten rond eventueel lekken van deze informatie. Ik heb later een schriftelijk bericht van hem gekregen dat het onderzoek had uitgewezen dat er geen informatie over ons door politie of justitie aan Het Parool is verstrekt. Hij wist ook niets over doodsbedreigingen aan mij of de heer [eiser 1] . […]

U vraagt mij of ik enig vermoeden heb gehad op dat moment wie zo’n aanslag zou kunnen hebben gepleegd. Nee. Ik had geen enkel idee. Ik heb daar die avond en daarna ook over gesproken met de heer [eiser 1] en mijn vrouw. Ook zij hadden geen flauw benul. Direct na terugkomst uit de Verenigde Staten heb ik geprobeerd met de politie contact te leggen. Dat ging zeer moeizaam. Wij zaten met vragen: wie, waar, waarom en wat kan je nog meer verwachten. De politie wilde eigenlijk niet met ons spreken. Achteraf is me uit het dossier duidelijker geworden waarom. Pas na vier tot zes weken hadden we een gesprek met de politiemensen [naam 1] en [naam 11] , rechercheurs van de [straat] . Later hoorde ik dat ze van de financiële recherche waren. Wat ons bevreemde was dat de politie niet onze verklaringen op wilde nemen. Ten behoeve van dat gesprek hebben de heer [eiser 1] , ik en onze medewerkers een lijstje gemaakt van personen die mogelijk in aanmerking komen. Dit waren in mijn visie geen verdachten, totaal niet. Ik geef u voorbeelden. Op dat lijstje stond iemand die jaren daarvoor mijn auto had gestolen en tegen wie ik als benadeelde partij een vordering had ingediend. Ook stond er op dat lijstje een huurder die eerder op verzoek van ons bedrijf ontruimd was. In verlammende onzekerheid ga je van alles fantaseren over wie er wat mee te maken zou kunnen hebben en omdat we juist geen conflicten hadden. [naam 10] stond ook op dat lijstje. Ik heb nimmer vastgoedtransacties met hem gedaan. Ik heb hem wel eens geld geleend voor de doorstart van een bedrijf dat hij niet heeft terugbetaald. Ik heb dat toen via een advocaat teruggevorderd, dat geld is uiteindelijk ook teruggekomen. [naam 10] […] U vraagt mij of hij mij wel eens heeft bedreigd. Met zijn grote mond uit hij wel eens bedreigende taal, maar ik heb mij nooit bedreigd gevoeld. Toen de veroordeling ten uitvoer gelegd zou worden, lang voor de aanslag, stond hij opeens bij mij thuis voor de deur en zei mij dat ik wat zou meemaken als ik dat door zou laten gaan, of zoiets. Mijn vrouw was toen ook thuis. [naam 10] zegt heel veel tegen anderen, maar vooral niet tegen mij. Hij kwam in die tijd wel vaker bij mij thuis.

U vraagt mij of ik ooit met Het Parool contact heb opgenomen naar aanleiding van de onjuiste berichtgeving op 14 juni 2010. Ik ben weken daarna, wanneer precies weet ik niet meer, een journalist van Het Parool tegengekomen. Ik dacht van de economische sectie, zijn naam weet ik niet meer. Ik heb hem verteld hoe onterecht ik het bericht vond. Hij deelde mij mee dat hij contact met [naam 3] zou opnemen. Ik heb daar niks meer over gehoord.

U vraagt mij of ik weet of de heer [eiser 1] , dan wel mijn vrouw, dan wel mijn vriend, dan wel anderen die avond van de aanslag met de politie hebben gesproken over een mogelijke betrokkenheid van [naam 10] . Nee, dat weet ik niet.

U vraagt mij waarom wij niet eerder dan één jaar en negen maanden na plaatsing van het webartikel contact met Het Parool hebben opgenomen. Vanwege het simpele feit dat we geen bewijs hadden. Het gesprek met de heer [naam 8] vond pas later plaats."

2.13.

Op 12 september 2013 verklaarde officier van justitie [naam 8] (hierna: [naam 8] ) als getuige in het voorlopig getuigenverhoor onder meer:

"Ik ben leider geweest van het strafrechtelijk onderzoek naar de aanslag op de [straat] in juni 2010. Dat was niet vanaf het begin van het onderzoek. […]

U vraagt mij of ik uit hoofde van mijn taak in dit onderzoek de berichtgeving in het artikel van het Parool kan plaatsen. Ik heb kennis genomen van de onderzoeksbevindingen die voor dat ik bij het onderzoek betrokken raakte waren uitgebracht. Ik heb informatie van de politie en van [naam 13] tot mij genomen. Men deelde mij in oktober mee dat het onderzoek vast zat. Ik heb mij voor wat betreft de eerste bevindingen gefocust op de toedracht van de aanslag en niet op de achtergrond of aanleiding daarvan. De kroongetuige deelde mee dat de aanslag niets te maken had met [bedrijf 1] of de heren [eiser 1] of [naam 1] , maar met de heer [naam 2] , advocaat bij Sorko en Swane, die op de eerste verdieping gehuisvest waren.

Ik kan de informatie uit het webartikel plaatsen gelet op enkele bevindingen van de politie ter plaatse op de avond van 13 juni 2010. Na aanleiding van het contact dat ik heb gehad met [naam 12] en zijn cliënten heb ik nader onderzoek verricht. Ik kwam politiemutaties tegen van 13 en 14 juni 2010. Daarin las ik dat er op de avond van de aanslag telefonisch contact is geweest tussen de politie en de heer [naam 1] , die op dat moment in het buitenland verbleef. Ik dacht in Amerika. In de mutaties staat dat [naam 1] toen heeft verklaard dat hij een vermoeden had wie er achter zou kunnen zitten. Er wordt niet vermeld wie dat was. Wel werd verwezen dat dit bekend was bij Bureau Districtsrecherche (BDR).

In de mutaties kwam ik ook tegen een verklaring van de heer [eiser 1] die op de avond van de aanslag met de politie had gesproken. [eiser 1] heeft de politie toen verteld dat er een zakelijk conflict was met [naam 10] . Het betrof een vastgoedtransactie waarin een notaris Van [naam 15] een rol had gespeeld. Die notaris bleek ook ter plaatse geweest te zijn die avond en hij heeft die avond een verklaring afgelegd waarin hij melding maakt van een vastgoedconflict tussen [naam 10] en ik dacht de heer [naam 1] . In die verklaring van de notaris staat ook dat hij dacht dat dit de aanleiding van de aanslag zou kunnen zijn geweest.

Het woord bedreiging komt in de mutaties ook voor. Ik dacht een bedreiging door [naam 10] gericht tegen de heer [naam 1] .

U vraagt mij of ik heb uitgezocht hoe het kan dat informatie uit de mutaties bij het Parool terecht is gekomen. Ik wil voorkomen dat ik de indruk wek dat ik het geringste vermoeden heb of er door de politie gelekt is. Ik heb daarvan geen flauw idee. Op verzoek van [naam 14] , advocaat van [bedrijf 1] , heb ik navraag gedaan of vanuit het OM informatie hierover aan de pers is verstrekt. Ik heb dat nagevraagd bij de afdeling Voorlichting van het parket te Amsterdam. Dat bleek niet het geval. Het behoort niet tot mijn taak zonder redelijk vermoeden te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de politie informatie heeft gelekt. Ik heb dat dus niet onderzocht en zoals gezegd, ik heb ook geen idee of dat is gebeurd.

U vraagt mij of ik heb gelezen in de mutaties dat er sprake was van een slepende ruzie naar aanleiding van een vastgoedtransactie waarbij de heer [eiser 1] betrokken was. Dat weet ik niet meer. Dan zou ik de mutaties terug moeten lezen of de naam van de heer [eiser 1] hierin wordt genoemd. Het kan zijn dat zijn naam werd genoemd. De heer [eiser 1] sprak in de wij-vorm over dat conflict.

U vraagt mij of ik in de mutaties ben tegengekomen dat de heer [eiser 1] en zijn vrouw eerder met de dood zijn bedreigd. Nee, dat ben ik niet tegengekomen.

U vraagt mij wanneer aan [bedrijf 1] , [eiser 1] en [naam 1] is meegedeeld wat de kroongetuige had verklaard. De informatie van 1 september 2010 betrof zogenaamde CIE-informatie. De kluisverklaring van de kroongetuige is afgelegd in oktober 2010. Ik heb aan de heer [naam 1] bij brief van ik meen het najaar 2011 meegedeeld dat hoewel het onderzoek nog niet kon worden opengelegd, het er wel alle schijn van had dat de aanslag niet gericht was tegen [bedrijf 1] of [naam 1] , dan wel [eiser 1] . Na de arrestatie van de verdachten in deze zaak hebben wij in grote lijnen de onderzoeksresultaten aan hen meegedeeld.

U vraagt mij wanneer de deal met de kroongetuige is gesloten. Dat was juni 2011.

U vraagt mij waarom ik niet al voor oktober 2011 informatie heb verstrekt aan de heer [naam 1] . In het belang van het onderzoek heb ik geen enkele mededeling naar buiten kunnen en willen doen. Zo’n onderzoek moet vertrouwelijk blijven tot de dag van de arrestatie. Die vond plaats in januari 2012. Omdat wij wel begrip hadden voor het gevoel van de heer [naam 1] om iets meer duidelijkheid te krijgen hebben we in oktober 2011 in alle voorzichtigheid iets geprobeerd duidelijk te maken. De heer [naam 1] heeft mij laten weten dat hij er in de zakenwereld zwaar op werd aangekeken. Hij had er kennelijk onder te lijden. De toedracht, een aanslag met een granaat op een kantoorpand, leek op een criminele aanslag. Na de deal met de kroongetuige heeft het nog een half jaar geduurd om goed zicht te krijgen op de juistheid van zijn verklaring.

[…]

U vraagt mij of ik dan wel anderen binnen het OM contact hebben gehad met het Parool rondom de datum van publicatie van het webartikel, te weten circa 14 juni 2010. Nee, ik heb zelf geen contact gehad want ik raakte pas later betrokken. Ik weet ook niet of anderen binnen het OM hierover contact hebben gehad."

2.14.

Op 23 september 2013 stuurde [naam 8] delen van de politiemutaties waarnaar hij in zijn getuigenverhoor van 12 september 2013 verwees, naar onder meer de advocaat van Het Parool. In die mutaties staat, voor zover relevant het volgende.

Ten aanzien van het telefonisch contact tussen [naam 1] en de politie op 13 juni 2010 in de avond:

"[…] Eigenaar pand makelaar [naam 1] […] heeft de benedenverdieping. Hem telefonisch gesproken. Hij zat in Amerika. Heeft een vermoeden wie hier achter zit. Bij BDR bekend. […]"

Ten aanzien van het contact tussen de politie en [eiser 1] op 13 juni 2010 's avonds:

"[…] Ter plaatse gesproken met [eiser 1] […] [eiser 1] is directeur van [bedrijf 1] , [eiser 1] is compagnon van Dhr. [naam 1] .

[eiser 1] vertelde over een langlopend conflict met [naam 10] , [rb: volgt telefoonnummer van [naam 10] ] (komt uit telefoon vrouw van dhr. [naam 1] ). Zowel [eiser 1] als dhr. [naam 1] vertelden over een zakelijk conflict met [naam 10] . Twee jaar geleden is [naam 1] bedreigd door [naam 10] (Hiermee is politiebemoeienis geweest, politie Loenen a/d Vecht). E.e.a. heeft te maken met een transactie. […] De notaris die dit alles geregeld heeft is [naam 15] alleen in die transactie is een fout gemaakt. […] Afgelopen woensdag is [naam 15] bedreigd door [naam 10] en is hem gezegd dat hij 180.000 euro moet betalen. […]"

Ten aanzien van de verklaring van Van [naam 15] op 13 juni 2010 in de avond:

"[…] Ik ben Notaris geweest in Amsterdam. In 2008 ben ik betrokken geweest bij een transactie met partijen de heer [naam 1] en de heer Ron [naam 10] . De heer [naam 1] is eigenaar van het pand aan de [straat] . De transactie is kennelijk niet tot tevredenheid verlopen volgens [naam 10] . Deze heeft zijn onvrede in brede kring geventileerd en heeft de heer [naam 1] een jaar of twee geleden thuis bedreigd. Afgelopen dinsdag/woensdag ben ik benaderd door [naam 16] die beweerde namens [naam 10] op te treden. Deze verlangde uitleg van de transactie tussen [naam 1] en [naam 10] . [naam 10] meent geld van [naam 1] te vorderen te hebben. Ik heb uitgelegd dat daarvoor mijns inziens geen grond bestaat. Ik heb sterk het vermoeden dat dit incident verband heeft met het conflict tussen [naam 1] en [naam 10] . […]"

Ten aanzien van de getuigenverklaring van [eiser 1] afgelegd bij de politie op maandagmiddag 14 juni 2010 (V: Vraag verbalisant en A: Antwoord getuige):

"[…] V: Heeft u momenteel zakelijke geschillen met klanten en welke zijn dit?

A: Ik denk dat wij goed bekend sta binnen de vastgoedwereld. Als er geschillen zijn dan proberen wij die altijd op te lossen.

Mijn compagnon heeft een zakelijk geschil met [naam 10] . […]

De notaris die bij de lening betrokken was, [naam 15] , heeft per ongeluk 100 procent van de aandelen op naam van [naam 1] gezet. Sindsdien is de relatie tussen mijn compagnon [naam 1] en [naam 10] ernstig verstoord. Dit is echter ongeveer anderhalf jaar geleden al rechtgezet.

Twee jaar geleden is er een bedreiging geweest van [naam 10] richting [naam 1] . De ruzie tussen [naam 1] en [naam 10] was namelijk geescaleerd over het gebruik van het geleende geld door [naam 10] . […] Toen is er die dreiging geweest dat [naam 10] [naam 1] een kopje kleiner zou maken. [naam 1] heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. […] Die twee, [naam 1] en [naam 10] , liggen elkaar niet echt maar af dit moet leiden tot het gooien van een handgranaat in ons kantoor kan ik echt niet zeggen.

[…] [naam 10] vindt nu, na anderhalf of twee jaar dat de notaris [naam 15] grote schuld had in de fout met de aandelen. Ik heb van [naam 1] vernomen dat zijn accountant, [naam 16] , de notaris [naam 15] had gebeld en tegen hem heeft gezegd je bent ons honderdtachtigduizend euro schuldig. […] Deze aanzegging is vorige week gedaan. Dit is dus nog niet afgelopen.

V: Zijn er nog meer zakelijke geschillen?

A: Momenteel is er een zakelijk geschil. […]

V: Tegen wie denkt u dat de bedreiging/aanslag gericht was?

A: Ik denk zelf niet dat de bedreiging/aanslag tegen ons was gericht. Als dit wel zo zou zijn is het iemand die doorgedraaid is en wij daar geen notie van hebben. [naam 1] is momenteel in de Verenigde Staten. Gezien het gezamenlijk gebruik van het pand met Sorko en Swane is voor mij geheeld onzeker voor wie dit bedoeld kan zijn. […]"

2.15.

Op 22 januari 2014 verklaarde officier van justitie [naam 17] als getuige onder andere:

"[…] U houdt mij voor dat in die CIE informatie wordt gezegd dat de aanslag was bestemd voor advocaat [naam 2] . U vraagt mij of ik informatie aan Het Parool heb verschaft. Mijn antwoord is nee. […] Ik heb noch ten tijde van de aanslag noch later informatie aan de pers gegeven. Een zaaksofficier onderhoudt geen contact met de pers. Mij is ook niet bekend of/dat collega’s van mij informatie aan Het Parool hebben gegeven. […] U vraagt mij of ik contact heb opgenomen met [naam 18] ter voorbereiding op dit verhoor. Ja, ik heb gevraagd wat zij over de zaak wist. […] U vraagt mij of ik haar heb gevraagd of zij contact heeft gehad met Het Parool. Nee dat heb ik haar niet gevraagd. De rechter-commissaris vraagt mij of ik aanleiding heb te veronderstellen dat zij contact heeft gehad met de pers. Ik veronderstel van niet. Alle perscontacten verlopen via de persofficier. De zaaksofficier heeft die contacten niet. Meestal vindt in zo’n pril stadium de persvoorlichting plaats via de politie. […]"

2.16.

Op 20 mei 2015 werde als getuigen gehoord: [naam 18] , officier van justitie, en [naam 19] , politie-inspecteur. [naam 18] verklaarde alleen opdracht te hebben gegeven DNA-sporen veilig te stellen en verder niet bij de zaak betrokken te zijn geweest. [naam 19] verklaarde, voor zover relevant:

"[…] Ik was leidinggevende van de rechercheurs die vanuit de piketdienst waren opgeroepen. […] Als teamleider ging ik zelf ter plaatse daarheen.

[…] Deze zaak zag eruit als een zaak die zich wel liet oplossen op redelijk korte termijn. […]

Op de plaats van het delict werd mij aangereikt dat dit iets te maken kon hebben met de klanten van het vastgoedbedrijf. Daar kwamen we uiteindelijk niet uit. […]De aanleiding om te denken dat de zaak snel zou worden opgelost, was dat wij ter plaatse informatie aangereikt kregen door de heer [eiser 1] . […]

U houdt mij een aantal citaten van het artikel uit het Parool voor en vraagt of ik daar onderzoek naar heb gedaan. U vraagt mij naar een slepende vastgoedaffaire. Ja, daar hebben we onderzoek naar gedaan. Dat lag in het licht van de informatie die we toen kregen. Er was een zakelijke transactie met [naam 10] . Daar was onvrede over. Volgens deze informatie zou dat een mogelijke aanleiding voor de aanslag geweest kunnen zijn.

U vraagt wat het onderzoek heeft opgeleverd. Dit heeft uiteindelijk niets opgeleverd.

U vraagt mij naar het citaat dat [eiser 1] en zijn vrouw eerder met de dood zijn bedreigd. Er staat mij wel iets bij van bedreigingen. Ik kan me niet herinneren dat dat ook ging over de vrouw. […]

Ik weet niet meer of we onderzoek naar bedreigingen hebben gedaan. […]

U vraagt mij naar het artikel in het Parool. Ik heb het artikel toen wel in de krant gelezen, maar niet op het internet. Hetgeen over de onderzoeksrichtingen geschreven was in het krantenartikel, was conform hetgeen waar wij mee bezig waren met ons onderzoek. […]

Ik weet niet hoe de vrouw heette die daar samen met [eiser 1] was. Die mevrouw was in het bezit – meen ik – van het telefoonnummer van [naam 1] . Ik heb geen andere mensen gesproken.

[…]

Wij overleggen over de resultaten van het onderzoek met de officieren en andere opsporingsmensen, maar niet met derden. […]"

2.17.

Op 20 mei 2016 deed Het Parool aangifte van meineed tegen onder andere [naam 1] en [eiser 1] in verband met de door hen in het kader van het voorlopig getuigenverhoor op 5 april 2013 onder ede afgelegde verklaringen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers samen] vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat en zoveel mogelijk in de bewoordingen van de dagvaarding:

A. te verklaren voor recht dat Het Parool inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eisers samen] en daarmee onrechtmatig jegens [eisers samen] heeft gehandeld, althans dat Het Parool jegens [eisers samen] onrechtmatig heeft gehandeld;

Het Parool te veroordelen aan [eisers samen] te vergoeden de schade die zij als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van Het Parool heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat, subsidiair de schade die Het Parool aan [eisers samen] dient te vergoeden op basis van andere in het fundamentum petendi vermelde feitelijke grondslagen en/of op basis van door de rechtbank ambtshalve aan te vullen rechtsgronden -alle in het fundamentum petendi gestelde feiten dienen hiertoe- met (voor zover rechtens vereist), verwijzing naar de schadestaatprocedure, althans Het Parool te veroordelen aan [eisers samen] te vergoeden een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten;

met veroordeling van Het Parool in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser 1] en [eiser 2] voeren hiertoe aan dat de publicatie van de artikelen door Het Parool op 14 juni 2010 zowel op internet als in de krant en/of door het bericht van Het Parool op internet van 5 november 2012 hen in hun eer en goede naam heeft aangetast en in hun persoonlijke levenssfeer heeft geschaad, alsmede dat daardoor een inbreuk op hun persoonlijke integriteit is gemaakt.

Volgens [eisers samen] is het bedrijf [bedrijf 1] ten onrechte in verband gebracht met een conflict over een onroerendgoedtransactie en een slepende ruzie om een vastgoedverkoop. In het artikel in Het Parool van 5 november 2012 staat bovendien dat de ramen van [bedrijf 1] met kogels zijn doorzeefd, hetgeen niet waar is. De situatie wordt hierdoor ten onrechte en ten nadele van [eisers samen] en [bedrijf 1] ernstiger gemaakt dat ze was. De gevolgen van de publicatie van de artikelen door Het Parool hebben [eiser 1] als mede-eigenaar van [bedrijf 1] financieel persoonlijk getroffen. De verdiencapaciteit van [eiser 1] is hierdoor aangetast. Het is onjuist dat [eiser 1] en/of [eiser 2] met de dood zijn bedreigd. Evenmin was [eiser 1] verwikkeld in een slepende ruzie om vastgoedverkoop. Uit de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen blijkt niet dat Vugt zijn artikelen heeft gebaseerd op informatie uit opsporingskringen. De artikelen in Het Parool steunen dus niet op enig bewijs.

3.3.

Het Parool voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Twee maatschappelijke belangen

4.1.

Om te beoordelen of deze vorderingen tegen Het Parool voor toewijzing in aanmerking komen, dient allereerst te worden vastgesteld of de publicaties van Het Parool onrechtmatig zijn tegen [eisers samen] Daarbij gelden de volgende uitgangspunten. Het toewijzen van de vorderingen van [eisers samen] zou neerkomen op een beperking van het recht van Het Parool op vrije meningsuiting, dat is vastgelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Zo'n beperking is alleen toegestaan, als ze is voorzien bij de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van bijvoorbeeld de goede naam of rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake, als de uitingen van Het Parool onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW zijn. Het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waaronder het recht op bescherming van eer of goede naam - in het concrete geval zwaarder weegt, wordt gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en haar vitale rol van publieke waakhond te spelen, en anderzijds op het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij de afweging van belangen speelt voorts een belangrijke rol dat een journalist die zorgvuldigheid dient te betrachten die door de aard en strekking van de publicatie is geboden. Tevens speelt een rol het belang van Het Parool zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit te kunnen laten over misstanden die de samenleving raken. Daarbij geldt dat moet worden gestreefd naar objectieve en evenwichtige berichtgeving. Deze eis van evenwichtigheid brengt met zich dat hoor en wederhoor wordt toegepast. Het belang van Koning c.s. is erin gelegen niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit en/of aan beschuldigingen die geen of onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal vinden. Als ernstige beschuldigingen en/of aantijgingen jegens een bepaalde (rechts)persoon worden gepubliceerd, heeft die beschuldigde het recht hierop te reageren en haar of zijn standpunt hierop te geven.

De artikelen van 14 juni 2010, steun in het feitenmateriaal?

4.2.

[naam 3] stelt dat hij de informatie voor zijn artikelen heeft verkregen uit opsporingskringen. Vaststaat dat de handgranaat is ontploft onder het bureau van [eiser 1] ten kantore van [bedrijf 1] . Voorts blijkt uit de politiemutaties (zie 2.14) dat zowel [eiser 1] als [naam 1] in de avond direct na de bomaanslag tegenover de politie heeft verklaard dat sprake was van een zakelijk conflict met [naam 10] . Dat conflict was actueel, want de accountant van [naam 10] had zich de week daarvoor nog woedend bij de notaris gemeld, aldus de verklaring van notaris Van [naam 15] (zie eveneens 2.14) op de avond van de bomaanslag jegens de politie. Ook blijkt uit de politiemutaties dat [eiser 1] op de avond van de aanslag tegen de politie heeft gezegd dat [naam 1] twee jaar voor de bomaanslag door [naam 10] was bedreigd en dat daarbij politiebemoeienis had plaatsgevonden. Ook de dag na de aanslag meldde [eiser 1] bij zijn verhoor als getuige bij de politie dat er een conflict met [naam 10] was, waarbij [naam 10] had gedreigd [naam 1] een kopje kleiner te maken. Van deze bedreiging door [naam 10] had [naam 1] destijds aangifte bij de politie gedaan (zie 2.14).

4.3.

Dat [eiser 1] vervolgens in het kader van het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat de politie hem de avond van de bomaanslag niet zou hebben gevraagd wie de aanslag kan hebben gepleegd, komt mede in het licht van de politiemutaties en de door [eiser 1] getekende getuigenverklaring afgelegd bij de politie de dag na de aanslag (zie 2.14), onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig voor. Hetzelfde geldt voor zover [eiser 1] als getuige heeft verklaard dat hij de relatie tussen [naam 1] en [naam 10] niet als conflict zou omschrijven. Evenmin komt overtuigend voor dat [naam 1] als getuige heeft verklaard pas vier tot zes weken na de bomaanslag een lijstje met namen te hebben opgesteld waarop ook [naam 10] stond vermeld. Rechercheur [naam 19] heeft als getuige immers verklaard dat hem op de plaats van het delict werd aangereikt dat de aanslag te maken leek te hebben met een conflict van het vastgoedbedrijf. Tenslotte komt ook de verklaring van [naam 1] dat hij zich niet bedreigd heeft gevoeld, in het licht van de verklaring van onder meer [eiser 1] bij de politie op maandagmiddag 14 juni 2010 (zie 2.14), dat [naam 1] aangifte heeft gedaan van bedreiging door [naam 10] bij de politie, niet geloofwaardig voor.

4.4.

In het artikel van maandag 14 juni 2010 in het Parool (zie 2.4) staan geen speculaties over enig verband tussen [eisers samen] en de bomaanslag. Gesteld noch gebleken is dat in dit artikel überhaupt sprake is van enige feitelijke onjuiste mededeling of speculatie, afgezien van de omstandigheid dat [eiser 1] en [eiser 2] niet zijn getrouwd, maar wel partners zijn. Dit laatste acht de rechtbank niet zodanig zwaarwegend dat hierdoor sprake is van een onrechtmatige aantasting van de persoonlijke levenssfeer van [eisers samen] Aldus is onvoldoende gesteld en onderbouwd dat dit artikel onrechtmatig jegens [eisers samen] is.

4.5.

In het gewraakte artikel op de website van Het Parool van maandag 14 juni 2010 (zie 2.5) staat niet als feit, maar als speculatie dat de aanslag waarschijnlijk om een slepende ruzie had plaatsgevonden om een vastgoedverkoop waarin [eiser 1] van [bedrijf 1] was verwikkeld. De berichtgeving is voldoende genuanceerd om duidelijk te maken aan de lezer dat Het Parool de slepende ruzie niet als feit ziet, maar als speculatie presenteert. Dat [naam 3] deze speculatie heeft gebaseerd op wat hij uit opsporingskringen heeft vernomen, is, gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de politiemutaties, heel aannemelijk. In de stellingen van [eisers samen] vindt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om nadere bewijslevering daarvan nodig te achten. Het feit dat Het Parool de identiteit van haar bronnen niet heeft prijsgegeven, is in dit verband dan ook niet relevant, evenmin als de stelling van [eisers samen] dat de bronnen niet bevoegd waren aan de pers mededelingen te doen.

4.6.

In het artikel op de website van Het Parool van 14 juni 2010 staat tenslotte dat [eiser 1] en zijn vrouw met de dood zijn bedreigd. Dit is feitelijk onjuist. Het is niet [eiser 1] , maar [naam 1] die thuis (waar destijds ook zijn echtgenote aanwezig was, aldus de verklaring van [naam 1] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor van 5 april 2013) door [naam 10] is bedreigd. De vraag is of Het Parool dit op basis van het toen beschikbare feitenmateriaal mocht opschrijven. [naam 8] heeft als getuige verklaard dat hij de berichtgeving in Het Parool en op de website van Het Parool van 14 juni 2010 in het kader van de bevindingen van de politie in de avond van 13 juni 2010 kan plaatsen. Het is aannemelijk dat de verwarring mede is ontstaan, doordat de granaat onder het bureau van [eiser 1] is ontploft. Deze naamsverwisseling is – gelet op alle omstandigheden van dit geval waaronder het feit dat [eiser 1] en [naam 1] partners zijn in [bedrijf 1] en de actualiteitswaarde van de bomaanslag voor Het Parool die spoedige plaatsing rechtvaardigde – verschoonbaar. De naamsverwisseling is ook niet een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers samen] dat in dit geval het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, waaronder de eer en goede naam van [eisers samen] , zwaarder zou moeten wegen dan het belang van Het Parool bij uitingsvrijheid.

Hoor en wederhoor

4.7.

Voorts heeft [naam 3] gesteld dat hij de ochtend na de bomaanslag naar het kantoor van [bedrijf 1] is gegaan en is binnengelaten en dat hem vervolgens na de mededeling dat geen mededelingen zouden worden gedaan, is verzocht het pand te verlaten. Ter comparitie van partijen heeft [eiser 1] verklaard dat iemand het kantoor van [bedrijf 1] de ochtend na de bomaanslag heeft bezocht en dat die persoon is meegedeeld dat geen commentaar werd gegeven en hem vriendelijk is verzocht het pand te verlaten. Ook heeft [eiser 1] ter comparitie bevestigd dat hij en [naam 1] hun twee medewerkers die de ochtend na de bomaanslag op kantoor aanwezig waren, hadden opgedragen ook telefonisch geen commentaar te geven. Ook dit strookt met de stelling van [naam 3] dat hij heeft gebeld met het kantoor van [bedrijf 1] , maar dat niemand bereikbaar was voor commentaar. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat Het Parool in onvoldoende mate uitvoering heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor.

Het artikel van 24 maart 2012

4.8.

Het artikel van 24 maart 2012 (zie 2.7) is tot stand gekomen in overleg met de advocaat van [eisers samen] Gesteld noch gebleken is dat de inhoud van dat artikel feitelijk onjuist is. De enkele omstandigheid dat bij dat artikel een foto is geplaatst van het kantoorpand van [bedrijf 1] met een dichtgetimmerd raam, maakt niet dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers samen] Voor zover de vordering van [eisers samen] zich richt tegen dit artikel, zal deze reeds daarom worden afgewezen.

Het artikel van 5 november 2012

4.9.

In dit artikel staat dat de ramen destijds met kogels zijn doorzeefd. Dit is feitelijk onjuist. Het artikel vermeldt echter nergens de naam van [eisers samen] De kop van het artikel vermeldt ook dat het vastgoedkantoor van [naam 1] te koop staat. Weliswaar is dit de zakelijke partner van [eiser 1] , maar dat het artikel [eiser 1] zelf op onrechtmatige wijze in zijn eer en goede naam heeft aangetast, is onvoldoende gesteld en onderbouwd.

Conclusie

4.10.

In het licht van al deze omstandigheden dient het belang van Het Parool bij uitingsvrijheid in dit geval zwaarder te wegen dan het belang van [eiser 1] en [eiser 2] bij bescherming van hun eer en goede naam. Alle vorderingen van [eisers samen] zullen dan ook worden afgewezen.

Tijdverloop

4.11.

Nu de vorderingen van [eisers samen] worden afgewezen, behoeft het beroep van Het Parool op het grote tijdverloop tussen de publicaties en het instellen van de onderhavige vorderingen geen verdere bespreking.

Proceskosten

4.12.

[eisers samen] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Het Parool worden begroot op:

- griffierecht 619,00

- getuigenkosten 0,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.749,00

4.13.

De nakosten zullen worden begroot en toegewezen als hierna volgt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers samen] in de proceskosten, aan de zijde van Het Parool tot op heden begroot op € 1.749,00,

5.3.

veroordeelt [eisers samen] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers samen] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Korthals Altes, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2016.