Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:6198

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
13/665311-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft door middel van een babbeltruc tweeëntwintig hoogbejaarde slachtoffers bewogen tot het afgeven van de pincode van hun bankpas, welke bankpas ook tijdens de babbeltruc ontvreemd werd. Vervolgens zijn de meeste slachtoffers kort erna ook door verdachte bestolen, doordat hij met de ontvreemde bankpassen en verkregen pincodes geldbedragen van hun bankrekening heeft opgenomen. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren voor oplichting en diefstal door middel van een valse sleutel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665311-15 (Promis)

Datum uitspraak: 15 september 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1982,

zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2016, 25 augustus 2016 en 1 september 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sondermeijer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.E.J. Torny naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 17 mei 2016 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. oplichting, in vereniging, van personen in de periode van 13 maart 2015 tot en met 3 november 2015 in verschillende plaatsen in Nederland, door zich voor te doen als pakketbezorger waarbij voor ontvangst van een pakket een bedrag moest worden gepind met een (niet werkend) ‘pinapparaat’;

2. diefstal van geldbedragen, toebehorende aan meerdere personen, door middel van een valse sleutel, in vereniging, in de periode van 13 maart 2015 tot en met 3 november 2015 in verschillende plaatsen in Nederland.

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot de ten laste gelegde feiten het volgende af.

Naar aanleiding van overeenkomsten in vier aangiften van een diefstal uit een woning waarbij hoogbejaarden slachtoffer werden van een babbeltruc, werd op 24 juni 2015 onderzoek [onderzoek A] gestart. Bij dit onderzoek is een aantal soortgelijke zaken onderzocht waarbij – over het algemeen genomen – in de ochtend-of middaguren wordt aangebeld bij een woning waar iemand op leeftijd woonachtig is. Bij het openen van de deur maakt een man zich bekend als pakketbezorger en biedt een pakketje aan. Er moet vervolgens een klein bedrag, tussen de één à twee euro, aan portokosten betaald worden. Als de bewoner dit contant wil voldoen, wordt hij of zij er door de man op gewezen dat het alleen mogelijk is door middel van een pinbetaling. De man haalt een klein apparaat tevoorschijn waar de bewoner de bankpas in moet steken of onder moet houden. Vervolgens moet de bewoner één of meerdere keren de pincode intoetsen. In veel gevallen krijgt de bewoner (naar later pas blijkt) in plaats van de eigen bankpas een gelijkende bankpas terug op naam van een ander persoon. Uiteindelijk verlaat de man (soms met een smoes) de woning waarop hij uit het zicht verdwijnt. Vervolgens wordt binnen een (zeer) kort tijdsbestek daarna geld van de rekeningen van de bewoner opgenomen door te pinnen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich (al dan niet tezamen en in vereniging) heeft schuldig gemaakt aan deze oplichtingen en bijbehorende diefstallen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat verdachte op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan worden veroordeeld voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, al dan niet in vereniging. Zij baseert zich daarbij onder meer op de vergelijkbare modus operandi en de bij de verdachte aangetroffen en in beslag genomen goederen die in verband kunnen worden gebracht met de ten laste gelegde feiten, het onderzoek naar de gebruikte telefoon- en IMEI nummers, waarbij de telefoon van verdachte uitpeilt in de directe omgeving van de woning van de aangever en/of de pinlocatie, en enkele DNA-matches. Voorts wijst zij er op dat verdachte op de beelden van enkele pintransacties is herkend en dat de pintransacties vaak plaatsvinden binnen een kort tijdsbestek na de oplichting. Daarnaast is in een aantal gevallen de bankpas van een slachtoffer gebruikt bij de oplichting van een volgend slachtoffer. Tot slot wenst de verdachte geen verklaring af te leggen, terwijl de onderzoeksbevindingen om een nadere uitleg vragen. Dit weegt de officier van justitie in het nadeel van verdachte mee.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze heeft begaan. Zij heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de modus operandi onvoldoende specifiek is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en dat de modus operandi dan ook niet als schakelbewijs kan dienen. Voorts is verdachte niet woonachtig in het huis van zijn ouders, de [adres] te [plaats] , en de kleding en de telefoons die in de woning zijn aangetroffen kunnen dan ook niet aan hem worden toegeschreven. Bovendien verblijven meerdere personen in de woning van de ouders van verdachte en er blijkt niet dat verdachte de desbetreffende telefoons op het moment van het ten laste gelegde in gebruik had. Voorts kan de anonieme melding omtrent de telefoonnummers niet voor het bewijs worden gebezigd. De verklaring van ex-vriendin [persoon 1] kan evenmin voor het bewijs worden gebezigd, nu de getuige onbetrouwbaar is. Mocht de verklaring van de getuige wel voor het bewijs worden gebruikt, dan verzoekt de raadsvrouw om de zaak aan te houden om de getuige te laten horen door de rechter-commissaris. Ten aanzien van de door de aangevers opgegeven signalementen voert de raadsvrouw aan dat deze onvoldoende specifiek zijn. Voorts wijst zij erop dat de zich in het dossier bevindende ‘stills’ van de pintransacties steeds van matige of slechte kwaliteit zijn, waardoor weinig duidelijke gezichts- en lichaamskenmerken waarneembaar zijn. De herkenningen kunnen dan ook niet voor het bewijs gebruikt worden. Ten aanzien van de DNA-matches blijkt uit de processen-verbaal niet hoe de sporen zijn veilig gesteld en/of getransporteerd, besmetting van het materiaal kan dan ook niet worden uitgesloten. Ook kan er sprake zijn van ‘secondary transfer’. Vervolgens heeft zij bepleit dat sprake was van een onrechtmatige binnentreding en doorzoeking op 13 augustus 2015, nu niet blijkt dat er een machtiging is afgegeven door de rechter-commissaris ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) terwijl de woning wel is doorzocht. Dit is een ernstig vormverzuim, op basis waarvan de resultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Tevens is sprake geweest van een structurele observatie op 30 oktober 2015 en 6 november 2015, waarvoor geen bevel door de officier van justitie is afgegeven. Opnieuw is sprake van een vormverzuim ex artikel 359a Sv, wat dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Tot slot wordt door de raadsvrouw betwist dat tot een bewezenverklaring van medeplegen kan worden gekomen, nu geen sprake is van een (voldoende) intellectuele of materiële bijdrage, laat staan van een bijdrage van voldoende gewicht.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde als volgt.

Onrechtmatige doorzoeking

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van een onrechtmatige doorzoeking op 13 augustus 2015. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Op 13 augustus 2015 hebben verbalisanten op grond van artikel 55 Sv de woning op de [adres] te [plaats] betreden, ter aanhouding van verdachte in verband met een openstaande signalering. Het binnentreden is gebeurd met toestemming van de bewoners. Op grond van voornoemd artikel waren de verbalisanten bevoegd tot het betreden van de desbetreffende plaats en het aldaar zoekend rondkijken. De verbalisanten hebben, blijkens het proces-verbaal van bevindingen (met nummer PL1300-2015177259-7, doorgenummerde pag. 41 e.v. van zaaksdossier 17), in een open kast gekeken en zij zagen een tas op een bed liggen. Het aantreffen van de goederen is derhalve het gevolg geweest van zoekend rondkijken door de verbalisanten en niet van een doorzoeking als bedoeld in artikel 96c lid 1 en 2 Sv. Van een ernstig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dan ook geen sprake en al hetgeen naar aanleiding van het zoekend rondkijken als bewijs is vergaard, te weten de schoenen van het merk Phillip Plein, de tas van Beachim Zandvoort en het grijze vest met een doodshoofd op de borst, kan voor het bewijs worden gebezigd. Het verweer wordt verworpen.

Stelselmatige observaties

De verdediging heeft bepleit dat tot tweemaal toe sprake is geweest van een stelselmatige observatie. De rechtbank verwerpt dit verweer. Op basis van vaste jurisprudentie is van een stelselmatige observatie pas sprake als er een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte wordt gemaakt. Of dit het geval is, hangt volgens de Hoge Raad af van een aantal omstandigheden, zoals de duur, de intensiteit, de plaats, het doel van de observaties en de wijze waarop deze hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de observaties op 30 oktober 2015 en 7 november 2015 leidt de rechtbank uit de stukken af dat verdachte gedurende korte tijd is gevolgd op twee verschillende dagen en dat daarbij incidenteel foto’s zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van deze observaties derhalve niet kan worden gesteld dat een min of meer volledig aspect van het leven van verdachte in kaart is gebracht. Er kan dan ook niet worden gesproken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en derhalve is geen sprake van een stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv. Een machtiging van de officier van justitie was dan ook niet vereist.

Telecom

De raadsvrouw heeft betwist dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] aan verdachte toebehoren. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit onderzoek1 is gebleken dat beide telefoonnummers in gebruik zijn bij dezelfde gebruiker en dat de gebruiker verdachte is. Dit blijkt onder meer uit de 23 gemeenschappelijke telefoonnummers waarnaar is gebeld (tegennummers) en hetzelfde gebied waar de telefoons uitpeilen. Uit het onderzoek naar de nummers die zijn gebeld met beide mobiele telefoonnummers blijkt namelijk dat er contact was met de telefoonnummers in gebruik bij de (ex)vriendin, de broer en de schoonzus van verdachte. Dat verdachte de gebruiker is van beide telefoonnummers, wordt bovendien ondersteund door de getuigenverklaring van [persoon 1] , die uit zichzelf verklaart dat beide telefoonnummers aan hem toebehoren.

Uit de zendmastgegevens is verder gebleken dat beide telefoonnummers bovengemiddeld vaak paallocaties in de buurt van de woning van de ouders van verdachte, aan de [adres] te [plaats] , aanstralen. Bij de doorzoeking van de woning op de [adres] te [plaats] op 10 november 2015, is een mobiele telefoon aangetroffen met het IMEI-nummer [nummer 1] , voorzien van een simkaart gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Voorts is bij de doorzoeking ook een mobiele telefoon aangetroffen met het IMEI nummer [nummer 2] . Uit het onderzoek naar de historische verkeersgegevens, blijkt dat telefoonnummer [telefoonnummer 2] in de telefoon met IMEI-nummer [nummer 2] heeft gezeten.

De verdediging heeft nog betwist dat verdachte woonachtig is op bovengenoemd adres en dat de aangetroffen telefoons en/of IMEI-nummers dan ook niet aan hem toebehoren. Echter heeft de verdachte zelf bevestigd dat hij in ieder geval met enige regelmaat op dit adres verblijft. Dat verdachte op dit adres verblijft wordt tevens bevestigd door de observaties.

Kortom, het bovenstaande maakt voldoende aannemelijk dat verdachte de gebruiker is van beide telefoonnummers.

Voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw

Met betrekking tot het door de raadsvrouw gedane voorwaardelijke getuigenverzoek is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Gelet op hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, is de noodzaak van het horen van de getuige [persoon 1] niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de getuige dan ook af.

Pintransacties en herkenning camerabeelden

Naast de telecomgegevens biedt het dossier in verscheidene zaaksdossiers nog andere aanknopingspunten voor de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten. In vrijwel alle zaken is met behulp van een gestolen pinpas en de daarbij behorende, via een babbeltruc verkregen, pincode, geld opgenomen van de bankrekening van de aangever. Deze diefstallen zijn onder 2 ten laste gelegd. Opvallend is dat de pintransacties vaak hebben plaatsgevonden binnen een (zeer) kort tijdsbestek na het babbeltrucgesprek. Dit duidt op de betrokkenheid van de persoon die het babbeltrucgesprek heeft gevoerd bij het pinnen.

Van de meeste van de onder 2 ten laste gelegde begrepen pintransacties zijn camerabeelden verkregen (zaaksdossiers 1, 5, 9, 11, 13, 15, 17, 19, 23, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 36, 38 en 39). Het dossier bevat prints van deze beelden. Verbalisanten hebben gerelateerd dat zij op de camerabeelden van de pintransacties de persoon die voor de pinautomaat staat herkennen als verdachte, dan wel dat deze persoon grote gelijkenis met verdachte vertoont. De raadsvrouw heeft bepleit dat de ‘stills’ in de verschillende zaaks dossiers onvoldoende duidelijk zijn om tot een herkenning te komen en dat de herkenning van verdachte voorts onvoldoende is gespecificeerd.

De rechtbank heeft de ‘stills’ van de camerabeelden bekeken en is van oordeel dat de voor de herkenning gebezigde camerabeelden en ‘stills’ voldoende helder en duidelijk zijn om daarop een persoon, alsmede bepaalde kenmerken van diens gelaat en kleding, waar te nemen en te onderscheiden. Voorts geldt dat de verbalisanten verdachte voor honderd procent herkennen en zij beschikken vanuit hun functies ook over bepaalde kennis ten aanzien van verdachte. Zo is verbalisant [verbalisant 1] , die verantwoordelijk is voor de meeste herkenningen in de verschillende zaaksdossiers, reeds tien jaar werkzaam in het werkgebied August Allebeplein te Amsterdam, waardoor hij ambtshalve bekend is met de persoon van verdachte. Hetzelfde geldt voor verbalisant [verbalisant 2] . Ook andere verbalisanten, zoals [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hebben verdachte meerdere malen gezien en/of gesproken. In de verschillende zaaksdossiers heeft de desbetreffende verbalisant ook beschreven op basis van welke specifieke lichaamskenmerken hij/zij verdachte en/of zijn kleding op het beeldmateriaal heeft herkend. De genoemde kenmerken, die naar het oordeel van de rechtbank voldoende specifiek en onderscheidend zijn, komen voor een belangrijk deel overeen of overlappen elkaar. Uit de diverse zaaksdossiers blijkt ook dat de verdachte kleding droeg die grote overeenkomsten vertoont met de kleding die bij de doorzoeking in de woning zijn aangetroffen. Hiertoe behoren onder meer een geruite/geblokte jas en een zwartkleurig Adidas-jack. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ambtshalve herkenningen.

Met betrekking tot de door de aangevers opgegeven signalementen van de man die hen heeft opgelicht, overweegt de rechtbank dat deze niet altijd even specifiek zijn, maar dat deze verdachte ook zeker niet uitsluiten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, na de verdachte ook op zitting te hebben gezien en gehoord, het niet onaannemelijk is dat de aangevers, mede gelet op hun hogere leeftijd, verdachtes uiterlijk als licht getint of blank hebben omschreven. Hetzelfde geldt met betrekking tot de spraak van verdachte, accentloos of met een (licht) accent.

De rechtbank heeft de – ter zitting aanwezige – verdachte zelf ook ambtshalve herkend op meerdere ‘stills’ in de zaaksdossiers 5, 13, 15, 28, 28, 29, 31 en 38. Zowel qua gelaatstrekken als qua kleding ziet de rechtbank in deze zaken meerdere overeenkomsten met de persoon van verdachte. Zo komt in een aantal zaaksdossiers de geruite/geblokte jas van verdachte in beeld en in de zaaksdossiers 9, 13, 15, 28 en 38 komt steeds dezelfde grijskleurige leren jas terug.

Voornoemde herkenningen dienen te worden bezien in combinatie met de vaststelling dat de telefoon van verdachte vaak een zendmast aanstraalt in de directe omgeving van zowel de locatie van de oplichting als de locatie van de pinautomaten waar wordt gepind. Dit betreft niet slechts locaties in de regio Amsterdam, maar ook locaties in andere delen van het land, waarvan het – zonder een nadere verklaring van verdachte, die ontbreekt – niet zonder meer verklaarbaar is dat verdachte zich op die plekken begeeft.

Omgewisselde pinpassen

Voorts blijkt de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten uit het gegeven dat de door middel van oplichting weggenomen pinpas uit het ene zaaksdossier wordt omgewisseld bij een aangever in een ander zaaksdossier. Dit is van toepassing in de zaaksdossier 5, 8, 11, 12, 13, 15, 16, 17, 23, 25, 28, 30, 32, 35, 36 en 38. Zo wordt de bankpas van aangeefster [persoon 2] in zaaksdossier 12 verwisseld voor een onbruikbare pas. De weggenomen pas van [persoon 2] wordt daarna aangetroffen bij aangeefster [persoon 3] in zaaksdossier 14 en de pinpas van [persoon 3] wordt weer achter gelaten bij aangeefster [persoon 4] in zaaksdossier 15.

Bovendien kan de betrokkenheid van verdachte worden vastgesteld in de zaken waarin verdachte niet is herkend, doordat de weggenomen pinpas uit die zaak weer is achtergelaten in een ander zaaksdossier, waarin de verdachte wel wordt herkend. Zo is de pinpas uit zaaksdossier 14 – waar geen camerabeelden en herkenning aanwezig zijn – achter gelaten in zaaksdossier 15. In zaaksdossier 15 zijn camerabeelden voorhanden waarop de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] is herkend. De in zaaksdossiers 14 en 15 ten laste gelegde feiten zijn op dezelfde dag gepleegd, te weten op 31 juli 2015. Bij de aangeefster in zaaksdossier 16 is de pinpas aangetroffen van de aangeefster uit zaaksdossier 11. In zaaksdossier 11 is verdachte herkend door een verbalisant. In zaaksdossier 12 zijn ook geen camerabeelden voorhanden, maar de pinpas uit zaaksdossier 12 is achter gelaten bij aangeefster in zaaksdossier 13. De delicten in zaaksdossiers 12 en 13 zijn beide op 29 juli 2015 gepleegd. De pinpas die is buitgemaakt in zaaksdossier 13 is weer achtergelaten bij de aangever in zaaksdossier 17, waarin verdachte weer door een verbalisant wordt herkend. Tot slot is de pinpas uit zaaksdossier 30 achtergelaten in zaaksdossier 31. In zaaksdossier 31 is verdachte niet alleen herkend op de camerabeelden, maar is ook zijn DNA op de pinpas aangetroffen.

DNA-matches

Zoals zojuist reeds is benoemd zijn op een aantal inbeslaggenomen bankpassen, die zijn gebruikt bij de oplichtingen, DNA sporen aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van verdachte. Dit betreft de zaaksdossiers 34 (DNA spoor op pas afkomstig uit zaak 32) en 35 (DNA spoor op pas afkomstig uit zaaksdossier 31). De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat besmetting van het materiaal niet kan worden uitgesloten en/of dat sprake is geweest van ‘secondary transfer’. Allereerst kan worden vast gesteld dat in de processen-verbaal van sporenonderzoek in voornoemde zaaksdossiers is opgenomen dat de sporen/sporendragers zijn veilig gesteld en gewaarmerkt met de daarvoor bestemde (hulp)middelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en is dan ook van oordeel dat niet blijkt dat besmetting van het materiaal heeft plaatsgevonden. Dat sprake is geweest van een indirect spoor ofwel via ‘secondary transfer’, is – mede gezien het vorengaande – niet waarschijnlijk. De verdediging heeft ook geen reële alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van het spoor van verdachte op de bankpassen aangedragen of aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat het DNA-spoor is aangetroffen op bankpassen die zijn gebruikt bij diverse oplichtingen. Het ligt niet in de rede dat een ander dan de pleger van de oplichting een dergelijk spoor op die passen zou hebben achtergelaten. Het verweer wordt verworpen.

Pintransacties zonder camerabeelden

In een aantal zaaksdossiers (8 en 29) zijn met een weggenomen bankpas pintransacties gedaan waarvan geen camerabeelden zijn. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze transacties dat deze aan verdachte kunnen worden toegerekend, nu deze pintransacties binnen een kort tijdsbestek plaatsvinden na/voor een andere transactie waarvan wel camerabeelden voorhanden zijn waarop de verdachte is herkend. Ten aanzien van zaaksdossier 8 geldt bovendien dat verdachte op beelden wordt herkend terwijl hij enkele dagen na de babbeltruc gebruik maakt van een kort na deze babbeltruc met behulp van de bankpas van het slachtoffer opgeladen OV-chipkaart.

Confrontatie

De verdachte is bij de politie geconfronteerd met de pintransacties, alsmede met foto’s van de camerabeelden van de transacties. De rechtbank heeft verdachte ook geconfronteerd met de omstandigheid dat deze pintransacties hebben plaatsgevonden binnen een kort tijdsbestek na de oplichting, waarbij is gepind van de rekening van de opgelichte personen en met de herkenning van verdachte als degene die aan het pinnen was. De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen en op vragen van de rechtbank ter terechtzitting van 25 augustus 2016 heeft verdachte verklaard dat hij zichzelf niet heeft herkend op de bij de politie getoonde foto’s. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voornoemde onderzoeksbevindingen in onderling verband beschouwd, sprake is van een situatie die om uitleg van verdachte vraagt. Verdachte kiest er echter voor om geen opheldering van zaken te geven.

Ontbrekende transactieoverzichten

De raadsvrouw heeft bepleit dat in een aantal aangiftes de transactieoverzichten ontbreken, waardoor het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. De rechtbank overweegt dat het niet noodzakelijk is dat een dergelijk overzicht wordt overgelegd naast de aangifte. Het verweer van de raadsvrouw wordt om die reden verworpen.

Tezamen en in vereniging

Vervolgens is aan de orde de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten samen met een ander of anderen heeft gepleegd dan wel alleen. Met uitzondering van zaaksdossier 1, is ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Onvoldoende is in dat verband dat de telefoon van verdachte vaak uitpeilt samen met de telefoon van een ander persoon, genaamd [persoon 5] , en dat er ten tijde van de delicten soms telefonisch contact is tussen verdachte en deze [persoon 5] . Het medeplegen in deze zaaksdossiers kan dan ook niet worden bewezen.

Zoals hiervoor reeds aangehaald ligt dit anders voor zaaksdossier 1, want uit de aangifte blijkt dat er bij de aangeefster twee mannen aan haar huis zijn geweest, van wie mag worden aangenomen dat zij samenwerkten, nu NN1 de pinpas heeft meegenomen en omgewisseld, terwijl NN2 ondertussen de aangeefster afleidde. Beide mannen hebben haar woning ook tezamen verlaten. In dit geval is derhalve sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander en dus van medeplegen.

Partiële vrijspraak

Ten aanzien van zaaksdossier 8

In zaaksdossier 8 is de pinpas van aangeefster [persoon 6] onder meer gebruikt bij een pinbetaling bij een Grieks restaurant te Purmerend. De eigenaresse van voornoemd Grieks restaurant, [persoon 7] , beschrijft de man die de reservering in het restaurant heeft betaald als zijnde getint, met een donkere huidskleur, tussen de 40 en 55 jaar oud, met een normaal postuur, ongeveer 1.65 meter lang, met zwarte ogen en met kort wit/grijs haar met een kale plek aan de achterzijde van zijn hoofd. Dit is een dermate ander signalement dan de uiterlijke verschijning van verdachte, dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte € 2.000,- heeft gepind. Verdachte wordt in zoverre partieel vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van zaaksdossier 39

De rechtbank is van oordeel dat zaaksdossier 39 weliswaar aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting, maar dat [persoon 8] in de tenlastelegging staat genoemd als diegene die zou zijn opgelicht, terwijl uit het dossier naar voren komt dat het [persoon 9] is die is opgelicht. Verdachte wordt in zoverre – partieel – vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 met betrekking tot de zaaksdossiers 1, 5, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 23, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 34, 35, 36 en 38 ten laste gelegde oplichtingen.

De rechtbank acht tevens op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 met betrekking tot de 1, 5, 8, 9, 11, 13, 15, 16, 17, 19, 23, 25, 28, 29, 30, 31, 32, 35, 36, 38 en 39 ten laste gelegde diefstallen van geldbedragen met behulp van een valse sleutel.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II van dit vonnis opgenomen vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

op tijdstippen in de periode van 13 maart 2015 tot en met 3 november 2015 te Amsterdam en Beverwijk en Zwaag en Hoorn en Zaandam en Amstelveen en Purmerend en Den Haag en Heiloo en Utrecht en Haarlem en Nieuwegein en Amersfoort, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

- ( ZD 5) [persoon 10] en

- ( ZD 8) [persoon 6] en

- ( ZD 11) [persoon 11] en

- ( ZD 12) [persoon 2] en

- ( ZD 13) [persoon 12] en

- ( ZD 14) [persoon 3] en

- ( ZD 15) [persoon 4] en

- ( ZD 16) [persoon 13] en

- ( ZD 17) [persoon 14] en

- ( ZD 19) [persoon 15] en

- ( ZD 23) [persoon 16] en

- ( ZD 25) [persoon 17] en

- ( ZD 28) [persoon 18] en

- ( ZD 29) [persoon 19] en

- ( ZD 30) [persoon 20] en

- ( ZD 31) [persoon 21] en

- ( ZD 32) [persoon 22] en

- ( ZD 34) [persoon 23] en

- ( ZD 35) [persoon 24] en

- ( ZD 36) [persoon 25] en

- ( ZD 38) [persoon 26] ,

heeft bewogen tot de afgifte van zijn/haar pincode, hebbende verdachte telkens met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid onder meer:

-zich voorgedaan als pakketbezorger en

-voornoemde personen voor ontvangst van een pakket de pincode laten invoeren/intoetsen op een apparaatje of kastje,

waardoor voornoemde personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en

op 13 maart 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

(ZD 1) [persoon 27] heeft bewogen tot de afgifte van haar pincode, hebbende verdachte en zijn mededader met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

-zich voorgedaan als pakketbezorger en

-voornoemde persoon voor ontvangst van een pakket de pincode laten intoetsen op een apparaatje, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

op tijdstippen in de periode van 13 maart 2015 tot en met 3 november 2015 te Amsterdam en Beverwijk en Zwaag en Hoorn en Zaandam en Amstelveen en Purmerend en Den Haag en Heiloo en Utrecht en Haarlem en Nieuwegein en Amersfoort, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- ( ZD 1) op 13 maart 2015 een geldbedrag van in totaal 170 euro, toebehorende aan [persoon 28] en

- ( ZD 5) op 28 mei 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250,00 euro, toebehorende aan [persoon 10] en

- ( ZD 8) op 12 juni 2015 een geldbedrag van in totaal 1.270,50 euro, toebehorende aan [persoon 6] en

- ( ZD 9) op 23 juni 2015 een geldbedrag van in totaal 1.200 euro, toebehorende aan [persoon 29] en

- ( ZD 11) op 23 juli 2015 een geldbedrag van in totaal 902,00 euro, toebehorende aan [persoon 11] en

- ( ZD 13) op 29 juli 2015 een geldbedrag van in totaal 630 euro, toebehorende aan [persoon 12] en

- ( ZD 15) op 31 juli 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250,12 euro, toebehorende aan [persoon 4] en

- ( ZD 16) op 4 augustus 2015 een geldbedrag van in totaal 500 euro, toebehorende aan [persoon 13] en

- ( ZD 17) op 6 augustus 2015 een geldbedrag van in totaal ongeveer 3.900 euro, toebehorende aan [persoon 14] en

- ( ZD 19) op 11 augustus 2015 een geldbedrag van in totaal 500,00 euro, toebehorende aan [persoon 15] en

- ( ZD 23) op 7 september 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250 euro, toebehorende aan [persoon 16] en

- ( ZD 25) in de periode van 16 oktober 2015 tot en met 19 oktober 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250 euro, toebehorende aan [persoon 17] en

- ( ZD 28) op 22 oktober 2015 een geldbedrag van in totaal 1.000 euro, toebehorende aan [persoon 18] en

- ( ZD 29) in de periode van 7 oktober 2015 tot en met 9 oktober 2015 een geldbedrag van in totaal ongeveer 1.072,60 euro, toebehorende aan [persoon 19] en

- ( ZD 30) op 22 oktober 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250 euro, toebehorende aan [persoon 20] en

- ( ZD 31) op 26 oktober 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250 euro, toebehorende aan [persoon 32] en

- ( ZD 32) op 27 oktober 2015 een geldbedrag van in totaal 4.400 euro, toebehorende aan [persoon 22] en

- ( ZD 35) op 3 november 2015 een geldbedrag van in totaal 640 euro, toebehorende aan [persoon 24] en

- ( ZD 36) op 3 november 2015 een geldbedrag van in totaal ongeveer 2.140,29 euro, toebehorende aan [persoon 25] en

- ( ZD 38) op 19 augustus 2015 een geldbedrag van in totaal 760 euro, toebehorende aan [persoon 26] en

- ( ZD 39) op 21 augustus 2015 een geldbedrag van in totaal 1.250 euro, toebehorende aan [persoon 9] ,

waarbij verdachte de weg te nemen geldbedragen telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van telkens een valse sleutel, immers heeft verdachte telkens een pinpas die niet op zijn, verdachtes, naam was gesteld, telkens in geld-/pin-/betaalautomaten gestoken en telkens een aan de rechtmatige houder van die pas opgegeven pincode in getoetst en telkens met behulp van die pinpas en pincode geld weggenomen van telkens de houder van de rekening.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.

Ten aanzien van het beslag dienen de voorwerpen van de beslaglijst onder 1, 2, 3 en 4 te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De voorwerpen genoemd onder 32, 33, 34, 35 en 42 moeten verbeurd worden verklaard. De voorwerpen onder 36, 37, 38, 39, 40 en 41 moeten aan de uitkerende instantie worden geretourneerd.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [persoon 27] , [persoon 12] , [persoon 24] en [persoon 30] heeft zij gevorderd dat deze integraal dienen te worden toegewezen. De vordering van benadeelde [persoon 15] dient te worden toegewezen voor het bedrag van € 650,- en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering van benadeelde ING Bank N.V. dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 17.010,79 en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. De vordering van benadeelde [persoon 31] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie vordert dat ten aanzien van voornoemde benadeelde partijen tevens de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de door de officier van justitie geëiste straf te matigen. Voorts heeft zij verzocht dat geen rekening wordt gehouden met de eerdere veroordeling van verdachte uit 2006, nu dit een zaak betreft van geruime tijd geleden.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft zij bepleit dat deze niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de vordering van [persoon 30] heeft zij subsidiair bepleit om de vordering te matigen.

Ten aanzien van het beslag refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in de periode van 13 maart 2015 tot en met 3 november 2015 van tweeëntwintig meest hoogbejaarde slachtoffers de pincode afhandig gemaakt door middel van het gebruik van een zogenaamde babbeltruc. Verdachte heeft zich daarbij uitgegeven als pakketbezorger en heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij in die hoedanigheid van de slachtoffers wist te winnen. Met een listig verhaal heeft hij de slachtoffers daarbij bewogen tot het afgeven van de pincode van hun bankpas, welke bankpas ook tijdens de babbeltruc ontvreemd werd. Vervolgens zijn de meeste slachtoffers (eenentwintig in totaal) kort erna ook door verdachte bestolen, doordat hij met de ontvreemde bankpassen en verkregen pincodes (aanzienlijke) bedragen van hun bankrekening heeft opgenomen, waardoor verdachte zich tevens heeft schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. Dit zijn op zichzelf reeds ernstige feiten, die naast (financiële) schade vaak veel overlast en gevoelens van onmacht bij de gedupeerden teweeg brengen. Daarbij komt dat verdachte bij het plegen van deze feiten kennelijk doelbewust, stelselmatig, en op doordachte wijze ouderen, behorend tot een bijzonder kwetsbare doelgroep, als slachtoffer heeft uitgekozen. Verdachte heeft hierbij slechts uit eigen financieel gewin gehandeld, zonder zich te bekommeren om de uitwerking van zijn handelen op – juist – deze slachtoffers. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de door verschillende slachtoffers ingevulde schadeformulieren volgt dat verdachte door zijn handelen het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens, van wie ouderen in toenemende mate afhankelijk zijn, in ernstige mate heeft geschaad. Tevens neemt de rechtbank in beschouwing dat de oplichting bij de slachtoffers thuis heeft plaatsgevonden, waardoor verdachte bij de slachtoffers het gevoel van veiligheid in en rond hun huis ernstig heeft aangetast. Feiten als deze worden aangeduid als ‘high impact crimes’ vanwege het gegeven dat ze tot ergernis en verontwaardiging in de samenleving leiden en tot grote onrust onder ouderen in het algemeen, maar zeker bij de slachtoffers in het bijzonder, nu meerdere van hen enorm overstuur waren bij het doen van hun aangifte en een van hen zelfs is opgenomen met een psychose, kennelijk het gevolg van het handelen van verdachte.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

28 juni 2016 eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld, hetgeen de rechtbank in haar beoordeling betrekt. Kennelijk is bij verdachte het onwenselijke van zijn handelen nog niet doorgedrongen.

Gelet op de ernst van de feiten, de duur van de feiten, die zich in ieder geval over de periode van maart tot en met november 2015 heeft uitgestrekt, de rol die verdachte daarbij verweten wordt en de mate van veronachtzaming van de belangen van de slachtoffers door verdachte, komt alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Nummer Voorwerpen

1 1.00 STK Ring

zilveren ring 5083215

2 1.00 STK Ring

zilveren ring 5083216

3 1.00 STK Armband

parelarmband 5083217

4 1.00 STK Horloge

5083218

32 1.00 STK Doos

ROYAUMS

5083219; lege schoenendoos

33 1.00 STK Beker

glazen drinkbeker

34 1.00 STK Verpakkingsmateriaal

5069220

35 1.00 STK Verpakkingsmateriaal

5069221

36 1.00 STK Pas

ABN AMRO

5069223

37 1.00 STK Bankpas

ING

5084455 op naam van [naam]

38 1.00 STK Bankpas

ING

5084496 op naam van [persoon 17]

39 1.00 STK Bankpas

ING

5086679 op naam van [persoon 33]

40 1.00 STK Bankpas

ABN AMRO

5118393

41 1.00 STK Bankpas

ING

5067872 op naam van [persoon 34]

42 1.00 STK Navigator K1:zwart

TOM TOM LIVE

5081341

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De inbeslaggenomen voorwerpen onder 1, 2, 3 en 4 dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Verbeurdverklaring

De voorwerpen onder 32, 33, 34, 35 en 42 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van die voorwerpen het onder 1 en/of 2 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Teruggave

De inbeslaggenomen voorwerpen onder 36, 37, 38, 39, 40 en 41 dienen te worden teruggegeven aan de uitkerende instantie.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 27]

De benadeelde partij [persoon 27] vordert € 170,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voorts levert de behandeling van de materiële schadevergoeding – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voldoende concreet is onderbouwd met een rekeningafschrift. De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, te weten een bedrag van € 170,00 (honderdzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 27] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 170,00 (honderdzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 12]

De benadeelde partij [persoon 12] vordert € 150,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voorts levert de behandeling van de materiële schadevergoeding – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voldoende concreet is onderbouwd met een rekeningafschrift. De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, te weten een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 12] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 15]

De benadeelde partij [persoon 15] vordert in totaal € 1.150,00, bestaande uit

€ 150,00 aan materiële schadevergoeding en € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreekse schade is toegebracht. De behandeling van de materiële schadevergoeding levert – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voldoende concreet is onderbouwd met een rekeningafschrift. De materiële schadevergoeding zal derhalve voor het bedrag van € 150,00 worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering zal daarom in totaal worden toegewezen voor het bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 15] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 en 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 30]

De benadeelde partij [persoon 30] vordert € 150,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voorts levert de behandeling van de materiële schadevergoeding – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voldoende concreet is onderbouwd met een rekeningafschrift. De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, te weten een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 30] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 24]

De benadeelde partij [persoon 24] vordert € 150,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voorts levert de behandeling van de materiële schadevergoeding – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voldoende concreet is onderbouwd met een rekeningafschrift. De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, te weten een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 24] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 31]

De benadeelde partij [persoon 31] vordert € 1.250,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voorts levert de behandeling van de materiële schadevergoeding – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering voldoende concreet is onderbouwd met een rekeningafschrift. De vordering zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, te weten een bedrag van € 1.250,00 (twaalfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 31] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.250,00 (twaalfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij ING Bank N.V.

De benadeelde partij ING Bank N.V. vordert € 25.646,19 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Voorts levert de behandeling van de materiële schadevergoeding – naar het oordeel van de rechtbank – niet een onevenredige belasting van het strafgeding op. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat alleen de bedragen voor vergoeding in aanmerking komen in de zaken waarin de slachtoffers een ING-rekening hadden. Van dit bedrag moet het eigen risico van de ING-klanten nog worden afgetrokken. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat de ING Bank onderzoekskosten heeft gemaakt. De vordering zal derhalve voor het bedrag van € 17.010,79 worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering zal kortom voor het bedrag van € 17.010,79 (zeventienduizendentien euro en negenenzeventig cent) worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd tot aan de dag van de algehele voldoening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Oplichting, meermalen gepleegd

en

medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

  • -

    voorwerp 32, zijnde een doos vallende onder goednummer 5083219;

  • -

    voorwerp 33, zijnde een drinkbeker, goednummer onbekend;

  • -

    voorwerp 34, zijnde verpakkingsmateriaal vallende onder goednummer 5083220;

  • -

    voorwerp 35, zijnde verpakkingsmateriaal vallende onder goednummer 5083221;

  • -

    voorwerp 42, zijnde een tomtom vallende onder goednummer 5081341.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  • -

    voorwerp 1, zijnde een ring vallende onder goednummer 5083215;

  • -

    voorwerp 2, zijnde een ring vallende onder goednummer 5083216;

  • -

    voorwerp 3, zijnde een armband vallende goednummer 5083217;

  • -

    voorwerp 4, zijnde een horloge vallende onder goednummer 5083218.

Gelast de teruggave aan de uitkerende instantie van:

  • -

    voorwerp 36, zijnde een ABN Amro pas vallende onder goednummer 5069223;

  • -

    voorwerp 37, zijnde een ING bankpas vallende onder goednummer 5084455;

  • -

    voorwerp 38, zijnde een ING bankpas vallende goednummer 5084496;

  • -

    voorwerp 39, zijnde een ING bankpas vallende goednummer 5086679;

  • -

    voorwerp 40, zijnde een ABN Amro bankpas vallende onder goednummer 5118393;

  • -

    voorwerp 41, zijnde een ING bankpas vallende onder goednummer 5067872.

Wijst de vordering van [persoon 27], wonende te [plaats] , toe tot € 170,00 (honderdzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 27] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 27] , aan de Staat € 170,00 (honderdzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 3 (drie) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 12], wonende te Hoorn, toe tot € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 12] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 12] , aan de Staat € 150,00 (honderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 3 (drie) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 15], wonende te [plaats] , toe tot € 650,00 (zeshonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 15] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 15] , aan de Staat

€ 650,00 (zeshonderdhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 13 (dertien) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 30], wonende te Heiloo, toe tot € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 30] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 30] , aan de Staat

€ 150,00 (honderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 3 (drie) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 24], wonende te Utrecht, toe tot € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 24] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 24] , aan de Staat € 150,00 (honderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 3 (drie) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 31], wonende te Utrecht, toe tot € 1.250,00 (twaalfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 31] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 31] , aan de Staat

€ 1.250,00 (twaalfhonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 25 (vijfentwintig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van ING Bank N.V., wonende te [plaats] , toe tot € 17.010,79 (zeventienduizendentien euro en negenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan ING Bank N.V. voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. R.H. Mulderije en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2016.

1 Onderzoek [onderzoek A] , bijlage 7, proces-verbaal van bevindingen IMEI nummers gekoppeld aan de mobiele telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] van 12 november 2015.