Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2016:619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
13/684372-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Door opzettelijk een (frontale) aanrijding te veroorzaken heeft verdachte zich onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en vernieling.

Van de poging tot doodslag en stalking wordt verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684372-15

Datum uitspraak: 9 februari 2016

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedatum] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2016.

1.2

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A. Kersten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.J.M. den Blanken, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1 primair

hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] en/of [persoon 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met hoge snelheid) meermalen, althans eenmaal, op/tegen de auto van voornoemde [persoon 2] is ingereden en/of tegen de auto van voornoemde [persoon 2] is aangereden en/of gebotst, terwijl voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] in voornoemde auto reden en/of zaten;

Feit 1 subsidiair

hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] en/of [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met hoge snelheid) meermalen, althans eenmaal op/tegen de auto van voornoemde [persoon 2] ingereden en/of tegen de auto van voornoemde [persoon 2] aangereden en/of gebotst, terwijl voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] in

voornoemde auto reden en/of zaten;

Feit 2 primair
hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer uit de mond geslagen tand(en) en/of een gebroken pols, heeft toegebracht, door voornoemde [persoon 2] met dat opzet meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of op/tegen het lichaam te trappen en/of schoppen;

Feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] heeft geslagen en/of gestompt en/of op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] heeft getrapt en/of geschopt;

Feit 2 meer subsidiair

hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] en/of trappen en/of schoppen op/tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] , tengevolge waarvan voornoemde [persoon 2] zwaar lichamelijk letsel (een of meer uit de mond geslagen tand(en) en/of een gebroken pols), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 3

hij op of omstreeks 21 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Ford), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door meermalen, althans eenmaal, op voornoemde auto in te rijden en/of tegen voornoemde auto aan te rijden en/of te botsen;

Feit 4

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 21 juli 2015 te Zaandam en/of Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [persoon 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door meermalen, althans eenmaal, foto's van voornoemde [persoon 1] te maken en/of voornoemde [persoon 1] te achtervolgen;

Feit 5

(pv 2015138807)

hij op of omstreeks 6 juni 2015 te Zaandam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer autoband(en) (Peugeot 307, gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een of meer schroevendraaier(s), althans een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in voornoemde autoband(en) te steken en/of snijden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
4. Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 bewezen kan worden.

4.2

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde betoogd dat geen aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van [persoon 2] en/of [persoon 1] heeft bestaan en verdachte als gevolg daarvan geheel van het onder 1 primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman erop gewezen dat de inzittenden van de auto wellicht bang zijn geweest, maar dat dit niet is ontstaan door de botsing zodat van een strafrechtelijke bedreiging geen sprake kan zijn. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het letsel is ontstaan ten gevolge van de mishandeling zodat verdachte ten aanzien van de feiten 2 primair en subsidiair dient te worden vrijgesproken. Ook ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak. Ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair, 3 en 5 heeft de verdediging zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Partiële vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit (poging doodslag)
De rechtbank acht met de verdediging, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken die zich in het strafdossier bevinden en evenmin uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de auto’s waarin respectievelijk verdachte en de slachtoffers ( [persoon 2] en [persoon 1] ) zich bevonden ten tijde van de aanrijding met een zodanig hoge snelheid reden dat de aanrijding een aanmerkelijke kans op de dood voor één van hen met zich bracht. Als gevolg daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat ten tijde van de aanrijding naar objectieve maatstaven een aanmerkelijke kans op de dood van voornoemde [persoon 2] en [persoon 1] heeft bestaan, waardoor het opzet op de dood niet is bewezen.

4.3.2

Vrijspraak van de onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten

De rechtbank acht met de verdediging, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, te weten (poging tot) zware mishandeling. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Na de aanrijding van de auto’s van verdachte en [persoon 2] en de daarop volgende ruzie die tussen beiden is ontstaan, is door het VU Medisch Centrum bij [persoon 2] geconstateerd dat hij een voortand miste en last had van zijn linker pols. Die linker pols was – zo bleek later – gebroken. [persoon 2] heeft verklaard dat hij tijdens de aanrijding met zijn mond/gezicht tegen het stuur is geklapt en zijn lichaam het stuur heeft geraakt. [persoon 2] , [persoon 1] en getuige [getuige 1] hebben gezien dat verdachte tegen het gezicht van [persoon 2] heeft gestompt en tegen zijn lichaam heeft geschopt. Niet duidelijk is welke van de verwondingen van [persoon 2] door de aanrijding dan wel door het slaan en/of schoppen door verdachte zijn veroorzaakt. Vast staat dat het letsel is veroorzaakt door verdachte, maar niet kan worden vastgesteld door welk handelen: de aanrijding of de daarna volgende mishandeling. Verdachte zal aldus worden vrijgesproken van de tenlastegelegde (poging tot) zware mishandeling.

4.3.3

Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde feit

De rechtbank acht met de verdediging, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit, kort gezegd stalking. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Uit het strafdossier is niet gebleken dat verdachte de verweten handelingen, te weten het maken van foto’s en het achtervolgen van [persoon 1] , stelselmatig heeft verricht. Dat is wel nodig voor een bewezenverklaring van stalking.

4.3.4

Bewijs ten aanzien van het onder 1 primair (poging zware mishandeling) en 3 ten laste gelegde feit
De rechtbank acht op grond van de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en daarvan deel uitmaakt, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling (feit 1 primair), mishandeling (feit 2 meer subsidiair), vernieling (feiten 3 en 5), Nu verdachte de feiten 2 meer subsidiair en 5 heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank ten aanzien van die feiten volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1, primair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling)

Hoewel niet is komen vast te staan met welke snelheid verdachte precies heeft gereden, stelt de rechtbank vast dat de in de tenlastelegging genoemde aanrijding met meer dan geringe snelheid moet hebben plaatsgevonden. [persoon 2] werd al rijdend aangereden door de auto van verdachte, die hem op de voor verdachte verkeerde weghelft tegemoet reed. [persoon 2] heeft verklaard dat sprake was van een harde botsing. [persoon 1] heeft verklaard dat zij ongeveer 50 kilometer per uur reden. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de auto’s hard reden. Ook gezien de gefotografeerde schade moet de snelheid meer dan gering zijn geweest. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte met een meer dan geringe snelheid heeft gereden. Hij is met die snelheid doelbewust op de voor hem verkeerde weghelft gaan rijden door de tussen de beide weghelften gelegen grasberm over te steken en is vervolgens op de voorzijde van de auto van [persoon 2] ingereden. Door met meer dan geringe snelheid, met een auto, frontaal op een andere rijdende auto in te rijden, bestaat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de aanmerkelijke kans bestond dat [persoon 2] en [persoon 1] zwaar lichamelijk letsel zouden worden toegebracht.

Verdachte had, voordat hij de grasberm tussen de beide weghelften was overgestoken en frontaal tegen de auto van [persoon 2] was aangereden, al twee maal eerder met zijn auto de auto van [persoon 2] geraakt. Verdachte heeft dus voor de frontale botsing al enige tijd gehad om na te denken over wat hij aan het doen was (opzettelijk een aanrijding veroorzaken) en over het gevaar dat daarmee gemoeid is. De hierboven beschreven aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is zodanig evident, dat de rechtbank niet voor mogelijk houdt dat verdachte zich dat in die tijd voorafgaand aan de frontale botsing niet zou hebben gerealiseerd. Toch heeft hij tot de frontale aanrijding besloten. Hij heeft dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de inzittenden van de andere auto zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1 primair

hij op 21 juli 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] en [persoon 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op de auto van voornoemde [persoon 2] is ingereden en tegen de auto van voornoemde [persoon 2] is aangereden, terwijl voornoemde [persoon 1] en [persoon 2] in voornoemde auto reden;

Feit 2 meer subsidiair

hij op 21 juli 2015 te Amsterdam opzettelijk [persoon 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het stompen tegen het gezicht van voornoemde [persoon 2] tengevolge waarvan voornoemde [persoon 2] pijn heeft ondervonden;

Feit 3

hij op 21 juli 2015 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Ford), toebehorende aan [persoon 2] , heeft vernield door op voornoemde auto in te rijden en tegen voornoemde auto aan te rijden;

Feit 5

hij omstreeks 6 juni 2015 te Zaandam opzettelijk en wederrechtelijk autobanden, toebehorende aan [persoon 1] , heeft vernield door met een schroevendraaier in voornoemde autobanden te steken en/of snijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair: poging zware mishandeling

Feit 2 meer subsidiair: mishandeling

Feit 3: vernieling

Feit 5: vernieling

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 5 (primair) ten laste gelegde feiten en heeft gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van twee jaren. Naast de algemene voorwaarde heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden oplegt: een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod ten aanzien van [persoon 2] en [persoon 1] . Van het contactverbod heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.
Naast voornoemde gevangenisstraf heeft de officier van justitie tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes (6) maanden gevorderd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling, mishandeling en vernieling in het verkeer. De ervaring leert dat dit soort geweldsincidenten niet alleen angst en onrust teweeg brengen bij de slachtoffers, maar eveneens de omstanders die getuige zijn geweest van het gebeuren. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vernielen van autobanden. Dit soort feiten zijn hinderlijk en zorgen voor veel overlast.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd. Redengevend daarvoor is dat de rechtbank minder en andere feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafsoort. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit en de op te leggen straf naast vergelding ook tot doel heeft om verdachte in de toekomst van recidive te weerhouden. Om die reden acht de rechtbank het wenselijk dat verdachte zich gedurende de hierna te noemen proeftijd houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt dat verdachte wordt verplicht zich te laten behandelen voor emotieregulatie bij forensische psychiatrie de Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg.

De vordering van de officier van justitie om naast een gevangenisstraf een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, wijst de rechtbank af omdat de bewezen verklaarde feiten niet worden genoemd in artikel 179 Wegenverkeerswet (WVW) 1994, waardoor het niet mogelijk is aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde stalking ziet de rechtbank bovendien onvoldoende aanleiding het gevorderde contactverbod op te leggen.

9 Vorderingen benadeelde partij

9.1

Vordering benadeelde partij [persoon 1] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.730,46 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 primair en 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit reparatiekosten van de vernielde autobanden (€189,90) en reiskosten (€ 15,56).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat de reparatiekosten van de vernielde autobanden rechtstreeks voortvloeien uit het onder 5 bewezen verklaarde feit. Die kosten komen als gevolg daarvan voor vergoeding in aanmerking. Ook de kosten die zijn gemaakt om naar Slachtofferhulp Nederland te reizen komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade in zoverre dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over €189,90 vanaf 6 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Naast de hierboven genoemde materiële schade komt de rechtbank, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 400,00 billijk voor. De benadeelde partij heeft deze schade als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit (poging tot zware mishandeling) geleden. In zoverre zal de gevorderde immateriële schade dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en het bedrag ten behoeve van de reiskosten ad €15,56 vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering immateriële schade wordt voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.2

Vordering benadeelde partij [persoon 2] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.711,73 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit tandheelkundige kosten (€ 564,52), toekomstige tandheelkundige kosten (€3.404,50), kosten fysiotherapie (€68,75), hulpmiddelen (€50,38), pijnstillers (€25,00), OV-kosten (€49,36), extra reis- en parkeerkosten (€32,55), onbenut sportabonnement (€207,50), huishoudelijke hulp (€1.008,27), reparatiekosten IPhone (€290,90) en verlies arbeidsvermogen (€110,00).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende kosten rechtstreeks voortvloeien uit de onder 1 primair (poging tot zware mishandeling) en 2 meer subsidiair bewezen verklaarde feiten:

- tandheelkundige kosten (€ 564,52)

- kosten fysiotherapie (€68,75)

- pijnstillers (€25,00)

- OV-kosten (€49,36)

- extra reis- en parkeerkosten (€32,55)

Totaal: € 740,18

Die kosten komen als gevolg daarvan voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade in zoverre dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten van een onbenut sportabonnement (€207,50)

niet rechtstreeks voortvloeien uit één van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank wijst voornoemde gevorderde schade dan ook af.

De rechtbank is ten aanzien van de toekomstige tandheelkundige kosten (€ 3.404,50) van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat deze kosten in hun geheel daadwerkelijk het gevolg zijn van het bewezen verklaarde. Verder is de rechtbank van oordeel dat de kosten voor hulpmiddelen (€50,38), kosten voor huishoudelijke hulp (€1.008,27), het verlies arbeidsvermogen (€110) en de reparatiekosten van de Iphone (€290,90) onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Naast de hierboven genoemde toegewezen materiële schade komt de rechtbank, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor. De benadeelde partij heeft deze schade als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit (poging tot zware mishandeling) en het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde feit geleden. In zoverre zal de gevorderde immateriële schade dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair (poging doodslag), het onder 2 primair en subsidiair en het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair (poging zware mishandeling), 2 meer subsidiair, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde:

De eendaadse samenloop van
poging zware mishandeling

en

vernieling

ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde: mishandeling


ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde: vernieling


Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot één (1) maand niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

3.
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden

Meldplicht
Veroordeelde dient zich onder toezicht van Reclassering Nederland te stellen in de regio waar hij woonachtig is en de aanwijzingen op te volgen die door of namens de reclassering nodig worden geacht.
Ambulante forensische behandeling
Veroordeelde is gedurende de proeftijd verplicht mee te werken aan een emotieregulatie-training bij ambulante forensische behandeling bij De Waag of soortgelijke forensische instelling, indien en voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de reclassering/instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [persoon 1] geleden schade tot een bedrag van € 605,46 (zeshonderdenvijf euro en zesenveertig eurocent), bestaande uit € 205,46 voor de materiële en € 400,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over €189,90 vanaf 6 juni 2015 en over €415,56 vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [persoon 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.


Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [persoon 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 605,46 vermeerderd met de wettelijke rente over €189,90 vanaf 6 juni 2015 en over € 415,56 vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twaalf (12) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [persoon 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.740,18 (zeventien-honderd-en-veertig euro en achttien eurocent), bestaande uit € 740,18 voor de materiële en € 1.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [persoon 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.


Verklaart de benadeelde partij voor het overige tot een bedrag van € 6764,05 niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Wijst de vordering voor het overige tot een bedrag van € 207,50 af.


Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [persoon 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.740,18 (zeventien-honderd-en-veertig euro en achttien eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zevenentwintig (27) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Diesfeldt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2016.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.