Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6237

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4551
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

8:86 Awb, urgentieverklaring, duuraanspraak, 8 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 16/4551 (beroep) en AMS 16/5458 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2016 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. W.H. Voogd).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 20 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker daartegen ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Verzoeker is samen met zijn broer ter zitting verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

Verzoeker woont vanaf 1997 bij zijn broer in een woning aan de [adres] in Amsterdam. De woning bevindt zich op de derde verdieping en is uitsluitend per trap bereikbaar. In 2005 is de diagnose schizofrenie gesteld. Verder is verzoeker ernstig visueel gehandicapt. In 2013 heeft verzoeker een hersenbloeding gehad.

2.2

Verzoeker heeft in 2010 op medische gronden verzocht om een urgentieverklaring. Verweerder heeft die aanvraag destijds afgewezen. Weliswaar was er reden voor etagebinding, maar volgens verweerder is verzoeker door zijn psychische en somatische problematiek nauwelijks in staat om zelfstandig te wonen. Het bezwaar van verzoeker hiertegen heeft verweerder ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld.

2.3

Op 19 oktober 2015 heeft verzoeker een nieuwe aanvraag gedaan. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd verzoeker een urgentieverklaring te verstrekken. Verweerder heeft verwezen naar het GGD-advies van 20 januari 2016, waaruit volgt dat verzoeker meerdere beperkingen heeft ten aanzien van het zelfstandig wonen. Er is sprake van een verstandelijke beperking, hij heeft een chronische, psychiatrische ziekte met apathische kenmerken en hij is ernstig slechtziend. Met steun is hij in staat om trappen te lopen. De situatie ten opzichte van die in 2010 is niet verbeterd.

2.4

Hangende het bezwaar heeft de GGD nogmaals een advies uitgebracht. De GGD-arts heeft contact opgenomen met de huisarts. Uit informatie van de huisarts komt naar voren dat verzoeker onvoldoende zelfredzaam wordt geacht om zelfstandig te wonen. Hij wordt nu ook begeleid bij onder meer ADL, financiën en zelfverzorging. Deze situatie bestaat al lang en is de laatste tijd niet wezenlijk veranderd. Het traplopen is wel een toenemend probleem. Gezien zijn beperkingen in met name de zelfverzorging en afhankelijkheid van anderen wordt hij niet in staat geacht zelfstandig te wonen, aldus de GGD.

2.5

Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit met toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder verwezen naar genoemde GGD-adviezen en overwogen dat verzoeker nog steeds niet zelfstandig kan wonen. Zijn medische omstandigheden zijn eerder verslechterd dan verbeterd. Er is dan ook geen sprake van nova, aldus verweerder.

3.1

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak gepubliceerd onder ECLI:NL:RVS:2008:BD5072, vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

3.2

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4. Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn toegenomen, waardoor hij nog heel moeilijk de woning op de derde etage kan verlaten. Hij is in feite gevangen geraakt in zijn eigen woning. Alhoewel zijn [familie] omvangrijk is, kan hij bij niemand in een benedenwoning terecht. Ook begeleid wonen is voor hem geen optie, omdat hij alleen [de taal] spreekt en uitsluitend zijn familie vertrouwt. Verzoeker verwijst naar informatie van zijn behandelend psychiater, waarin wordt vermeld dat verzoeker met hulp van zijn familie zelfstandig kan wonen.

5. De voorzieningenrechter volgt verweerder in het standpunt dat de medische beperkingen van verzoeker ten opzichte van de situatie in 2010 weliswaar zijn toegenomen, maar dat deze niet kunnen afdoen aan de eerdere weigering om hem een urgentieverklaring te verstrekken. Die weigering was immers gebaseerd op de omstandigheid dat verzoeker niet zelfstandig zal kunnen wonen, wat thans gelet op de adviezen van de GGD nog steeds niet mogelijk is. De door verzoeker overgelegde informatie van de psychiater leidt niet tot een ander oordeel. Ook daaruit blijkt immers niet dat verzoeker zelfstandig kan wonen, nu hij zijn familie daarbij nodig heeft. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van nova in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

6. Voor zover verzoeker heeft bedoeld een beroep te doen op de hardheidsclausule, slaagt dit niet. Gelet op het hiervoor weergegeven beoordelingskader, dient de voorzieningenrechter zich te onthouden van een oordeel over het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule door verweerder (zie de onder 3.1 vermelde uitspraak van de Afdeling).

7. Verder heeft verzoeker een beroep gedaan op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) inzake duuraanspraken, in het bijzonder op de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1). Verzoeker heeft gesteld dat het recht op wonen een duurkarakter heeft en dat verzoeker met de afwijzing het permanente recht op zelfstandig wonen wordt ontnomen. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien wat verzoeker wordt ontnomen nu hem geen voorrang wordt gegeven bij de toewijzing van een woning.

8. Tot slot heeft verzoeker een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker behoort gelet op zijn leeftijd van 52 jaar en zijn medische problematiek de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van het privéleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt verzoeker, gelet op het feit dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een nieuwe inhoudelijke toets rechtvaardigen, geen beroep toe op artikel 8 van het EVRM.

9. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep zal beslissen, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Coll: EK